De Scheepsjongens van Bontekoe
Part 18
Grienend laten de oomes de riemen zinken. Nu eerst voelen allen hoe afgemat ze zijn. Als de zon opgaat, is er geen een meer wakker.
Stuurloos dobbert de jol op den stillen golfslag. Een heerlijk blauw uitspansel welft zich boven de onafzienbare watermassa.
In den middag ontwaken enkelen. De slaap heeft verkwikking geschonken; de kerels voelen hun hoop weer opleven: de schipper is aan boord en zal wel goeden raad geven. Fluisterend, als waren ze in de stilte rondom voor hun eigen stemmen bang, bespreken ze den ondergang van hun prachtige schuit en het verlies van al hun schatten. De een had nog vijf vette ganzen gehad; die dobberden nou stellig ook ergens rond! Een ander had zijn mes verloren, z’n puike, fijne messie, dat ie verleden Zaterdag nog zoo lekker had aangezet. Zou je niet spinnijdig worden op dien beroerden botteliersmaat met z’n kaarsje? En z’n vrind Nelis was ook naar de weerlicht. Z’n vrind Nelis, waarmee-d-ie al wel door een dozijn schipbreuken goed was heengerold. Z’n mes en z’n vrind weg!
Allengs werden allen wakker. Men wekte den schipper. „Wat moeten we doen, schipper? We zien het wrak niet meer en ook geen land.”
„Zijn jullie dan toch van het wrak weggeroeid?”
„Ja, schipper, we dachten.....”
„Dat was verkeerd. Is er een zeil in de jol?”
Men zocht onder de plecht en de banken. „Neen, schipper, geen stukkie zeil.”
„Trek dan de hemden uit en maak er een zeil van.”
Men sloeg vol vertrouwen aan het werk. De schipper zou hen wel naar Sumatra brengen! De stootballen werden binnen boord gehaald en tot garen uitgeplozen. Toen men voldoende meende te hebben, trokken de maats de hemden uit en begonnen ze aaneen te naaien tot twee zeilen.
De barbier ging den toestand der gewonden na. Haast allen hadden zich min of meer de voetzolen verbrand. Eerst werd de schipper behandeld, die twee hoofdwonden had. Vader Langjas kauwde iets van het weinige brood, dat de eerste vluchtelingen inderhaast hadden meegesleept, tot een papje en legde dit op de kwetsuren. Ook de andere gewonden werden aldus behandeld. Rolf had een brandwond aan het been, die gedurende den nacht leelijk was opgeloopen en den braven barbier, die vaderlijke gevoelens voor Rolf koesterde, bezorgd zijn grijzen bol deed schudden.
Men telde met z’n hoevelen men in de boot zat en kwam tot het getal zes-en-veertig. In de sloep konden hoogstens tachtig man zijn geborgen. En dus de anderen.....!
Tegen de schemering waren de zeilen klaar. Men richtte den mast op, die in de jol lag, en haakte er den boom en de gaffel in. Een opgestoken roeispaan diende voor fok. Toen de beide masten stonden en de „zeilen” waren bevestigd, wendde men den steven Noord-Oostelijk. De bedroevend kleine voorraad brood werd bijeengelegd, en allen kregen er een vingerdikke snede van. Het was onrustbarend te zien, hoe zelfs het uitdeelen van een zoo geringe hoeveelheid den voorraad slinken deed.
Padde had den heelen dag door geslapen. Toen hij ’s avonds ontwaakte van het lawaai, dat met het oprichten van den mast gepaard ging, borg hij terstond het hoofd weer in de armen weg en hield zich, angstig, slapende.
Hajo was, als alle anderen, weer vol goeden moed, rekende er stellig op, dat, nu ze in de goede richting zeilden, morgen wel land in ’t zicht zou komen.
Rolf, die de laatste paar maanden dagelijks de reis op de kaart gevolgd had, zag den toestand minder rooskleurig in. De pijn aan zijn been stemde hem ook niet vroolijker en maakte hem koortsig.
Zoo viel de duisternis in, ving alles in haar wijde armen.
Te middernacht maakt Gerretje een heidensch spektakel. „Land! Land!!” Alles vliegt overeind. „Waar is land?!”
Aan bakboord, ver weg, pinkt een lichtje. Een dolle vreugde maakt zich van de schipbreukelingen meester. Men gooit de zeilen om, grijpt naar de riemen. Dat licht kan niet anders dan land zijn: midden op zee groeien geen lampjes als paddestoelen in een wei, wâblief? ’t Zou een wallevisch kunnen wezen met een lichie op z’n knikker! Neen, jongens, land is het! Floorke ziet al bergen. Morgen zullen ze onder de kokosboomen wandelen. Roeien, jongens!!
Maar de bergen vervagen en stijgen als wolken omhoog. En in het lichtje komt beweging; het schijnt op en neer te gaan.....! Enkelen weifelen in het roeien, als vreezen zij hun angstig voorgevoel bewaarheid te zien. Dat lichtje daarginds is geen land! maar een hulkje met schipbreukelingen.....
„De sloep.....!”
De schrijning der teleurstelling wordt verzacht door vreugde over het weerzien. De sloep voert eveneens twee zeilen: lichtgrijze vlekjes. Men gooit de riemen weer neer en wacht de sloep af;—waarom verder van den juisten koers af te wijken?
„Sloep ahoy!”
„Ahoy!”
Namen van vrienden worden heen en weer geroepen. Kreten van blijdschap, wanneer twee makkers elkaars stemmen herkennen.
„Hebben jullie eten?”
„Drie twee-ponds brooden. En jullie?”
„Niets.”
„Groote griebus! Welke koers varen jullie?”
„Heelemaal geen koers. En jullie?”
„Wij varen op de sterren. We hebben de schipper bij ons.”
„De schipper?! Hóór je, mannen, de schipper is in de jol!! Schipper, ben jij daar? Leve de schipper, mannen!” Een schor, instemmend gebrul. „Wanneer zullen we aan land zijn, schippertje? Morgen al?”
„Moed, mannen! Vertrouw op Gods Goedheid!”
„Amen”, zeggen een paar vrome oomes.
Gezamelijk werd de tocht voortgezet; de jol gaf de richting aan. Maar al spoedig bleek, dat de sloep achterbleef. Men greep naar de riemen en haalde de jol weer in. „Schippertje, neem ons over! We zullen mekaar verliezen! Neem ons over, dan zetten we alle zeilen op de jol en varen nog ééns zoo vlug. Toe, schippertje.....”
Maar de oomes in de jol verzetten zich. „De jol is voor zooveel man te klein, schipper!” En toen de maats uit de sloep zich aan den jolboord vastklemden, stieten de anderen de sloep met ruw geweld terug.
Een jammerklacht steeg op onder de verschoppelingen. „Schipper! Niemand van ons kan op de sterren varen! Moeten we dan om zeep gaan?”
Maar de oomes in de jol kenden geen erbarmen. „Als we jullie met z’n zes-en-twintigen overnemen, zijn we allemaal voor de haaien!”
Zuchtend grepen de arme kerels naar de riemen. De olielantaren werd op de jol overgebracht, zoodat men er zich in de sloep naar richten kon.
Langzaam werd het licht. De mannen tuurden naar alle zijden over het watervlak.
„Zie jij wat, Doedesz.?”
„Net zooveel als jullie.”
Allen zuchtten. Enkele oomes luchtten hun smart door Padde met verwijten te overstelpen. De arme jongen begon te snikken, en een paar anderen, in de eerste plaats zijn beide vrienden, namen hem in bescherming.
Rolf voelde zich wat verlicht; zijn been stak hem veel minder, en met een gelukkig gezicht legde Vader Langjas een nieuw papje op de wond. Ook de kwetsuren der anderen lieten zich gunstig aanzien.
Men ging dien dag aan het werk om den koers iets juister te kunnen stellen, kraste te dien einde in het hout van de plecht een kaart van de eilanden Sumatra en Java en Straat Soenda,—alles op het geheugen. Den middag vóór het ongeluk had Bontekoe vijf-en-een-halven graad Zuiderbreedte bevonden; het bestek op de kaart wees toen negentig mijlen tot de kust. Van dat punt uit stelde men zijn koers. Drommels, had men maar een kwadrant!
„Heeft niemand een passer?” vroeg Bontekoe.
„Daar vraag je zoowat, schipper”, antwoordde Teunis Sijbrandt, de kistenmaker. En hij diepte uit zijn broekzak een passer op. „’t Is boffen: meest legt ie op m’n tafel!”
„Geef hier!” zei Bontekoe verheugd. „Dan zullen we eerst eens ’n gradenboog snijden!”
Zoo gebeurde. Men trok in een plankje een zoo groot mogelijken kwartcirkel, mat daarin alle graden uit en bracht daarna den wijzer aan. Den volgenden middag nam men er, zoo goed en zoo kwaad als het ging, hoogte mee en stelde den koers op Sumatra.
Zoo zeilde men verder, overdag koers en hoogte nemend op de zon, en ’s nachts op de sterren. Den derden dag was het brood op. Den dag te voren had ook de dorst zich reeds geducht doen gevoelen. Maar men bleef vol hoop. De wind zat achter in ’t zeil; de zee bleef kalm.
Den dag daarop doemden zwarte wolkgevaarten aan den gezichtseinder op. Geweldig schreden ze nader, den ganschen hemel als pad nemend. De maats kenden die wolken! In opgewonden vreugde werden de zeilen horizontaal gespannen. Pik-zwart was nu het gewelf; het scheen den mannen, dat ze in een grooten, donkeren kelder zaten. De zee, die dagenlang een felblauwen hemel teruggekaatst had, slurpte al die zwartheid gretig op,—leek wel een modderpoel.
Daar kletterde de regen neer.
De levenskracht ontwaakte weer; de harten zwollen. In een oogwenk was het zeil vol. Men kon nu de twee vaatjes vullen, die als bergplaats voor het brood hadden gediend.
Een koude nacht volgde. De maats bibberden in hun doorweekte kleeren.
Maar den volgenden morgen schroeide de zon ze in een ommezien droog en deed de huid vervellen.
Snikheet werd het. De zee was glad als een spiegel. Waar zich te bergen voor de gloeiende zon? De dorst deed zich weer gevoelen. Bontekoe sneed de neuzen van zijn schoenen af en liet allen een „beker” vol uit de vaatjes geven. Daarmee was drie-vierde van den voorraad op, want men moest deelen met de makkers in de sloep, die niets hadden om het water te bergen.
Vreeselijke dagen volgden. Als een verschrompeld stukje leer zat de tong in den mond; keel en verhemelte schroeiden; het ontberen van voedsel bracht krampen in de ingewanden teweeg. Telkens wanneer de morgen grauwde, hoopte men land te ontwaren. Telkens weer nieuwe teleurstelling, wanneer men niets dan zee zag, zoover het oog reikte.
Harmen vond het noodig, den kerels wat moed in te blazen. Bij gebrek aan z’n fiedel, die in de vlammen een einde had gevonden, kwam hij met een van zijn gewaagde „verhalen” op de proppen.
„Ik zal jullie vertellen, hoe het m’n oom gegaan is, jongens! Die heeft een tapperij voor zeelui,—voor landrotten tapt ie niet. Z’n leven lang heeft-ie gevaren, van z’n tweede tot z’n acht-en-zestigste. Zeven-en-twintig reizen heeft-ie gemaakt, waarvan drie-en-dertig met schipbreuk! En overal goed afgekomen behalve een krab op z’n wang en da’s van het baardscheren. Hij zat eens vast op een rif in de Chineesche zee, waar de visschen en de menschen staarten an d’rlui knikker hebben. Goed, d’r komt een storm, de schuit vliegt aan flarden, z’n zes-en-veertigste schipbreuk; m’n oom en de bottelier zijn de eenigsten, die in de sloep komen. Eten aan boord? Geen spiering! Hongerlijje maar! Toen ze zeven-en-tachtig dagen niks gegeten hadden, zei de bottelier: „’k Zou wel een hapje lusten!”—„En ik”, zei m’n oom. „’k Zou jou wel lusten”, zei de bottelier. „Ik jou ook wel”, zei m’n oom. Goed, ze krijgen verschil van meening. „Als jij mij jouw beenen geeft, zal ik jou m’n Zondagsche pet geven”, zei de bottelier. „Jawel”, zei m’n oom, „je kunt er een por met m’n mes bij krijgen.”—„In je mes hap ik niet”, zei de bottelier. „Nou, laten we d’r dan om loten!” zei m’n oom. Ze smijten de steenen. Allebei acht. Nog er eis! Wéér gelijk! En weer!! Na dertien-en-een-halve dag zei m’n oom: „Vooruit, ik heb geen aardigheid meer aan speulevaren. Snij me maar aan mootjes! Groet m’n wijf en neem m’n gouwe ring maar voor de moeite.” Temet, dat ie zich omkeert om niet te zien, hoe de-n-ander ’m zal afmaken, ziet ie, dat de sloep..... op het strand zit! „Land!!” roept ie. Hadden ze me daar al elf dagen aan land gelegen en er door al dat dobbelen niks van gemerkt! Wat zeg je me daarvan?”
„Mooi!” zeiden de oomes.
Toen viel het zwijgen weer in.
HAAIEN
Zonder dat iemand iets merkte, streek een gast tusschen de schipbreukelingen neer. Eerst toen hij er was, voelde men zijn aanwezigheid. De mannen hoorden hem in hun eigen matte, schorre stem en zagen hem in elkaars fletse oogen.
Wanhoop heette de gast.
Wanneer een maat iets meende te ontdekken, wat land zou kunnen zijn, greep men in koortsige haast de riemen en trok ze hijgend door het water. Dan week de gast, geruischloos als hij gekomen was. Maar als even later het „land” zich weer in lucht en water oploste, kwam de indringer terug. De mannen ontweken elkaars blik, om hem maar niet te zien, en zij zwegen, om door hun stem elkander niet te verraden, dat hij er weer was. Beklemmend was het zwijgen; het snoerde de ziel toe. Als er iemand kuchte, schrokken de anderen even en spitsten het oor, of er wat volgen zou.
„Wat wou je zeggen?” vroeg een oome.
„Ik? Niets. Waarom?”
„Wel, je kuchte, en toen dacht ik: hij wil zeker wat zeggen.”
„Neen, ik hoestte zoo maar.”
„Nou, ik dacht het ook alleen maar.”
Dan viel het zwijgen weer in.
Op een middag groote opschudding. Uit het Oosten kwamen meeuwen aanvliegen, wel dertig, die krijschend om de booten cirkelden en er nu en dan zoo laag overheen streken, dat men ze bijkans grijpen kon. In de sloep lag een roestige degen,—daarmee ging Hilke op de plecht staan, en onder heesch gebrul wist hij er een mee vleugellam te slaan. En zoo had men er, toen het duister was, vijf weten te vangen. De vogels werden geplukt en verdeeld. Met van begeerte trillende handen namen de oomes het luttel brokske vleesch, dat hun was toegedacht. Ze kauwden er over, zoolang het maar ging, en zogen halsstarrig aan de merglooze vogelbeentjes. In de hoop, dat ze morgen de andere vogels ook nog buit zouden maken, gingen de oomes den nacht in.
Maar toen het eerste licht schemerde, waren de meeuwen weg.
Toch was er hoop ontkiemd. En door de eerlijke verdeeling der kleine vangst over sloep en jol was het gevoel van saamhoorigheid weer versterkt: men besloot, ondanks het gevaar, dat er aan verbonden was, de makkers uit de sloep nu toch maar in de jol op te nemen. Want de olie in de lantaren was sinds lang opgebrand en daarmee de kans om ’s nachts uiteen te geraken weer belangrijk vergroot. Men kon nu ook den mast en de zeilen van de sloep overnemen en zeilde bijgevolg met een grooten mast, een fok, een bezaan en een blind zeil. Toen tegen den avond de wind toenam, merkte men tot algemeene vreugde, dat de jol, ondanks haar zwaardere belasting, sneller voer.
Vreemd, men rekende nooit met de mogelijkheid van ’s middags of ’s avonds land te krijgen. Dat werd alleen ’s morgens, bij zonsopgang verwacht. Overdag scheen het, als schoot men in het geheel niet op: er was niets, dat men naderbij zag komen of verdwijnen, en de horizon bleef altijd gelijk. Slechts de wolken trokken voorbij, maar die kwamen van achter en verdwenen weer ver vooruit, zoodat men het gevoel had van terug te blijven.
Maar ’s nachts! Je hoorde het klotsende water, door den boeg op zij geworpen; voelde den wind aan het zeil trekken, en achter je zag je in de donkere watermassa de lange, lichte streep, die er op duidde, dat er voortgang in de kast zat! Wie weet, of ze nou al niet land voor den boeg hadden; wie weet, of ze morgenochtend niet vlak voor hun oogen de boomen zouden zien oprijzen..... Was dat het ruischen der branding al niet?!
Dan kwam de langverbeide ochtendklaarte.—Zee. Niets dan zee.
Sedert vijf dagen hadden de oomes geen druppel water meer over de lippen gehad.
Achter de boot schaarde zich een afschuwwekkend gevolg. Toen een oome den eersten witten haaienbuik in het water zag flitsen, slaakte hij een kreet van schrik en walging. Een enkele maal stiet een maat met een huivering den degen in het water, en allen rilden van lol, wanneer een roode bloedschemering verraadde, dat de stoot doel had getroffen.
Het vreeselijkst van al deed de dorst zich gelden. Men kauwde op sleutels en musketkogels, om het dorre verhemelte nog wat speeksel af te scheiden.
Toen gebeurde weer iets, dat den moed herleven deed. Een school vliegende visschen dook, waarschijnlijk uit vrees voor de haaien, vlak voor de boot op. Maar met vieren, vijven tegelijk tuimelden ze tegen de zeilen en vielen den ijverig grabbelenden oomes ten buit. Ze werden rauw verslonden, smaakten fijner dan de fijnste zalm.
En men dobberde weer verder.
Den eersten December—den twaalfden dag, dat men in de booten was!—begonnen enkele maats, ondanks Bontekoe’s en Vader Langjas’ waarschuwingen, zeewater te drinken. Daar het den dorst niet leschte, zwolgen ze maar door, tot de maag haar weerzin ervoor te kennen gaf en alles weer naar buiten wierp,—tot het geluk der oomes, die anders stellig ziek zouden zijn geworden. Nu brandde hun keel meer dan ooit, en hun dorst was nog toegenomen. De tranen rolden den armen kerels over de wangen.
Floorke had zich een snee in den bovenarm gegeven en zoog zich het bloed uit.
Vader Langjas, uit wiens oogen alle levenskracht geweken was, stelde voor, de jol lek te stooten en zich met z’n allen te laten zinken.
„En dan de haaien tot voedsel dienen?” vroeg Bontekoe.
Daar had geen enkele oome trek in. En met nieuwe bezieling, vast besloten om, zoolang er nog een vonkje leven in hun uitgehongerd karkas zat, het niet als haaienvoedsel te laten dienen, keken de mannen weer uit, naar het Oosten.....
De haaien waren geduldig,—verlieten de jol niet.
Allengs zakte de moed weer. Een paar maats begonnen te schreien,—wilden zich overboord werpen.
„Wat drommel”, zei Bontekoe driftig, met schorre stem, „als die stomme dieren de moed niet opgeven, zullen wij het dan doen?”
Maar bij sommigen was het laatste restje levensmoed gebroken. Het zou wel niet voor de eerste maal zijn, dat deze haaien een jol met schipbreukelingen volgden; ze zouden wel weten wat ze deden!—Met holle, koortsige oogen tuurden ze in het water, krompen ineen, wanneer daar beneden iets donkers voorbij schoot.....
„Hajo”, kreunde Padde. „ik kan niet meer, Hajo! Ik wil liever dood gaan.”
Hajo zocht naar bemoedigende woorden. Maar woorden, dat bleven het. Padde voelde de holheid ervan en verloor zijn laatste aasje moed, nu hij merkte, dat ook zijn vriend de wanhoop nabij was.
Bontekoe ging het als Hajo. Hij moest zijn zeventig groote kinderen troosten—en zocht zelf naar troost.....
Rolf zei niets, staarde uren lang naar den Oostelijken horizon. Het kwam op volhouden aan. Volhouden.
Den volgenden dag regende het! In zenuwachtige haast, gepaard met driftige, ruwe uitroepen, spanden de oomes het bezaanszeil en het blinde zeil boven de boot, vulden de beide vaatjes weer, verzamelden het water verder in schoenen, leeren mutsen, en slurpten gulzig uit het zeil. Toen kropen allen weer in de holte van de jol bijeen om wat warmte te zoeken. Hun kleeren waren doorweekt, en een vochtige morgenkilte hing boven het water. De lucht was troosteloos grijs, en hoewel de maats nu weer tijdelijk van hun vreeselijksten kwelgeest bevrijd waren, staarden ze onder het zeil door met hun blauw-omrande oogen triest in den dikken regen-nevel, en het doffe zwijgen der laatste week viel weer in.
Een schorre kreet.....
„Land!!”
Als versteend blijven allen zitten, de oogen wijd open, angst en twijfel in het gelaat. Men durft haast niet opstaan en zich overtuigen. Wie zou nu nog een teleurstelling kunnen dragen?
Maar de man aan het roer is zeker van zijn zaak. „Land!! Land voor den boeg!!” De tranen sidderen door zijn stem.
Dan krabbelen allen met hun verstijfde ledematen overeind, steken hun koppen onder het zeil door en.....!! Daar, aan den Oostelijken gezichtseinder.....!!! Enkelen gillen hun blijdschap uit, anderen staren sprakeloos of stil schreiend naar het grijs-blauwe streepje in de grijs-blauwe verte.
Met alle man zette men hijgend en vloekend de zeilen weer bij. Zoo werd langzaam-aan het streepje land grooter. Men onderscheidde bergvormen, de lichte streep der branding, daarachter groene bosschen. Sumatra kon het niet zijn: het was een eilandje, waarvan men den geheelen omtrek overzien kon. Maar Bontekoe wist, dat Westelijk van Sumatra, dicht op de kust, een rij eilanden liggen. Daar moest dit er een van zijn.
Toen men het eilandje naderde, bleek de zee geducht aan te loopen.
„We moeten een landingsplaats zoeken!” zei Bontekoe.
„We kunnen hier toch landen, schipper? Je zult zien, dat alles goedgaat! Nietwaar, jongens?!”
„Ja-zeker!” brulde de heele schaar.
Maar hier werd de schipper weer de schipper. „Zullen we nu op het laatste oogenblik alles bederven? Zeg op: wie heeft jullie naar land gevoerd? Heeft de Neus dat soms gedaan? Of jij, Floorke? Of Gerretje, of Hilke?”
„Neen, schipper, dat heb jij gedaan.”
„Geloof me dan ook, als ik jullie zeg, dat we hier nooit heelhuids door de branding komen. We moeten een betere plek zoeken.”
Hij werd gehoorzaamd. Men voer het eiland om en vond aan de binnenzijde een kreek. Men roeide ze in, liet de dreg vallen, klom, zoo goed en kwaad de leden het nog veroorloofden, de boot uit, waadde door het ondiepe water.
Schreiend kusten de arme kerels het strand.
JOPPIE III
Toen de mannen over hun eerste en hoogste uiting van blijdschap heen waren, kropen enkelen het strand over naar het bosch.
Er groeiden overal kokosboomen, en de noten lagen voor het grijpen op den grond. De meeste waren in den val gebroken; die kon men met de handen verder splijten. En dan de tanden in het witte vleesch gezet.....! Toen de maats zooveel vruchten naar binnen hadden gewerkt, dat er geen stukje meer in wilde, verlangden allen naar rust, naar niets anders dan rust. Ze sleepten wat dor gras en bladeren aan. En toen.....! Hè! Hoelang was het geleden, dat ze zich voor het laatst behoorlijk hadden kunnen uitstrekken, en dan nog wel op zoo’n zacht leger en zonder den hongerdood voor oogen! Nu zou verder alles ook wel goed gaan! De schipper was bij hen en kende den weg! Met een oneindig dankbaar gevoel sliepen allen in.
Maar weinige uren later werd de een na den ander met hevige buikkrampen wakker. De ingewanden bleken niet tegen zooveel voedsel opeens bestand te zijn. Allen kropen bijeen en klaagden over hun onverdragelijke pijnen.
„Gevert! Ik ga d’r an! Gevert! O, God, m’n buik.....”
„Was ik maar thuis, bij m’n wijf! Die wist er wel raad op.... Doris!”
Toen zakte de pijn weer. De mannen sliepen nog een paar uren en werden eindelijk door de zon gewekt.
Ze stond boven de baai, en het hemelsche goud vloeide in het water neer. Rappe strandloopertjes trippelden op hooge pootjes heen en weer; meeuwen streken zwierig door het schuim der branding, of wiegden zich op het zacht deinende water in de baai. Allerlei bontgepluimde vogels schetterden en floten en kwinkeleerden in de hooge, statige boomen; in de wuivende kronen der kokossen voerden grijsbruine klapperratten hun gedurfde luchttoeren uit.
De mannen voelden hun krachten herleven. Ze lagen daar in het reeds warme zand, boven zich de stralende zon, die spoedig al te heet zou worden. Zwijgend, stil genietend, luisterden ze naar het concert van de branding.
Bontekoe liet een gezamelijk gebed houden. Men zong een paar psalmen. Zelden hadden de oomes met een dieper gevoel van dankbaarheid gebeden dan op dien wonderlijk schoonen morgen aan het strand van dat Sumatraansche kust-eilandje.
Daarna ging men eens op verkenning uit. Een groep toog naar het Zuiden, het strand langs, een andere groep naar het Noorden.
In den namiddag kwamen ze terug met niets dan kokosnoten, bananen en enkele andere, onbekende vruchten. Menschen hadden ze niet gezien. Maar zij, die naar het Noorden waren getogen, hadden een grappig avontuur gehad.
Ze hadden een vlerk-prauwtje gevonden, waaruit ze hadden opgemaakt, dat het eilandje bewoond moest zijn, al zagen ze dan ook geen sterveling. Ze hadden het bootje, dat slechts twee man bergen kon, eens in zee geduwd, maar toen ze er voor de grap met z’n drieën in waren gaan zitten, hadden de half vergane planken zich begeven, en de spelevarende gasten waren kopje-onder gegaan. Wat met dit zonnetje niet zoo slim was.
Bij de plaats, waar het prauwtje lag, ging een paadje het woud in. Men liep het binnen, in ganzenmarsch, omdat er voor twee naast elkaar geen plaats was. Hilke voorop!