De Scheepsjongens van Bontekoe

Part 11

Chapter 114,057 wordsPublic domain

Een kwartier later kwam de bootsman Folkert Berentsz. met natte haren, juist als had ook hij een linie-doop ondergaan, het dek opstuiven. „Donder en bliksem!” voer hij uit. „Wat heeft die rommel daar te beteekenen?! Weg er mee! Waar zitten me die apen van jongens? Vooruit! Zwabberen!!”

De wind was Zuid-Oost. De koers werd gesteld boven de Abriolhos, een groep lage, rotsachtige eilanden op de kust van Brazilië. Bij de Abriolhos komende, stilde de wind echter, zoodat men vreesde, de eilanden niet te zullen kunnen omzeilen: de stroom zou de drie schepen, wanneer de wind geheel ging liggen, recht op de eilanden doen stooten, en ze zouden er vast zitten, tot het den wind geliefde te gaan blazen. Neen, als ze de eilanden niet omzeilden, zag het er slecht uit, want op de Abriolhos zou niets te halen zijn en men verlangde naar versch voedsel. Te lang gepekeld vleesch eten leverde gevaar op: de Oostinje-vaarders hadden veel met scheurbuik te kampen.

Maar in den nacht werd de wind weer sterker, en op het kantje af lukte het, de eilanden te omzeilen: men streek er zoo dicht langs, dat men met het bloote oog de rotsen in het maanlicht zag verrijzen. Het volk werd vergast op een flap-kanne Spaanschen wijn voor iedere tafel van acht man.

Nu werd de steven gericht naar een groep kleine eilandjes: Tristan d’Acunhe. Maar men kreeg ze niet te zien. De wind sloeg om naar het Noord-Westen. Toen stelde men de koers op Kaap de Goede Hoop, ten einde daar te ververschen. Het was nog wel een geducht eind, maar de wind zwol gedurig aan en zat mooi achter in ’t zeil. Als dolfijnen schoten de boegen door het water; de oomes waren vol goeden moed.

Toen onze vrienden op een middag bijeenzaten, wees Hajo eensklaps met de hand naar boven. „Kijk eens, wat een groote meeuwen!” Daar kwamen, heel hoog in de lucht, uit het Zuiden een aantal witte vogels aanzweven. Hun vlucht moest verbazend snel zijn, want ze namen zienderoogen in grootte toe. Maar zonderling: de lange, smalle vleugels schenen zich nauwelijks te bewegen. „Albatrossen!” riep Rolf uit. „Dan zijn we dicht bij de Kaap!” Op het voordek begonnen een paar oomes te schreeuwen: „Albatrossen! We naderen de Kaap!!” Al het volk liep te zamen, schreeuwde opgewonden dooreen.

Het waren machtige dieren. Er zweefden nu al een dozijn hoog om de Nieuw-Hoorn, en uit het Zuiden kwamen er nog steeds. Ze schenen niet te vliegen, ze dreven op hun enorme vleugels, waaraan nauwelijks eenige beweging te bespeuren viel.

Terwijl onze knapen vol spanning toekeken hoe majestueus de albatrossen kwamen aanzeilen door de wolken, hoe snel en sierlijk zij zich lieten vallen, wanneer ze in het water een prooi ontdekten; hoe ze, ondanks hun grootte, vol gratie en zonder de geringste inspanning weer opstegen van het watervlak, hun prooi vast omsloten in de sterke klauwen,—was op het achterdek een ander drietal met een zonderling werkje in de weer. De Manke, die op den dag van de uitvaart Gerrit den hals had willen omdraaien, sneed een stukje hout van een handbreed te lang, overtrok het met reuzel, bond het houtje aan een lange lijn en wierp die toen overboord.

„Nou zullen we eens afwachten!” zei de manke.

„Afwachten”, bevestigde zijn pokdalige kameraad.

„Of ze fijnproevers zijn! Hehehe!” grinnikte de kleine, Schieltjens Blauw.

Met drieën, vieren tegelijk schoten de vogels uit groote hoogte op het lokaas af. De behendigste hapte toe..... en was gevangen. De mannen vloekten van genoegen. Met z’n drieën trokken ze de lijn binnen. Dat viel niet mee! Het dier klapte met de vleugels, vloog van het water op en wilde de wolken weer in. Maar de overmacht was te groot: met uitgerekten hals, den bloedenden bek wijd open, werd het omlaag getrokken. Hulpeloos tuimelde het op het dek, sloeg wild met de reusachtige vleugels.

„Kom er eens hier! Kom eens kijken!” brulde de pokdalige.

Van alle kanten kwamen de oomes aanzetten. „Wat een prachtig beest!”

Boutjens (zoo heette de manke) was door de algemeene belangstelling gestreeld. „Wacht nou maar eens even! Dan zul je wat zien!” Hij trok zijn mes, plaatste zich achter den vogel, die, als vermoedde hij het nieuwe gevaar, met een smartelijken roep schuw ineendook. Toen liet Boutjens zich plotseling met de knieën op de beide gespreide vleugels vallen en sneed het dier met een snelle beweging den strot door. „Had je niet gedacht, hè?” grinnikte hij, terwijl hij weer overeind sprong en zijn bebloede handen en polsen aan zijn broek afveegde.

Grootsch en tragisch was het, te zien hoe het prachtige dier zich de smetteloos blanke veeren rood verfde in zijn wilde worsteling met den dood. Boutjens sprong, met de anderen, haastig ter zijde om een slag van den machtigen vleugel te ontloopen.

„Kun je het vleesch eten?” vroeg Hajo, wien het moeite kostte, den manke niet te lijf te vliegen. Boutjens keek gemelijk op, toen hij Hajo’s stem herkende. Hij spuwde op het dek en keerde den jongen zonder antwoord te geven den rug toe.

„Eten?” zei een der oomes. „Wel neen. Het vleesch smaakt sterk.”

„We vangen ze zoo maar. Voor de aardigheid”, blufte de pokdalige.

„Zoo”, zei Hajo. „Maar als je nu het hart hebt er nog een te vangen.....” Hajo’s vuisten balden zich.

De manke stootte een ruwen lach uit; men voelde er zijn haat doorheen.

Hajo werd bij den arm gegrepen. Het was Rolf. „Ga met mij mee, Hajo. Wees niet onverstandig. We zullen hun plannen op een andere manier verhinderen.” En hij trok Hajo met zich mee naar de groote kajuit.

Boutjens keek hen met donkeren blik na. „Ze gaan naar de schipper! Ik zou ze graag de nek omdraaien, maar je moet nog voorzichtig zijn, dat je je vingers niet brandt!”

„Kom, Boutjens”, zei Schieltjens Blauw. „Laten we nog er eens ingooien!”

Toen stond Padde voor hen. „Als jullie het doet, krijg je van mij op je ziel!”

Boutjens was verbluft. „Wat zeg je?! Rakker!”

„Ik zeg, dat, als je het hart hebt nog een van die mooie beesten te vermoorden, je dan van mij op je falie krijgt! Versta je dat, dierenbeul?” Dikke tranen schoten pardoes uit Padde’s knippende oogjes; zijn stem beefde van aandoening.

„Daar staat er een te grienen om ’n beetje bloed!” hoonde Boutjens. „Wat ’n papjoggie!”

Maar meteen had hij van het papjoggie een klap op z’n wang te pakken, die lang niet voor de poes was. „Dat is één!” riep Padde. „En dat is er nog een!”

Vloekend en razend kwam Boutjens op Padde af. En, gelukkig voor den botteliersmaat, namen de oomes hem in bescherming. Zelf wilde Padde zijn voordeel daarbij niet inzien. „Laat me los! Hij zal op z’n ziel hebben!”

„Ja, laat hem los!” siste Boutjens. „Hij vraagt er toch zelf om?” Maar toen de maats niet op zijn voorstel ingingen, wendde hij zich tot zijn twee getrouwen. „We zullen er maar geen woord aan vuil maken. Hier met de reuzel! We zullen nog eens ingooien.”

„Schei er mee uit, Manke!” raadden de oomes.

„En waarom?” vroeg Boutjens. „Vorige reis heb ik er wel ’n dozijn gevangen! ’t Zijn mooie beessies!”

„Laat me los!” jammerde Padde. „Ik wil de schurk.....!”

Daar kwam Hilke Jopkins aanstevenen. Zonder een woord te zeggen, rukte hij Boutjens het tuig uit de handen en stak het in den broekzak. „Bevel van den schipper: er mogen geen albatrossen gevangen worden.”

„O, is ie gaan klikken!” zei de manke met verbeten woede. „’k Zal hem!”

Maar toen legde de lange Fries een van z’n handjes op Boutjens’ schouder. „In gemoede”, zei hij, terwijl de manke onder zijn greep ineenkromp, „je blijft van hem af!”

Met een verwensching verdween Boutjens in het vooronder.

Den volgenden morgen vond hij een groote klomp zout in zijn koffie. Met een kreet van afschuw spuwde hij het zwarte vocht weer uit.

Harmen van Kniphuyzen had medelijden met hem. „’n Ongelukje”, zei hij. „Kom maar eens hier, dan zal ik je betere inschenken. ’k Heb hier nog een keteltje vol staan, eigenlijk voor de schipper!” En welwillend glimlachend goot hij Boutjens’ kom weer vol. Maar de duvel speelde er mee: de tweede kop was zoo mogelijk nog zouter dan de eerste! En Boutjens spuwde en foeterde, dat het een aard had.

Dien middag kreeg men de Kaap in ’t zicht. Maar de vreugde hierover was niet zoo groot, als ze had kunnen zijn. Want de wind woei zoo stijf uit het Westen, dat men onmogelijk aan land kon gaan. De zee werd steeds woeliger; de schepen dansten geducht.

Er werd scheepsraad gehouden op de Nieuw-Zeeland. Na lang mikken en meten besloot men door te zeilen. Al het volk was nog gezond; er heerschte voorloopig ook nog geen watergebrek. Den twaalfden Mei—dus vier-en-een-halve maand na het vertrek uit Holland—omzeilde men de Kaap, boog daarna om naar het Noord-Oosten. Tot Terre de Natal toe hield men het land in ’t zicht. Het was mooi weer; men onderscheidde duidelijk de talrijke rotsplateau’s en de hooge kegels van het Drakengebergte, welks toppen vaak tot in de wolken reikten.

De Enkhuizen was bestemd om naar de kust van Coromandel te gaan. Daarom leek het den schipper het best, het kanaal van Mozambique te doorzeilen, ten einde te ververschen op de Comorische eilanden, westelijk van Madagascar’s noordpunt. Bontekoe en Pieter Thijsz. van de Nieuw-Zeeland namen afscheid van den gezagvoerder van de Enkhuizen; de heeren dronken een glas wijn op de behouden aankomst van alle drie schepen. Een uur later zond de Enkhuizen drie saluutschoten over het water, die prompt beantwoord werden, en week van de twee andere Oostinje-vaarders af. De zeilen werden kleiner en blanker. Toen viel de schemering in en onttrok ze aan het oog.

Droomerig keek Hajo het licht-grijze schimmetje na. Naar de kust van Koromandel..... was dat nog weer iets anders dan Oostinje? Het scheen even ver en geheimzinnig. Hoe wijd moest de wereld zijn! In Hajo kwam een stille bewondering voor den schipper, die midden in onbekende zeeën zijn collega’s vaarwel zei en dapper, in vertrouwen op God en op zijn kompas, met z’n paar honderd kerels en z’n mooi getuigd schip naar het verre, vreemde land toog, waar wellicht geen blank gezicht hem zou verwelkomen. „Goeie reis.....!” zei Hajo zacht.

Bontekoe en Pieter Thijsz. stelden hun koers Zuidelijk om Madagascar.

Op een middag hing de vlag van de Nieuw-Zeeland halfstoks.

„’n Dooie”, zeiden de maats van de Nieuw-Hoorn tot elkaar, terwijl ze over de verschansing er naar hingen te kijken. Tegen den avond hoopte zich op het middendek van de Nieuw-Zeeland wat volk bij mekaar. Er werd een psalm gezongen. Plechtig klonk het geluid van die vele diepe mannenstemmen over het water. Toen werd een plank met een overdekt lichaam er op over de verschansing geschoven. Het lichaam gleed in het water, zonk onmiddellijk weg in de diepte. Twee kanonschoten,—en de vlag schoot weer de hoogte in.

Maar twee dagen later..... hing ze opnieuw halfstoks! Toen begrepen de mannen van de Nieuw-Hoorn, dat men aan boord van de Nieuw-Zeeland kampte met een meedoogenloozen vijand: de scheurbuik!

Den dag daarop bracht Pieter Thijsz. een bezoek bij Bontekoe. De Bruinvisch was geërgerd en prikkelbaar door den slechten toestand op zijn schip en werd zeer heftig, toen hem bleek, dat Bontekoe zijn koers twee streken Noordelijker dacht te stellen, dan hem, Pieter Thijsz., goed scheen. Rood van drift stevende hij de kajuit uit, baande zich hardhandig een weg door een groepje verblufte maats, die al ’n tijdje naar zijn gebulder hadden staan luisteren. „Vaar waarheen je wilt!” schreeuwde hij. „Voor mijn part naar de hel!”

Bontekoe was kalm, zooals zijn mannen dat van hem gewend waren. „Ieder zijn overtuiging, makker! Ik wensch je goede reis.”

„Het zal me verwonderen, hoelang ik op de reede van Bantam moet wachten, voor de Nieuw-Hoorn binnenzeilt!” donderde Pieter Thijsz. hem toe.

„Ik zal je het wachten aangenaam maken, door je, dadelijk bij je aankomst, met de jol een vaatje Tocayer te laten brengen!” was Bontekoe’s vriendelijk antwoord.

De oomes stootten mekaar aan. „Die zit”, mummelde Floorke.

„Goeie reis!” snauwde de Bruinvisch. Toen vloog hij als een kat de valreep af.

De mannen in de jol beneden sprongen nog sneller overeind dan anders. Ze stootten af en roeiden, als was hun leven er mee gemoeid. Maar Pieter Thijsz. ging het nog niet vlug genoeg: hij greep een der riemen, duwde den maat, die er aan zat, zonder veel praatjes op zij en roeide, dat de spaan knarste.

De oomes van de Nieuw-Hoorn grinnikten. „Wat een rare!”

Bontekoe kon evenmin een glimlach onderdrukken. „Tòch een kranig schipper, mannen!” zei hij.

De oomes waren vereerd door Bontekoe’s vertrouwelijkheid. En Floorke, die vond, dat hij bij Bontekoe wel een potje breken kon, zei, terwijl hij zich achter zijn oor in de roode haarstoppels krabde: „Maar je moet geen ruzie met ’m krijgen, schipper: juffer Driestreng ligt altijd klaar! Nee..... ik heb jou liever, hoor!” En toen hij vermoedde, dat hij nu wellicht wat al te vrijmoedig was geweest, keerde hij zich om naar zijn makkers en zei: „Nou? Wat jullie, jongens?”

De oomes keken lachend naar het gelaat van Bontekoe, dat hen uitdagend aanzag.

„Nou?” vroeg Floorke. „Nou?!”

„Leve Bontekoe! Leve de schipper!” brulde de heele troep.

De kerels in de jol daarginds hielden van verbazing de riemen stil. Toen plaste Pieter Thijsz. den zijnen nijdig weer in het water. De maats schrikten op, trokken met een ruk de riemen weer aan, zwijgend glurend naar de Nieuw-Hoorn.

In Bontekoe’s oogen fonkelde iets; zijn gelaat werd een weinig rood. Maar een glimlach om zijn mond verraadde, dat de onverwachte hulde hem niet onaangenaam had getroffen. „Vooruit!” riep hij. „Haal de bottelier dan maar op! Want daarom is het jullie toch te doen.”

Nieuw gebrul. Van het voordek kwamen ook maats aanhollen. Ze roken, dat er wat aan ’t handje was. Floorke was de man! Verdraaid, die wist overàl een oorlam uit te slaan!

Maar na het eten maakte de vreugde plaats voor een algemeene gedruktheid. Uit gewoonte ging het volk ook dien avond weer op het dek, onder den lichtenden sterrenhemel gezelsen, maar het gesprek vlotte niet. Zwijgend luisterden ze naar het ruischen van het boegwater.

Er waren dien namiddag drie man ziek geworden.

DE GEVREESDE VIJAND

In enkele dagen tijds steeg het aantal zieken tot vijftien. Het was daar in het vooronder een gekreun en gekerm, dat niemand er ’s nachts van slapen kon. En elken dag kwamen er zieken bij. Vader Langjas greep zich met de handen in het haar, verzon allerlei drankjes, die verlichting zouden kunnen schenken. Soms hielp het ook wel wat, vooral dank zij de troostrijke voorspiegelingen, waarmee het uitreiken gepaard ging. Maar van werkelijke genezing kon natuurlijk geen sprake zijn, zoolang de oorzaak van de ziekte niet was weggenomen: gebrek aan versch voedsel.

Lijsken Cocs was er het ergst aan toe. Zijn licht-blauwe, nu flets geworden oogen lagen diep, heel diep in de kassen; zijn spits neusje werd met den dag spitser, en het zweet parelde in zijn stroo-blonde haren. „’k Ga d’r an”, zuchtte hij. „Eerst m’n vader, toen Joppie..... wij kunnen in onze familie niet tegen de scheurbuik, weet je?” Lijsken zweeg, verraadde door een smartelijk vertrekken van den mond, dat hij pijn leed.

„Heb je pijn?” vroeg Harmen, die bij Lijsken’s kooi zat.

Lijsken schudde ontkennend het hoofd. En met schorre stem zei hij, op zorgelijken toon: „’t Is lam voor m’n moeder, dat ik d’r an ga! Want ik had ’r van deze reis ’n mooie cent kunnen thuis brengen....”

Den volgenden dag hing de vlag halfstoks. Lijsken’s tengere jongenslichaam werd in een zak genaaid en, onder het zingen van een psalm, plechtig aan de golven toevertrouwd. De kanonnen wenschten den kleinen, blonden koksmaat goede reis naar het oord, waar hij geen pijn meer voelen zou.

Bontekoe betaalde aan Harmen van Kniphuyzen de volle gage van zijn overleden vriend uit. Harmen kende Lijsken’s moeder en zou het haar geven. Grienend borg Harmen het geld in een zakje.

De gedruktheid nam met den dag toe. Er waren nu reeds acht-en-twintig zieken. En dubbel zooveel anderen klaagden over moeheid in de beenen. Velen liepen rond met blauwe kringen onder de oogen, vale gezichten en kleurlooze lippen. Toen er op een dag vijf tegelijk in hun kooi moesten blijven, durfde Bontekoe niet verder zeilen. En tot groote vreugde der zieken in het vooronder werd de steven gewend naar Madagascar, waar men hoopte te kunnen ververschen. Diede Doedesz., die zich ook al lam voelde, klom niettemin om het uur in het kraaiennest om met zijn beproefde oogen naar land uit te zien. Den vierden morgen na het wenden van den steven, rezen achter den gezichtseinder bergen op.

„Land! Land voor de boeg!!” Groote opgewondenheid. De zorgen woeien zoo maar de poorten uit.

In den namiddag naderde men het land; het zag er aanlokkelijk uit. De bergen waren met wouden begroeid, en het geheel maakte den indruk van vruchtbaar te zijn. Maar nu de moeilijkheid: hoe te landen? Zoo ver het oog reikte, was nergens een baai of inham, geschikt om de Nieuw-Hoorn te bergen. Toch zette men de boot uit. Terwijl de Nieuw-Hoorn voor de kust op en neer zeilde, voer de schipper met dertig stevige maats en evenveel geladen musketten weg.

Maar toen men met de boot wilde landen, bleek de branding te sterk te zijn. Terwijl men nog beraadslaagde, wat nu te doen, kwamen op het strand naakte, bruine kerels aanloopen, die in luide kreten hun verrassing uitten en toen staan bleven, de hand boven de wenkbrauwen, om beter te kunnen zien.

Floorke bood aan, naar land te zwemmen. Hij knoopte z’n broek stevig vast, snoof zoo er eens en sprong het water in. Als een haai schoot hij door de golven. Tweemaal sloeg de branding hem terug; de derde maal zette Floorke zijn tanden op mekaar en wist er zich doorheen te worstelen. Zijn broek boette hij er bij in: even naakt als de zwartjes plofte hij aan land neer. „Heila!” riep Floorke hijgend den verbaasden inboorlingen toe, die tusschen zich en dit witte, roodharige monster een behoorlijken afstand schenen te willen bewaren. „Toenggoe er eens even! Zou je bij geval kunnen zeggen, waar de kapal voor anker kan gaan? Jullie verstaan toch Maleidsch?”

De monden der inboorlingen sperden zich wijd open. Mooi gebouwde kerels waren het: groot, zwart als houtskool, wollig, dicht haar en van boven tot onder getatoeëerd met sterren en bloemenmotieven. Een kwam er met groote, elastische schreden op Floorke af, legde hem zijn zwarte hand op den schouder en wees naar het Zuiden. Hij zei iets, waar Floorke geen spier van verstond, wees toen op de Nieuw-Hoorn en toen weer naar het Zuiden.

„’k Heb je al in de gaten, kameraad!” zei Floorke verheugd. „In ’t Zuiden landen, hè? Hebben jullie ook wat te bikken? Makan?” En Floorke maakte een beweging van kauwen en den mond volproppen. Het resultaat was, dat de zwartjes allen begonnen te lachen.

„Lach, als je gekielhaald wordt!” gromde Floorke. Hij liep het water weer in, stortte zich in de branding.

„En?” vroegen z’n makkers, terwijl ze hem in de boot heschen.

„In ’t Zuiden..... pf! kunnen we landen..... pf! En m’n broek..... pff! ben ik kwijt.”

„Kon je de menschen verstaan, Floorke?”

„Best, schipper. Ik versta alle talen.”

„En hoe zagen ze er uit?”

„Zwart als ’n laars, schipper, en besneje als de ebbenhouten kast van m’n moei!” Floorke’s oogen richtten zich groot, met sprakelooze verontwaardiging naar het strand. „Wel sakkerloot! Daar loopt er een met mijn broek aan!” En Floorke wilde pardoes weer overboord springen.

Maar de maats hielden hem tegen. En Bontekoe zei lachend: „Ik zal je geld voor een nieuwe broek geven, Floorke.”

„Zoo’n beste broek!” zuchtte Floorke.

Naar het Zuiden! Men voer dicht langs de kust, dagen lang, zonder een baai te ontdekken. De stemming in het vooronder zakte weer geducht. De oomes verloren het vertrouwen in Floorke’s talenkennis; Floorke zelf schold op de „nikkers”, die hem zijn broek en zijn eer geroofd hadden. Het aantal zieken klom tot boven de veertig.

Padde kreeg het druk met het verplegen van den Schele, die zich ook niet voelde, zooals het wezen moest. Onze drie jonge vrienden zelf waren nog gezond.

Op een morgen was het land uit het gezicht verdwenen. Men zeilde Zuidwaarts tot op negen-en-twintig graden, maar toen zich nog steeds geen land, laat staan Floorke’s ankerplaats vertoonde, wendde men den steven weer en voer in Noord-Oostelijke richting tot op zeventien graden. Van daaruit werd de koers gesteld op de zeestraat tusschen Mauritius en Réunion, ten einde een van die beide eilanden aan te doen.

In die dagen had men den tweeden doode: Boutjens. De maats hadden zich ook tijdens zijn laatste dagen weinig om hem bekommerd; het was Hajo geweest, die hem elken morgen de warme koffie bracht en ’s nachts, wanneer hij Boutjens hoorde kreunen, was opgestaan om een kroes water voor hem te halen. Aanvankelijk keerde Boutjens zich grommend af, wanneer Hajo naderde, en hij dronk pas, wanneer hij wist, dat de jongen hem niet meer bespieden kon. Maar den avond vóór zijn dood tastte hij met zijn vermagerde vingers naar Hajo’s handen en vroeg met zwakke, schorre stem: „Waarom..... waarom doe je dat?”

„Omdat je hier niet één vriend hebt, die je verpleegt”, zei Hajo.

„Dan is het goed”, zuchtte Boutjens. „Ik dacht, dat je....!” En Boutjens begon te huilen. „’k Heb zoo’n pijn, al dagenlang, en ze laten me maar schreeuwen. Van morgen is de barbier bij me geweest en hij heeft me over God en over de Hemel gesproken;—nou weet ik, dat ’t met me gedaan is. Onder in m’n kist..... ik bedoel natuurlijk m’n scheepskist.....” Boutjens stokte even „Als ik van m’n kist praat, zie ik ’n doodkist voor me, maar daar grijp je op zee natuurlijk naast! Onder in m’n scheepskist ligt een plank. Die kun je optillen; daar heeft niemand verdacht op, zie je? Nou, onder die plank liggen dertien zilveren guldens. Die geef ik jou; niemand anders mag er met z’n vingers aankomen. Pas vooral op, dat Schieltjens Blauw het niet in de gaten krijgt, want da’s een schurk.”

Boutjens kreunde en zweeg eenigen tijd, hijgend van vermoeidheid. Langzaam-aan werd zijn adem weer rustiger; hij sloot de oogen en murmelde: „Wie z’n zonden berouwt..... is geen schurk.”

Toen men hem den volgenden morgen overboord liet glijden, zag men onder water den witten buik van een grooten haai glinsteren; met een ruk werd Boutjens’ lichaam in de diepte gesleurd. Een kreet van afschuw steeg op uit de groep mannen, die juist hun psalm beëindigd hadden.

Toen den volgenden dag Zwarte Gijs, de brave smid, op dezelfde droevige wijze van zijn talrijke kameraden afscheid nam, schoten drie haaien toe. Hun instinct leidde hen op den goeden weg.....

Zwarte Gijs liet in Enkhuizen twee dochtertjes na. In overleg met den schipper besloot Hajo het geld, dat hij van Boutjens had geërfd, voor de arme meisjes ter zijde te leggen.

Ook de volgende dag vroeg zijn offer. Ditmaal deed men alles in stilte, om de zieken in het vooronder niet onnoodig te herinneren aan..... wat hun misschien allen te wachten stond.

Na twee dagen kreeg men het Oost-einde van Réunion in het zicht, liet het schip dicht langs den wal loopen en peilde. Eerst op veertig vadem diepte raakte het lood grond: de kust was dus zeer steil. Niettemin besloot Bontekoe het anker te laten vallen.

Met bonzend hart vernamen de zieken in het vooronder het klapperen van de ankerspillen en daarna den zwaren plons in het water. Eindelijk!! Ze kwamen uit hun kooien het dek op kruipen en smeekten den schipper, aan land te worden gezet.

Bontekoe keek weifelend naar z’n arme kerels. Op deze steile kust kon de Nieuw-Hoorn licht afdrijven, en dan zou men van de helft van het volk gescheiden zijn. „Moed, mannen!” zei hij daarom. „We zullen de boot eens aan land sturen, om te zien, of er wat te halen valt!”

Terwijl de gezonde maats met het uitzetten van de jol bezig waren, besprak Bontekoe in de kajuit met den koopman het verzoek van de zieken. Rol verzette zich met hand en tand tegen het aan land brengen van de zieken op een plaats, waar geen ankergrond was. En ofschoon Bontekoe gebaarde, het niet met hem eens te zijn, moest hij zichzelf bekennen, dat Rol gelijk had.