Chapter 7
"Droog uw oogen, mijn vriend!" zeide Falckestein, "niets is wisselvalliger dan de krijgskans: de vreemde vlag zal niet altoos van gindschen torentop blijven waaien.--Doch laat ons binnengaan en zorgen, dat onze manschappen zich betamelijk jegens de nieuwe bezitters gedragen."
In de voorzaal vond de Graaf zijn echtgenoote en kinderen met Velasco bijeen. "Heer Graaf!" zeide deze: "Het zal u wellicht aangenaam zijn, u eenige oogenblikken met de Gravin ongestoord te onderhouden. Vergun mij dus, mij inmiddels door uw Rentmeester het slot te doen rondleiden, om de noodige, u bekende, schikkingen te maken."--Falckestein gaf hiertoe, onder dankbetuiging voor Velasco's beleefdheid, verlof: en de Hopman ging met Beckman het kasteel rond, ten einde, ingevolge de gemaakte voorwaarden, al wat zich binnen het slot bevond op te schrijven, opdat er niets, dan hetgeen door het verdrag veroorloofd was, door de bezetting kon worden uitgevoerd.
Zoodra zij zich met hem alleen bevond, viel de Gravin haar echtgenoot schreiende om den hals: "Ach!" riep zij uit: "dat _ik_ u onder zulke omstandigheden moet wederzien! Hadt gij mij maar laten sterven! dit slot had geen vreemden meester gekend."
"En uw kinderen!" zeide Falckestein: "Anna, waren ook niet uw kinderen ter dood gedoemd?"
"Mijn kinderen!" zeide zij, terwijl zij die angstig aan haar hart drukte: "doch neen! zoo bloeddorstig wreed zouden die Barbaren niet geweest zijn! En echter, als ik aan hun gruwelen denk!.... Nog ijze ik, Ulrich!--Die arme Pastor! die wakkere Hanevederen! Zij allen zijn dood!.... en zonder die vreemde vrouw, die met ons trok, ware ik zelve met mijn kinderen en vrouwen het slachtoffer der baldadigste wreedheid geworden."
"Doch hoe zijt gij in de handen dier booswichten gevallen?"
"Wij waren geen half uur van het Kleefsche grondgebied verwijderd en dachten om geen gevaar, toen wij opeens uit onze gerustheid werden opgewekt door eenige musketschoten, die zich van de zijde der Kleefsche grenzen lieten hooren: dit geluid deed ons stilstaan om raad te plegen wat ons te doen stond. Wij besloten een der ruiters op kondschap vooruit te zenden; doch 't zij dat hij in vijandelijke handen viel, 't zij dat hij, op eigen lijfsbehoud bedacht, zich wegmaakte, wij zagen hem niet wederkeeren. Inmiddels viel de avond en wij vormden reeds, daar wij niets meer hoorden en wederom moed hadden gevat, het voornemen van verder op te trekken, toen wij opeens aan verscheidene zijden geweldige vlammen zagen oprijzen, die ons het verbranden van ettelijke boerenwoningen, en meteen de nabijheid van den vijand verkondigden. En, eer wij van onzen nieuwen schrik bekomen waren, zagen wij twee Spaansche ruiterbenden in vollen draf van verschillende zijden op ons aankomen. Wat er toen voorviel, kan ik, die van angst voor mijn lieve kinderen bedwelmd was, mij ternauwernood herinneren. Dit weet ik, dat wij in overhaasting de teugels wendden; doch de kogels uit de Spaansche pistolen vlogen sneller dan onze paarden. Wij werden achterhaald. Uwe Haneveeren vochten als leeuwen; doch wat hielp de moed tegen de overmacht? Ik zag den braven Hensken, die zich gedurig voor mij had gesteld om met zijn lichaam het mijne te bedekken, door een sabelhouw op het hoofd getroffen, met gespleten stormhoed, dood aan mijn zijde vallen. Al de Haneveeren, al de landlieden, ook de brave Pastor, die vergeefs verschooning bad voor zijn grijze haren, werden tot eenen toe afgemaakt, geplunderd, naakt uitgeschud: en met een helschen lach zeide de aanvoerder der bende, na het einde van het gevecht, dat hij de gevangene schoonheden, als een behaaglijken buit, aan zijn soldaten prijsgaf. Reeds poogde mij een dier booswichten van 't paard te rukken, toen Magdalena opeens boven het woest getier der vijanden en het noodgeschrei der vrouwen haar stem verhief en den Spaanschen Overste toeriep:
"Don Estevan de Nunez! is het schoon op weerlooze vrouwen te woeden?"
"Ik ken die stem," zeide de Overste: en, zijn paard de sporen gevende, reed hij op Magdalena aan. Snel en zacht, en zooverre ik hooren kon, in de Spaansche taal, sprak zij hem toe. Hij antwoordde op denzelfden toon: hun gesprek was kort, doch levendig: herhaalde reizen schudde hij ontevreden het hoofd, en even heftig scheen zij bij hem te blijven aanhouden. Inmiddels hadden de soldaten op zijn bevel van ons afgehouden, en wij verbeidden met pijnlijken angst den uitslag van Magdalena's welsprekendheid. Zij scheen hem te overreden; want eensklaps gaf hij last ons geen verdere ongelegenheid aan te doen, liet ons door een sterk geleide omsingelen en den aftocht blazen. Schier bewusteloos werd ik weggevoerd; nauwelijks had ik het besef om mijnen kleinen Ulrich op den schoot te houden, en alleen zijn gestadig geween en geschreeuw, hield mij, geloof ik, bij mij zelve. Werner was intusschen door een der ruiters op 't paard genomen: de knaap schreide luid en hield alleen op, toen de Spanjaard dreigde, hem in 't water te zullen werpen, indien hij zich niet stilhield. Wij reden een groot gedeelte van den nacht door, en kwamen eindelijk te Duisburg, waar de Spanjaards hun hoofdkwartier schenen te houden. Hier stegen wij af, en ik bracht er met de overige gevangenen in een groote schuur het overschot van den nacht, wel bewaakt, doch ongestoord door. Tegen het aanbreken van den dag werd er weder bevel gegeven tot den afmarsch. De krijgsbende was aanzienlijk vermeerderd; in volkomen orde trok zij met ons af. Het leed niet lang, of ik kreeg den toren van Bruck weder in 't gezicht, en bevroedde nu terstond, wat het oogmerk van Nunez was, en hoe men zich van mij bedienen wilde om u tot de overgave te dwingen. Ware het niet om mijn kinderen geweest, ik had mij zelve van kant gemaakt:--de kleine Ulrich zag uw vlag van den toren wapperen; blijmoedig stak hij zijn kleine armpjes uit en riep met kinderlijke vreugde: "Bruck! Bruck!"--Wij kwamen in de legerplaats van Lopez: de legerhoofden hielden een kort gesprek en.... het overige is u bekend!"
Hier eindigde de Gravin haar verhaal, hetwelk meer dan eens, zoo door haar zuchten en tranen als door de vragen van haar echtgenoot was afgebroken. "Er is iets vreemds," zeide deze, het hoofd bedenkelijk schuddende, "in het gedrag van die Magdalena! zij heeft u waarschijnlijk het leven gered.... en echter weet ik nog niet, of ik haar als vriendin of als vijandin beschouwen moet."
Het overschot van dezen dag werd van de zijde der bezetting doorgebracht in het maken der noodige toebereidselen voor den uittocht, die den volgenden morgen plaats moest hebben, terwijl de Spaansche krijgsknechten de posten innamen en de wachten betrokken.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Mijn Graeflijc bloet besprenght mijn erfelijken acker.
_Vondel_, Brief aan den Drost van Muiden.
Met den volgenden morgen was de bezetting ten uittocht gereed. Inmiddels hadden Don Fernando Lopez en Don Estevan de Nunez hun benden laten aanrukken en aan weerszijden van den weg, die naar het kasteel geleidde, geschaard, om het slot, zoodra het ontruimd was, binnen te rukken. Velasco bleef aan 't hoofd van zijn vendel, dat op het binnenplein in orde van parade stond. Met de gewone krijgseer trok nu de bezetting uit, terwijl de Graaf met zijn gezin den trein besloot. Het scheen, dat alles, gelijk men reden had van te verwachten, in de beste orde zoude afloopen; doch Falckestein had niet gerekend op de kwade trouw der Spaansche verraders. Dezelfde geest, die Romero had bezield, toen Naarden het slachtoffer zijner helsche eedbreuk werd, had ook thans bij den raad der trouwelooze legerhoofden voorgezeten. Nog was de geheele trein de slotpoort niet uitgetrokken, of Lopez wierp zijn staf in de lucht: dit was het sein van den moord. Van weerszijden gaven de Spaansche musketiers vuur op de uittrekkende bezetting, die, op zoo schelmschen aanval niet verdacht, buiten staat was, in de verwarring van het oogenblik eenigen wederstand te bieden. Dood of gewond stortten paarden en ruiters door elkander, en eer iemand schier tijd had zich te herkennen, was de helft der bezetting door de handen der bloeddorstigen afgemaakt.--Schier tot razernij vervoerd over zulk een ongehoord bestaan, reed Falckestein de brug over en wierp zich met uitgetogen zwaard onder de moordenaars; doch zijn paard stortte doodelijk gewond neder, en hij ware het slachtoffer van de woede der Spanjaards geworden, ware niet Velasco, die hem gevolgd was, ijlings toegeschoten. Deze weerde de slagen van zijn hoofd af, vatte hem moedig bij de hand en trok hem met zich naar binnen, terwijl hij aan zijn manschappen gelastte de poort te sluiten en geen Spanjaard binnen te laten. Intusschen had het paard der Gravin, verschrikt door het schieten, een geweldigen zijsprong genomen en was dwars door de gelederen der Spanjaards heen het veld ingehold. Feurich, die het oudste zoontje van den Graaf bij zich op 't paard had, volgde haar met eenige Hanevederen; en 't zij dat de Spanjaards nog eenig mededoogen voor de vluchtenden overhielden, 't zij dat de algemeene verwarring hun het vervolgen belette, het gelukte althans den vluchtelingen te ontkomen aan het moordtooneel.
Zoodra Velasco met den Graaf op het binnenplein gekeerd was, begon hij zich met de duurste eeden van alle medeplichtigheid aan het gepleegd verraad te verschoonen, zwoer, dat hij, in spijt van allen, den Graaf tegen alle geweld zoude beschermen, en bracht dezen vervolgens in een kamertje bij de poort. Weinige oogenblikken daarna verschenen de Spaansche Oversten, op wier gloeiend gelaat een hevige gramschap te lezen was. Lopez stapte dadelijk naar Velasco toe, zonder een blik op den Graaf te slaan.
"Wie," vroeg hij, "heeft aan Don Diego de Velasco last gegeven, deze doemlingen aan hun welverdiende straf te onttrekken? Ternauwernood wilde men ons binnen dit slot laten!"
"En wie," vroeg Velasco, met een edele verontwaardiging, "heeft aan Don Fernando Lopez last gegeven, met eer en eed te spelen, een geteekend verdrag te breken en het recht der volkeren te schenden?"
"Ik ben u van mijn daden geen verantwoording verschuldigd, jongeling!" zeide Lopez. "Tracht nooit te vergeten, dat gij onder mijn bevel zijt uitgetogen en slechts daaraan moet gehoorzamen. Wat u betreft, Ulrich von Daun! gij kunt u ter dood bereiden."
"Niet, zoolang ik hem verdedigen kan," riep Velasco, terwijl hij den Graaf bij de hand vatte en zijn zwaard voor de oogen der legerhoofden blinken liet.
"Wij zullen zien, wie hier meester is," riep Nunez; en beide de kapiteins snelden de trappen af.
"Toef hier slechts een oogenblik," zeide Velasco tegen den Graaf: "ik moet het uiterste wagen." Onder het uiten dezer woorden volgde hij de Oversten naar het slotplein, en herhaalde aan zijn krijgsknechten het bevel om de slotbrug op te halen, de poorten gesloten te houden en niemand in te laten. Beckman en sommige dienaars, die nog binnen het slot gebleven waren, voegden zich bij hem.
"Wat moet dit kluchtspel beduiden?" vroeg Lopez, die vergeefs zijn gezag had willen doen gelden.
"Niet anders," zeide Velasco, "dan dat ik, die het verdrag met den Graaf van Falckestein geteekend heb, plechtig bezit van zijn slot neem en er alle verraders en moordenaars buiten zal houden."
"Soldaten!" brulde Lopez: "zult gij ten gerieve van ketters uw Oversten verlaten?"
De soldaten zagen elkander besluiteloos aan; doch geen hunner dorst zich uit het gelid begeven. Een doodsche pauze had plaats.
"Wakkere spitsbroeders!" riep toen Velasco: "uw naam en die van uw Hopman zijn geschandvlekt, zoo gij mijn last overtreedt. Door mij is een plechtig verdrag met de bezetting van dit slot gemaakt en bezworen: niet door mij, niet door u is dit verdrag geschonden. Onze handen zijn rein van het bloed der vermoorden! De Amirant zal aan het vendel van Velasco geen gruweldaad verwijten, die op het geweten van anderen wegen zal gelijk een molensteen. Houdt hen buiten, die moordenaren! Geen gemeenschap tusschen ons en de schelmen, die den Spaanschen naam door schanddaden bezwalken! 't Is niet onder Velasco's vendel, dat de bloeddorst en 't verraad hun beulen zoeken moeten!"
Juichend riepen de meesten; "Voor Velasco!" en zij die anders dachten, zwegen uit voorzichtigheid.
"Men misleidt u, soldaten!"' zeide Lopez: "en gij, Velasco! geloof niet, dat al de invloed uws broeders u van straf zal vrijwaren! Kom, Nunez! volg mij en roepen wij onze wakkere manschappen binnen, om dien oproerlingen hun loon te geven!"
Op dit oogenblik trad Eugenio voorwaarts. Deze was de Oversten in 't slot gevolgd en had tot nu toe als toeschouwer in een der hoeken van het plein gestaan. Hij weerhield de Oversten, die het kasteel verlaten wilden. "Welk een schande!" zeide hij: "Spanjaards tegen Spanjaards! Geloovigen tegen geloovigen! Zult gij op deze wijze de goede zaak bevorderen, door als honden om een been te vechten? Velasco! laat mij met deze Oversten slechts een paar woorden spreken, en ik ben overtuigd, dat alles naar wensch zal afloopen."
"Doe zooals gij wilt," antwoordde Velasco: "uw eer lijdt evenzeer als de mijne door de inbreuk, op het verdrag gemaakt. Ik laat derhalve gaarne de zaak aan uw beslissing over."
De Jezuïet nam hierop de beide Oversten ter zijde, en hield met hen een kort, doch levendig gesprek.
"Ik heb hoop," zeide hij, na eenige oogenblikken terugkeerende: "dat gij tevreden zult wezen. Deze beide Heeren zijn bereid, om niet alleen het gebeurde te vergeten, maar zelfs om met hun vendelen af te trekken, mits de buit naar billijkheid verdeeld worde. Wat den Graaf betreft, deze zal hier onder uw bewaring blijven, totdat de Amirant zelf over zijn lot zal beschikt hebben: ik bied mij aan, hier met u te blijven, ten einde een goeden geest onder het krijgsvolk te handhaven, de slotkapel in te wijden en de godsdienstoefeningen te volbrengen."
Ofschoon dit voorstel aan Velasco, die het in vrijheid stellen van den Graaf beoogd had, maar weinig behaagde, begreep hij echter, dat een weigering de nadeeligste gevolgen zou met zich brengen, dewijl hij alsdan gevaar liep, niet alleen tegen de kapiteins en hun legerbenden, maar ook tegen den geduchten invloed van Pater Eugenio te moeten kampen. Hij zwichtte dus, gaf zijn toestemming aan den voorslag en omhelsde de beide Oversten tot een teeken van verzoening.
Straks werd al wat hand- en tastbaar was in het slot buiten de poorten gebracht en aldaar naar evenredigheid onder het krijgsvolk verdeeld, waarna, volgens de overeenkomst, die deze reis niet geschonden werd, Lopez en Nunez met hun krijgsbenden aftrokken.
Het eerste werk, dat Velasco na hun aftocht verrichtte, was om Falckestein, die nog steeds in het vertrek bij de poort met angst den uitslag verbeidde, te gaan geruststellen. "Ik wensch u geluk," zeide hij: "voor 't oogenblik is het gevaar geweken en bevindt gij u onder mijn bescherming. Nog heden schrijf ik aan den Amirant en aan mijn broeder, den Grootmeester der Artillerie; ik twijfel niet, of mijn vertoogen zullen weldra uw geheele verlossing bewerken."
"Eeuwige dankbaarheid ben ik u verschuldigd, edele Velasco!" zeide de Graaf: "doch mijn vrouw! mijn kinderen! O! is u iets van hun lot bewust?"
"Uw gade is het gelukt, met haar oudsten lieveling te ontsnappen," zeide Velasco.
"En hier is de jongste," zeide Magdalena, die op dit oogenblik tot hen trad, met haar zoon aan de hand en den kleinen Ulrich op den arm. "De Gravin had mij verzocht voor dit kleintje zorg te dragen, en daar ik nog niet buiten was, toen de moord begon, heb ik niets voor mij zelve, noch voor het kind te duchten gehad."
"Edele vrienden!" zeide Falckestein, hun de hand drukkende: "God moge uw trouwhartigheid loonen. Mij is zulks onmogelijk. Ik kan slechts danken." En vurig kuste hij het kind, dat de hemel zoo wonderdadig gespaard had.
Zes dagen verliepen er, zonder dat er iets voorviel, hetgeen in deze geschiedenis verdient te worden opgeteekend. Velasco bleef zijn gevangene met de meeste onderscheiding en beleefdheid behandelen, liet niet af, hem moed in te spreken, hem over de geleden onheilen zooveel hij kon te troosten, en hem al de diensten te bewijzen, welke in staat waren zijn toestand draaglijk te maken. Eugenio betoonde wel geen buitengewone vriendelijkheid jegens den Graaf, doch nam de uiterlijke beleefdheid in acht. Zijn dagelijksche tegenwoordigheid echter aan het middagmaal verwekte bij Falckestein, gelijk men licht beseffen zal, een gevoel van afschuw en verontwaardiging, hetwelk hem belette aan het gesprek eenig deel te nemen. "Ik zou moed kunnen vatten," zeide hij eens tegen Velasco, daar zij zich alleen bevonden, "ik zou hoop kunnen voeden, indien ik dien verfoeilijken Jezuïet niet gedurig voor mijn oogen had. De tegenwoordigheid van dien vorstenmoorder, zijn verblijf op dit slot kunnen mij niets dan kwaad voorspellen. Van hem kan niets, dat goed is, geboren worden."
"Ik geloof," zeide Velasco, "dat gij den eerwaarden Vader verkeerdelijk beoordeelt. Als Protestant, als bondgenoot en vriend van Graaf Maurits moet gij hem haten, dit besef ik; doch als zoodanig gaat gij, verschoon mijn vrijmoedigheid, niet onpartijdig te werk. Pater Eugenio is een wijs en godvruchtig man, die bij ons leger en den Raad zeer gezien is: van kindsbeen af bindt hem een plechtige gelofte, om, waar en hoe hij kan, de zaak van onzen Heiligen Godsdienst voor te staan. Moed, vroomheid, zelfopoffering en haat tegen de ketters maken de hoofdtrekken uit van zijn karakter. De middelen, die hij in 't werk stelt om de eer van onze Moederkerk te bevorderen, mag ik niet beoordeelen, veelmin misprijzen; want ik veronderstel, dat hij nimmer handelt dan naar de voorschriften, hem door de vorsten dier Kerk gegeven. Zijn doel is heilig en Gode welbehaaglijk: en welk sterveling zoude de middelen wraken, die dat doel kunnen doen bereiken?"
"Wat is een Godsdienst," antwoordde Falckestein, "welke leert, dat het doel de middelen wettigt? Mag men het kwade doen, opdat het goede daaruit voortkome? Zegt Paulus niet...."
"Gij gaat _argumenteeren_," hernam Velasco, glimlachende: "ik weet, dit is de gewoonte der Protestanten, altijd met den Bijbel in de weer te zijn en met teksten te schermen. Doch vergun mij, die een krijgsman ben, en bovendien stellig verbod ontvangen heb om immer over godsdienstige punten met ketters te redekavelen, dat ik liefst dien strijd ontwijke."--Falckestein boog zich en zweeg, waarmede dit gesprek ten einde liep.
Op den morgen van den zesden dag na het vertrek der twee veldoversten, meldde zich een renbode van Mendoza bij Velasco aan, en het leed niet lang, of deze liet den Graaf bij zich ontbieden. Falckestein vond Velasco alleen, en zoo 't scheen, in hevige ongedurigheid de kamer op en neder wandelende. "Graaf!" zeide hij, zoodra hij hem zag binnentreden, "ik weet niet hoe het met onze zaken staat, noch wat ik van den Amirant moet denken. Gij zijt een man van moed: ik wil dus geenszins voor u veinzen. Verbeeld u, dat de bode, die dezen morgen van Orsoy herwaarts gekomen is, niets anders medebrengt, ten minste mij niets anders heeft ter hand gesteld, dan een bevel van Mendoza, om terstond in 't hoofdkwartier terug te keeren en mijn vendel alhier achter te laten. Van u noch van de gansche handeling, die hier heeft plaats gehad, spreekt de lastbrief een woord. Op mijn brieven heb ik geen antwoord bekomen: het schijnt dat Nunez en Lopez zich bevlijtigd hebben, mijn gedrag in een donker daglicht te stellen. Volgde ik thans alleen de inspraak van mijn hart, ik voerde u zelf naar een veilige plaats; doch ook dit is niet meer in mijn macht; er heerscht onder mijn manschappen een geest van wederspannigheid, dien ik niet meer kan uitdooven. Na den moord heb ik gebruik gemaakt van de geestdrift van het oogenblik, om u te redden; doch hun toen betoonde gehoorzaamheid schijnt hun thans te berouwen: mijn bevelen worden in den wind geslagen, mijn vermaningen bespot, mijn gezag miskend. Dit is zooverre gegaan, dat mijn soldaten ronduit geweigerd hebben, de straf te volbrengen aan een hunner kameraden, die een overrok aan uw Rentmeester ontstolen had. Ik vrees derhalve, dat ik, in plaats van u hulp te kunnen betoonen, uw ondergang berokkenen zoude."
"De dood staat reeds lang voor mijn oogen," zeide Falckestein: "doch bij den God, dien wij beiden op onze wijs vereeren, Velasco, ik smeek u, red zoo 't u mogelijk is, red mijn kind! zend het aan zijn troostelooze moeder terug."
"Ik hoop ook den vader te redden," zeide Velasco met waardigheid: "daarom heb ik zelf het schuitje, dat aan de voorpoort lag, aan den steiger doen vastleggen. Begeef u dus hedenavond met de uwen derwaarts en tracht de rivier over te komen, terwijl ik aftrek met mijn volk. Red u, en schenk mij het genoegen, de laffe wraakzucht uwer haters verijdeld te zien."
"En gij," hernam de Graaf: "zult gij den toorn des Amirants, de bestraffing uws broeders niet vreezen, dat gij verwezene ketters aan de straf onttrokken hebt?"
"Laat dit voor mijne rekening, Mendoza zal op geen Velasco het gewicht zijner gramschap doen vallen; en Don Louis zal zijn broeder met des te meer genoegen omhelzen, wanneer hij verneemt dat de eer des Spaanschen naams door hem gehandhaafd is."
"Wel!" sprak Falckestein, hem de hand met warmte drukkende: "ik ga mijn trouwen Beckman voorbereiden; God zegene u en verhoore uw beste wenschen!"
Na het uiten dezer dankbetuiging haastte zich Falckestein naar het vertrek, waar hij zijn kind hoopte te vinden. Hij vond er Magdalena, bezig aan het herstellen der weinige kleedingstukken, die de plunderzieke Spanjaards nog overig hadden gelaten. De kleine Ludwig, de zoon van Magdalena, speelde met Fenix, 's Graven grootsten en fraaisten jachthond. Dit dier was bij de verdeeling aan Velasco te beurt gevallen, die het edelmoediglijk weder aan zijn vorigen meester had afgestaan.
"Waar is Ulrich?" vroeg Falckestein met angstvalligheid, toen hij, rondziende, zijn zoontje niet bemerkte.
"Die is met Beckman naar den tuin gegaan," antwoordde Magdalena. "Wij hebben in lang zulk een fraaien dag niet gehad, en het is voor het knaapje goed, de versche lucht te scheppen."
"Het is wel," zeide de Graaf: "hetgeen ik u moet mededeelen is van het uiterste gewicht: ik wilde u gaarne spreken."
Hierop ging hij zitten en ontvouwde haar hetgeen hij van Velasco vernomen had, en wat deze had uitgedacht om hen te redden.
"Ik vrees, dat het op deze wijze kwalijk gelukken zal," zeide Magdalena, het hoofd schuddende, nadat hij zijn verhaal geëindigd had: "Velasco kan u niet redden: er is iemand anders hier, die daarvoor zorgt. Ik alleen ben in staat, u van dienst te zijn."
"Gij?" zeide Falckestein, haar bedenkelijk en wantrouwend aanziende. "Welken invloed kunt gij op de Spaansche beulen uitoefenen?"
"Dit moet u onverschillig zijn, Graaf!" zeide Magdalena met trotschheid, mits ik u redde, u en uw kind. De zwakke muis doorknaagt het net, dat de leeuw vergeefs poogt vaneen te scheuren. Laat mij begaan en bekommer u verder met niets."
"Beproeven wij eerst het middel, dat Velasco ons heeft aangewezen," hernam Falckestein, die door de redenen van Magdalena kwalijk overtuigd werd: "wij zullen naderhand tot uwe bescherming de toevlucht nemen."
"Zooals gij wilt," zeide Magdalena: "aan u, Graaf! heb ik geen verplichting, en het zal mij niet verweten worden, indien stijfhoofdigheid uw ondergang berokkent."
"Hoe!" riep Falckestein verbaasd: "en wat kan u zoo zeker doen spreken?"....
Op dit oogenblik ging de deur open en onaangemeld trad Eugenio met een statigen stap de kamer in. Hij boog zich even onder 't naderen, en bleef vervolgens voor Falckestein staan, de armen kruislings over de borst geslagen, en een perkamenten rol, waarvan een opengescheurd zegel afhing, in de rechterhand vastgeklemd houdende.
"Graaf," zeide hij: "ik weet dat mijn bijzijn u niet behagen kan; doch ik ben verplicht u over hoogst belangrijke zaken te onderhouden: wees dus zoogoed mij in den tuin voor te gaan, daar wij onverhinderd zullen kunnen spreken."
"Is dit zoo noodzakelijk?" vroeg Magdalena met drift: "en waarom kunt gij dit hier niet?"