De Scheepsjongens van Bontekoe

Part 1

Chapter 13,610 wordsPublic domain

DE SCHEEPSJONGENS VAN BONTEKOE

JOHAN FABRICIUS TEEKENINGEN VAN DEN SCHRIJVER

H. P. LEOPOLD’S UITGEVERS MIJ. ’S-GRAVENHAGE MCMXXIV

Aan mijn vader

AAN DE HOLLANDSCHE JONGENS!

„In ’t Jaer ons Heeren 1618, den 28. December, ben ick, Willem IJsbrantsz. Bontekoe van Hoorn, Tessel uytghevaren voor schipper, met het schip ghenaemt: Nieu-Hoorn, ghemant met 206 eters, groot omtrent 550 lasten, met een Oosten-Wint.....”

Zoo, m’n jongens, zet het „Journael” in van een der eerste, kranige „Schippers naast God”, die met hun wakkere mannen ons gezag in Indië vestigden. Elke kajuitsjongen uit de zeventiende eeuw had, als hij ook maar een beetje lezen kon, het verhaal in zijn scheepskist liggen bij z’n bijbeltje en zijn onderbroeken. En Potgieter dichtte op Bontekoe’s reis een reeks „liedekes”.

Bontekoe heeft geen zilvervloot veroverd en ook geen tocht naar Chatham gemaakt. Hij volbracht zijn simpele opdracht (met een notedop-zeekasteel de Kaap te omzeilen) in rustig vertrouwen op God,—als alle schippers uit onze Gouden Eeuw, die op hun avontuurlijke zwerftochten naar het onbekende land door oud en jong werden nageoogd en benijd om de heldhaftige taak, die ze gingen vervullen. En Willem IJsbrantsz. Bontekoe zou waarschijnlijk evenals zijn kameraden geheel in de vergetelheid zijn geraakt, wanneer hij niet een reis had gemaakt zóó vol tegenslagen, als de geschiedenis onzer zeevaarders er wellicht geen andere telt.

Maar hij was taai. Toen zijn schip op den Indischen Oceaan in brand vloog, verliet hij het niet, voor hij ermee de lucht insprong. En in een hulkje wist hij Batavia te bezeilen.

Het leven van een Màn, jongens, gaat nooit zonder stormen voorbij. Hoe verder het land, dat je bezeilen wilt, hoe moeilijker en gevaarlijker de reis. Verlaat je schip niet, voor het onder je bezwijkt! Dan zal men later zeggen: „Hij voer door vele stormen, maar zijn reis werd een reis van Bontekoe!”

JOHAN FABRICIUS

INHOUD

Deel I Bladz.

Zeewind 1 Een Vechtpartij 5 Schipper Bontekoe 16 Moeder 21 Het groote afscheid 26 Padde doet zijn vriend uitgeleide 41 Op zoek naar den bottelier 55 Reisavonturen 65 Oudejaarsavond 76 Storm 91 Padde leert buikspreken 100 Padde ziet door een mistkijker 115 Rolf 121 Maneschijn 129 Padde heeft beet 131 Windstilte 138 Albatrossen 145 De gevreesde vijand 154 Een nachtelijke roeitocht 163 De horen des overvloeds 174 Vreemde beesten 186 Ruilhandel 200 De Neus schiet een musket af 212 Brand! 227 In de booten 239 Haaien 246 Joppie III 251 Sumatra 257 De dessah in 267 Verlaten 282

Deel II Bladz.

De Zwervers 295 Padde’s broek 301 Een nest met katten 311 „Tabeh!” 318 Padde is zoek 326 Dolimah 331 De strijd om het hol 342 De regen 354 Si-Kampret 364 Saleiman en zijn fluit 372 Harmen vindt een geitje 380 Pa-Samirah, de doekoen 389 De vlucht 401 De bijawak 409 Den dans ontsprongen 415 Harmen en Padde op de vischvangst 420 Dolimah’s heimwee 430 Padde stuit op een menscheneter 434 Boeng van Bapah-Loleh 443 Joppie doet een ontdekking 454 Harmen kaapt een zeiltje 461 In volle zee 468 Java.....! 477 Het eerste weerzien 484 Bij de Bruinvisch aan boord 493 Af- en aanmonsteren 499 Met Gerretje naar Loa Hok Sen 514 De pasar malem 531 De thuiskomst 547

EERSTE DEEL

ZEEWIND

„Satansche jongen, hou die bout vast!”

„’k Hou ’m toch vast, baas?”

„Noem je dat vasthouden? Jij zult nooit een goeie smid worden!”

Peter Hajo zweeg even. „Wil ik ook niet”, pruttelde hij toen.

„W-wat zeg je? Wil jij geen smid worden?!”

„Nee, baas. ’k Wil naar zee.”

Meester Wouter, de hoefsmid uit De IJzeren Man, liet den zwaren voornamer, dien hij juist had opgeheven, van verbazing een seconde lang in de lucht zweven. Toen dreunde een mokerslag; de vonken stoven meester en knecht om het gelaat. „Gekkenpraat!” zei de hamer in ijzeren taal.

Peter Hajo keek zwijgend naar het roodgloeiende bout-einde.

Hij verstond de taal van den voorhamer! Als hij in het halfdonker van den wintermorgen de rossig-schemerende smederij binnenkwam, had hij buiten al gehoord, hoe zijn baas gemutst was.

„Zou je niet ereis trekken?” gromde meester Wouter. „Het vuur is zoowat uit! Op die manier zou ik de hamer platslaan, en de bout zou rond blijven!”

„Hoe kan ik trekken, baas, als ik.....”

„Ben jij ’n joffer, dat je die bout niet met één hand kunt vasthouden?”

Peter Hajo was geen joffer. Hij klemde zijn rechtervuist om den bout, trok met de linker den blaasbalg, liet het niet merken, dat de slagen hem nu tot in de straffe spieren van zijn rug zeer deden. Een breede lach verscheen op zijn met roet overdekten jongenskop, toen hij vroeg: „En als ik m’n neus moet krabben, baas?”

„Leg ’m maar op het aanbeeld, dan zal ik ’m met m’n hamer krabben! Wat moet je op zee! Haringvisschen? Om te verdrinken, zooals je vader, of door de Duinkerkers naar de galeien te worden gebracht?”

„Ik wil met de walvischvaarders mee, baas. Maar.....” Peter Hajo slikte wat weg. „Jongens van veertien willen ze niet hebben! Je moet zestien wezen.—Visch jij maar stekelbaars, zeggen ze!”

Baas Wouter meesmuilde.

Maar zijn gelaat betrok, toen zijn booze vrouw de smidse binnenstoof en snauwde: „Ben je doof? D’r is al driemaal volk geroepen in de winkel, en m’n bieten staan aan te branden!”

De hoefsmid uit De IJzeren Man keek verbluft naar de deur, die alweer met een slag dichtgevallen was, zette toen grommend den voornamer neer. Peter Hajo bleef alleen,—tuurde in de vlammen van den oven.

„Kom maar eens terug, als je zestien bent.....”—Over twee jaar! Alsof hij niet het werk van een zestienjarigen jongen zou kunnen doen! Hij zètte het allen zestienjarigen jongens in Hoorn om dien bout vast te houden zooals hij dat daareven had gedaan! Was er één bij, die hem aandurfde? Had hij Peer den Vos geen pak slaag gegeven als hij in z’n leven niet had gehad,—omdat hij (zonder het te vragen!) in de bijt was gaan visschen, die Peter Hajo in het ijs had gekapt? Peer den Vos, die wel een hoofd grooter was dan hij!

’t Was een gemeene streek om hem als landkikker te laten rondspringen, hem, die, toen hij nauwelijks loopen kon, de touwen, die de binnenzeilende visschers zijn ouderen vrienden toewierpen, al met een echten zeemansknoop om de meerpalen sloeg; hem, die zich op z’n vijfde jaar stiekum in vaders botter had verscholen en mee ter haringvangst was gegaan!

Hoe snakte hij er naar op zee te zwalken zonder een streepje land mijlen in den omtrek; hoe snakte hij er naar de wijde wereld te zien en met echte zeebeenen terug te komen en op te snijden net als die bruingebrande pikbroeken, die met Jan Pieterszoon Coen naar den Oost waren getogen en nu de waarheid spraken of logen, juist als het hun inviel, zonder dat een landrot zeggen kon: „Je zuigt uit je duim!”—De Oost....! daar was voorloopig heelemáál geen kans op. Misschien later, als hij eerst een paar reizen met een walvischvaarder had gemaakt; als het vel van zijn handen was gesprongen door het zout; als de traanlucht in z’n haar en in z’n kleeren hing,—misschien zouden ze hem dan willen meenemen. Jandosie! Peter Hajo zag een beeld opdoemen van bergen, fladderende papegaaien, dansende wilden, van apen, tijgers, krokodillen.....

Weg was het beeld.

Daar stond Peter Hajo, leerling in de hoefsmederij De IJzeren Man. Daar lag de bout, dien hij zoo meteen weer moest vasthouden; daar hing de balg..... Twee jaren nog zou hij tusschen grauwe wanden en smerige ruitjes den blaasbalg moeten trekken en bouten vasthouden. Twee jaren zou hij, in plaats van den zeewind, die hem het bloed deed bonzen, ijzerlucht en den stank van geschroeide paardehoeven moeten opsnuiven. Peter Hajo, „wilde” Hajo: een meeuw in een kooi, een haai in een boerensloot.....

Stil! Wat hoorde hij daar? Buiten, op straat, kwam zingend een troepje jongens voorbij.

„Hou zee! Hou zee! De wind blaast van de ree! De wind blaast in de rokken! Wie wil er thuis nog hokken? Hou zee! Hou zee!”

Peter Hajo wist, dat ze in de haven zouden gaan botkloppen. En hij? Hij.....!!

Toen meester Wouter eenige oogenblikken later de smederij weer binnenkwam, zette hij groote oogen op.

„Satansche jongen!” mompelde hij. Grimmig pakte hij den bout op; de hamer viel met het geweld van een donderslag op het gloeiende ijzer.

Peter Hajo was verdwenen.

EEN VECHTPARTIJ

Buiten heerschte December.

Onze jeugdige held trok de muts over de ooren, stak zijn handen en polsen in den zak, klemde de armen tegen het lijf en draafde zoo’n beetje, om warm te worden. In de zeventiende eeuw was een winter nog een winter!

Spoedig had hij de zingende jongens in het oog. Daar had je „Lange Leen”, die natuurlijk weer de leider van den troep zou zijn. Peter Hajo zou hem, zoodra de gelegenheid zich voordeed, eens ongezouten aframmelen, want Leen keek altijd zoo minachtend op je neer en zou zich op den duur wat te veel gaan verbeelden.

En dan was Padde er ook bij, die goeiige dikzak, die altijd met z’n oogjes knipte en nu natuurlijk weer de netten en den emmer dragen moest.

Padde was Hajo’s schaduw; volgde hem bij al zijn schelmenstreken op den voet. Hij was het, die Hajo’s heldendaden ruchtbaar maakte en hem tegenover iedereen verdedigde, wanneer Hajo er zelf niet was om dat te doen. Honderdmaal was het gebeurd, dat Padde, die niet zoo hard kon loopen als de omstandigheden soms vereischten, in de vingers van een nijdigen boer of nachtwacht was terechtgekomen en Hajo dan den volgenden dag met bitter verwijt op zijn builen, schrammen en blauwe plekken wees.

Maar als Hajo weer appelen ging „rapen” in den tuin van het Sinte Clarensklooster, was Padde bij hem en kroop hijgend en blazend over muurtjes en heggen, tot groot ongenoegen van zijn moeder, die hem daarna met haar groote, harde handen bont en blauw sloeg,—wanneer ze er niet te moe voor was. Want Padde had zeven jongere broertjes en zusjes.....

„Hajo!” riep Padde verheugd, toen hij zijn held zag aankomen. „Ik dacht, dat je in De IJzeren Man stond!”

„’t Werd me er te warm!” zei Hajo. „En Wouter was zoo aan het hameren, dat ik al maar door aan botkloppen moest denken. Waar gaan jullie het doen?”

„In de Karperkuil”, was het antwoord.

„Zou je ’t niet liever eens in moeders waschtobbe probeeren? Weet je, wáár bot zit? Tegen de Italiaansche Zeedijk aan!”

„Juist!” bevestigde Padde.

„Wel”, zei Lange Leen, „gaan jullie dan naar de Italiaansche Zeedijk. Geef die bijl hier, Padde. Wij gaan naar de Karperkuil.”

Peter Hajo bleef rustig. „Van wie is die emmer?” vroeg hij.

„Van mij”, zei Padde. „En dit eene net is ook van mij.”

„Top. Leg de rest neer. Een bijl hebben we niet noodig, want ik heb er nog een bijt.”

Padde ontdeed zich van twee netten, die hem nog over den schouder hingen, en gaf den bijl aan Langen Leen.

„Laat ze maar loopen, jongens!” zei deze.

„Wedden, dat er in de heele Karperkuil geen onnoozel botje zwemt?” vroeg Padde, terwijl hij met Hajo heenging.

„Wacht even!” riepen toen Schouwen Doedes en nog een paar jongens. „Wij gaan ook mee!”

„Als je ’t maar laat”, dreigde Hajo. „Nou heb ik jullie niet meer noodig.”

Hajo en Padde liepen de Korenmarkt over en daarna de Veermanskade langs met haar hooge pakhuizen en deftige patricierswoningen. Juist wilden ze bij den Hoofdtoren rechts afslaan, den Italiaanschen Zeedijk op, toen een Friesche tjalk de haven kwam binnenzeilen. Haastig snelden ze toe om haar te helpen vastleggen. Het scheelde maar een haartje, of Padde werd door het touw in het water getrokken, wat hij nog slechts kon voorkomen door aan boord te springen, waar hij voor de voeten van een gezelschap deftige heeren terechtkwam. Verlegen krabbelde hij overeind.

De heeren lachten en begaven zich aan wal. Hajo groette hen vol ontzag.

„Wie waren dat?” vroeg hij aan schipper Blok, den eigenaar van de tjalk.

„Wel”, zei Blok, „die met die baard, da’s schipper Bontekoe.”

„Natuurlijk. Maar de anderen?”

„Die bennen alle vijf van de Oost-Indische Compagnie. Die magere is uit Enkhuizen, en die dikke met z’n wijde handschoenen komt uit Zeeland. Ik heb ze met de Hoornsche Zon”, Blok wees op z’n tjalk, „naar Texel motten brengen en weer halen ook. Daar leit de Nieuw-Hoorn, weet je?”

„De Nieuw-Hoorn?”

„De schuit van schipper Bontekoe, die naar Oostinje gaat. Je zou ’m es moeten zien! Tweehonderd koppen aan boord!”

Hajo keek peinzend de deftig gekleede heeren na, die juist een oogenblik stilstonden voor Bontekoe’s woonhuis op de Veermanskade. „Zeg, Blok”, vroeg hij, „wijs me nou eens, hoe groot de Nieuw-Hoorn is.”

Blok trok een ernstig gezicht, spoog zoo er eens voor zich heen en mat met zijn oogen den grond af. „Zie je dat paaltje?”

„Dat daar?”

„Krek d’r naast. Zoo lang is-t-ie vast wel van ’t galjoen tot de spiegel.”

„En ligt-ie goed, Blok?”

„Zoo vast as ’n kanonnier!” En de schipper ging met zijn beide zoons de zeilen inrollen.

Padde had er zwijgend bij staan luisteren, pakte nu zijn emmertje weer op, en de beide jongens vervolgden hun weg. „Die sprong in de tjalk viel niet mee!” verzekerde Padde. „’t Was wel drie el!”

Maar Hajo gaf geen antwoord.

Zoo kwamen de jongens op den Italiaanschen Zeedijk. Er lag een breede strook ijs.

Plotseling bleef Hajo stilstaan. Padde schoot gedachteloos nog een eindje door. Toen hield hij stil en keek verbaasd om. De blik in Hajo’s oogen duidde op onweer.

„Kijk eens, Padde”, zei Hajo langzaam en wees voor zich uit. „Wat zie je daar op het ijs?”

„Hemeltje!” zei Padde, „daar is er een aan het botkloppen.”

„Juist!” bevestigde Hajo. „Er is er een in mijn bijt aan het botkloppen. Ken jij hem? Ik niet.”

Padde begon opgewonden te blazen. „In onze bijt! Nee, wie het is, kan ik niet zien. Ik zie niet zoo goed als jij.” En Padde’s oogengeknip onderstreepte deze verklaring.

„Kom mee”, beval Hajo.

Padde stelde voor zichzelf vast, dat het weer een spannende middag kon worden.

Samen stevenden ze op den roekeloozen botklopper af.

Het was een netgekleede jongen, die, een emmertje naast zich, energiek met een bijl op het ijs klopte, ten einde de door de koude verdoofde bot te wekken en naar de bijt te lokken, waarin het verraderlijke net hing. De jongen was zoo in zijn werk verdiept, dat hij niet merkte wat hem boven het hoofd hing.

Padde kon zijn verontwaardiging niet langer verkroppen: toen ze den dijk afgingen, rende hij op den ijverigen klopper toe. Maar vlak bij hem gekomen, had hij het ongeluk uit te glijden; hij plofte achterover op het ijs—dat weinig meegaf!—en richtte zich verbouwereerd overeind.

De jongen keek op. Zijn ernstig gelaat nam een meewarige uitdrukking aan. „Ja, het ijs is hier glad”, zei hij.

„Wat doe jij hier!” voer Padde uit, terwijl hij weer op zijn korte beentjes krabbelde.

„Botkloppen”, antwoordde de jongen. „Heb je je bezeerd?”

„Botkloppen?” schreeuwde Padde. „Ik zal je helpen!”

De jongen keek Padde bevreemd aan. Toen zei hij: „Waar je nu staat is het niet meer noodig! De bot zal daar al wel erg geschrokken zijn.”

Padde hapte naar adem. Daar hij de rechte woorden niet vond om zijn gemoed te luchten, trapte hij het emmertje om, dat bij den vreemden knaap stond. De bot sprong overal op het ijs rond.

Toen tintelde er iets in de oogen van den onbekenden jongen. Hij sprong uit zijn knielende houding overeind met een snelheid, die door Padde half met jaloezie, half met schrik werd waargenomen, stelde zich vierkant voor zijn aanrander en zei kalm en vriendelijk: „Doe die bot weer in de emmer alsjeblieft.”

„Ik zal jou in de emmer doen en in de bijt gooien!” beloofde Padde.

„Dat is goed”, antwoordde de jongen. „Maar zoek eerst de bot bij mekaar. Een—twee.....”

Toen kwam Hajo. „Halt! Laat m’n vrind met rust!”

De jongen mat zijn nieuwen tegenstander van het hoofd tot de voeten, iets wat Hajo nooit goed zetten kon, vooral niet, wanneer hij, die het deed, er zoo keurig uitzag als deze onbekende jongen.

„Goeie middag”, zei de vreemdeling vriendelijk.

„Waar woon je?” klonk het grimmig uit Hajo’s mond.

„Ik kom uit Alkmaar.”

„Zoo, dus je wist niet, dat dit mijn bijt is.”

„Jouw bijt??” vroeg de jongen. En onschuldig liet hij er op volgen: „En als het ijs nou weer smelt...., blijft de bijt dan van jou?”

Dat was te veel. „Kom mee naar de dijk”, zei Hajo kortaf. „Ik wil met je vechten.”

Padde glom van blijde verwachting. „Nou zul je eens wat beleven, mannetje!”

De jongen luisterde er niet naar. „Ik ga met je mee”, zei hij tot Hajo. „Maar eerst moet die dikzak.....” En langzaam kwam hij op Padde af, die druk met z’n oogjes knipte. „Een—twee —dr.....!”

„Zoek ze maar even bij mekaar, Padde”, zei Hajo.

Toen bukte Padde zich. „Ik doe het, omdat ik gauw wil zien hoe jij ’m aframmelt, Hajo!” verklaarde hij.

Peter Hajo en de nette, onbekende jongen begaven zich naar den dijk. En twintig passen achter hen aan volgde hijgend en blazend Padde, met aan een arm zijn eigen emmer en aan den anderen den emmer met bot.

Zoo belandden ze op den verlaten dijk. Padde zette zijn leegen emmer omgekeerd neer en ging zitten.

„Begin maar”, zei Padde.

De twee doodsvijanden hadden zich tegenover elkaar gesteld. Hajo’s oogen fonkelden; zijn lenig lichaam kromde zich voor den sprong. De ander wachtte rechtop, met de rust van een beer, den aanval af.

„Pak hem, Hajo!” riep Padde. „Met één douw leg je ’m.”

Maar Hajo had Padde’s raad niet afgewacht: was toegesprongen.

De onbekende jongen bleek even stevig als kalm te zijn: hij ving Hajo op, en deze had het alleen aan zijn weergalooze vlugheid te danken, dat hij niet werd neergedrukt.

Padde was van opwinding van zijn emmertje gesprongen.

„Je wint het, Hajo! Hij is zoo stijf als een stokvisch!”

Maar „wilde” Hajo, de schrik van het vredige plaatsje Hoorn, had zijn man gevonden! Na een bangen, minutenlangen strijd stonden ze nog juist zoo als ze waren begonnen. Dat wil zeggen: Hajo nu rood als een gekookte kreeft, de onbekende jongen in het minst niet opgewonden.

„Zoo schieten we niet op”, hijgde Hajo. „Laten we even rusten en dan weer beginnen.”

De ander liet onmiddellijk zijn armen zinken. En terwijl Hajo zich amechtig op het emmertje zette, dat Padde hem eerbiedig afstond, liet de vreemde jongen een onderzoekenden blik over zijn kleeren gaan, klopte zich het zand van de broek.

„Verduiveld jammer, dat je hem hebt losgelaten, Hajo”, meende Padde. „Binnen twee tellen had-ie op z’n rug gelegen!”

„Hou je gezicht!” gromde Hajo.

De jongen uit Alkmaar keek welwillend naar zijn tegenstander. „Ben je smid?” vroeg hij.

Hajo veegde onwillekeurig met de mouw over zijn zwart gezicht. „Jij bent zeker pennelikker, hè, dat je je zoo opdirkt.”

„Ik ben scheepsjongen”, was het antwoord.

Dat werkte. Hajo sprong overeind. „Scheepsjongen?!”

„Is het zoo gek, als iemand scheepsjongen is?” vroeg de ander verbaasd.

Hajo maakte een onwillige beweging. „Ik zou het niet willen wezen!” schimpte hij, met iets weeks in zijn stem.

„Waarom niet?”

„Daarom niet!”

„We hebben het hier best”, verklaarde Padde. „Hij wordt smid, en ik kom bij m’n oom in de bierbrouwerij, dan weet je wat je hebt. Speel jij maar voor aap op die smerige schuit van jou.”

Hajo maakte zijn gezicht erg onverschillig. „Je bent zeker bij de walvischvaart, hè?”

„Nee”, was het antwoord. „Ik ga met de Nieuw-Hoorn naar Oostinje.”

„Dacht ik niet, dat je zoo’n peperdief was?” riep Padde.

„Hoe..... hoe oud ben je?” vroeg Hajo.

„Ik ben veertien.”

„Veertien?! Wie..... wie heeft je aangenomen?”

„Schipper Bontekoe zelf.”

„Zoo”, schimpte Hajo. „Dan is je vader zeker zelf naar de schipper gegaan om voor zoontjelief een plaatsje te vragen?”

De vreemde jongen keek even voor zich uit, den zeedijk af. „Ik heb mijn vader nooit gekend”, zei hij toen.

Hajo werd vuurrood, wilde zich zelf wel een klap om de ooren geven.

De jongen uit Alkmaar keek Hajo onderzoekend aan. Toen merkte hij op: „Jij zegt, dat je niet varen wilt. Maar je meent het niet.”

„Welles”, gromde Hajo.

„Maar waarom dan toch niet? Je ziet en hoort toch duizend dingen waar je anders nooit achter zou komen! En moeten we ons daarginds door de Spanjaarden en Portugeezen alles voor de neus laten wegkapen? Later word ik reeder en bouw schepen voor de groote vaart; ik wil.....!”

Hajo sprong met een ruk overeind. Het hoofd afgewend, sloeg hij, zonder een woord te spreken, de richting van den Westerdijk in.....

De toekomstige reeder keek hem stomverbaasd na.

En Padde voer uit: „Hij heeft je toch gezegd, dat hij niet varen wil? Wat doe jij er dan aan een stuk over door te wauwelen? Of denk je, dat ’t zoo lollig is die kletspraat aan te hooren, als je zelf in de smederij moet staan?” Hij pakte zijn emmer op en zei dreigend: „Wee je gebeente, als ik je wéér eens tegenkom!” En grommend en brommend sukkelde Padde achter Hajo aan.

De onbekende jongen keek het tweetal even na. Een glimlach speelde om zijn lippen, toen hij zijn emmer beetpakte en den dijk opging, in de richting van de Veermanskade.....

Hajo en Padde liepen den Westerdijk af, de poort door, daarna weer verder. Hajo voorop, Padde een halve schrede achter hem aan.

Het was dien dag stil weer geweest, maar nu, tegen den avond stak de wind op.

In Hajo’s binnenste stormde het. Padde wilde olie op de golven doen en begon te schelden op den onbekenden jongen. „Hij met z’n reederij! Met die schepen bedoelt hij zeker klompen met een mast er in!”