De Scheepsjongens van Bontekoe

Part 12

Chapter 123,899 wordsPublic domain

Een kwartier later voer Bontekoe met twintig maats aan wal. Ze trokken de boot een eindje het strand op, om te voorkomen, dat de opkomende vloed haar zou wegsleuren, en begonnen hun onderzoekingstocht. Zelfs de hooggespannen verwachtingen van Floorke, die reeds van verre allerlei heerlijkheden meende te ontdekken, werden nog overtroffen. Vijftig ellen het strand op stonden verspreide boomgroepen, in welker schaduw zij honderden en nog eens honderden groote schildpadden vonden. Het bosch achter de boomgroepen weergalmde van vogelgekrijsch. Opgewonden baanden de mannen zich een weg door ellenhooge varens, kwamen toen op een zonnige open plek met hoog gras, dat aan een zijde geheel was platgetreden. In de verte klonk gestamp van hoeven; het scheen een kudde runderen te zijn, die zich uit de voeten maakte. De maats liepen in de schaduw van hooge boomen de open plek rond, gluurden overal tusschen de stammen door, het loof in, waar schreeuwende parkieten lustig om twijgjes duikelden. Hoenders vlogen met veel gedruisch voor de voeten der oomes op en scharrelden tusschen wilde ananas-planten met lak-roode hart-bladeren kakelend in het struikgewas weg. Groote, blauw-grijze houtduiven gluurden door de takken omlaag en drukten in een zacht: roekoe.....! verwondering uit over de onbekende twee-voeters daar beneden. Het kostte den maats weinig moeite de argelooze dieren met stokken vleugellam te slaan. Met ananassen, schildpadden en duiven voor de kombuis keerde de jol naar het schip terug.

De zieken lagen op het dek te wachten. Toen ze zagen, wat hun makkers van het land meebrachten, smeekten ze Bontekoe opnieuw met gevouwen handen, hen toch aan wal te willen zetten. Bontekoe beraadslaagde met den koopman, of hij het wagen mocht.

Rol schudde het hoofd. „Als vertegenwoordiger van de heeren bewindhebbers moet ik me ten stelligste verzetten tegen een waaghalzerij, waarbij het slagen van de heele reis op het spel wordt gezet!” verzekerde hij.

Bontekoe luisterde met nauw verholen drift. „Als vader van mijn maats kan ik er niet toe komen, de arme kerels voor de haaien te gooien!” zei hij toen. „En als de heeren bewindhebbers zich dat niet kunnen voorstellen, moeten ze zelf maar eens als schipper een reisje naar de Oost maken!”

Rolf boog het hoofd. „Ik wensch vast te stellen, dat ik me verzet heb.”

„Wil je ’t op schrift hebben?” vroeg Bontekoe schamper. En hij ging naar de zieke oomes. „Jongens, help mekaar maar in de jol; ik zal je aan land laten zetten.”

„Leve de schipper! Hoy! Hoera!! Leve de ouwe!!”

Of de kerels gauw in de boot waren! Bontekoe liet hun een zeil meegeven, om daarvan een tent op te slaan, verder twee gezonde koksmaats, olie, azijn, potten om in te koken, wapens en gerei. De schipper stapte zelf met een dozijn roeiers in de jol om hen weg te brengen. Hij wilde de vreugde der arme kerels mee beleven.

Ze wisten van blijdschap geen raad. De tranen stonden hun in de oogen, toen ze in het zachte gras bijeenkropen. „We voelen ons al weer half gezond, schippertje!”

De andere maats begonnen een nieuwen onderzoekingstocht, nu in een andere richting. Men ving een kleine tweehonderd houtduiven, reeg de vette dieren aan lange stokken en braadde ze voor zieken en gezonden. Een feestelijke aanblik: al die knappende vuurtjes in de schemering. Voorloopig, zoolang men niet wist, wat dit eiland herbergde, werd voor alle zekerheid een wacht uitgezet.

Aan boord zat men ook niet stil. Enkele schildpadden, door de maats meegenomen van hun eerste landing, werden gekookt met gedroogde pruimen, die nog in het ruim lagen. Dat smaakte! De oomes aten, tot ze zat waren, smookten een pijpke, keken naar de sterren en vonden de wereld nog zoo onherbergzaam niet.

Drie uren na zonsondergang keerde de schipper met zijn gezonde mannen terug. Bontekoe beval de boot niet in te halen: hij wilde er dien zelfden nacht een eind de kust mee afvaren, om voor het schip een ankerplaats te zoeken.

Rolf klampte zijn oom aan. „Mogen we mee, oom? Hajo en ik?”

„Deden jullie niet beter, naar kooi te gaan?”

„Wij slapen toch niet, oom, zoolang de Nieuw-Hoorn nog geen kooi heeft!”

„Nou, vooruit dan maar!” zei Bontekoe glimlachend.

„Mag ik u bedanken, oom?”

Bontekoe liet een welwillenden blik over zijn neef gaan. „Wat heb je gedurende de reis zooal uitgevoerd? Geluierd?”

„Jawel, oom!”

„Dacht ik al. De barbier zal wel opgesneden hebben. Hoeveel woorden Maleisch ken je?”

„Tjoemah sedikit sadjah, toewan. Tetapi saban hari saja adjar.”

„Mm.—Wijs me op deze sterrenkaart de Tweelingen eens aan?”

„Dat is Castor, oom, en dat is Pollux.”

„Wijs ze me nou eens aan den hemel?”

„Kan ik niet, oom.”

„En waarom niet, domoor?”

„Omdat we hier alleen de Zuidelijke sterrenhemel zien, oom.”

„Goed. Maar waarom noemen ze ze de Tweelingen?”

„Weet ik niet, oom. U wel?”

„Neen, aap van een jongen, ik ook niet.”

Rolf trok een zedig gelaat. „Kan ik gaan, oom?”

„Ja, kras maar op!”

Hajo sprong drie el in de lucht, toen Rolf hem vertelde, dat hij mee mocht. „En de schipper gaat ook mee, zeg je?!”

„Ja zeker.”

„O, Rolf! Rolf!!” Hajo maakte een rondedans, waarop een Zoeloe jaloersch zou zijn.

EEN NACHTELIJKE ROEITOCHT

Slechts het regelmatig plassen der riemen en het milde ruischen der branding, die nauwelijks een branding was, vulden de nachtstilte. Geen veegje wind; van zeilen kon geen sprake zijn. De kust werd moerassig; slechts hier en daar blonk tusschen laag gewas en rottende plantenslingers een stuk zand. Zonder klotsen schoof het deinende water tegen het land op. Even geruischloos zonk het weer terug.

Een enkele maal school de maan achter wat wolken. Dan schenen de steltboomen daar verder op den oever donkere rotsmassa’s, die dreigend overhelden, of ze kropen als monsterachtige, veelpootige larven over het zand, en de grillig gevormde wortels, die zich in groezelig wirwar voortkronkelden tot aan den boord van het water, werden venijnige slangen, dreigden elk wezen, dat zich in hun bereik waagde, te zullen omstrikken en wurgen.

Men kwam aan een klein riviertje. Vergeefs trachtten de maats het op te roeien: een wirwar van waterplanten spande zich voor den boeg en schoof de boot weer achteruit. Aan de oevers massale, vreemdsoortige boomen; de takken omstrengelden elkaar over het water heen. Zoo dicht was het loof, dat men er geen duimbreed van den hemel door kon zien; de rivier scheen als uit een donkere bergkloof te stroomen. Hier en daar dwarrelden vuurvliegjes rond; enkele maats meenden in de boomen een paar lichtende oogen te zien. Een luipaard? Bontekoe liet er op goed geluk een schot op lossen. De uitwerking er van was verbijsterend: het klonk als duizend musketschoten; het bosch weergalmde van doordringend gekrijsch, vleugelgeklapper, brekende takken..... en naast de boot dook een gekartelde staart uit het water op, glinsterend in het maanlicht, en sloeg zwiepend weer neer, dat het water alle zijden uit spatte.

„Een kaaiman”, zei de schipper en leunde over den bootrand.

De maats waren kletsnat. „Verduiveld, ik dacht.....!”—„Ja, dat dacht ik ook!” En de humor zegevierde alweer. „’k Had ’m best bij z’n staart kunnen pakken!” roept de lolligste.

„Nou, en dan?”

„In ’t hondenhok leggen tegen de landloopers!”

„Komaan, mannen, weer verder!” maant de schipper.

Zwijgend roeien de maats weer door. Verduiveld, ’t is broeierig! Het zweet druppelt van borst en schouders. Een-twee, een-twee.....! plassen de riemen. Een groote vogel glijdt als een schim over het water, stoot in het voorbijvliegen een klagenden roep uit.

Allengs komen de ruwe varensgezellen onder den indruk van de wonderen-zwangere stemming van den tropennacht. Ze zingen niet, ze praten niet, ze luisteren beklemd naar den heet-hijgenden adem der stilte.

„Ssst!” fluistert Hilke Jopkins, die voorin zit. „Hou eens even in!” En als de maats de riemen laten zinken, wijst hij op iets donkers, dat in het water drijft.

„’n Boomstam”, meenen de maats.

„’k Zal eens kittelen, die boomstam!” zegt Hilke. „Dan zul je een boomstam eens beenen zien maken. Haal de boot eens een slag om? Maar kalm aan! Mag ’t, schipper?”

Bontekoe knikt; de maats halen de boot om en sturen haar geruischloos naar den „stam.” Hilke gaat op de plecht staan, heft in zijn lange armen een spaan op en.....! Gekraak, hoog opspattend water, in het rond vliegende stukken hout. Hilke klemt in zijn knuisten het laatste eindje van een versplinterde roeispaan. De stam drijft nog,—is een heusche stam.

„Verdorie.....!” stamelt Hilke. „Ik dacht, dat ’t een krokodil was!”

„Had ’t hem even gevraagd!” honen de maats. En Floorke meent: „Misschien is het een slapende krokodil! Die beestjes hebben een huid.....! Je kunt er vijf zagen op verknoeien, voor ze wat voelen! Waar, schipper?”

Bontekoe glimlacht. „Verder, mannen!”

De oomes hebben schik en roeien nu, alsof het een wedstrijd gold.

„Een oorlam voor jullie allemaal, als je dat drie uur volhoudt!” lacht Bontekoe.

„Makkelijk te verdienen, schipper!—Kijk, Hilke, daar drijft weer wat! Zou je niet.....?”

Hilke moppert wat. Zwijgend trekt men de riemen door het water.

Ineens aarzelen de maats. In de verte gromt het. Dof. Geheimzinnig. Dan is het weer stil.

„Wat was dat?”

„Sssst!” Opnieuw rommelt het. Een windvlaag koelt de bezweete ruggen der oomes zoo snel af, dat ze onwillekeurig huiveren. „Onweer!”

Niemand heeft bij het ingespannen roeien opgemerkt, dat de lucht aan een zijde geheel met roet overtrokken is. Daar schuift juist een dikke wolk voor de maan.

„Wat zullen we doen, schipper?”

„Aan je oorlam denken!”

Pats! zeggen de riemen alweer. Een paar vogels fladderen met veel misbaar uit de waterplanten aan den oever op.

Het wordt steeds donkerder. Korte windvlagen snellen voorbij, doen de bladeren der boomen geheimzinnig ruischen. „Hoe-hoe.....!” zucht de eene windvlaag. „Hi-hai!” spot de andere. Geesten dwalen door de lucht. Daar, onder die wortelnetten, hokken ze; ze fluisteren met elkaar als de jol voorbijglijdt. Duister wordt het, angstwekkend duister. De maats wachten, gejaagd roeiend, in innerlijke onrust op wat komen gaat.

Flits!

Hemel en aarde vliegen in brand. De zwarte wolken van daareven zijn nu oogenverblindend goud, de stammen der boomen glanzende saffieren. In hetzelfde oogenblik ratelt een slag, die de boot doet trillen; ’t water schijnt zich te splijten; de maats grijpen zich aan de banken vast en zien elkaar in de verschrikte, wijdgeopende oogen. Dan vlucht de donder, gromt heel in de verte grimmig na. En als een vonnis slaat een regen neer, die een zondvloed is. In lange, dikke pijpen schiet het water omlaag.

De maats schreeuwen dooreen; niemand, die een ander verstaat. Hoeft ook niet. Allen weten, dat in korten tijd de boot zal zijn volgeregend. „Naar de wal!” Dat is de gedachte, die hen beheerscht. Ze roeien als dollemannen; dan, als wortels en planten het onmogelijk maken, duwen ze met de riemen heftig af in den ondiepen grond. Ze springen aan wal, trekken de jol half op het land.

Dan hollen de kerels naar een reusachtigen boom en schuilen, nog wat beteuterd, onder het bladerdak bijeen. Boven hun hoofden dreunt het oorverdoovend concert van den fel neerslaanden regen. En ze staan er nog geen vijf tellen onder, of het water heeft zich al een doortocht gebaand, stroomt in goten en gootjes langs den machtigen stam omlaag, vormt watervalletjes van blad op blad en stroomversnellingen langs de schuine, harige takken. Wat zou het voor een boom zijn? De bladeren zijn taai als leer en dik genoeg om er schoenzolen van te snijden.

De maats krijgen schik in al dat dreunen, daveren, trommelen, spetten, knarsen en piepen in duizend tonen; de kitteling van de dikke, vallende druppen brengt hen in een roes. Ze trekken de kleeren uit, laten het heerlijk verfrisschende water op de bloote huid kletsen en maken van louter plezier malle sprongen en rondedansen. De regen schenkt levenskracht aan boomen en planten; waarom dan niet aan een Hollandschen janmaat?

Rrrrèng!!! Verblindend licht, een slag, bestemd om de aarde te splijten. De grond siddert onder de zweepstrieming; door het regengeweld mengt zich het kermen van scheurend hout. Takken worden links en rechts weggeslingerd, en uit een zwaren loofboom, twintig passen van den boom waaronder de schipper nog met den bootsman staat, ontvouwt zich..... is de duivel in het spel?..... een zwarte sluiergedaante. Eén gedaante? Het zijn duizend, honderdduizend dooreenkrioelende gedaanten, die zich, al tuimelend, schreeuwend van elkaar losmaken en alle richtingen uitfladderen. Ze hebben den vorm van vleermuizen, maar hun vlerken zijn zoo lang als Hilke’s armen. „Kalongs!” schreeuwen de maats, die in Indië zijn geweest, hun bibberende makkers toe. „Vliegende honden!”

De boom, die nu blijkt geheel kaalgevreten te zijn, is van top tot stam gespleten. De witte scheur lekt als een schrale, bleeke vlam den inkt-zwarten hemel in. Groote stukken bast liggen overal in het rond. En op den grond wemelt een zwarte hoop krijschende dieren dooreen, vergeefs trachtend op te vliegen; wanneer er zich een, vlerkenklappend, uit den hoop tracht los te maken, grijpen tien anderen hem met de tanden beet. Floorke pakt er een achter den kop en houdt hem zegevierend omhoog. Woedend spert het beest den bek open, slaat met de vlerken.

Intusschen rommelt het nog slechts in de verte. In het Westen teekenen zich grillig gekartelde bliksemflitsen scherp af tegen de donkere lucht, gloeien een oogenblik na als vuurpijlen en verbleeken dan ineens.

Plots houdt de regen op. Geen druppeltje valt er meer; slechts onder de boomen spettert het nog. De maats kennen dat spelletje der tropen nu langzamerhand.—Aandachtig bezien ze Floorke’s buit. „Laat eens vliegen, Floorke?”

Floorke werpt het dier de lucht in. Onzeker fladdert het weg, dreigt aanhoudend over bakboord te zullen slaan: waarschijnlijk is een der vlerken gewond. Het fladdert het strand nog over, tuimelt dan in het water, krijscht en slaat hulpeloos met de vlerken. Een donkere gedaante schiet toe, spert een afschuwelijken muil vol scherpe tanden open en sleurt den kalong de diepte in. „Een verschrikkelijk land!” is de verzuchting der maats.

De dieren onder den boom zijn voor het meerendeel dood of gewond. Hajo vindt er een, die met uitgestrekte, halfverschroeide vlerken op den rug ligt; het heeft op de borst een jong zitten, dat zoo stevig zijn nageltjes in moeders vacht gegraven heft, dat het Hajo niet lukt, het beestje los te maken. Hij roept Rolf bij dit zonderlinge geval.

„Dat doen onze gewone vleermuizen ook, Hajo! Ze dragen hun jongen met zich mee.”

Hajo krabt zich achter de ooren. „Nu begrijp ik eindelijk, waarom ik nooit.....!”

„Heb je soms naar de eieren gezocht?” vraagt Rolf.

„Jawel!” zegt Hajo. „En gevonden ook. Maar toen ik ze door een kip liet uitbroeden, kwamen er jonge eenden van!”

Rolf lacht en Hajo ook.—„We moeten verder, mannen!” klinkt Bontekoe’s stem.

De boot wordt gekeerd en weer in zee geduwd. Verfrischt en uitgerust springen de maats er in, stooten van den wal en heffen de riemen op. Hoe harder men roeit, hoe vlugger de kletsnatte pakken zullen drogen! De hemel wordt weer helderder; hier en daar gluren gele en witte sterren tusschen de wolken door.

Onder vroolijk gekout roeit men een uur achtereen. De zandstrook langs de kust wordt allengs breeder.—In het Oosten begint de lucht zich te verven. Oranje, karmijn, violet, alle kleuren druipen dooreen. Een groote wolk slaat in brand; de vlammen lekken langs den onderkant. Op het land laten vogelstemmen zich hooren. Krijschen, gillen, fluiten kondigt den morgen aan. En ineens barst het zonnegoud te voorschijn; de stralenbundels schieten alle kanten uit, kaatsen verblindend tegen de wolken. De dauw, die over het water hing, trekt weg; het rumoer op het land zwelt aan tot een oorverdoovend geschetter. Grijze, blauwe, roode, zwarte, groene vogels fladderen om en in de boomtoppen.

Het zal niet zoo drukkend heet worden als de vorige dagen: het onweer heeft de lucht gezuiverd. De kerels worden hoe langer hoe opgewekter en zingen een liedeke met het steeds weerkeerende refrein:

„Slaet den Speck op sienen neck! „Slaet op den trom! Riekeldebom!”

De feestelijke morgen drupt als balsem in de ziel der mannen en doet alle leed vergeten.

En in eens, na een begroeide bocht te zijn omgeroeid, komt men in een prachtige zandbaai! Het lood vliegt overboord. Allen vreezen, dat hier voor de Nieuw-Hoorn geen water genoeg zal staan..... maar de lijn schiet al maar door en..... verduiveld! vijf-en-dertig vadem is het hier nog diep! Men roeit de baai met forsche slagen binnen, een baai zoo goddelijk mooi, dat het hart der oomes licht als een veertje wordt. Hier zal de schuit veilig liggen! „Wat zeggen jullie van die baai, jongens?”

„Om in je zak mee naar huis te nemen, schipper!”

De maats roeien naar den oever, slepen de jol een eind het strand op en tijgen op weg, in vreugdevolle afwachting van de duizend-en-een wonderen, die ze te zien zullen krijgen.

De eerste vondst is een groot binnenwater, tien scheepslengten verder het strand op. Het is geheel doorschijnend; de zon doet den helderen bodem blinken. „Wedden, dat ’t zoet water is?” vraagt Floorke. Hij bukt zich, drinkt en spuwt vol afkeer alles weer uit.

„Zeker brak, hè?” informeeren de anderen.

„Hoe kom je er bij?” zegt Floorke „’t Water smaakt fijn. Proef maar eens.”

„Neen, als het zoo lekker is, willen we het jou niet afhalen,” verzekeren de oomes.

Wat verderop beginnen er een paar te schreeuwen. „Gommenikkie, wat een visch! Wel honderd!”

Allen hollen er heen. „Waar zijn ze nou?”

„Weg natuurlijk!” is het spijtige antwoord. „Als jullie ook zoo stampen.....!”

„Hoe zagen ze er uit, Gevert?” vraagt de schipper.

„Bruin, schipper! Met lange streepies. En van onderen wit, waar, Rooie?”

„Ze bennen wel een el lang!” verzekert „Rooie”.

„Daar gaat er weer een!” Met snelle, sierlijke wendingen schiet een visch voorbij, die vrij juist aan Geverts en Rooie’s gezamelijke omschrijving beantwoordt. De rug heeft een mooien staalglans, en nu het dier zich even op zij werpt, flitst een zilveren buik. Floorke stapt voorzichtig het water in, gaat voetje voor voetje op een visch toe, die iets verderop in het water staat, roerloos als een snoek..... Floep! Weg is onze waterbewoner.

„Je hadt ’m zout op z’n staart moeten leggen!” grinniken de oomes.

„Praat me niet van zout!” gromt Floorke, terwijl hij nog eens spuwt. „Wat was het voor een visch, schipper?”

„Het leek me een harder toe”, zegt Bontekoe. „We zullen straks, als de Nieuw-Hoorn geborgen is, eens een net door het water halen!”

Men loopt het binnenwater om. Het is wel een kwartier lang gaans.

„Heila! Kijk daar eens!” Verbluft staan de kerels stil. Uit de boschjes aan den overkant komt deftig, met afgemeten schreden, een roze-roode vogel stappen. Hij staat bijna een el hoog op de pooten, torst op een langen, dunnen, hoekig gebogen hals een zwaren, krommen snavel. Nog twee komen te voorschijn, dan wel een dozijn, half fladderend, met groote, luchtige schreden. Alle blijven onverwachts staan, wenden de koppen in de richting der schepelingen en stooten in een schorren kreet verwondering uit, waarop de zonderlinge, roze steltgangers bij tientallen tegelijk de boschjes uitkomen en, als ze Bontekoe en zijn mannen ontdekt hebben, al even verbaasd zijn. Maar lang duurt bij de meeste de verwondering niet. Ze plukken zich ijverig de veeren, waarbij ze hun hals in allerzonderlingste bochten wringen, schrijden waardig het strand over en, bij het brakke binnenwater gekomen, steken ze er even onversaagd hun kop in als Floorke daarstraks. Maar in het visschen zijn ze gelukkiger: hier en daar heeft er al een iets spartelends in den snavel.

„Flamingo’s!” zegt Bontekoe.

De vogels doen nauwelijks een poging tot vluchten als de mannen—na de bocht geheel omgeloopen te hebben—naderen. Ze loopen kalmpjes, met statig poot-opheffen, een eindje het water in, gunnen zich daarbij den tijd om onderweg een vischje te pikken en het, met opgerichten snavel, door den langen hals te doen glijden. Hajo besluit er een mee te nemen, voor Doris. Maar wat zou hij het beest te eten moeten geven?

„Vischjes, garnalen, krabbetjes.....”, meent Rolf.

„Nou”, zegt Hajo, „we gaan er mee naar de haven, dan kan hij zelf vangen, wat hij wil. Wat zullen de jongens opkijken! Ze zullen denken, dat ik hem zelf heb rood geverfd!”

Men verlaat het strand. Ook hier liggen aan den boschrand, in de schaduw der boomen, tallooze groote schildpadden. „Er wonen hier vast geen menschen”, meent Hilke. „Anders zouden de dieren wel schuwer zijn!”

Zonder veel moeite baant men zich een weg door het lage hout. Orchideeën hangen aan de stammen; heur sierlijke bloemen glanzen in het halflicht onder het loof wonderlijk mooi tegen het donkere hout. De meest zonderlinge gewassen groeien dooreen: er zijn sterk behaarde struiken met groote, saprijke bessen; lage boompjes, die, in plaats van op een stam, op wel vijftig stelten staan; de vruchten zitten als druivetrossen bijeen. En overal tusschen de boomen schieten hooge varens op, die hun bladeren, als groote handen met lange, spitse vingers, den oomes beschermend boven het hoofd houden. Duizenden kleine, bontgekleurde vogeltjes hangen schommelend aan de vruchtentrossen, wippen fladderend en duikelend van twijg op twijg, zonder hun keeltje ook maar een oogenblik rust te gunnen. Er zijn er met heel lange, sierlijke staarten; er zijn andere, die een dikken bef om den hals dragen als deftige raadsheeren; er zijn er met dunne, spitse snavels, wel zoo lang als het heele lichaampje, en weer andere met een zwierigen kuif op den kop, echte minstreels en verbazend met zichzelf ingenomen.

Heel dit kleine volkje legt een haast en een ijver aan den dag, alsof er in de wereld niet anders te doen valt dan honing snoepen! En niet één laat zich in z’n hoogst gewichtigen arbeid ook maar in het geringst door de komst der oomes storen. De papegaaien met hun vlam-roode staarten draaien nieuwsgierig den kop en krijschen hartverscheurend. Soms vliegt er in eens een vlucht schetterend op en pakt met heidensch kabaal de biezen.

Men komt aan een smal, snel vlietend stroompje, dat van de bergen Zuidwaarts in zee uitloopt. Het water is helder en smaakt heerlijk. De mannen loopen den oever een eindje langs en zien dikke palingen over den bodem kruipen! En plots slaan allen van verrassing de handen ineen, als een koppel vette ganzen, die van plan zijn een bad te nemen, giegegaggelend uit de struiken komt zetten. „We gaan hier nooit weer weg, schipper!” roepen de maats opgewonden.

De Neus heeft een gans beet gepakt en het schreeuwende dier zonder veel omslag den nek omgedraaid. Voor de kombuis! Maar dan moet hij vlug maken, dat hij wegkomt, want de makkers van het blank gepluimde slachtoffer komen sissend, waggelend, met kleppende vlerken en wijd opengesperden bek op hem af.

Ook de andere maats springen bedachtzaam ter zijde. „Mannen!” zegt Bontekoe, „we zullen nu terugkeeren en het schip in de baai brengen. Het zal hier zoo ongeveer vijf mijl vandaan liggen; we kunnen vanmiddag hier dus weer terug zijn en nog voor een goed maal zorgen.”

En zoo keeren de maats weer om naar het strand, waar de flamingo’s, wier getal intusschen tot honderden is aangegroeid, hen schreeuwend welkom heeten.

„Nou zul je eens wat zien!” voorspelt Floorke. Hij schreeuwt, klapt in de handen en rent zoo op de vogels af, die thans verschrikt de vleugels openen. En de oomes krijgen zoo iets wonderlijk moois te zien, dat hun monden ervan openvallen. Het is een veld vol pioenrozen in knop, dat eensklaps al zijn roze-roode kelken opent en als een heerlijke bloemenweelde ten hemel stijgt.

„Heb ik te veel gezegd?” bluft Floorke.

Maar de maats antwoorden niet, staren sprakeloos naar boven, tot de halzen hun pijn doen. Dan springen ze in de boot en roeien weg.