De Scheepsjongens van Bontekoe

Part 10

Chapter 104,013 wordsPublic domain

In de baai dobberde een groote, gouden vlek.

De spiegeling der maan.

PADDE HEEFT BEET

Of de maats den volgenden morgen uit hun kooi konden komen! De zon zat nog half in ’t water, toen er al een stelletje oomes in baaien onderbroeken over de verschansing hing. Als je goed keek, zag je op de rotsen een bokje springen. Het was eb; er lag een flinke lap strand bloot, en in de waterkuilen kon Harmen zonder mistkijker, maar wel met een weinig verbeeldingskracht, kreeften en garnalen zien zwemmen. Padde liep het al om den mond: garnalen was zijn lievelingskostje!

’s Avonds zouden ze weer weggaan; dus moesten overdag de handen uit de mouw! Ze zouden vandaag die ouwe kast van een Nieuw-Hoorn eens opknappen, dat geen schoonmoeder er kwaad van kon zeggen! Na de vroeg-kost werd de jol neergelaten, die ververschingen moest opdoen en wat visch zien machtig te worden.

„Wie er mee wou?”

Allemaal wel!

„Ja, maar het eiland is Spaansch!”

„Laat de Spekken maar komen!”

„Er mag niet gevochten worden.”

„En als zullie beginnen?”

„Dan sla je er ook op. Nogal glad”, zei Donder-en-bliksem.

Er werd geloot, wie mee zou gaan. Hajo wist met z’n Vreugde geen raad, toen Rolf en hij beiden een lang strootje trokken.

Met dertig andere varensgasten daalden ze de touwladder af. Vóór in de jol lagen musketten en vischtuig.

„Zul je ’t niet vergeten, Klaas?”

„Wàt, Hein?”

„Je neus weerom te brengen!”

„Denk om de garnalen!” schreeuwde Padde.

„Kannibalen?”

De spanen plasten in het water. Een-twee; een-twee.

„Jongens”, zei Berentsz., die bij het roer zat, „we halen vóór de branding het net door het water. Als we een flink zoodje visch vangen, gaan we niet aan land. De Spekken zullen ons al lang in de kijker hebben.”

„Ik heb net zin in een robbertje, bootsman!”

„Dan maak je maar ’n robbertje met de groote mast!” raadde Berentsz. aan.

Op het strand doken boomen met slank-gebogen stammen en waaiervormige kruinen uit den lichten morgennevel op: palmen!

„Javaansche bloemkolen, Hajo!” zei Floorke, die al drie reizen naar Indië had gemaakt.

Hajo keek wantrouwend de anderen aan. Maar alle oomes roeiden zwijgend verder en knikten ernstig. Toen zei Hajo: „Ik hield het voor knolraap, maar dat kan ook wel komen, omdat Floorke er met z’n hoofd voor zat.”

Grinnikend haalden de oomes het net te voorschijn en wierpen het achter uit. Al roeiende trok men het achter de boot aan.

„Zou er al wat in zitten? ’t Is net of ’t zwaarder roeit!”

„Haal maar eens op!” zei Berentsz.

Alles kroop naar achteren. De boeg schoot de lucht in.

„Trekkèèèè!”

In eens spalkten de oomes de oogen open. Er zat een groote zeeschildpad in het net.

„Wat ’n raar beessie!”

„Haal hem binnen en leg hem op z’n rug! Nou, pak hem maar gerust: je zult hem niet bezeeren.”

„Zou-d-ie niet bijten?”

„Bijten? We zullen vanmiddag in hèm bijten! En er een fijn soepje van koken! Hoepla!”

De schildpad lag op den rug, bewoog hulpeloos haar dikke zwempooten.

„Ik zou hem wel voor m’n moei mee willen nemen! Krijg ik hem, bootsman?”

„Als de soep klaar is. Gooi het net maar weer uit, jongens!—Heila! Wat is dat!”

Van de strandzijde klonk een scherpe knal, en aan bakboord plonsde iets in het water.

„De Spekken!! Ze smijten met boonen!”

Aller oogen richtten zich naar het strand, waar zich een groepje mannen verzameld had. „Geef mij eens ’n musket! Ik schiet op honderd el een vlieg z’n voorpoot af!”

Weer een knal en een plons.

„Aan de riemen! Ze schieten ons nog door de kleeren! En ’k zit krap in m’n stopgaren!”

„Wacht even, ik ben nog aan ’t laden!” pruttelde de scherpschutter. Het laden van een musket was een werkje, dat tijd, ervaring en overleg vroeg.

Weer een schot. Een kogel floot den mannen over het hoofd.

Toen was de oome, die op honderd ellen een vlieg verminken kon, gereed. Grimmig legde hij aan.—Een donderslag; de schutter vloog door den schok bijkans met musket en al de jol uit.

Maar van het strand klonk een luide gil. Een der Spanjaarden liet zijn wapen vallen en stortte achterover in het zand. De anderen zochten een haastig heenkomen achter een boschje.

„Schei uit met die grapjes, Klaas! En pak de riemen op: we zitten vlak voor de branding!”

Een schot van den wal; de jol trilde even, en uit den bodem spoot een fonteintje op. „Au! M’n poot! Au! Au!”

„Stop het lek!” Het werd met touwpluisel gestopt.

De jammerende maat nam zijn voet in de handen. „Ze hebben m’n teen kapot geschoten!”

„Met Sinterklaas krijg je ’n nieuwe!” troostte Berentsz. „Roeien, jongens! Een-twee; een-twee.....”

Spoedig was men buiten schot.

„Willen we hier het net weer eens uitgooien, bootsman?”

„Vooruit maar”, zei Berentsz. „Waar is het?”

Algemeen gegluur onder de banken. „Het net is weg!”

Floorke begon te ginnegappen.

„Heb jij het weggestopt, beroerde kerel?”

„’t Hangt nog achter de boot!” zei Floorke. „D’r zal nou wel visch zat in zitten!”

Dat had de opwinding ’m gedaan. Ieder was vergeten, dat het net in het water hing. Het werd ingehaald. Groote vreugde, toen het vol glanzende, spartelende visch bleek te zitten.

Maar de gewonde maat deelde niet in de blijdschap. Hij had z’n hemd uitgetrokken en was met Rolfs hulp aan het verbinden van zijn voet geslagen.

De anderen letten er nauwelijks op. Het waren ruwe klanten, die varensgasten uit de zeventiende eeuw.

Aan boord was zoo gehamerd en gezaagd, dat niemand het schieten had gehoord.

In het ruim lagen nog stengen; ze werden door de achterpoorten aan dek geheschen. Een spier van veertien palm werd overlangs doorgezaagd, en die beide helften woelde men, met nog twee andere stengen, om de mastbreuk. Nu kon men de steng, die voorloopig den mast versterkt had, weer hijschen en het grootzeil voeren. Het was een lust er naar te kijken! De mast leek wel een zware pijler uit de Sint-Anthonis. Nu mocht de storm weer blazen.

Men was juist aan het taliën van het want, toen de boot terugkwam. De vangst overtrof alle verwachtingen. Bolle liet de gekieuwde waterbewoners lustig knappen in de pan; de meeningen over zijn schildpadsoep liepen zeer uiteen, maar de meesten smulden er in. Verdikke, men kon merken, dat er dien dag gewerkt was: er werden me wat bruine boonen achter de kiezen gedouwd! De gewonde maat, die nu door Vader Langjas naar alle regelen der kunst verbonden was, deed in eetlust voor niemand onder, en Padde trachtte in een berg schelvisch zijn teleurstelling over de garnalen te vergeten.

Een uur na het eten klonk tusschendeks een angstig geschreeuw: „Hulp! Hulp!!”

Alles stormde naar beneden. Daar vond men Padde half uit een geschutpoort hangen. Een kabel, die om een pin geslagen was, liep strak gespannen naar buiten; in het water werd er woedend aan gerukt. En Padde trok aan dezen kant.

„Ik..... pf! ik heb beet! Help ’ns ’n handje! Ik kan ’m alleen..... pf! niet binnen krijgen!”

De maats stonden paf. „Binnen krijgen! Als het touw niet om die pin zat, had ie jou al lang buiten gekregen!”

Twee mannen sloegen hun knuisten om het touw. „Trekken! Hoy-hay! Hoy-hay!” Nog een paar oomes staken hun armen uit de geschutpoort. Er kwam beweging in den kabel: men won. Het touw werd van de pin bevrijd en alles trok mee.

„Zou ’t een zeevarken wezen?”

„Trekkèèèèè.....”

Een glimmend zwarte monsterkop schemerde in het water, dat, door machtige staartklappen opgezweept, alle kanten uitgolfde.

„’n Haai!!!”

Nu werden plots de trekken der oomes stroef en hard. Nu was het geen spelletje meer!

„Hoe krijgen we ’m binnen? Wacht! Ik zal ’m van het dek een harpoen in z’n bast gooien,—dan halen we hem over het hek!”

„Gauw dan!” Een dozijn oomes stormde naar het dek.

„Wat zou-d-ie wegen? Drie honderd pond? Hou vast, mannen!”

Toen schoten de trekkende oomes achteruit, rolden in een kluwen van armen en beenen dooreen.

Beneden in het water plonsde het. En met een hartgrondige verwensching keken de oomes naar een gebroken stuk touw, dat ze in de hand hielden.

Padde zuchtte. „Daar heb ik nou de heele dag voor zitten koekeloeren! Waar bemoei jullie je ook mee? Als je mij stiekum m’n gang had laten gaan.....”

Toen moesten de oomes weer lachen.

De arme jongen zocht troost bij den bottelier. Deze was aan het tappen; Padde stak een kaars aan en daalde in den kelder af.

„Voorzichtig-aan, m’n jongen!” waarschuwde de Schele, toen Padde zijn kaars op een brandewijnvaatje plaatste. „Je zou brand maken!”

„Brand?” vroeg Padde. „Dat goedje kan toch niet branden? ’t Is toch nat?”

„Nat is het. Maar waarom zouden ze het brandewijn noemen, als ’t niet branden wou?”

„Kom, Schele”, zei Padde, „laten we nou maar naar boven gaan, anders vertel je me zoometeen nog, dat de zee in brand vliegt, als er een z’n pijp buiten boord uitklopt!”

De Schele begon te grinniken. Maar toen ze samen het keldergat uitkropen, ontsnapte een zware zucht aan zijn boezem. „Merakel! Gertje kon net zulke grapjes maken.....”

Dien avond koos de Nieuw-Hoorn weer zee. De koers werd recht op de evennachtslijn gesteld.

Onze vrienden hingen over de verschansing en tuurden naar het land, dat langzaam wegzonk. De lucht en het water waren goud van de ondergaande zon, de berg en de rotsen diepblauw.

Hajo voelde zich beklemd. In zijn ziel trilde de smartkreet na, dien de gevallen Spanjaard had uitgestooten. Hajo vond, dat de vorm van het eiland aan een graf deed denken.

Als een witte lijkkrans lag de branding er omheen.

WINDSTILTE

Nauwelijks had Bolle den volgenden morgen vroeg-kost geschaft, of Diede Doedes kwam vertellen, dat hij achter in de lij twee zeilen zag. De maats brandden zich de lippen in hun haast om hun kommetje gloeiende koffie leeg te slurpen.

De marszeilen werden bijgezet en de koers gesteld op de beide schepen. Bij nadering bleken het de Nieuw-Zeeland en de Enkhuizen te zijn. Dat was een verrassing! Men groette drie maal met de vlag, en ook aan boord van de andere schepen scheen men opgetogen over het weerzien.

Bontekoe beval de jol te water te laten. De opperstuurman en hij daalden de ladder af; de maats wierpen de riemen uit en roeiden naar de Nieuw-Zeeland.

„Zijn jullie ook aan land geweest?” schreeuwden ze naar boven, toen „de heeren” in de kajuit waren.

„Ja! We wouden op Ilje del May water innemen. Maar de Spekken hebben geschoten! Twee van ons zijn er an gegaan. Lange Harm en IJsbrants Dircksz. met de sproeten.....!”

De schepen koersten gezamelijk weer Zuidwaarts. Maar op een kwaden morgen vielen de zeilen slap neer; stillekes dobberden ze op het rimpellooze water; de hitte deed het pek in de dekspleten smelten.

De maats wisten van verveling geen raad. Overal was het even broeierig; het hout brandde onder je voeten. In de kombuis liepen de koksmaats met gloeiende koppen heen en weer. Geen pijp smaakte je meer. Drinken,—dat was het eenige, wat nog een oogenblik verkwikking gaf.

De schipper liet allerlei spelen houden; de prijzen bestonden uit appels en peren, die nog in het ruim lagen opgestapeld. Verjoppie, daarvoor wilden de kerels nog wel een paar keer het dek op en neer rennen, of turfrapen, of den kruiwagen duwen! Een oome laadde onder groot gejuich den Schele op zijn wagen.....

Den halven dag lagen ze in den Atlantischen Oceaan te spartelen, de oomes; ze sprongen van de boegspriet het water in, doken onder het schip door, plasten en ploeterden en klommen dan langs de touwladder weer omhoog. Maar vijf minuten later waren ze weer even verhit als te voren. Ze vervelden om het hardst. Den oome, die bij Ilje del Foege een teen had verloren, werd door een of ander geheimzinnig zeemonster een tweede teen afgebeten. Er werd lang over geredekaveld, of het een haai, of iets anders zou zijn geweest. De gebeten oome zei, dat de duvel er achter stak: twee teenen achter mekaar!

Om verdere ongelukken te voorkomen, liet Bontekoe het grootzeil tusschen de onderste ra van de fok en den grooten mast binden. Het werd met water gevuld en leverde een gezellig zwembad. Nu was het zeil ten minste ergens goed voor. Natuurlijk waren er weer van die grapjassen, die, als je rustig in ’t bad je pijpje lag te rooken, van onderen met spelden door het zeil prikten.....!

De jongens werden beziggehouden. Terwijl de oomes geen hand uitstaken, moesten zij poetsen; poetsen en poetsen. Zwabberen en schrobben hoorde er ook bij. Als de zon al niet zoo beroerd glom, had Berentsz. ze ook die vast nog laten oppoetsen.

„’k Mag lijen, dat de zon niet valt”, verzuchtte Floorke.

„En waarom niet?” was het loome antwoord.

„’k Leg er pal onder”, zei Floorke. De oomes waren te lui om te grinniken.

Op een morgen ving Harmen aan een lijntje met spek een grooten kabeljauw. Toen werden allen door hengel-koorts aangetast. Achter elke geschutspoort lagen een paar oomes te koekeloeren. Voor den pechvogel, die geen lijntje had weten machtig te worden, bleef niets over dan langs de ijverige hengelaars te loopen en te vragen: „Al beetgehad?”

„Neen”, was dan het grimmige antwoord.

„En jij?”

„Wat?”

„Al beetgehad?”

„Neen.”

„En jij, Smirtjens? Al beetgehad?”

„Bijna.”

„Ga eens wat dieper liggen.”

„Heb ik al gedaan.”

„Wat hooger dan.”

„Heb ik ook al gedaan.”

„Wat doe je daar de heele dag te zitten, als je toch niks vangt?”

„Jij zou ook wel een lijntje willen hebben, hè?”

„Ik? Ik zal wel oppassen!”

„Ja. Opkrassen. Doe dat maar.”

Toen de bootsman het moe werd om den heelen dag achter de poetsende jongens aan te zitten, brak ook voor deze arme verschoppelingen een tijd van onbeperkte vrijheid aan.

Rolf maakte er een dankbaar gebruik van door bij Vader Langjas, die goed Maleisch sprak, voort te bouwen op de fundamenten, door Bolle gelegd. De barbier kreeg steeds meer schik aan zijn ijverigen leerling; hij stond versteld over de kennis, die Rolf in zoo korten tijd uit de boeken over heelkunde had geput, bracht hem wat op de hoogte met den stand en het wezen van sterren en planeten; leerde hem een gradenboog maken. Rolf nam op als een spons, ja, bracht den deftigen barbier soms leelijk in het nauw door meer te willen weten dan Vader Langjas hem vertellen kon.

„Ja, jongen”, zei deze dan, „voorloopig kan ik nog niet dieper met je op de zaak ingaan!” Maar terwijl hij de logische, eenvoudig gestelde vragen trachtte te omzeilen, voelde hij drommels goed, dat de heldere oogen van zijn leerling doordrongen tot in de engste hoekjes van zijn weten. Dan voelde Vader Langjas zich overwonnen. Hij zuchtte en zei met een zalvend gezicht: „Het gebied der wetenschap is oneindig, Rolf. Wij, menschen”—de nadruk op het woordje: wij—„zijn maar stofjes in het heelal. Wij kunnen de goddelijke wonderen der natuur aanschouwen, doch bevatten kunnen wij ze niet, Rolf.” Maar tegelijkertijd moest hij zichzelf bekennen, dat hij dat alles weleens graag vergat: Vader Langjas was gewend voor een alwetend man door te gaan!

Hajo speelde viool, en het ging Harmen als Vader Langjas: zijn leerling groeide hem boven het hoofd. „Kun je er de wind niet mee lokken, Hajo?” vroeg Rolf in het voorbijgaan. „Je leert het al uitstekend, hoor!”

Hajo hield op met fiedelen. „Vind je?” Een goedkeuring uit Rolfs mond was hem meer waard dan de overdreven loftuitingen van tien volwassen oomes.

Padde was het ditmaal bij uitzondering met Rolf eens. Vooral als Hajo erg langzaam en met trillers speelde, knikte hij ontroerd. „Ja-ja”, zei hij dan. Verder verklaarde hij onomwonden, dat een schip een nutteloos ding is, wanneer er geen wind staat.

Niemand sprak hem tegen.

„Foeiiiiit.....!” Een windstoot! Heerlijk verfrisschend. De oomes liepen joelend heen en weer, gooiden het water uit het grootzeil, spanden het op en hoopten twintig knoopen in het uur te maken. Floep! weg was de wind weer.

De oomes gaven den moed nog niet op! „Wacht maar!” troostten ze elkaar. „Dat was het begin! Straks komt er wel meer.”

Maar er kwam niet meer. Een enkele maal, na uren van volkomen windstilte, deed een enkel tochtje het water rimpelen. Na zoo’n korte verfrissching drukte de hitte nog meer dan te voren. Het grootzeil werd weer zwembad. Oef.....!

Drie dagen later kwam uit het Oosten een groote, donkere wolk aandrijven. Ze wierp een zwarte schaduw voor zich uit over het water, verduisterde binnen een uur den ganschen hemel. Doodsche stilte.

Spanning bij de schepelingen. „Een windhoos!” werd er gefluisterd. Ondanks het halfduister broeide er een hitte, die den adem benam.

In eens..... een windstoot.....! Nog een! Nog een! De zeilen rukten aan de touwen, vielen klapperend weer neer, rukten opnieuw, dat de ra’s er van piepten, vielen luimig weer neer.....—Daar kletterde een regen, zoo hevig, dat allen doornat waren, vóór ze het wisten. De waterstralen daverden op het hout, dat ’t hooren je verging; er waren honderd trommelaars in de weer.

De maats gierden van de pret. In bakken, zeilen en pannen werd het water opgevangen. Je hadt maar iets op te houden en ’t was al vol. De oomes trokken hun broeken uit en liepen als Adams rond, stoeiend, gillend. „Fijn is-t-ie, hè?”

Rrrrrt! Met een krachtigen roffel besloot de regen. Ineens. Geen druppeltje viel er meer. De zon drong weer te voorschijn. Wat even te voren gedropen had van het water, was in enkele oogenblikken kurkdroog.

Stilte. Volslagen stilte. Brandende zonnestralen vielen loodrecht op het schip.

In den namiddag herhaalde zich de grap.

Den volgenden dag driemaal. Maar bij dat al schoot men geen vadem op.

Eindelijk begon het weliswaar gestadig te waaien, maar de wind tolde in het rond, of hij dronken was. Men was zonder ophouden in de weer met het omgooien van de zeilen.

Wonderlijk waren de nachten. Dan scheen de wereld een tot berstens toe gevulde schatkist. Het goud der sterren droop in het water, dat zelf als vloeiend goud was. Het schuim, dat opspatte voor den boeg, was louter zilver; milliarden edelsteenen stoven alle zijden uit. Sterren werden van links naar rechts gekegeld,—lieten een gloeiend spoor na.

De maan scheen het wonderlijk geheim van dit alles doorgrond te hebben: rustig glansde zij tusschen al het bont gedwarrel.

Hajo kon er ’s avonds niet toe komen om naar bed te gaan; het spel der sterren nam hem geheel in beslag; hij voelde zich in een sprookjeswereld verplaatst, in een doolhof van wonderlijke gebeurtenissen, waaruit geen ontkomen meer mogelijk was. Daar, in het Noorden, moest Holland liggen en Hoorn en de Bagijnesteeg..... Was het mogelijk?

Drie, zes, acht sterren tuimelden dooreen. Weer een! En daarginds..... vier tegelijk!

Rolf en Padde stonden mijmerend naast hem.

„Hajo.....” vroeg Padde, „hoe zou de evennachtslijn er uitzien?”

„Misschien wel een lijn van vuur..... of zoo iets”, zei Hajo.

„’t Is hier allemaal vuur!”

Hajo keek peinzend voor zich uit. „Zeg, Rolf, hoe komt dat..... kijk eens! wat een sterren daar vallen!..... hoe komt dat..... met die vallende sterren?”

„Die vallen eigenlijk niet. Die veranderen alleen maar van plaats en.....”

„Dat kun je ook zeggen, als je een dakpan op je kop krijgt, dat ie van plaats veranderd is!”, meende Padde. „Kijk daar eens! Daar vallen er zes tegelijk!”

De knapen zwegen en tuurden voor zich uit.

Na een uur verbrak Padde het zwijgen. „Dat alles moest m’n moeder nou eens kunnen zien! En m’n zusjes en broertjes!”

Hajo voelde een prop in z’n keel.

En Rolf stelde voor, om te gaan slapen.

ALBATROSSEN

Na drie eindelooze weken van onophoudelijk laveeren kwam de dag, dat men de linie zou passeeren. De oomes, die de reis al vaker hadden gemaakt—dat waren verreweg de meesten!—deden geheimzinnig. Om twaalf uur in den middag verwachtte men een voornamen gast: Neptunus in eigen persoon zou uit zee opduiken en de Nieuw-Hoorn een bezoek brengen. Een half uur lang zou hij het bevel over het schip in handen nemen, onder zijn genadig toezicht de nieuwelingen laten doopen en dan, met zijn gevolg, weer in het zilte nat onderduiken.

Het middendek werd versierd met de guirlandes, die reeds op Oudejaarsavond zulke goede diensten hadden verricht. Tegen den grooten mast timmerde men een troon voor den machtigen zeegod en plaatste er een groote kuip water voor. Waartoe die diende, mochten de „groentjes” voorloopig nog niet weten. Daarom maakten eenige janmaats zich op om hen in het vooronder op te sluiten. Harmen nam Padde voor zijn rekening. Terwijl hij hem gevankelijk wegvoerde, schilderde hij hem in sombere kleuren zijn naaste toekomst voor. Padde jammerde hemel en aarde bijeen; de anderen lieten zich lachend opsluiten. Maar bij de meesten was het de vroolijkheid van dien bekenden boer, die kiespijn had.

„Kom, Padde, schreeuw niet zoo! ’t Zal wel meevallen!”

„Meevallen?! Als je driemaal gekielhaald en een uur met je hoofd onder water wordt gehouden?”

Het sloeg acht glazen. De deur van het vooronder werd ontsloten.

Buiten wachtte den groentjes een dubbele rij oomes, die hen met papieren klappers naar de verhooging dreven, waar de oude grijze Neptunus reeds zat, omgeven door zijn ganschen hofstoet. De schipper en de opperstuurman zaten aan zijn zijde. Neptunus droeg een waardigen, met papieren visschen beplakten mantel, en in zijn hand klemde hij een vervaarlijken drietand, waaraan een stokvisch was gespietst. Zijn dienaren hadden een mombakkes voor met spitsen, langen neus en groote, groene vissche-oogen. In hun roode haren was nog zeewier verward. Een van hen wachtte met een groote schaar bij de ton water, om de groentjes kaal te knippen. Hij droeg de roodbaaien onderbroek van Harmen van Kniphuyzen. De anderen stonden met volle putsen gereed om te „doopen”.

Er werd niet getalmd. Zonder erbarmen pakten Neptunus’ dienaren de groentjes in hun nekvel, duwden ze stuk voor stuk in de ton, verfrischten ze ten overvloede nog met een puts water. Toen werden ze door den roodgebaaiden lakei van vorst Neptunus van hun haardos bevrijd. De vlokken stoven in het rond; pijnlijke kreten der slachtoffers deden vermoeden, dat de schaar weleens uitglipte. Toen alle groentjes behoorlijk kaal waren en het water hun uit de kleeren droop, verhief Neptunus zich met koninklijk gebaar van zijn zetel en sprak: „Haal me de bottelier er eens op!”

Daar kwam de Schele al aan, nog rood van het tappen. „Wat is er van je bevelen, Majesteit?”

„Dat je de kerels een oorlam schenken moet, bottelier!”

„Leve koning Neptunus!” brulden de oomes.

„De groentjes ook, Majesteit?” vroeg de Schele.

„Donder en bliksem!” sprak Zijne Majesteit, „er bennen geen groentjes meer, Schele!”

„Tot je orders, Majesteit!” En de Schele verdween, voortgedreven door een stelletje ijverige oomes.

„Zou jij de bottelier niet er eens ’n handje helpen?” vroeg Koning Neptunus aan Padde, die niet ophield met jammeren over de mishandeling, die hij had ondergaan.

„Helpen?! Om die beroerde kerels een oorlam te bezorgen?! ’k Zou nog liever!” schreide Padde.

„Zeg er eens, manneke!”—het was Bontekoe, die sprak—„Durf jij tegen Koning Neptunus op te staan?!”

„Koning Neptunus! Dat donder en bliksemen heeft ie dan toch van de bootsman!”

„Donder en bliksem.....!” stamelde Neptunus.

De oomes lachten. En Padde trok er grimmig tusschen uit.

Daar kwam de Schele met zijn helpers terug, een paar vaatjes bier voor zich uit schoppend. Met hoera-gebrul werden ze (de vaatjes)! ontvangen en geopend. En toen hieven de maats de kroezen op, dronken op de gezondheid van Neptunus, den schipper, den bootsman, op de linie, op Holland en op Java, op de Nieuw-Hoorn, de behouden thuiskomst, gunstigen wind en verder op alles, waar maar op gedronken kon worden. Neptunus bleek, na in den loop der eeuwen dagelijks zeewater te hebben moeten slikken, ook niet wars van een hartversterking: hij doopte bedachtzaam zijn grauwe snor in een kroes.

De vaatjes raakten leeg. De oomes keken sip. Maar tot troost werd er afgekondigd, dat allen in de kombuis twee appelflappen mochten halen.

Die smaakten!

En toen kwam het afscheid. Neptunus drukte den schipper de hand, gaf hem het gezag over de Nieuw-Hoorn weer plechtig over en liet zich in triumf uitgeleide doen naar de valreep. Hij wenschte allen voor de laatste maal goede reis en dook met zijn dienaren weg in het water.