Chapter 8
"Vrouwe! wat is er tusschen u en mij? _Quid inter me et te?_" zeide Eugenio, haar vergramd aanziende: "Heer Graaf! een oogenblik slechts," vervolgde hij, zich tot dezen wendende.
"Ik zal u volgen," zeide Falckestein, bevreesd van eenig vermoeden bij den Jezuïet te verwekken.
Beiden verlieten het vertrek: met weerzin volgde de Graaf zijn hatelijken leidsman, en dacht onderweg na, wat deze hem toch zou te vermelden hebben. In den tuin gekomen, vonden zij er Beckman met het kind, dat zich met plukken van grasplantjes en het oprapen van eenige rotte appelen, in de plondering gespaard, vermaakte. Wat verder waren twee soldaten bezig met de lanen te harken.
"Verwijder u, Beckman!" zeide de Graaf: "de Pater heeft mij iets te zeggen."
"Laat den ouden man maar blijven," zeide Eugenio: "ik ben verheugd zulk een eerwaarden getuige bij ons gesprek te hebben. Wat zegt de Vulgata? _In ore duorum vel trium testium stabit omne verbum_." [15]
De Graaf plaatste zich op eene steenen bank, terwijl Eugenio over hem stond, tegen een appelboom geleund. Falckestein, die weinig trek gevoelde om het gesprek te beginnen, keek strak voor zijn voeten uit naar een spin, die over de dorre bladeren liep, speelde met de vingers der rechterhand een marsch op de knie en krulde met de slinke zijn knevels op. Beckman dreef met een pereboomtakje de rondvliegende wespen van het kind, en de Jezuïet sloeg met de rol perkament op het vlak der linkerhand op en neder, terwijl hij zijn groote oogen beurtelings van het kind op de steenen trap, die om den toren liep, en vandaar naar de soldaten wendde. Eindelijk brak hij het stilzwijgen af en sprak den Graaf in dezer voege aan:
"Don Diego de Velasco heeft voorzeker reeds afscheid van Uwe Genade genomen?"
"Afscheid genomen?" zeide Falckestein verrast.
"Ongetwijfeld!" hernam de Jezuïet, met een schamperen lach: "uw vriend (met nadruk, op het woord: vriend) uw vriend Velasco gaat nog heden, of is misschien reeds weg. Heeft hij Uwe Genade geen kennis van zijn vertrek gegeven?"
"Het smart mij, dat hij ons verlaat," zeide Falckestein, die het antwoord op Eugenio's vraag wenschte te ontwijken.
"Luister!" zeide Eugenio: "hoort gij daarginds geen hoefgetrappel op de brug?"
"Inderdaad," antwoordde de Graaf. "Wat beduidt dit gerucht?"
"Het is uw vriend, die wegrijdt," hernam de Jezuïet met koelheid. "Hij heeft lang gehoopt, u te kunnen beschermen; doch _Homo proponit et Deus disponit_! [16] gelijk de spreuk zegt."
"Hij heeft gedaan, wat de plicht der menschelijkheid hem gebood," hernam Falckestein: "God vergezelle hem!"
"Amen!" zeide de Jezuïet, zich kruisende.--"Ik twijfel niet, of Uw Genade zal thans verlangend zijn eindelijk eens het lot te vernemen, dat haar en de haren boven 't hoofd hangt? Ik ben zoo gelukkig aan dat verlangen te kunnen voldoen. De bode, die hier dezen morgen aankwam, heeft allen twijfel hieromtrent doen ophouden."
"Indien ik van u mijn lot vernemen moet," zeide Falckestein, "dan weet ik reeds, wat mij te wachten staat; want van u kon ik niets hopen, dat mij gunstig zou zijn; doch ik vleide mij, dat Velasco mij de bevelen omtrent mij gegeven zou kenbaar maken."
"Dat was ook de meening van Velasco," zeide de Jezuïet: "doch de Amirant heeft er anders over gedacht. Lees slechts dit perkament, waaruit gij alle noodige opheldering zult ontvangen."
De Graaf nam den brief uit zijn hand; hij behelsde een volmacht door Mendoza gegeven aan broeder Eugenio van de orde Jesu, om met den persoon van Ulrich von Daun, zich noemende Grave van Falckestein en Overstein en Heere van Bruck, naar goeddunken te handelen. Bedaard las hij het uit, en reikte het vervolgens, zonder er een woord bij te voegen, aan Eugenio over.
"Gij ziet dus," vervolgde deze, op elk zijner woorden een bijzonderen nadruk leggende, terwijl zijn oogen van helsche blijdschap vonkelden, "gij ziet, dat de kans tusschen ons beiden eenigszins gekeerd is. Eenmaal ware ik bijna uw slachtoffer geworden; thans hangt de beschikking over uw lot aan mij alleen."
"En waant gij, dat Velasco immer dulden zal?...."
"Wat Velasco dulden zal of niet, is mij volkomen onverschillig. Van mij moet gij genade afsmeeken, en van mij alleen."
"Van u?" antwoordde Ulrich, hem met verontwaardiging aanziende: "liever stierf ik duizend dooden."
"Juist! _septuagies septies_ [17]; doch gij zijt niet alleen! of heeft het niets van mij te vreezen, dat zorgelooze knaapje, daar?"
"God in den hemel! Mijn Ulrich!" gilde Falckestein, opspringende. Doch Eugenio was hem reeds voor geweest. Met de linkerhand het kind omhoogtillende was hij den boomgaard door, en de trap, die aan de zijde van het kasteel naar den hoektoren geleidde, opgesneld. Daar gekomen hief hij het kind over de borstwering, ruim tien voeten boven de zijgracht, terwijl de twee soldaten, eensklaps toegeschoten, den Graaf, die hem volgen wilde, tegenhielden. "Geen stap verder!" riep Eugenio, "of gij zijt de moordenaar van uw kind!"
Falckestein bleef doodsbleek staan.
"Graaf!" vervolgde de Jezuïet, terwijl hij met de rechterhand zijn boezem ontblootte: "hoor naar mij en beschouw dit litteeken: het is dat van de wonde, mij door u toegebracht in dien noodlottigen nacht toen de ongelukkige Panne, door uw toedoen, het slachtoffer zijner getrouwheid aan de Moederkerk is geworden. Dacht gij, dat men zulke beleedigingen vergeten konde?"
"Wreek u; doch op mij alleen: spaar het leven van een ongelukkig, onnoozel kind. Geef het terug aan zijn moeder...."
"Dwaas! alsof uw dood mij wraak genoeg verschaffen kon? Gij zijt een krijgsman, een dapper krijgsman; gij kunt den dood niet vreezen. Van dien kant kan ik u niet deren; doch, gij hebt een vaderhart en dat weet ik te treffen; dat vaderhart moet vaneengereten worden. Ziedaar een wraak, mijner waardig."
"IJselijk mensch!.... doch bedenk hoe gij u zult verantwoorden. Dat bevelschrift geeft u alleen volmacht over mij."
"Wien de koe behoort, behoort ook het kalf," zeide Eugenio grijnzende.
"Al wat ik bezit, al wat mij overbleef is het uwe; doch spaar mijn kind!"
"Zoo is het! zoo moest ik u doen smeeken; maar neen; de dood van het knaapje is besloten: en voor de muren van uw slot zult gij het met het water zien spartelen."
"Onmensch! ik bezweer u."
"Vruchteloos!"
"Welnu! zie mij vernederd: ik werp mij voor u in 't stof, doch spaar mijn kind!"
"Heerlijk, verrukkelijk schouwspel! De trotsche Graaf van Falckestein, de hoogmoedige vijand van Rome en Madrid, voor een armen Jezuïet in het zand geknield. Kom! begin uw _confiteor_! [18] wel moogt gij zeggen: "_Pater peccavi_. [19] Doch het ware al om niet: ik voldoe mijn wensch; en ziedaar de ontknooping van het spel: _septuagies septies_! [20]"
Deze woorden uitende, liet hij het kind los. Falckestein sprong met een vreeselijke gil toe: hij had den plof gehoord en meteen den noodkreet van zijn zoontje in het uiterste levensuur. In vreeselijke gemoedsaandoening vloog hij naar den waterkant om in de rivier te springen en te trachten het arme kind te redden; doch op een wenk van Eugenio gaf hem een der Spanjaards met zijn hark zulk een slag op den slaap van het hoofd, dat hij met den kreet van: _o Jezu_! ter aarde stortte.
Beckman was, zoodra hij het kind in het water had hooren ploffen, met al den spoed, dien zijn jaren toelieten, naar den vischslag geloopen, alwaar, volgens Velasco's belofte, het schuitje werkelijk lag vastgemaakt. Met kracht van riemen haastte hij zich naar de plaats waar het kind gezonken was, 'tgeen aan de andere zijde van den hoektoren en buiten zijn gezicht had plaats gehad. Langs de rivier in de zijgracht gekomen, zag hij wel een mutsje drijven; doch het kind zelf was nergens te bespeuren: alleen de kringen in het water verrieden de plek, waar het verdwenen was. Terwijl hij aldaar rondzwalkte, gonsde hem een steen om de ooren, hem uit den boomgaard nageworpen; waarop hij, op eigen levensbehoud bedacht, naar de overzijde voer en zich redde met de vlucht.
Ruim drie uren had de grijsaard langs de heuvelen en dalen rondgezworven, terwijl de schrikbeelden van het laatste oogenblik hem beletteden, over het gebeurde na te denken, toen hij van verre iemand naderen zag in boerengewaad, doch met sabel en pistolen gewapend. Beckman wilde hem ontwijken; doch met een kreet van blijdschap snelde de vreemdeling op hem af. Het was Feurich, wien de Gravin, die behouden te Dortmond was aangekomen, had afgezonden om naar het lot van haar echtgenoot te vernemen. Men beseft de droefheid des braven ruiters, toen Beckman hem den nieuwen moord, die te Bruck had plaats gehad, berichtte. Deze tijding deed hem echter van zijn voornemen niet afzien. Hij verzocht dus aan Beckman, hem bij een boer, dien hij hem noemde, te wachten, en reisde voort naar Bruck.
Het was reeds nacht, toen hij in het gezicht kwam van het slot: dan welke verbazing beving hem, toen hij het in dikke rookwolken gehuld zag, terwijl de spiegeling der vlammen in de rivier teruggekaatst werd. Met ontzetting naderde hij: dan al spoedig werd hij gewaar, dat alleen het vischhuisje en de tuinloods in brand stonden. Dit deed hem besluiten zijn oogmerk te volvoeren: hij ontdeed zich van zijn bovenkleederen, greep de sabel tusschen de tanden, zwom de rivier over en klom, tegen den steiger, aan de overzijde aan wal.
Het was hier stil; doch een ondraaglijke hette vervulde den boomgaard: de flikkering der vlam, die allengskens afnam, deed hem alle voorwerpen duidelijk onderscheiden: dan wat schouwspel deed zich aan zijn oogen voor, toen hij de zwartgerooste balken en steenen genaderd was: een twaalftal verbrande en gerooste lijken, allen naakt uitgeschud en onkenbaar! Met ijzing treedt hij terug; doch keert zijns ondanks weder. Met de punt van 't geweer draait hij hen om, zij vallen in asch uiteen. Eindelijk vindt hij een lichaam, waarvan alleen de beenen verteerd waren, terwijl het hoofd, in 't natte gras rustende, nog volkomen gaaf was. Hij trekt het naar zich toe, veegt met de hemdsmouwen het gelaat schoon, en.... zwijmt neder naast het deerniswaardig overschot van zijn ontzielden meester.
Wenden wij de oogen van dit schriktooneel af en begeven wij ons naar het leger der Staatschen, waar de doorluchtige held, die er het opperbevel voerde, met nimmer verkloekt beleid zich beijverde om de verachterde zaken van den Nederkreits te herstellen.
ZESDE HOOFDSTUK.
Maer dat en is het niet, waerop de veltheer loert. Wie zich derf onderwinden Een' aenslagh, vol gevaers, moet passen op zijn tijt.
_Vondel_, Gysbrecht van Aemstel.
Mendoza had, min door beleid of dapperheid, dan door de medewerking der pestziekte, die de bezetting wegrukte, en der vlam, die het buskruit der Staatschen springen deed, de stad Rijnberk in zijn macht gekregen, en kort daarna Wezel, Rees en Emmerik bezet. Maurits, nu zeker onderricht, dat al die krijgsbedrijven zeer tegen den zin der Duitsche vorsten geschiedden en door de Kleefsche Regeering opnieuw om hulp aangeroepen, had zich van Zevenaar, Heussen en Lobith verzekerd, en die grensplaatsen van de noodige versterking voorzien. Hierdoor waren de vijandelijke legers zoo dicht bij elkander, dat het niet missen kon, of er moesten gedurig schutgevechten voorvallen. De Spanjaarden schoten hierbij doorgaans te kort, daar het verwoesten der landerijen in het leger van Mendoza een hongersnood had doen ontstaan, die zoo geweldig woedde, dat de overloopers en gevangenen dikwijls verklaarden, in geen vijf dagen brood geproefd te hebben. Het hoofdkwartier van Graaf Maurits was te Oud-Zevenaar gevestigd, en zijn sterkste legermacht aldaar verzameld, eensdeels op het vasteland, en anderdeels op den Weert of eiland, voor de kerk liggende, en den Gelderschen Weert genaamd, welke met den vasten wal aan weerszijden door schipbruggen vereenigd was, en waardoor een andere schipbrug van honderd roeden lang een veiligen weg bood aan de ruiterij en den legertrein. Ook hier hadden kunst, beleid en volharding over de weerbarstige natuur gezegevierd, en het schijnbaar ongunstig gelegen oord had, door de bekwaamheid van den veldheer, een sterke, gemakkelijke en wel voorziene legerplaats verschaft.
Het was op een frisschen najaarsmorgen, dat de veldheer, van zijn dappere legerhoofden en bekwame krijgsbouwmeesters vergezeld, van den Weert, alwaar hij een krijgsschouwe gedaan had, naar Oud-Zevenaar terugkeerde. De legers van dien tijd--vooral dat der Staten--leverden een Babel op van de meest verschillende volkeren en tongen, van oorlogslieden, door win- of eerzucht uitgelokt, om voor de zaak te strijden van een natie, die hun vreemd en onverschillig was, en het is nog te verwonderen, hoe een legerhoofd niet alleen de vereischte orde, ondergeschiktheid en rust kon bewaren in een lichaam, uit zulke vreemdsoortige deelen samengesteld, maar zich daarvan met eenig voordeel konde bedienen. Zoo iemand, verstond Maurits deze kunst, hem door zijn grooten vader en voorganger ten erfdeel gelaten: en het ware de moeite dubbel waardig, dat een bekwame pen zich bevlijtigde, meer opzettelijk de bekwaamheden aan te toonen, welke die beide Vorsten hebben aan den dag gelegd in het te boven komen van hinderpalen, niet uit de macht der vijanden, maar uit de samenstelling hunner natuurlijke bondgenooten en medestrijders ontstaan. Men zegt vrij algemeen en men kraait het elkander na, dat onze voorvaderen ons land hebben vrijgevochten; doch de door hen betoonde dapperheid en volharding heeft zich meer bepaald tot het verdedigen van eigen Haardsteden, gelijk te Leiden, Haarlem en Alkmaar het geval was, dan tot het wezenlijk oorlogvoeren. Zonder de groote legerhoofden, die voor ons vaderland gestreden hebben, ware het nog lang een machtig deel van Spanje gebleven, en het gezegend licht der Hervorming had er niet dan flauwe en onder de koornmate verborgen stralen geschoten.
De legers van dien tijd waren uit verschillende bestanddeelen samengesteld, gelijk ik aanmerkte vóór deze uitweiding, voor dewelke ik den lezer verschooning verzoek: en de stoet, die Graaf Maurits vergezelde, bood in een klein begrip stof tot een beschouwing als bovenstaande.
Naast den Graaf reed een der bekwaamste officieren van zijn tijd, de Generaal Sir Francis Vere, die de Engelsche benden aanvoerde; aan zijn andere zijde de groote Vlaamsche Wiskunstenaar Simon Stevyn, 's Vorsten vriend en leermeester, die hem in 't veld als Kwartiermeester-Generaal diende, en achter hem de Waalsche Hoofdman Marquette. Wat verder reden 's Vorsten neven, Graaf Ernst van Nassau, die aan 't hoofd der Duitschers stond, en Graaf Lodewijk Gunther van Nassau, welke beiden moeite deden om een geregeld gesprek te onderhouden met den Markgraaf van Bethune, den Kolonel der Fransche hulpbenden. Hen volgden andere stafofficieren, waaronder zich de Schot aan zijn geruiten mantel, de Milanees aan zijn gitzwart haar en geestigen oogopslag, de Deen aan zijn vierkante kloeke gestalte en de Zwitser aan zijn breede knevels onderscheiden lieten. Eenige kapiteins van de Garde, waaronder de Ritmeester van Reede van Sonheuvel, waren met dezen trein vermengd.
Aan het hoofdkwartier gekomen, vernam de Graaf, dat de Gravin Douairière van Falckestein zich aldaar had aangemeld en een gehoor bij Zijne Doorluchtigheid dringend verzocht.
"De Gravin van Falckestein!" zeide Maurits met aandoening: "zij moet vooral niet worden afgewezen. Vergunt mij eenige oogenblikken aan haar te schenken, Mijne Heeren! ik ben straks weder tot uw dienst. _Vetter_!" vervolgde hij, zich tot Graaf Lodewijk Gunther wendende. "Ga Mevrouw verwelkomen en zeg haar, dat ik haar verwacht."
Dit zeggende, begaf zich Maurits naar zijn tent, terwijl de officieren, van hunne paarden afgestegen, zich aan den ingang in onderscheidene groepen verzamelden. Nieuwsgierig sloegen zij de oogen naar de zijde, van waar de Gravin moest komen, met dat verlangen, hetwelk men gemeenlijk koestert om iemand te zien, die zich, hetzij door groote daden, hetzij door groote onheilen heeft beroemd gemaakt. Weldra naderde zij, door Graaf Lodewijk Gunther voortgeleid; zij was in zwaar rouwgewaad gehuld, doch de diepe weedom, op haar bevallig nu verbleekt gelaat verspreid, duidde nog meer dan het rouwgewaad het lijden aan, dat haar ten deel gevallen was. Zij had haar nu eenig zoontje bij de hand, en trad met nedergeslagen oogen en wankelenden gang de rijen der edelen door. Beckman en Feurich, die haar vergezeld hadden, bleven op een kleinen afstand van 's Veldheers legertent eerbiedig staan.
Met een oog vol deernis staarden de krijgsoversten op die rampzalige weduwe, en aan meer dan een, die haar vermoorden echtgenoot gekend had en hooggeacht, ontrolde een droevige traan. Horatio Vere echter kon niet nalaten tegen Reede, die naast hem stond, aan te merken: "_a fine lady, to be sure_ [21], nietwaar?" "Ik heb er niet op gelet," antwoordde de Ritmeester: "ik heb alleen het rouwgewaad gezien, dat mij den dood van een onvergetelijken vriend herinnert." Dit zeggende, wendde hij zijn gelaat af en bedekte het met de linkerhand.
"_He was your friend? Ah! forgive me: I did not know the relation_...." [22]
Inmiddels was de gravin de legertent des Vorsten ingetreden en bevond zich met dezen en haar zoontje alleen; dan, vruchteloos poogde zij haar rede te beginnen: het gewicht van haar smarten onderdrukte haar, en zij kon, terwijl zij aan Maurits het knaapje voorstelde en zich als smeekeling voor hem nederboog, niet anders uitbrengen dan deze woorden: "Uwe Doorluchtigheid bescherme mij en dit ongelukkige weeskind!"
"Sta op, Mevrouw! en neem plaats," zeide Maurits, haar opheffende en naar een zitplaats geleidende: "gij komt hier bij een vriend, die hartelijk deelt in uw lot. Waarmede kan ik u die deelneming betoonen? want Maurits is een slecht redenaar en doet zijn medelijden liever door daden spreken. Beveel over mij; doch, ik bid u, kom tot u zelve, gij zijt diep ontroerd!"
Nadat de Gravin door een vloed van tranen lucht had ontvangen en genoeg bedaardheid van geest herkregen om een aaneengeschakelde rede te beginnen, schilderde zij haar ongelukkigen toestand aan den Vorst, betuigde hem, dat zij niet in den Nederkreits blijven wilde, noch haar nu eenigen zoon aan de rampen des oorlogs blootstellen en eindigde met aan Maurits te verzoeken, dat hij haar in een der Hollandsche steden een veilige wijkplaats wilde aanwijzen, waar zij, verre van het oorlogsrumoer, haar dagen in stilte zou kunnen doorbrengen, totdat de krijg, van den Neder-Rijn geweken, haar weder vergunde, in het bezit van haar goederen te keeren en zich aldaar neder te zetten.
Met vriendelijk geduld en oplettendheid luisterde de Graaf naar haar verzoek, en gaf haar vervolgens zijn woord van voor haar en haren zoon als voor de leden van zijn huisgezin te zullen zorgen. Vervolgens riep hij graaf Lodewijk Gunther binnen.
"_Vetter_!" zeide hij: "maak u gereed om de genadige vrouw naar Arnhem te geleiden en haar het beste logies te bezorgen, dat gij voor haar vinden kunt. Ik zal intusschen aan de Staten schrijven en van Hunne Hoogmogenden verzoeken, Hare Genade een geschikte woonplaats in Den Haag aan te wijzen. De Graaf van Falckestein heeft genoeg voor ons gedaan, dat zijn weduwe wel eenige aanspraak op onze dankbaarheid mag behouden."--Dit zeggende, geleidde hij zelf de Gravin tot aan de legerpoort terug, en nam afscheid, haar nogmaals aan de zorgen van zijn bloedverwant aanbevelende. "Kwijt u wel van uw post, _Vetter_!" fluisterde hij hem in 't oor, "en verlies uw roem niet, van een getrouw dienaar der dames te zijn."
Bij zijn terugkomst aan het hoofdkwartier vond de Graaf al zijn officieren van geestdrift opgewonden. Zij hadden van Beckman en Feurich de afgrijselijke omstandigheden van den moord vernomen en waren in felle woede op de bloeddorstige moordenaars ontstoken. "_De par tous les diables_!" riep Bethune uit: "Sel die Spanjool op onkestoor sulke moordadikheden pleeken? _et sans vengeance_? Permetteere ons Son Excellence om te kaan _venger_ so skendikke skelmstukke?"
"Op wie?" vroeg Stevyn glimlachende.
"Oppe wie? Parbleu! _Monsieur le Quartiermaître_! dat isse eene vraak van een _mathématicien_. _Diable_! _sur tout le monde, pour l'honneur de l'humanité_."
"_Revenge on die damnd_ vermorderers!" riep Vere.
"Ich sol den ersten Spanjool, dien ich antreffe, die kopf afschlagen vor eine rache," zeide Graaf Ernst.
"Hoe nu, Mijne Heeren!" zeide Maurits: "wat is uw oogmerk? als ware Amadissen de wapenen op te vatten en mij te verlaten om een schoone vrouw te gaan wreken?"
"_Pardon, votre Excellence_!!" zeide Bethune; "maar ik bekrijp, _en vrai chevalier Français_, te moeten omhels _la cause_ van de bedrukte _beauté_."
"_A child murdered_!" riep Vere: "het roept om wraak _to the Lord_!"
"Ein vertrag zu erbrechen!" hernam Graaf Ernst.
"Recht zoo!" zeide Graaf Maurits: "dit alles roept om wraak! en de straf zal eenmaal het misdrijf volgen. Mendoza zal spoedig de vruchten van zijn spelen met eed en beloften ondervinden, in het wantrouwen van allen, wier hulp hij behoeft en in de verachting van al wat wèl denkt, ook bij den Spanjaard. Wat ons betreft, Mijne Heeren! laat ons deze nieuwe bijdrage tot de geschiedenis der Spaansche tirannen in aandenken houden; doch alleen om met des te meer ijver het groote verlossingswerk voort te zetten, waartoe wij ons vereenigen, en wachten wij ons om, bij het wreken van dergelijke wandaden, ze na te volgen. De oude regel _tand voor tand_ en _oog voor oog_ is door een betere, zachtere leer vervangen, en Spaansche gruwelen mogen nimmer worden aangehaald om de onze te wettigen.--En thans genoeg hierover: Mijn beste Stevyn! de Grootmeester der Artillerie Kessel, wacht ons aan de stallen: ik heb nu een twintigtal toomen laten maken volgens de teekening, die ik er laatst van ontworpen heb, en ik durf vast gaan, dat zij, wiskunstig gesproken, de gebitten niet meer prangen kunnen. Tot noen dan, Mijne Heeren! ik verwacht ulieden en wensch u inmiddels vaarwel." Dit gezegd hebbende, boog hij zich rond en vertrok met Stevyn.
"Wiskunstige toomen! _ne sont-ce pas comme qui dirait des brides mathématiques_?" vroeg Bethune met een spottenden glimlach.
"_The same_," antwoordde Vere; "doch laat u dit niet verwonderen. Gij zijt nog maar kort bij ons," (vervolgde hij in gebroken Fransch, hetgeen ik hier liever in verstaanbaar Nederlandsch overbreng); "maar gij zult meer hooren dan dit. Bij zijne Excellentie gaat alles wiskunstig toe, en het is er niet te minder om. Onlangs had ik, ter bemachtiging van een verschansing, schuiten uitgedacht met opstaande ladders; doch Zijne Excellentie bewees mij zeer goed, dat mijn schuiten niets deugden, en bij het beklimmen der ladders, door de zwaarte zouden kantelen en omslaan: en toen maakte Stevyn op zijn last een vertoog, 't welk hij noemde.... hoe duivel heette het ook?.... o ja: _vlietende topswaerheit_: en hij bewees daarin hoe men schuiten moest inrichten, die nimmer kantelen konden, maar evenals Indiaansche duikelaartjes zich altijd weder herstelden!"
"_Ah! c'est un grand génie, quo son Excellence_," zeide Bethune: "_mais pourtant, des brides mathématiques_! _c'est plaisant_! _je doute que cela prenne_."
"_Et cela prendra cependant_," zeide de Adjudant Marquette tot den ginnegappenden Franschman: ik ben _certein_, dat ge den ierste zijn zult, dien ze in awe roitery zult nemen, zoodrao ge ze gezien hebt."
"_Je n' en doute pas, puisque vous affirmez, mais cependant_...."