De Pleegzoon

Chapter 42

Chapter 423,790 wordsPublic domain

"Ik ben hier te voet gekomen met mijn geheimschrijver," zeide de Graaf: "en dien heb ik weggezonden naar het oude Hof, met het bericht dat ik hier den nacht zou doorbrengen, en dat ik wel in een uwer rijtuigen zou komen."

"Dan is die zwarigheid opgelost," vervolgde de Prins: "Heer Fiskaal! gij zult zorgen, dat niemand, behalve de Raadsheeren, die den gevangene ondervraagd hebben, iets van de beschuldiging verneme, welke tegen den Graaf is ingebracht."

"Door middel van onze Heeren zal er niets van de zaak uitlekken," antwoordde de Fiskaal: "doch...."

"Welnu?"

Van Kinschot antwoordde niets, doch sloeg een zijdelingschen blik op Frederik Hendrik.

"Als Uwe Doorl. gereed is," zeide Maurits, die dit gebarenspel raadde, terwijl hij de deur van het zijvertrek opende.

"Broeder!" zeide de Graaf: "rust wel, en God opene uw oogen voor de kracht der waarheid."--Met deze woorden begaf hij zich in de kamer, welke Maurits wederom sloot.

"Wat wildet gij zeggen," vroeg de Prins aan Van Kinschot, zoodra zij alleen waren.

"Dat, zoo iemand iets verklapt, het geenszins een der Raadsheeren zijn zal; maar veeleer de brenger dezer brieven, die aan zijn kerker ontsnapt is."

"Ontsnapt!.... niet mogelijk."

"Ik heb hem duidelijk herkend op de bijeenkomst van dezen nacht, evenals de Remonstrantsche Proponent Raesfelt. Zoo Uwe Hoogheid mij vergunnen wil mij eenige oogenblikken te verwijderen, dan zal ik dadelijk de noodige maatregelen nemen, dat zij opgespoord en weder _geïncarcereerd_ worden."

"Laat hen naar den duivel loopen," zeide Maurits: "die Joan, of hoe hij ook heeten moge, is een goede, eerlijke jongen, die mij bijna doodgeknepen had om een aanslag tegen mijn leven te voorkomen: en de andere.... dat was immers de jongeling die Groenhof tegensprak?"

"Dezelfde, Uwe Hoogheid!"

"Welnu! dien moet vooral geen haar gekrenkt worden. Laat hem _zoeken_, zooveel gij wilt; maar gevonden moet hij niet worden! Waren al de Arminianen zoo, ik zou zelf lust krijgen, Arminiaan te worden."

"Zal ik deze papieren met mij nemen?" vroeg de Fiskaal, ze willende opnemen.

"Een oogenblik," zeide Maurits, weder naar de tafel gaande, en den brief, die in cijfers geschreven was, opnemende: "hadden wij," vervolgde hij, "slechts een sleutel, om dit geschrift te kunnen spellen." Dit zeggende, ging hij zitten en bleef een geruimen tijd, zonder te spreken, op den brief turen; terwijl Van Kinschot, die hem niet storen dorst, zwijgend achter hem stond en moeite had zijn ongeduld te verbergen.

"Is er dan geen mogelijkheid, die cijfers te raden?" vroeg eindelijk de Prins.

"Uwe Hoogheid heeft mij verboden, het kabinet van Zijne Doorluchtigheid te doen verzegelen: ik had mij anders van de papieren kunnen meester maken, en...."

"Hoe!" riep Maurits, opstuivende: "gij zoudt uw rakkers de handen laten slaan aan de papieren van een Nassau? Gij zoudt op een bloot vermoeden de geheimen mijns broeders onderzoeken gaan? van een Vorst van Prinselijken bloede? Dat ten eeuwigen dage niet! dat past alleen aan mij."

Van Kinschot haalde de schouders op: "_qui vult finem, vult media_," [57] zeide hij: "dit zal Uwe Hoogheid zich nog wel van den academietijd herinneren."

"Iets anders!" zeide Maurits!--"wacht! daar schiet mij wat te binnen. De Secretaris des Graven, was die niet met Z. D.?"

"Hij zou reeds lang in zekerheid gebracht zijn, indien Uwe Hoogheid zulks verkozen had."

"Laat hem hier komen!"

"Zou het niet beter zijn, daarmede te wachten, totdat het dag ware? Zijn opontbod in het midden van den nacht zou opschudding baren, en ook Uwe Hoogheid heeft rust noodig."

"Laat hem halen: en zoo gij slaap hebt, ga dan naar bed," zeide Maurits wrevelig.

De Fiskaal zweeg, boog zich en vertrok.

EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

ô Die bedrieger! ô wat ben ik nu verblijd! Hadt gy het niet ontdekt, ik was mijn dochter quijt.

_Langendyk_, de Zwetser.

Gedurende denzelfden nacht, waarin al de door ons in de laatste Hoofdstukken verhaalde omstandigheden hadden plaats gehad, waren ten huize van de Gravin Douairière van Nassau de bewoners voor 't meerendeel niet minder in onrust en beweging geweest, dan diegenen, waarvan wij gesproken hebben; schoon de oorzaak dier drukte geheel andere beweegredenen had. De dienstboden hadden hun bed niet gezien, daar zij den tijd, waarin hun meesters ter rust lagen, hadden waargenomen, om de zalen, voorportalen en deuren, welke de aanstaande bruid gerekend kon worden door of in te zullen gaan, met bloem- en looverkransen te versieren. De goede smaak van Magdalena zat bij deze verrichtingen voor: de bedienden der Gravin beijverden zich de hun gedane aanwijzingen naar eisch te volgen: allen beminden en eerden Freule Ulrica, wier gulle vriendelijkheid en gemeenzaamheid in den omgang telken reize, dat zij de Gravin bezocht had, aller harten tot zich getrokken had: en zij wisten daarenboven, dat zij hun meesteres beliefden, door de Jonkvrouw Van Sonheuvel te vereeren. Feurich en Gheryt Maessen (welke laatste in Den Haag niet veel beters te doen had) droegen met al hun vermogen bij tot opluistering der toebereidselen: terwijl eindelijk de oude Rentmeester Beckman, te stram en te zwak om mede de hand uit de mouw te steken, niettemin met de deftigheid, welke wij in hem vanouds gekend hebben, rondwandelde om zijn hoogwijs advies over den wel- of misstand van het vervaardigde te geven.

Reeds was de dag al een geruimen tijd doorgebroken, toen Bouke, over wiens afwezigheid men zich verwonderd had, de zaal binnentrad, welke men nu bezig was te versieren, de toebereidselen met een enkelen blik overzag en vervolgens zich met een knorrig gelaat in een stoel wierp.

"Wie nun!" zeide Beckman: "bist du nicht froh, kamrad nun deiner fraulein heiratht?"

"Vroolijk," zeide Bouke: "ja men is niet vroolijk of men moet er reden voor hebben; men ziet aan 't been waar de hoos gescheurd is en het dofferken zingt niet als 't gaiken gevaên is.... Wie had het ooit kunnen denken, toen Joan boven op den toren zat gesloten en de kleine Ulrica hem het eten bracht, dat zij uit haar mondje gespaard had, dat zij eens haar verloving vieren zou, daar Joan in een erger gevangenis zat? Maar zoo zijn de vrouwen altemaal als het op trouwen aankomt. Wel zegt het spreekwoord: een bruidskrans, een blinddoek."

"Het verwondert mij, Bouke," merkte Magdalena met scherpheid aan, dat gij zooveel belang stelt in dien liederlijken knaap, dat gij er niet om wilt deelen in de vreugde uwer meesteres. De Freule Van Sonheuvel is u toch nader dan de Spaansche basterd, die...."

"Wees toch niet als de ezel van Bileam, die sprak voordat hem gevraagd werd," zeide Bouke: "wat basterd?--wat liederlijk?--Er leeft geen beter knaap op de geheele wijde wereld dan die eigenste Joan: en ik laat mij villen, als ik niet met den middag naar zijn gevangenis toega en den achternoen bij hem doorbreng en u allen hier laat fluiten en pijpen en zingen, zooveel ge wilt."

"Ga in vrede," zeide Magdalena: "niemand zal uw ijzegrimmen gezicht hier missen."

"Neen!" hernam Bouke: "dat zullen ze net niet, vooral als uw effen tronie hun overblijft."

"Waaraftig!" zeide Feurich: "Herr Bouke spriecht wohl! dem Jonker Joan ist ein hupscher bursche: das heb ik gesehen, nun sechs oder sieben jaren geleden, toen er dem kutsche deed stille stän."

"Een beste Jonker!" voegde Gheryt Maessen er bij: "zoo gul en goedhartig! ik 'loof nooit, dat hij eenig kwaôd opzet teugen den Heer Baron in 't zin had."

"Dat gelooft de Baron ook niet meer," zeide Bouke, "en Z.Ed. zal er met Zijn Hoogheid een ernstig woordeke over spreken. Wie weet of de Jonker nog niet in volle glorie op het trouwfeest komt."

Wij zullen over het vervolg van dit gesprek, hetwelk den lezer weinig verscheidenheid zou aanbieden, heenstappen en ons de zaal voorstellen, nu evenals de portalen en deuren op het fraaist versierd. Reeds vroeg in den morgen trad de Baron, in zijn beste staatsiekleederen uitgedost, binnen, en bezag met innerlijk genoegen de gemaakte toebereidselen. "Jammer maar!" zeide hij, terwijl hij zich in de handen wreef, "dat onze goede Joan er niet bij is! doch ik zal hemel en aarde bewegen om hem op het trouwfeest te krijgen."

"Daar zal UEd. wel aan doen," zeide Bouke, die zich op dat oogenblik alleen met zijn meester bevond: "ik ga hem straks opzoeken; heeft UEd. hem ook wat te zeggen?"

"Ja, zeg hem, dat ik hoop, dat hij op de bruiloft.... maar hij zal toch niet willen!.... hij denkt immers dat ik zijn vader vermoord heb!--Hoor Bouke! bedui hem toch, hoe dat in zijn werk is gegaan: en zeg hem, dat ik hoop, dat hij zich van alle schuld vrij zal pleiten, en als hij een Advocaat noodig heeft, hier staat de man, die 't wel betalen zal."

"Ik zal 't alles overbrengen, zooals UEd. 't zegt," zeide Bouke.

"Maar van wat anders: is de bruid al op?"

"Er is zooeven om Magdalena geluid of gebeld, zooals ze dat hier noemen," zeide Bouke: "alweer een nieuwe uitvinding: om de menschen op te bellen of het schapen waren!"

"De gasten zullen niet lang meer toeven," hernam de Baron: "mij dunkt, ik hoor reeds iemand komen: ha! het is onze goede Dominee. Hoe zoo bedrukt, Weleerwaarde? Je brengt waarachtig geen gezicht voor een bruiloft mede."

"Ik heb dezen nacht in ontroering en kwelling des geestes doorgebracht," antwoordde Raesfelt. "Het was met mij als de Psalmist zegt, Ps. 77:

Al hebb' ik van gantscher herten Gebeden in anghst en smerten, Soo blijft doch mijn hert eenpaer Vol benauwtheit en anghst swaer.

Ik bid u, Heer Baron!" vervolgde hij, een lang geschrift uit der zak halende: "zeg mij, komt Zijne Hoogheid nog op de verloving gelijk beloofd was en gehoopt werd?"

"Ten minste ik weet niet beter dan ja," antwoordde de Baron "doch waartoe deze vraag?"

"Ik had.... ik wilde aan Z. H. overhandigen.... deze.... dit...." mompelde de Predikant, zijn papier openvouwende.

"Wat drommel is dat?" vroeg de Baron, lachende: "denkt ge aan Z. H. een geheele preek voor te lezen?"

"Het is geen preek, het is...."

"Een gedicht misschien op het jonge paar?--Nu, dat verwachtten wij ook."

"Met uw verlof, het is een smeekschrift," hernam de Predikant, angstig het oog op zijn werk slaande en met de rechterhand de gewone en den Baron welbekende beweging makende, welke aanduidde, dat hij het ging voordragen.

"Zoo! een smeekschrift," zeide de Baron, hem het woord afnemende: "en wat hamer hebt gij toch te smeeken?"

"Mijn zoon," zuchtte de beklagenswaardige Predikant: "mijn Hendrik, de hoop mijns ouderdoms, is zijn woonstede niet bij de onrechtvaardigen? is hij niet in de tijdelijke Gehenna, waar weeninge is ende knersinge der tanden? en moet ik mij niet nederbuigen voor den machtige, opdat zijn banden verscheurd worden, gelijk David zegt in den tweeden Psalm:

Laat ons breken met een Zijn banden al, daer med' sy ons verstricken."

"Uw zoon! mijn goede Hendrik! 't is waar.... nu, wij willen het beste hopen."

"Ach!" zeide Raesfelt; hij is medegerekend onder diegenen, die in den kuil dalen, zooals Psalm 88 het heeft! en wie zal hem verlossen?"

"Mij dunkt," zeide Reede, "dat uw stuk wat lang is, Dominee! en den Prins wel eens zou kunnen vervelen en in kwade luim brengen;.... doch ik heb geen kennis van zulke zaken. Met uw verlof.... ik ga eens even zien of de bruid al op is." Dit zeggende liep hij de zaal uit.

"Wat lang?" zeide Dominee: "mij dunkt er staat niets in, dan hetgeen er in moet staan.--Laat ons zien," vervolgde hij, bij zich zelven, het stuk nogmaals met luider stemme overlezende: "wat zou daaruit kunnen genomen worden: geen spreuk, geen tekst, geen woord? Heb ik er dan vruchteloos een halven Sabbat en dezen geheelen nacht over geblokt?"

Hoe meer zijn Wel-Eerwaarde las, hoe warmer hij werd: eindelijk geraakte hij zoover buiten zijn gewone bedaardheid en stelde zich zoo volkomen voor, in de tegenwoordigheid van Zijne Hoogheid te staan, dat hij met de woorden: "handelt sachtkens met den jongelingh, met Absalom," welke het geschrift besloten, de rolle onder het maken eener diepe buiging overhandigde aan iemand, die binnentrad, en het stuk met een verbaasde houding aannam en inzag.

"Arminiaansche wanbegrippen.... hm, hm!.... booswichten.... tegen Uwe Hoogheid aangekant.... te duivel!.... moorddadige en verraderlijke ontwerpen.... vergiffenis.... Pots honderd tausent slapverment, Dominee! wat meent ge daarmet?" en de Heer Van Botbergen (want deze was het, die binnen gekomen was) werd bleek als een doek.

"O! ik vraag verschooning, Mijnheer Van Botbergen!" zeide de Predikant onthutst en verlegen: "ik was verstrooid van gedachten: UEd. is zeker heden of gisteren alhier aangekomen."

"Om de verloving van mijn vriend den Ambtman te vieren," hervatte Elbert: "doch wat moet deze schriftuur?"

"Die was eigenlijk voor Z. H. bestemd," zeide Raesfelt: "doch daar UEd. aan de Hoven geweest zijt, zoude UEd. mij waarschijnlijk wel met raad kunnen dienen en mij zeggen, of het zoo goed is."

"Hm! hm!" zeide Botbergen, het geschrift haastig doorloopende: "wat lang, wat gerekt; doch de stijl is keurig en hoogdravend: eilieve! waar handelt het eigenlijk over?"

"Mij dunkt," zeide de Predikant gebelgd, het smeekschrift weder terugnemende, "die vraag is vrij onnoodig, als men het stuk gelezen heeft."

Op dit oogenblik traden sommige andere genoodigden de zaal in, en niet lang daarna ook de Ambtman, op 't kostelijkst als bruidegom uitgedost. Na de aanwezigen beleefdelijk gegroet te hebben, nam hij, zoodra het gesprek algemeen was geworden en hij zulks onopgemerkt doen kon, Botbergen ter zijde en fluisterde hem in 't oor: "welnu?"

"Alles is in gereedheid," antwoordde deze: "Zondag over veertien dagen maken wij ons tusschen kerktijd meester van de stad; onze vrienden zijn vol courage en wachten met ongeduld uw terugkomst af."

"Uitmuntend!" zeide Mom; "welnu, Mijne Heeren!" vervolgde hij, zich tot het gezelschap wendende: "wat nieuws is er vandaag? Mijnheer Van Bleiswyk! is er niets gaande? UEd. heeft anders altijd iets te verhalen.--Mij dunkt, uw gelaat staat minder opgeruimd dan gewoonlijk."

"Ik heb dezen nacht slecht gerust," antwoordde Bleiswyk.

"Ik dacht niet dat UEd. immer rusten kon," merkte Mom aan met een spotachtigen glimlach; "doch waar of mijn goede aanstaande schoonvader blijven mag?"

"ZijnEdele zal zoo aanstonds hier zijn," zeide Bleiswyk: "ik heb zelf, toen ik het voorportaal doorging, den Heer Baron in het spreekvertrek gezien met den Fiskaal."

"Den Fiskaal," herhaalde Botbergen, verschrikt.

"Welnu ja, den Fiskaal!" zeide Mom, zich met een hoogmoediger blik naar hem omwendende: "heeft uw heldhaftigheid iets met Z.-Ed.-Gest. uitstaande?"

"De Heer Fiskaal," zeide een der gasten, "is, naar ik hoor, gisteren den geheelen dag in touw geweest."

"Men spreekt van hoogst zonderlinge gebeurtenissen," zeide een ander.

"Men verhaalt, het Hof van Graaf Frederik Hendrik is hedenmorgen ongenaakbaar," zeide een der gasten, op den schroomvalligen toon van iemand, die niet weet hoe zijn mededeeling zal worden opgenomen.

"Men zegt, er zijn gevangenen ontsnapt," mompelde een ander.

"Ontsnapt!" herhaalde de Predikant: "UEd. gelieve...."

"Ei wat!" zeide Bleiswyk, die niet langer zwijgen kon, en op wiens gelaat de lust van zijn nieuws te vertellen strijd voerde met de voorzichtigheid, die hem het zwijgen gebood: "wat beduidt al dat gebabbel? Ik zou u de waarheid van al die geruchten haarklein kunnen vertellen: want ik heb zelf.... doch ik wil niet."--Dit zeggende, sloeg hij zich de hand voor den mond.

"Stilte, Mijne Heeren!" zeide een der gasten: "daar is Hare Genade."

De dubbele middeldeur opende zich, en de Gravin Douairière trad binnen in een deftig feestgewaad, haar jonge vriendin aan de hand geleidende en door een vroolijken stoet adellijke en hoffelijke jonkvrouwen gevolgd. Zoowel Mevrouw van Nassau als de aanstaande bruid zagen bleek en betrokken, en haar rood bekreten oogen toonden aan, dat beiden geweend hadden. De Gravin had den nacht slapeloos doorgebracht en onophoudelijk nagedacht over de zonderlinge verschijning der kinderkleertjes, welke haar de Fiskaal had voorgesteld. Het wederzien daarvan had het verledene bij haar teruggeroepen, de treurigste herinneringen opgewekt en haar zelfs bijna geheel ongeschikt gemaakt om aan het feest van den dag die deelneming te schenken, welke zij anders zou betoond hebben.

Wat Ulrica betrof, pijnlijke en kwellende gedachten hadden den slaap van haar sponde doen wijken. Die echt, waartoe zij vrijwillig en ongedwongen haar woord gegeven had, scheen haar, nu het tijdstip der voltrekking er van naderde, verschrikkelijk, ja, noodlottig toe. Zoolang zij nog, door valsche blijken misleid, Joan voor een laaghartigen moordenaar had moeten houden, hadden spijt, verontwaardiging en maagdelijke fierheid haar doen toestemmen in een echtverbintenis met een alom geachten, deftigen en haar liefde volkomen waardigen echtgenoot, gelijk de Baron haar den Ambtman beschreven had, en waarvoor zij dezen ook te goedertrouw bleef houden;--maar thans, nu Joans onschuld bleek, kwamen de waarschuwingen en zijdelingsche wenken, welke haar voedsterbroeder tegen Mom gedaan had, haar met hernieuwd gewicht voor den geest spelen: nu kwam het beeld van hem, die haar twee dagen te voren van een dreigend gevaar verlost had, zich voor haar geest stellen, en het kloppend hart verried maar al te zeer partijdige liefde voor den verwijderden--koele onverschilligheid voor den begunstigden--minnaar. Hevig was Ulrica te moede, toen zij, na een ernstig zelfonderzoek, tot slotsom van haar overdenkingen, inzag, hoe de teederheid voor Joan, wiens beeltenis zij geheel uit haar boezem waande te hebben uitgedelgd, sterker dan ooit te voren was teruggekomen. Alleen de gedachte, dat zij, door den Ambtman te huwen, aan een kinderplicht voldeed, en dat het offer, 't welk zij bracht, Gode welbehaaglijk wezen zou, was in staat geweest, haar het opgewonden gestel tot bedaren te brengen en haar het vaste voornemen te doen opvatten, zich gedurende de verlovingsdagen zoodanig te gedragen, dat haar aanstaande gemaal geen redenen hebben mocht, over haar gedrag ontevreden te zijn.

"Welkom, mijn beminde bruid!" zeide Mom, tot haar toetredende en haar de hand kussende: "doch hoe! gij schijnt geweend te hebben."

"Daar moet gij zoo nauw niet op zien," viel de Baron, die met den Fiskaal binnen was getreden, hem in: "dat doen de meisjes altijd den nacht voor haar verloving, om op den dag zelven des te helderder te kunnen lachen."

"Juist," zeide Bleiswyk: "en hoe zouden wij anders bruidstraantjes kunnen schenken?"

"De heer Fiskaal deelt ons een slechte tijding mede," zeide de Baron, zich tot de Gravin wendende: "de Prinsen komen niet!"

"Wat heb ik gezegd?" vroegen nu de nieuwsvertellers zachtjes: ofschoon zij eigenlijk niets gezegd hadden.

"Is de reden, waarom Hun Hoogheden niet komen, aan den Heer Fiskaal bewust?" vroeg Mom, naar hem toetredende.

"Die zal zich misschien nader ontwikkelen," zeide Van Kinschot met een koele buiging: "Heer van Bleiswyk! een woord als 't u belieft."

"Tot UEd. dienst," zeide deze, met hem ter zijde gaande.

"Gij spreekt geen woord over al wat er dezen nacht is voorgevallen," beet hem de Fiskaal in 't oor: "of het zal u duur te staan komen."

"Wilt gij het geld voor de verbeurde boete?" zeide de Jonker halfluid, terwijl hij lachende een goudbeurs voor den dag haalde: "doch er zijn er meer, die haar verbeurd hebben, door op de bijeenk...."

"Zwijg!" viel hem de Fiskaal op een strengen toon in de rede: "zwijg ongelukkige spotter! het kon u slechts goud, doch anderen kan het den kop kosten. Wees voorzichtig, of...."--Hier hield hij den vinger dreigend op, en een buiging in 't rond gemaakt hebbende, wilde hij vertrekken.

"Een oogenblik, Mijnheer Van Kinschot!" zeide de Gravin, hem terughoudende: "die gevangene, waarvan UEd. mij gisteravond gesproken heeft.... de Pleegzoon van den Heer Baron...."

"Vergeef mij," zeide Van Kinschot: "doch ik heb bezigheden, welke mij een langer vertoeven verbieden. Ik zal nader de eer hebben," vervolgde hij met een veelbeteekenenden blik, "mijn gelukwenschingen aan den Heer Baron te komen doen."--Dit zeggende nam hij zijn afscheid.

"Wat heeft dit alles toch te beduiden?" zeide een der aanwezigen: "de Fiskaal is zoo raadselachtig."

"Hij heeft dezen nacht slecht geslapen," zeide Bleiswyk: "doch mondje dicht: ik moet zijn bevel niet vergeten."

Op dit oogenblik trad Bouke de kamer in.

"Alweer wat anders!" zeide deze: "ja! ja! groote visschen springen uit den ketel! 't vogelken is ontsnapt!"

"Ontsnapt!" herhaalde de Baron verbaasd. "Is Joan...."

"Nergens te vinden!" vervolgde Bouke: "ja! het is tegenwoordig een kunst van belang om een gevangene te houden;.... maar dat is nog niets! er is mij daar op straat nog iemand op zij gekomen, die hier ook op 't feest moet wezen;.... doch laat ik maar zwijgen; hij zal gauw genoeg komen."

"Wien bedoelt gij?" vroeg de Baron, rondziende: "al de gasten die wij verwachten, zijn gekomen."

"Nu! nu!" zeide Bouke: "late haver komt ook op: hoe later op den dag, hoe schooner volk: 't einde zal den last dragen."

"O! het is onze Notaris!" zeide de Gravin, die den Practicus de zaal met een deftigen stap zag binnentreden.

"Jawel morgen de Notaris," zeide Bouke meesmuilende: "doch ik zwijg; maar zij zullen staan te kijken, geloof ik!" Dit zeggende, verliet hij opnieuw het vertrek.

"Kom!" zeide Reede: "laat ons nu aan niets anders denken dan aan de plechtigheid van het oogenblik. Wij moeten den Heer Notaris niet laten wachten."

"Een aangenaam woord," zeide Mom, toetredende, en zijn bruid, wier bleekheid in dit oogenblik nog vermeerderd was, naar de tafel geleidende, waaraan zich de Notaris geplaatst had: "ja waarlijk, thans moeten ons alleen gelukkige gedachten bezig houden."

Nadat de aanstaanden, de Gravin, de Baron en de gasten hadden plaats genomen, begon de Notaris met de noodige deftigheid het huwelijkscontract voor te lezen; doch nauwelijks was hij aan de gewone clausule gekomen: "met wederzijdsche toestemming van ouders en bloedverwanten," of iemand trad de zaal binnen en zeide, met een zachte, doch doordringende stem: "ik heb de mijne nog niet gegeven."

"Wie? wat? wat is dat?" riepen al de aanwezigen als uit éénen mond, en zagen naar de deur, waarin een grijsaard stond, door Bouke binnengeleid.

"Ik Godard van Reede van Sonheuvel," hernam de onbekende, "heb mijn toestemming niet gegeven tot het huwelijk van Jonkheer Jacob Mom met Jonkvrouwe Ulrica van Reede tot Sonheuvel, mijn kleindochter."

"Met welk recht....?" riep Mom, driftig opspringende; doch zoodra hij in den nadertredenden grijsaard Vader Ambrosius herkende, trad hij ontzet achteruit.

"Met uw verlof, oom!" zeide de Baron, terwijl hij wrevelig den brief uit den zak haalde, dien hem de Vicaris geschreven had: "vervat dit stuk papier uw toestemming niet?"

"Die was slechts voorwaardelijk," hernam de Vicaris: "indien de Ambtman zich geschikt achtte om mijn pleegdochter gelukkig te maken."

"Welnu? en dit heeft hij plechtig beloofd," zeide Reede.

"Beloofd?" herhaalde Vader Ambrosius: "Heer Ambtman! durft gij in mijn tegenwoordigheid die belofte herhalen?--Bedenk u wel! en luister naar hetgeen ik u vraag.--Hebt gij het voornemen, van Ulrica's geluk door dezen echt, in _deze_ omstandigheden te bevorderen?"

"Zeker ben ik niet voornemens haar ongelukkig te maken," zeide Mom, met zichtbare verlegenheid.

"Geen omwegen! ik vraag eenvoudig, ja of neen."

"Nu.... ja!" antwoordde Mom.

"Doch kunt gij dit?"' hernam de Vicaris: "zijt gij niet overtuigd, dat dit huwelijk voor haar een bron van ellende zijn zal?"

"Voor den duivel!" riep Mom, door dit ondervragen van de wijs gebracht: "wat meent gij daarmede?"