De Scheepsjongens van Bontekoe
Part 19
Nauwelijks hadden ze het pad ingeslagen, of voor hen uit, vlak bij, begon een hond te janken. In alle omzichtigheid werd nu de tocht voortgezet. Spoedig zag men tusschen de dikke bamboestelen een open plek schemeren en in het midden daarvan een bouwvallig huisje op hooge palen, aan een waarvan een magere hond was vastgebonden, die allerafgrijselijkst te keer ging. Overigens zag het huisje er nogal vreedzaam uit: een paar duiven vlogen van het dak op, en toen kwam zelfs een duif uit het lage huisdeurtje fladderen, zoodat het heele gebouwtje meer op een til dan op een menschelijke woning geleek. Weifelend betraden de maats de open plek.
Toen de hond zijn gasten zag opdagen, staakte hij zijn Jobsiaansche jeremiades, jankte vreugdevol, ging van opwinding op zijn achterpooten staan en verhing zich daardoor bijkans in den strik om zijn hals. En toen de oomes hem den smerigen, stekeligen kop krauwden, kreunde hij zacht van geluk, kwispelstaartte en draaide dankbaar het achterlijf.
Een gekorven kokos-stam stond schuin tegen het huisje op,—scheen als „trap” te hebben dienst gedaan. „’t Lijkt wel een kipperen”, meende Floorke, terwijl hij naar boven balanceerde. „Blijf jij nou beneden!”—dat was tegen Gerretje, die volgen wou—„We kunnen er met z’n tweeën niet op: ’t is geen marremeren trap!” „Wat zie je?” vroegen ze van beneden, toen Floorke naar binnenkroop.
„Pah!” gromde Floorke en spuwde luidruchtig. „’k Heb een spin in m’n mond!”
„Kun je wat zien, of is het donker?”
„Donker? ’t Dak is zoo lek als de Zuid-Westenwind! Maar d’r is niks te zien! ’n Paar gebarsten potten! Wacht, daarachter is nog een kamertje, geloof ik.”
„Ga daar ’ns kijken?” En toen Floorke geen haast maakte, smaalden ze: „Of durref je niet?”
„’t Is ijs van één nacht, die vloer”, aarzelde Floorke. „Je kijkt d’r zóó doorheen.”
„Wat een vent!” hoonde Gerretje van omlaag. „Kom terug, dan zal ik gaan kijken!”
„Als je d’r trek in hebt, vooruit maar”, zei Floorke en klauterde naar beneden.
Gerretje’s gelaat drukte thans twijfel uit. Hij wist wel, dat Floorke niet voor een klein geruchtje vervaard was. Als die zei: „’t Is vuil!” dan was ’t ook vuil. Maar eens gezegd bleef gezegd. Hij klauterde behendig de „loopplank” op, zooals hij zei, en overzag, boven aangekomen, het terrein. „Dunnetjes is ’t!” moest hij toegeven.
„Oh!” stelde Floorke beneden vast.
„Weet je wat ik doe?” zei Gerritje. „Ik spring er overheen! Daar ginds is wéér een dikke bamboe!”
„Ja, laat je niet kisten, Gerretje!” riepen de maats. „Je botten zijn betaald!”
Gerretje zette af, van een-twee-dr.....! Een heidensch gekraak. De „trap” sloeg neer, kletste in de modder, die alle zijden uitspatte, en het huisje viel keurig netjes om, de vier ontwortelde palen in de lucht, zoodat de hond, die aan een der palen gebonden was, met uitpuilende oogen in de lucht kwam te bengelen. En het dak scheurde open, en daaruit buitelde, als een Sinterklaasverrassing..... Gerretje.
De maats zakten bijkans ineen van plezier. Floorke sneed haastig den hond los, die daarop half flauw op den grond tuimelde en het als zijn eerste plicht beschouwde, Floorke’s bloote voeten schoon te likken. Gerretje krabbelde met een vrij krasse bewering tegen de Sumatraansche huizenbouw overeind en veegde de handen aan zijn broek af.
„Laten we er het zwijgen maar toe doen!” stelde Floorke voor. En terwijl er een paar in het omgevallen huisje snuffelden en veel stof, spinnen en kakkerlakken vonden, liepen de anderen de open plek eens rond en ontdekten een smal pad, echter zóó verwilderd, dat men zich slechts met den bijl een doortocht zou kunnen banen.
Men besloot terug te keeren en nam den hond als krijgsbuit mee. Uitgelaten van vreugde sprong het beest tegen zijn bevrijders op, die intusschen de meest fantastische veronderstellingen te berde brachten over den samenhang van de vergane prauw, het wrakke huisje en den uitgemergelden hond.
Zoo kwam men met een levende ziel méér bij de jol aan. De mannen, die onder leiding van Folkert Berentsz. waren uitgegaan, vertelden, eenigszins jaloersch op den vierpootigen buit der anderen, een slang te zijn tegengekomen, zoo dik, dat ze hem met z’n vijven niet omspannen konden. Hij had gesist, dat je er koud van werd. Padde wou hem bij z’n staart pakken—nietwaar, Padde?—toen ie er van tusschen ging, de boomen wegdrukkend als grashalmen.
Maar toen wist Floorke te vertellen van een krokodil, wiens staart ze uit het bosch hadden zien steken, en toen ze het eiland half waren omgeloopen, hadden ze aan den anderen kant zijn kop gevonden, een merakel klein koppie, niet grooter dan de Nieuw-Hoorn..... destijds. Gerretje had z’n kop voor een kloof aangezien, want het toeval wilde, dat de krokodil juist gaapte. Gerretje was er in geloopen en had nog gezeid: „Jongens, wat is de grond hier slappies!”—Die grond was natuurlijk de tong van die krokodil geweest. Nou, en in eens had het mormel z’n bek dichtgeslagen, en Gerretje zat in het pikkedonker. Tusschen de tanden was hij er weer uitgekropen, waar Gerretje?
Maar toen had Harmen nog heel wat anders te vertellen! Hij had er over willen zwijgen, maar nu Floorke zóó begon, zou Harmen zijn broek ook eens in ’t zonnetje hangen! Nou, ze hadden me dan een beestje gevonden, zoo op het eerste gezicht een regenwurm. De Schele had het bij zich gestoken voor Vader Langjas, maar ineens was het in zijn zak begonnen te praten. „Schele”, had het gezegd, „scháám jij je niet?” Toen had de Schele het beest weggegooid; het had in zuiver Maleisch: trima kassi banjak! gezeid en was toen in zee weggezwommen,—had, met een blad boven z’n kop als blind zeil, tegen den wind in gelaveerd.
Tegen zulke avonturen voelde Floorke zich niet meer opgewassen. „Laat je duim eens kijken?” zei hij smalend tot Harmen. „Je zult ’m wel heelemaal plat gezogen hebben.”
Harmen grinnikte, toonde z’n duim.
Men laadde de jol met kokosnoten en bananen, borgde vruchten onder de plecht, in het achterkastje, boven op het roefje ... het leek wel, of de jol ter markte toog. Een riviertje was niet gevonden, zoodat men de vaatjes maar met kokosmelk vulde.
Den tijd, dien de mannen bezigden om te proviandeeren, maakte de magere, stekelige hond zich ten nutte door een groote boschrat te vangen en die in gulzige haast te verorberen. Toen hij in de gaten kreeg, dat de mannen van plan waren in zee te steken, vroeg hij op hondenmanier om meegenomen te worden. Hij scheen met de zee vertrouwd te zijn.
De maats willigden zijn verzoek in. Ze klopten hem vertrouwelijk op z’n bottige flanken, stelden vast, dat je z’n ribben tellen kon, dat z’n ooren allergemeenst lang en steil waren, dat z’n vel bij den vilder geen duit zou opbrengen, maar dat hij, naar z’n oogen te oordeelen, een rondborstige natuur had.
Hij werd ook gedoopt.
„Joppie” noemden ze hem—want driemaal is scheepsrecht.
In de schemering verliet de jol het land. Verder maar weer! De maats waren vol moed. Hier konden ze toch niet blijven, en de schipper zei, dat ze binnen twee dagen Sumatra voor den boeg zouden krijgen. Dus nog maar eens het lijf gewaagd! Het gevoel van onrust, dat hen overmeesterde, toen ze het eilandje in de duisternis zagen wegzinken, werd dapper weggeslikt.
Joppie hief als afscheidsgroet een erbarmelijk gehuil aan, dat uit de verte door apengekrijsch beantwoord werd. De oomes stelden hem voor de keus: over boord te vliegen of met z’n gegil op te houden. Joppie verkoos het eerste, werd door Hilke bij z’n nekvel ferm in het water ondergedompeld, schudde toen z’n natte, steile haren uit, zocht daarop achter in de roef het beste plekje op en sluimerde zuchtend in, tot Folkert Berentsz. hem deed verhuizen, omdat hij daar liggen wou. Toen namen een paar oomes Joppie als hoofdkussen,—waarvan ze later geduchte spijt en kriebel kregen.
De maan kwam op, mild, vriendelijk als een moederoog, wakend over de zeventig brave jongens in de jol.
Een groote zwerm kalongs streek hoog over de jol in Oostelijke richting voorbij, zwijgend,—als schaduwen.
Alom stilte. Stilte.
SUMATRA
Aan den paarlemoeren hemel kwamen gouden schemeringen; een paar opstijgende wolkjes kregen gouden randjes aan den onderkant; toen dook de zon zelf in een rozerood jurkje uit het water op. Later trok ze haar dagkleed aan, en de hemel werd blauw, fel-blauw, tot hij ten slotte onvermengd kobalt was.
Drie blinkend-witte meeuwen vlogen tsjiepend om de jol, doken in sierlijken val naar een vischje. Joppie kefte tegen de gevleugelde metgezellen, tot een bad hem weer wat tot kalmte bracht. Hij wilde nu wat op z’n staart gaan knabbelen,—welke staart echter tot Joppie’s verwondering niet zoo maar als een worst in de lucht hing, maar integendeel stevig aan zijn achterlijf bleek te zitten en lang niet makkelijk met de tanden te grijpen viel,—reden waarom Joppie zóó vlug rondtolde, dat hij tegen alle oomes aanbotste. Eindelijk had Joppie zijn staart te pakken, en er daalde rust in de jol.
Bontekoe had goed voorspeld: ’s middags kwam Sumatra in het zicht,—een lange streep land, die langzaam-aan tot een machtigen wand van diep-paarse bergen werd, waarachter een groote kerel te smoken zat en dikke, witte wolken over den ganschen hemel blies.
Men besloot voorloopig de kust maar af te zeilen, om zoo spoedig mogelijk Straat Soenda en daarna Bantem te bereiken. Er was nog geen gebrek aan eten.
Zoo koerste men in Zuid-Oostelijke richting. De zon ging helder onder. De wind sloeg geheel naar het Noorden om, zoodat men het niet beter wenschen kon.
De maan kwam op, eerst bleek, allengs aangloeiend tot zilver en den ganschen hemel vullend met haar wonderlijk licht. Sterretjes pinkten in alle kleuren; het was, alsof er van daarboven een zachte, zoete muziek omlaag zweefde.
Een prauwtje! Badend in het maanlicht danste het hulkje op de golven. Een eenzame visscher stond er rechtop in, verdiept in zijn werk, zoodat hij de jol niet zag naderen. In wijden zwaai wierp hij zijn net uit, dat stillekes in het water viel. De man was bijna geheel naakt; het maanlicht omlijnde zijn slanke schouders. Als een kroon stond hem een zwierig gestrikte hoofddoek in het haar.
Plots bemerkte hij de jol, trok vlug het net binnen boord en pagaaide in zijn rank vaartuigje weg. Luchtig danste het over de hooge branding. „Sobat! Sobat kras!” schreeuwde Floorke. Maar de inboorling scheen van die dikke vriendschap niets te gelooven.
Den volgenden dag raakten de noten op, en men moest nieuwen voorraad zien op te doen. Het ging er dus om, een inham te vinden. Daar de wind nu echter naar het Zuid-Oosten was omgeloopen, moest men laveeren en raakte daarbij telkens op zoo grooten afstand van de kust, dat men licht een geschikte ingang ongezien voorbij zou kunnen zeilen. Daarom werd besloten, dat vier of vijf man het strand zouden afloopen en waarschuwen, zoodra ze op een baai zouden stuiten. Hilke, Floorke, Harmen, Hajo en Rolf knoopten hun broek wat steviger aan en wipten overboord. Goede zwemmers als allen waren, wisten zij zich proestend en snuivend door de stoere branding heen te werken. En met het geruststellende gevoel van terstond weer het ruime sop te kunnen kiezen, indien inboorlingen het hun lastig mochten maken, volgden zij het strand, dat aan de landzijde was begrensd door boomen en ellenhoog gras daartusschen. Zwermen meeuwen vlogen nu en dan op.
Allengs werd het strand smal en modderig; hier en daar stonden de boomen zelfs met den voet in het water, en het wemelde van slijkspringertjes.
Onze vrienden baanden zich nu een weg door het hooge gras, waarin ze geheel kopje onder gingen. Hilke, die vooropliep, verstijfde van schrik, toen vlak voor zijn voeten een aap wegsprong en zich langs een paar hangende lianen in een grooten loofboom werkte, van waar hij den oomes in apentaal een reeks verwenschingen naar het hoofd slingerde. De grond voor Hilke’s voeten was opengerukt, en een paar planten lagen met de wortels naar boven. Zonderling was, dat iets boven de wortels kleine boontjes zaten, die zich te voren blijkbaar onder den grond hadden bevonden, want er zat nog aarde aan. Floorke veegde een boontje aan zijn broek af. „Zou je ze kunnen eten?”
„Waarachtig!” meende Hilke. „Als die aap er voor naar beneden komt om ze uit de grond te wurmen.....!”
Aarzelend stak Floorke het boontje in den mond. „Aan die schil is niet veel smaak”, verklaarde hij. „Maar die pitjes, die er in zitten, zijn best!”
De anderen proefden nu ook eens. Hilke bekeek de kleine, ovale blaadjes van het plantje en merkte na eenig rondkijken, dat er overal volop groeide. Allen propten de zakken vol boontjes, en Floorke koos er een naam voor: apenootjes.
Na een uur loopens vonden onze vrienden een rivier. Fluks de broeken uit en als seinvlaggen gebruikt! In de jol verstond men den wenk: de koers werd recht op de aangeduide plaats gesteld. Maar naderende, bemerkte men, dat vóór de monding der rivier een zandbank lag, die weliswaar niet boven het water uitstak, maar zoo’n hevige branding veroorzaakte, dat landen een gewaagde zaak scheen. Bontekoe durfde de verantwoording niet aan,—vroeg den maats zelf, wat ze wilden.
„Landen!” klonk het uit één mond.
„Wel”, zei Bontekoe, „dan waag ik er mijn huid ook aan. We zijn al door zooveel heen gerold! Smijt maar vier riemen uit, en aan elke riem twee man. Ik hou het roer. De rest klaar om te baliën!”
Men stuurde recht op de woelende, schuimende watermassa aan.
Toen kwamen er een paar spannende oogenblikken. De jol werd hoog opgenomen, neergekwakt; terstond volgde een zware roller en wierp ze half vol. Met schoenen, handen, mutsen en de twee vaatjes werd het water gehoosd, en de maats aan de riemen trokken als dollen. Daar sloeg een tweede roller achter over de jol. Het boord stak geen handbreed meer boven het water uit. De tanden opeengeklemd, werkten de oomes in razend tempo. Een derde golf stortte gelukkig achter de boot neer; een wolk van schuim vloog den kerels over het hoofd. Ze waren de branding uit.
Steeds voorthoozende, legden ze eerst aan den linkeroever aan, namen onze vijf vrienden op en staken daarna naar den rechteroever over, waar de jol aan beide dreggen gemeerd werd. Toen gingen ze aan wal.
De oevers van het riviertje waren dichtbegroeid. Waar de jol gemeerd lag, schoten de stammen van kokos- en betelpalmen op en dichte bamboebosschen, welker lange, smalle bladeren veelstemmig ruischten, wanneer er een koeltje langs streek. Dan tintelden ze van het zonlicht.
De schipbreukelingen keken eens rond, wat er hier aan proviand te vinden zou zijn. Floorke wees den schipper de boontjes, die ook hier rijkelijk tierden. Bontekoe proefde de „apennootjes” en vermoedde, op den olie-achtigen smaak afgaand, dat ze wel zeer voedzaam zouden zijn. Hij gaf den maats order, zooveel mogelijk te verzamelen. In kleine groepjes snuffelden de mannen den omtrek af. Harmen en Padde, die samen, al zoekende en peuzelende, waren afgedwaald, stonden, vóór ze het wisten..... voor een vuurtje!
„Allemachies!” stamelde Padde.
En Harmen lag al op z’n knieën en blies er in, wat hij maar blazen kon. Vuur! Dat konden ze gebruiken! Hilke, de eenige, die een vuurslag in zijn zak gehad had, was zoo dom geweest, het in de sloep te laten liggen toen hij met de anderen in de jol was overgestapt. „Hout!” riep Harmen, al blazende. „Droog hout!” Nu, hout lag overal voor het grijpen. En dank zij Harmen’s gezonde longen, sloegen de vlammen spoedig weer uit het smeulende vuurtje op.
„Wat ligt daar?” vroeg Padde, wijzend naar een paar hoopjes tabak op een stuk pisangblad.
Als antwoord griste Harmen een handvol weg en stak het in zijn zak. Toen begon hij te schreeuwen: „Hei! Holla! Ho! Hier is wat te zien!” Padde gilde opgewonden mee.
Daar kwamen de maats aanhollen. En op het gezicht van de twee schatten: vuur en tabak! sprongen ze van de pret. Gnuivend diepten ze hun pijpjes uit den broekzak op. De tabak werd eerlijk verdeeld. Al was er niet veel, allen zouden toch een fijn trekje kunnen doen.
„Jij hebt je zakken natuurlijk stikvol!” verweet Gerretje aan Harmen.
Harmen’s gelaat drukte een en al verbazing uit. „Hoe kan dat?? M’n zakken zitten vol noten! Kijk maar!” En Harmen gaf er met de vlakke hand een klap op.
„Ook een bewijs!” smaalde Gerretje.
„Harmen heeft de tabak gevonden!” suste Hilke. „Allicht, dat ie wat meer krijgt.”
„’k Wed, dat ie wel een pond in z’n zak heeft gestoken!” pruttelde Gerretje. „Zie z’n zakken maar eens uitpuilen! Ze zullen nog barsten!”
„En jij d’rbij!” verklaarde Harmen.
De mannen legden nog een paar vuurtjes aan. Toen hurkten ze om de hoog oplaaiende vlammen en zogen, stil genietend, aan hun pijpjes, tot de tabak op was,—behalve bij Harmen, die nog steeds dikke rookwolken de lucht inblies. Daarna verdiepten ze zich in gissingen omtrent de bewoners van dit land, die stellig in overhaaste vlucht de tabak hadden achtergelaten. Zouden ze den armen zwervelingen vijandig gezind zijn? Wat drommel, zorgen kwamen altijd nog vroeg genoeg!
Maar toen de avond daalde, met bedekte lucht, maakte langzaam-aan een innerlijke onrust zich van de schipbreukelingen meester. Als de wilden hen vannacht eens in grooten getale en gewapend zouden overvallen? Een enkele maal deed een avondkoeltje het gras ruischen; de lange halmen bogen zich tot elkaar over en fluisterden. Den oomes klonk het als de sluipende voetstap van sluwe, bloeddorstige wilden. Wat was dat voor een bruin, levend wezen in dien loofboom? Een groote aap? In de verte plots een vogelroep. Boven de zee kwamen de kalongs weer aandrijven, ware spookgedaanten, wanneer ze, na een oogenblik tegen een groezelige roetwolk verdoezeld te zijn geweest, ineens weer opdoken. De maats hurkten allengs bijeen om het grootste vuur, keken met glanzende oogen in de vlammen en wierpen er stukken droog hout op. Pookt de vlammen maar aan, jongens! Dat doet de onrust vluchten.....
Bontekoe besloot wachten uit te zetten. „Vrijwilligers?” Hajo en Rolf gaven zich als eersten op. Ze kregen de opdracht, de eerste paar uren van den nacht de rivier te bewaken.
De beide vrienden togen naar hun post. Maar ze waren nog geen tien pas op weg, toen hijgend en blazend Padde achter hen aan kwam hollen. „Ik ga ook mee”, verklaarde hij.
Moedig stapten de knapen het donkere bosch in. Padde liep achteraan, bibberend over al zijn leden, en hield Hajo bij de broek.
Zoo kwamen ze bij de rivier. Nu een goed uitkijkpunt te vinden! Hajo wist raad: een zware boom was schuin over het water gegroeid,—daar zouden ze inklimmen. „Kom, ga je mee, Padde?”
„Ik blijf beneden.”
„Maar daar kun je niets zien!”
„Ook nergens voor noodig”, vond Padde. „Als ze mij óók maar niet zien!”
„Nou, blijf dan beneden”, zei Rolf, „dan kun je je door de krokodillen laten weghalen.”
„Krokodillen?!” stamelde Padde. Zwijgend klauterde hij haastig achter Rolf aan.
Inderdaad: van hier hadden de knapen een prachtig uitzicht. De rivier was nergens dichtgegroeid, lag open en bloot te glanzen onder den nachtelijken hemel. Onze vrienden kozen een mooien, ronden tak om op te zitten. Ziezoo, nu zouden ze het wel een heele poos uithouden!
Maar ze hadden buiten die kleine kwelgeesten gerekend, die het onmogelijk maken, zonder beschutting den nacht in een tropisch oerwoud door te brengen: de muskieten! Het was om er dol van te worden, zoo zoemden ze je om de ooren. Zzzzzúúúú..... zzzzzinnng..... zzzzzoeoeoeoe..... Padde sneed een twijgje met loof af en zwaaide en sloeg er mee, dat hij er bijkans den boom door uittuimelde. Maar het hielp wel, en de anderen volgden zijn voorbeeld.
Ineens, beneden hen, brekende takken, gestamp en gesmak in den weeken modderbodem.....Onwillekeurig grepen de vrienden zich aan elkaar vast. Daar boog het gras ter zijde, en een donker, harig beest met twee zware, rondgebogen slagtanden, kwam zachtjes knorrend te voorschijn, waadde, zonder rond te zien, het water in, vol welbehagen slurpend. Daar kwam er nog een uit het gras naar voren, gevolgd door twee, vijf, acht, elf jonge, knorrende vierpooters, die zich gillend van vreugdevolle opwinding in de modder wentelden en daarna ook het water inliepen, slurpend, niezend en knorrend. Wilde varkens!
Ademloos keken de knapen toe. De biggetjes hadden een in de lengte gestreepte huid,—een grappig gezicht. De knapen waren zoo door het familie-bad der krulstaarten in beslag genomen, dat geen van hen de roering in het water bespeurde, daar verderop......
Eensklaps stiet een der biggetjes een smartkreet uit. Toen smoorde het water zijn gil, en het beestje werd door een onzichtbare macht weggesleept. Angstig schreeuwend vluchtten zijn broers en zusjes in onbeholpen sprongen den oever op. Maar de ouden stoven met woedend snuiven en blazen naar de plaats, waar het jong in de diepte was gesleurd. Terwijl het wijfje daar bleef staan, zwom het mannetje nog een eind door, draaide zoekend rond en keerde ten slotte met een klagend geluid naar zijn wijfje terug,—waarop ze beiden weer naar den oever baggerden en grommend tusschen het gras verdwenen, de jongen achter het wijfje aan. In hun haast en opwinding botsten de biggetjes tegen mekaar op, vlogen over den kop, met den snuit de modder in. Maar knorrend en gillend stormden ze weer voort, zich geducht reppend en vinnig slaand met de korte achterpootjes, dat de kluiten aarde met een wijden boog in het water kletsten. Toen werd het weer stil.
De jongens ademden diep op. Foei! wat staken de muskieten! Van den grond stegen drie vuurvliegjes op, dwarrelden omhoog en doken weg in de boomkronen. Een kikker ratelde en kreeg van den anderen oever antwoord. Brèkèkèkèkèrrrrrr..... Een watervogel vloog eensklaps, met heidensch misbaar, uit het oeverriet op, tuimelde tegen de takken van den boom, waarin de jongens zaten, plofte half verdoofd in de rivier neer, zocht toen, vleugelklappend, de pooten door het water slierend, een schuilplaats in een anderen bundel riet, waar hij doodstil zitten bleef. Toen een eentonig, klagend geluid, als het zacht neuriën van een half vergeten wijsje. Inlanders zeggen, dat de krokodillen zingen, om hun prooi in het water te lokken.....
Toen kwamen Hilke en Harmen de jongens aflossen. Zwijgend, half droomend gingen ze naar het kamp terug, legden zich bij een der vuren neer en sliepen in.
De nacht verliep rustig.
Verkwikt stonden allen den volgenden morgen op. Juist hadden ze het ontbijt naar binnen gespeeld: kokosmelk met gepofte apenootjes, warm uit het vuur! toen er drie inlanders uit Zuidelijke richting langs het strand kwamen aanloopen. De barbier, Bolle en Floorke, beroemd om hun vloeiend Maleisch, werden hun te gemoet gezonden. Floorke gespte zich, als teeken van waardigheid, den roestigen degen om en gebaarde zich als leider van de deputatie.
Zoo ontmoetten de twee groepjes elkaar. De inlanders waren licht van huidskleur en maakten een beschaafden indruk. Ze droegen fraaie doeken in het sluike, glanzend zwarte haar; het naakte bovenlichaam had geen tatoeage, en om de heupen vouwde zich een soort rok met mooie figuren. Onbevreesd, ook niet zoo erg verbaasd keken ze den maats in de oogen en groetten in het Maleisch.
Floorke nam terstond het woord. „Hebben jullie eten? Makan? We zullen betalen! Bajar!”
„Ada makanan, toean”, was het bevestigende antwoord.
„Makanan apa?” vroeg Bolle.
Wat voor eten? Een der Maleiers somde op: „Nassi, kambing, ajam-ajam, ikan, boewah.....”
„Goed, breng maar hier. Wat is dit voor een land? Negeri apa ini?” informeerde de barbier.
„Negeri Lampong, toean”, was het antwoord.
„Aha! De Zuidelijkste provincie van Sumatra! Dat is mooi!—Mana negeri Djawa?”
Waar Java lag? De Maleiers wezen de kust af, in Zuid-Oostelijke richting.
„Dat klopt!” zei Vader Langjas verheugd. En in het Maleisch vertelde hij, hoe ze hun schip hadden verloren en nu de reede van Bantem zochten.
Bantem was nog ver, verzekerden de inboorlingen, en er lag een zee tusschen. Daarop togen ze heen, beloofden spoedig met voedsel te zullen terugkeeren.