De Pleegzoon

Chapter 9

Chapter 93,997 wordsPublic domain

"Komt _meine Herren_!" riep graaf Ernst hun toe: "wollen sie nicht met kaan nach die maliebaan om onze etlust anzuwacheren?"--Dit voorstel vond goedkeuring: de krijgsoversten begaven zich naar een open plein, dat, achter 's Veldheers tent gelegen, de geschikste gelegenheid aanbood tot dergelijke vermakelijkheden. Hier besteedden zij den tijd, die hun tot het etensuur overbleef, met het balslaan of met het kegelspel. Alleen de Heer van Sonheuvel schudde ontevreden het hoofd en begaf zich naar zijn kwartier.--"Zijn dat mannen?" mompelde hij onder 't voortgaan: "in 't eene oogenblik bestormen zij Zijne Excellentie om verlof tot een uitval, ten einde wraak te gaan nemen over dien gruwelijken moord, en in het volgende loopen zij als kinderen naar de maliebaan en kaatsen en kegelen en lachen en zuipen, alsof er nooit een Ulrich von Daun in de wereld geweest ware. Dan, laten zij hem vergeten, ik vergeet hem zoo licht niet!"

Nog vervuld van deze gedachten, trad hij zijn tent binnen, waar hij den getrouwen Bouke bezig vond met het opwitten van zijns meesters handschoenen en degenhanger.

"Ik hoor," zeide deze, "dat de genadige vrouw van Falckestein in het leger geweest is."

"Dat is zij, Bouke! en tot mijn verdriet! Toen hebben de Oversten een boel poha gemaakt quasi om haar te gaan wreken, en het was Fransche wind en Duitsche larie en Engelsche vloeken wat men hoorde; en per slot van rekening zijn zij allen loopen spelen; maar, wat mij betreft, ik beloof dat ik den eersten Spanjool, dien ik in handen krijg, den kop zal afhouwen tot een exempel voor al zulke woordbrekers en verraders."

"Die arme Graaf!" zeide Bouke: "doch wat kon hij anders van zulke schelmen verwachten? 't zijn allen fielten en rabauwen: heugt het UEd. nog van die Satansche Jezuïeten? Ja, gelijke monniken, gelijke kappen! De Graaf had zich nooit met hen in moeten laten, want geef je den duim, ze nemen je de heele hand."

"Nu," hernam Reede: "ik zal hun duim noch hand, maar wel een paar fiksche vuisten toonen, dat beloof ik. Ja, ik moet en wil Zijne Excellentie spreken; misschien zal Maurits als ik hem alleen vinde, mij wel toestaan een tochtje te ondernemen: hij is hier achter in de stallen: ik zal hem maar terstond gaan opzoeken."

"Juist," merkte Bouke aan: "men moet het ijzer smeden als 't warm is."

De Ritmeester trad zijn tent weder uit en wandelde naar de straten achter de legerplaats, waar zich de paardenstallen bevonden. Het leed niet lang, of hij zag den Graaf met zijn jongen broeder Hendrik Frederik, den Generaal der artillerie Kessel en de beide Kwartiermeesters-Generaal Stevyn en Lieven Cys bij een fraai merriepaard staan, aan hetwelk zij onderscheidene gebitten pasten.

"Gij ziet dus, Kessel!" zeide de Graaf, "dat onze leer op goede gronden steunt, en dat de keeren aan een stang noch meer noch minder tot de strakheid doen."

"Zooals Uwe Excellentie het berekent, neen," antwoordde Kessel; "doch het zij mij vergund aan te merken, dat men elk in zijn ambacht gelooven moet, en dat alle pikeurs en stalmeesters van oordeel zijn, dat de keeren veel toebrengen tot de strak- of slapheid."

"Ten iersten," zeide Stevyn, "zijn de pikeurs giene wiskunstenaors, en kunnen dus van gewichtige gedaonte niet eurdeelen: ten twieden moeten zij oit de ondervinding hun veurgeven bewijzen, of ik ben niet verplicht hen te geleuven."

"Eilieve zie eens!" zeide Lieven Cys, "hoe bedrukt de kapitein Reede daar aan komt wandelen: 't is of hij vandaag niet ontbeten heeft zoo kauwt hij op zijn hoed."

"Hij is misschien bij Mendoza te gast geweest," merkte Stevyn aan, al lachende: "daor, heur ik, volgt men het oude veurschrift van den philosoof, om, naomelijk, altijd met honger van taofel te gaon."

"Gij zult zien," zeide de Graaf, "dat hij mij een verzoek te doen heeft, waarmede hij niet durft aankomen: wij zullen hem uit de verlegenheid helpen.--Kapitein Reede! een woordje met u, als 't u gelegen komt!"

Met een loop, die veel naar een sprong zweemde, bevond zich de Ritmeester aan 's Graven zijde. Deze verwijderde zich een weinig van de Oversten, waarna hij, Reede vlak in 't gezicht ziende, hem aldus toesprak: "Gij hebt iets op uw hart, Kapitein, en gij schroomt het uw Overste te verhalen. Is dat vriendschappelijk gehandeld? Gij weet hoe Maurits de openhartigheid bemint.... wanneer het geen staatszaken betreft."

"Uwe Excellentie is al te goed," was het antwoord des Ritmeesters: "en echter vrees ik mijn verzoek niet te zullen verkrijgen: ik wilde Uwe Excellentie spreken over.... over.... de treurige tijdingen, die heden...."

"Hoe!" vroeg Maurits: "is uw gade erger? Ik weet, dat zij zich in zeer zwakken staat bevindt."

"'t Is waar, Uwe Excellentie! de dood van ons eenig zoontje heeft haar in haar zwangeren toestand zeer getroffen; doch ik bedoelde thans de nieuwe berichten, die ik heden ontving, over den moord van iemand, die zoowel de vriend Uwer Excellentie was als de mijne, den waardigen Ulrich von Daun."

"Welnu?" zeide Maurits: "en gij wilt?...."

"Wraak nemen op de moordenaars, waar ik hen vinde," was het antwoord.

"Ik versta u," hernam de Graaf met veel koelheid, "doch een expeditie ligt niet in mijn plan."

"Uwe Excellentie!...."

"Misduid mij niet! niemand verdenke mij van hardvochtigheid of ongevoeligheid omtrent het lot van den edelen Graaf! Ik ben geen weekhart, en echter hebben deze oogen droevige tranen gestort om zijn verlies, en ben ik er wellicht dieper over getroffen dan al die Heeren, die mij zoo luidkeels tot wraak aanspoorden.

"Mag ik," hernam Reede met aandrang, "mag ik op dat getal geen uitzondering maken? Ik was de boezemvriend van den Graaf: ik ken zijn moordenaars."

"Doch waar zult gij hen vinden?"

"Wellicht nog te Bruck; doch hetzelfde waar zij zich ophouden, al zaten zij, met verlof gezegd, in de voorpoort der hel, ik zal hen vinden met hulp van God en mijn zwaard. Daarenboven weet Uwe Excellentie dat ik een oud eigen op den moordenaar heb, zoowel als Uwe Excellentie. Hij was een der opstokers van Pieter Panne, wie ik...."

"Ik versta u: en uit dankbaarheid, dat gij toen mijn leven gered hebt, moet ik u thans, na de rol van meester Knipschaar, die van meester Hans laten spelen. Hoor eens Ritmeester!" vervolgde hij, hem met gemeenzaamheid de hand op den schouder leggende: "gij zijt een dapper man, kloek en handig met het zwaard, altijd de eerste in het veld; doch of gij de noodige koelbloedigheid bezit om een expeditie als die van welke gij spreekt te bestieren, dit laat ik, beste vriend! gaarne aan uw eigen oordeel over. Ik mag thans mijn leger van geen man ontblooten en wil niemand in gevaar brengen door met u herom te dolen bij nacht en ontijde om een mageren Jezuïet te zoeken; want dat zoudt gij dan moeten, vermits Pater Eugenio niet meer te Bruck is."

"Niet? O! in 's Hemels naam, Uwe Excellentie! waar bevindt hij zich dan?"

"Kunt gij een geheim bewaren, Kapitein?"

"Als goud, Uwe Excellentie."

"Dat voorrecht bezit ik ook, tot mijn geluk. Geloof mij, het ware eene onnutte poging, te willen kennen hetgeen ik bedekt wil houden: indien mijn hemd achter een mijner geheimen kwam, smeet ik het dadelijk op het vuur."

"Dan zal ik zorgen mij niet te branden," zeide Reede, met een koele buiging en terwijl hij een gezicht trok alsof hij een drankje innam: "het doet mij innig leed, dat Uwe Excellentie aan mijn verzoek niet voldoen kan."

Met deze woorden nam hij afscheid en keerde naar zijn tent, als een patrijshond, die aan den ketting ligt en zijn meester ter jacht ziet gaan zonder hem mede te nemen.

De mensch loopt de fortuin na en deze komt hem dikwijls in zijn bed opzoeken: dit spreekwoord, dat Bouke dikwijls bezigde, werd kort na het gesprek, dat de Graaf met Reede gevoerd had, aan dezen laatsten bevestigd. Hij lag te halftien des avonds op zijn legerstede te ronken, toen zijn dienaar Bouke opeens half naakt voor hem verscheen, en hem wekte met dit spreekwoord: "hoe later op den dag, hoe schooner volk! daar is iemand vanwege Zijne Excellentie, om UEd. te spreken."

"Zoo!" zeide de Ritmeester, de oogen wrijvende: "ja het is niet anders: kom de vorsten iets vragen, dan is 't zelden te huis, hebben zij ons noodig, men moet op elk uur van den dag of nacht klaar zijn: doch dat is tot daar aan toe; breng den bode hier, Bouke!.... of wacht! geef mij eerst mijn pels."

Bouke reikte hem den pels aan, dien hij over het hemd aantrok, terwijl hij al rillende en klappertandende zich naast zijn bed nederzette. Een Luitenant van de Garde werd binnengeleid, die hem aldus toesprak: "Zijne Excellentie verzoekt u, Heer Ritmeester! mij op staanden voet in volle wapenrusting te willen volgen, met uw dienaar."

"Waartoe? waarheen? waarop is 't gemunt?" vroeg Reede, terwijl hij zijn oogen wijd opspalkte en het hoofd schudde om recht wakker te worden.

"Dat zal Zijne Excellentie UEd. ongetwijfeld zelve verklaren willen," antwoordde de Luitenant: "UEd weet dat zijn geheimen...."

"Genoeg!" hernam de Ritmeester, die nu geheel wakker was, met blijdschap: "ik geloof dat ik het oogmerk al raden kan;.... doch laat ik niet te veel zeggen, anders mocht hij een _autoda-fé_ van mij maken, zooals van mijn hemd: gij hebt het gehoord, Bouke! geef mij mijn wapenen, en ga dan spoedig de paarden opzadelen."

"Welk paard zal UEd. berijden?" vroeg Bouke.

"Om 't even: neem 't grauwtje maar!"

"Neem het zwartste paard dat gij hebt, Heer Ritmeester!" zeide de Luitenant: "de nacht is wel donker, maar een wit paard wordt ook bij duister gezien."

"Bij nacht zijn alle katten grauw," merkte Bouke aan, terwijl hij zijn meester diens wapenen aanbracht.

"Gekheid, Bouke," zei deze: "de Luitenant heeft gelijk. Zie eens, Heer Luitenant! mijn borstkuras is zoo helder gepolijst, alsof ik te voren geweten had, dat het dezen nacht zou moeten dienen.... 't is maar om u te toonen, dat men altijd zorgen moet, zijn spullen in orde te hebben!.... ik zal er met dat al maar een buis over aantrekken; vooreerst om de koude, en ten tweede om niet gezien te worden;.... het zou toch nogal aardig zijn, indien ik juist geraden had!.... Ook zal ik maar een helm zonder vederbos opzetten.... ja, Zijne Excellentie zegt wel, dat ik geen bedaardheid bezitte.... wat hamer Bouke! rep u dan toch wat!.... maar ik hoop u te toonen!.... Zie zoo! ga nu maar de paarden halen: ik zal zelf mijn degen wel krijgen en mijn pistolen laden.... ik wil wedden, dat wij dien Jezuïet in handen krijgen!.... Gaat gij ook mede, Heer Luitenant?--Niet!.... dat spijt mij; anders zoudt gij een kluchtspel zien: een Jezuïet, dien wij zullen vangen!.... waar zijn mijn handschoenen?.... och ik heb ze al aangetrokken!.... wat talmt Bouke nu weer?"

Op het einde dezer alleenspraak, welke de Luitenant zich wel gewacht had te storen, daar hij er niets van begreep, en het praten over het hemd van Zijne Excellentie en den te vangen Jezuïet daar aan toeschreef, dat Reede nog door den slaap bevangen was, verscheen Bouke met de paarden voor de tent. Heer en dienaar stegen op, voorafgegaan door den Luitenant, die hen met een handlantarentje voorlichtte. Zij trokken de brug over, die naar den Weert geleidde, de lange brug, die er overheen voerde, en de derde, welke den Weert met de overzijde vereenigde, totdat zij in 't open veld waren gekomen. Aldaar kondigde het gebriesch van paarden de nabijheid aan eener ruiterbende, welke door de duisternis niet kon worden onderscheiden. Nu floot de Luitenant een paar malen, en zijn sein werd op gelijke wijze beantwoord: een man in een zwaren mantel gewikkeld en met een breedgeranden hoed op 't hoofd, trad voorwaarts: het was Graaf Maurits.

"Heer Ritmeester!" sprak deze: "de tijd is kostbaar; doch een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg: achter mij staan honderd ruiters, uit alle benden uitgelezen. Gij trekt met hen een konvooi te gemoet, dat heden uit Gelder naar het hoofdkwartier van Mendoza getrokken moet zijn.--Geen kwartier voor al wie wederstand biedt!--Geene onmenschelijkheden na de overwinning. Een der moordenaren vindt gij zeker: zorg, dat hij niet ontsnappe! een gids, die u verzellen moet, zal u alles nader verklaren. God geleide u!"

"Ik kus de handen uwer Excellentie duizendmalen," zeide Reede vol blijdschap: "dat had ik niet durven verwachten, na het laatste gesprek, dat ik de eer had met uwe Excellentie te houden.... God zegene Uwe Excellentie!"--En hiermede gaf hij zijn paard de sporen en voegde zich bij de ruiterbende, terwijl Maurits met den Luitenant naar het kamp terugkeerde.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Hij is met krijghsmans eere in 't harrenas gestorven.

_Vondel_, Gijsbrecht van Aemstel.

Moedig trok Reede, aan 't hoofd zijner bende, de duistere heide over, terwijl de gids, een oud onderofficier, in die streken welbekend, en die zich terstond aan zijne zijde gevoegd had, hem nader omtrent den weg onderrichtte, welken de vijand volgens de ingekomen berichten en naar alle waarschijnlijkheid nemen moest, om van Gelder naar het hoofdkwartier van den Amirant te trekken. De Ritmeester beraamde dienvolgens zijn plan om het konvooi zeker te ontmoeten en te onderscheppen, en toen men eenige uren had voortgereden, gebood hij dat men halt zoude maken en steeg hij met de officieren af, om te beraadslagen wat hun te doen stond. Men was nu in de nabijheid van een volkrijk dorp gekomen, hetwelk de Spanjaards ongetwijfeld moesten doortrekken, en de gids begreep, dat het onvoorzichtig ware, verder voort te gaan, uit vreeze van het konvooi mis te loopen, en evenzeer onveilig, het dorp te bezetten, daar men de gezindheid der ingezetenen niet kende en het te vreezen was, dat de Spanjaards gewaarschuwd mochten worden en een anderen weg inslaan, of terugtrekken. Men besloot dus, te blijven waar men was, en inmiddels naar het dorp iemand op kondschap uit te zenden, om te onderzoeken, of er zich ook een Spaansche bezetting bevond, ten einde, voor men een aanval op het naderend konvooi deed, den vijand buiten staat te stellen, het opzet te doen falen. Het was Bouke, die de eer genoot met deze zending belast te zijn: zijn meester kende hem als een sluwe ondernemende kerel, die zich niet licht zou laten beknippen, en wien in dat geval geen bedreiging, geen doodsangst zelfs zou dwingen, iets van het ontwerp te verraden.

"Wees gerust, Uwe Edelheid!" zeide Bouke, terwijl hij zich van zijn krijgstoerusting ontdeed en in een gemeene boerenpij zich vermomde. "Bouke zal zich niet verpraten, want wie veel kalt veel ontvalt: indien ik niet binnen 't uur weerom ben, en alles haarklein weet te vertellen, hoe het in 't dorp geschapen staat, dan mag ik gaarne lijden, dat UEd. mij in 't vervolg voor den grootsten stoffel houde, die ooit een snippennet gebreid heeft."

Dit zeggende nam hij haastig afscheid en verliet de ruiterbende, welke inmiddels in de vlakte, waar zij zich bevond, halt bleef houden. Onverschrokken en blijmoedig volgde Bouke een klein zijpad, dat hem, volgens de aanduiding van den gids, op den gewonen rijweg, die vlak op 't dorp aanliep, brengen moest. De Novembernacht was koud en donker, en de grond hard bevroren: zoodat Bouke, die in den beginne met forsche stappen was afgetrokken, al spoedig, uit vrees van den grond met zijn geheele lengte te meten, zich genoodzaakt zag een langzamer tred aan te nemen: te meer, daar het pad niet rechtuit liep, maar in menigvuldige bochten en oneffenheden, nu tusschen hakhout, dan weder over afgemaaide graanvelden slingerde. Hoewel nu de afstand, dien hij af te leggen had, inderdaad langer was dan de gids hem had opgegeven, en de duisternis van den nacht zoowel als het ongeduld van onzen verspieder dien nog langer deden schijnen, bemerkte deze al spoedig, uit het geloei van runderen, het gebriesch van paarden en het geblaf van honden, die zich verward dooreen lieten hooren, dat hij de plaats zijner bestemming naderde: en weldra herkende hij, in menige donkere gedaanten, die tegen de grauwe lucht ongelijkvormig afstaken, de onderscheiden huizen, waaruit het dorp was samengesteld. Reeds verblijdde hij zich in de gedachte, dat hij nu welhaast aan den grooten weg en dus bij den ingang van het dorp moest wezen, toen hij opeens bemerkte, dat het pad zich in tweeën scheidde. Terwijl hij onzeker stond, welke zijde hij volgen zoude, hoorde hij links van zich af een haan zijn morgenlied met luider keel aanheffen. Straks zijn keuze gedaan; hij sloeg linksaf en bespeurde, toen hij de kronkelingen van het pad volgde, dat hij werkelijk op het dorp aanhield. Met dat al was hij den verkeerden weg ingeslagen, gelijk straks blijken zal. Opeens liep het pad eene hoogte op, van waar het aan de andere zijde zoo schielijk en zoo steil afdaalde, dat Bouke, die hier niet op verdacht was, over een steen struikelde, en vrij onzacht nederviel tegen het beschot eener schuur; het was namelijk op een hoeve midden in het dorp, en niet op den rijweg, dat het door hem gekozen pad geleidde. Dit ware hem hetzelfde geweest in gewone tijden; doch in deze oogenblikken strekte dit abuis hem bijna ten verderve; want nauwelijks was hij weder opgestaan, toen hij zich van zes of zeven soldaten zag omringd. Dezen waren namelijk kort te voren aan de schuur gekomen, waar zich een aantal ossen en paarden vonden besloten, toen zij opeens ontzetteden door den val van een zwaar lichaam, dat, van de hoogte af, midden tusschen hen nedertuimelde. "Santa Maria!" riep de een, "wat is dat?" "San Yago!" riep een tweede. "_Ein betrunkener kerl_!" riep een derde. En toen zij allen, van hun schrik bekomen, ontwaarden, dat deze laatste althans in zooverre gelijk had, als de nedervallende gedaante die van een levend manspersoon was, schoten zij toe en grepen onzen Bouke vrij onzacht in den kraag.

"Hei! hei wat!" zeide Bouke, die zich vruchteloos poogde los te rukken: "voorzichtig wat: ik heb geen kleeren te bederven buiten deze!"

"Wat heb je hier te doen; jou dronken lap?" vroeg een van de soldaten, met een forsche stem.

"Met je verlof," antwoordde Bouke: "ik heb een boodschap in 't dorp en ben het verkeerde pad opgegaan."

"Welnu! keer dan terug van waar je gekomen bent," zeide een uit den troep, hem van zich afstootende.

"_Nein! nein!_" riep een Oostenrijker, hem wederhoudende: "_so leicht kommst du nicht frei!_"

"Vooral niet," zeide een Parmezaan: "_bisogna vedere, se ha danaro_." [23]

"_Danaro! danaro!_" mompelde een vierde: "wie zal er bij nacht met geld in de tasch loopen. 't Is zeker een strooper, die meer nood dan brood heeft."

"Om 't even" zeide een ander: "ongemoeid moet hij niet vertrekken: zijn kasak is in allen gevalle nog goed, en misschien draagt hij wel een paar hoentjes of een haas onder 't wammes."

Dit zeggende begonnen de soldaten de kleederen van Bouke te betasten, ondanks zijn tegenspartelen; en aldra ontdekten zij, wel geen wild en ook geen geld, maar 't geen erger voor hem was, een lang pistool in een zijner broekspijpen verborgen.

"Aha!" zeide de vinder in 't Spaansch, terwijl hij met een zegepralend oog het moordtuig in de hoogte hief: "dragen de boeren hier te lande zulk ontbijt in den zak?"

"Men kent den vogel aan zijn veeren," zeide Bouke, in zich zelven de voorzorg verwenschende, welke hij gebruikt had door het pistool mede te nemen.

"Dat moet de sergeant hooren", zeide een ander: "hier steekt verraad achter, en er is reden genoeg om het geheele dorp uit te plunderen."

"Wat is er gaande, mannen?" vroeg de sergeant, die op hetzelfde oogenblik de schuur naderde: "en waarom zijn de beesten nog niet buitengebracht?"

"_Abbiamo trovato una altra bestia,_" riep de Parmezaan: "_un traditore!_" [24]

"_Ein bewaffneter bube!_" riep een ander: en terstond werd het voorgevallene aan den verbaasden onderofficier medegedeeld.

"Stil wat!" zeide deze: "laat ik den spitsboef eens ondervragen. Zeg eens, kerel!" vervolgde hij tegen Bouke, terwijl hij de linkervuist in de zijde zettede en zich met de rechterhand de kin wreef: "wat was je oogmerk met dat moordtuig daar?"

"Zooals ik reeds aan die brave lui gezegd heb," antwoordde Bouke: "alleen uit veiligheid; maar, als iedereen zeit: ik ben een varken, dan moet ik in 't hok!"

"En wat heeft zoo een schooier, zoo een landlooper te vreezen?" hernam de krijgsman: "ik geloof eerder dat het tegen de veiligheid van anderen gemunt was; doch we zullen het den kapitein laten onderzoeken. Hier Pedro en Cuno, brengt hem zoolang in huis en bindt hem op de tafel vast, dan kan hem Velasco zelf ondervragen, als hij uitgeslapen heeft. En voort allen weer aan 't werk. Voor zonsopgang moeten wij reisvaardig zijn!"

Volgens den gegeven last werd Bouke, na eerst welgekneveld te zijn, door de twee daartoe benoemde manschappen weggeleid naar een boerenwoning, die kort daarbij op hetzelfde erf gelegen was: het was, zooverre hij dit bij nacht kon opmerken, een groot gebouw, 't welk verscheidene vertrekken scheen te bevatten. Hij werd door een achterdeur binnengebracht en zag in een vrij ruime schuur, volgepropt met een menigte karren, welke, voor zooverre hij zulks bij het flauwe schijnsel eener lamp, die van den zolder hing, kon onderscheiden, hem toeschenen kruitvaatjes, voederzakken, brooden en andere krijgs- en mondbehoeften te bevatten, te meer, daar een schildwacht er heen en weder liep, die ook dadelijk den soldaten in de Spaansche taal naar de reden hunner komst vroeg. Na een korte woordenwisseling, in gebroken Spaansch, Duitsch en Italiaansch gehouden, en waarvan Bouke niet één woord verstond, werd deze in een hok gebracht, aan het einde van 't vertrek. Men dwong hem, plat op den buik neder te gaan liggen: zijn voeten werden gebonden, en hem de verzekering gegeven, dat hij, bij de minste poging om los te komen, een kind des doods ware: waarna de soldaten hem verlieten en de deur achter zich sloten.

"Ik ben de domste ezel, die er leeft," gromde Bouke bij zich zelven, zoodra hij zich alleen bevond: "mij zoo te laten beknippen! ik ben immers waard, dat men mij een kogel door den kop jaagt! Hoe kon ik ook zoo lomp zijn, om daar midden tusschen die schavuiten te tuimelen? Wel is waar, ik weet nu al wat ik weten wou: het konvooi, dat mijn meester wacht, is hier al lang; maar hoe hem dit nu te berichten! dat is het ongemakkelijke van 't geval."

Terwijl hij hierover lag te peinzen, en bedenkelijk het hoofd schudde, 't geen dan ook het eenige deel van zijn lichaam was, dat hij vrij had, zag hij een flauwen lichtstraal, die door een reet in het hok viel, en hoorde te gelijker tijd aan de andere zijde van het vertrek praten. Hij begreep terstond, dat hij in zijn tegenwoordige omstandigheden niets beter te doen had, dan te luisteren, rolde zich om en bracht, zoo goed hij kon, eerst het oog en vervolgens het oor voor de opening van het schot. De eerste dier bewegingen deed hem in een klein kamertje zien, waarin een fraaie, rijzige vrouw, reeds geheel gekleed, bezig was met eenig goed te pakken; zij bleef echter met den rug naar hem toegekeerd, zoodat hij haar gelaat niet onderscheiden kon. Naast haar stond een monnik, en in 't verschiet lagen twee kinderen in een bedstede te slapen, waarvoor een groote fraaie hond lag, alsof hij ze bewaken moest. Bij de tweede beweging hoorde Bouke de twee volwassene personen het volgende gesprek voeren.

"Gij wilt het kind mij dan niet teruggeven?" vroeg de monnik.

"Het is Velasco's eigendom," antwoordde de vrouw: "doch gij weet wat ik u gezworen heb."

"Een fraaie wijze van eeden te bewaren," mompelde de eerste spreker.

"Het ware geen wonder," antwoordde zij fluisterende, "al had ik van u geleerd, hoe men te gelijk zijn woord moet houden en breken; doch".... hier sprak zij zoo zachtjes, dat Bouke haar niet verstaan kon.

"Trotseer mij niet," zeide de monnik; "gij weet, dat, indien ik wil...."

"Indien gij wilt," herhaalde zij, hem driftig in de rede vallende: "zwijg daarvan, of ik zou u toonen, hoe ik middelen bezit, om u beschaamd te maken voor 't oog van geheel het leger."

"Magdalena!" riep de monnik met een van spijt gesmoorde stem.