De Pleegzoon

Chapter 41

Chapter 413,804 wordsPublic domain

"En mijn schande voor de rechtbanken bekend te maken?--Neen, Van Kinschot! deze zaak is tusschen mijn broeder en mij alleen; daarom wilde ik, slechts van u vergezeld, mij gaan overtuigen van de waarheid der bij u ingekomene berichten; daarom ondervroeg ik zelf den brenger van het noodlottige pakket; want hoe kon ik hem voor schuldig houden op de enkele bewijzen der aan hem gerichte brieven?"

"Misschien," zeide Van Kinschot op een weifelenden toon, "had de tegenwoordigheid van Zijne Doorluchtigheid in die vergadering eene zeer billijke reden, die...."

"Paai mij niet met zulke praatjes," zeide Maurits, hem met drift in de rede vallende; "zou hij zich dan openlijk aan die vergadering vertoond hebben, om de gezegden van dien schurk te bevestigen?.... De Hemel gave, dat ik twijfelen mocht."

In dit oogenblik trad de kamerdienaar des Prinsen in en meldde Zijne Doorl. Graaf Frederik Hendrik aan. Een kille huivering beving den Prins; doch, zich spoedig herstellende, gaf hij last zijn broeder te laten bovenkomen, verzocht den Fiskaal, zich in een ander vertrek te begeven, en wachtte toen, niet zonder van angst en droefheid te beven, de komst des Graven af, terwijl hij in zichzelven mompelde: "Zijne Doorluchtigheid! ja, wel doorluchtig! ik zie hem door en door."

Frederik Hendrik trad binnen met dien weifelenden stap, die verbleekte en ontstelde wezenstrekken en die onzekere houding, welke zoowel het kenmerk zijn van den onschuldig betichte, die geen kans ziet om zijn onschuld aan den dag te brengen, als van den overtuigden booswicht: en, in waarheid, nooit had hij zich in zulk een moeilijke, ja gevaarlijke omstandigheid bevonden. De rechter, voor wien hij verschijnen moest, was, wel is waar, zijn broeder, die hem steeds liefde, achting en vertrouwen betoond had; doch die nauwe graad van bloedverwantschap, welke tusschen den klager en den beschuldigde bestond, maakte 's Graven toestand des te beklagenswaardiger, door zijn droefheid te vermeerderen, dat hij een voorwerp van verachting en afschuw in de oogen zijner nauwste betrekking geworden was. Daarenboven kende hij Maurits, die, hoe oprecht en goedhartig van nature, door de omstandigheden, door het bedrog en de vijandschap van hen, die hij als vrienden had aangemerkt en door de menigvuldige tegen hem gesmede aanslagen, opvliegend en achterdochtig geworden was. Wij hebben uit de mededeeling van de inzichten en voornemens, die Frederik Hendrik aan zijn Secretaris gedaan had, gezien, dat deze Vorst, schoon uit edele en onbelangzuchtige beginselen handelende, niet vrij was, van de Remonstranten meer dan eens ondersteund te hebben, somtijds tegen het uitgedrukt verlangen zijns broeders; en thans zag hij duidelijk in, hoe deze handelwijze, welke niet te ontkennen viel, gevoegd bij zijn tegenwoordigheid op de nachtelijke bijeenkomst, de tegen hem opgevatte vermoedens in kracht moest doen toenemen, en hoe bezwaarlijk, zoo niet onmogelijk, een verontschuldiging hem zou vallen. Hij mocht, ja, nog op de liefde, op de toegenegenheid zijns broeders rekenen! doch hij wilde zijn onschuld erkend, niet zijn schuld vergeven zien: en, zoo dit laatste al gebeuren mocht, het eerste scheen hem toe bezwaarlijk te kunnen geschieden.

Toen hij de zaal ingetreden en Maurits eenige stappen genaderd was, bleef hij, ontzet door den strengen en doordringenden blik, welken zijn broeder op hem gevestigd hield, plotseling staan en zag voor zich naar den grond als een arme aangeklaagde, die voor de vierschaar verschijnt, aan welke de uitspraak van zijn lot verbleven is.--Maurits liet hem eenige oogenblikken in die houding staan, alsof hij verwachtte, dat de Graaf het eerst zou spreken: hij hoopte, dat deze, van schuldbesef doordrongen, zich aan zijn voeten werpen en om vergiffenis bidden zou; hiertoe wilde hij hem de gelegenheid laten; doch toen hij zag dat Frederik Hendrik als in den grond genageld staan bleef, vroeg hij met een flauwe en toch ernstige stem: "welnu! wat wilt ge?"

De toon, waarop deze vraag gedaan werd, deed het hart des Graven sidderen als met een electrieken schok. Hij herkende daarin de stem van den gestrengen rechter en tevens die van den diep gewonden broeder. Zich niettemin met moed wapenende, richtte hij het naar den grond gebogen voorhoofd op en zeide met een afgebrokene stem, welke de onrust zijner ziel aanduidde: "gij hebt mij bescheiden, Maurits!"

"En is dat de reden uwer komst?" vroeg Maurits, met hevigheid losberstende: "en zoo ik u niet bescheiden had, zoudt gij dan niet gekomen zijn?--Dan heb ik u niet noodig."

"Maurits!" zeide de Graaf, naar zijn broeder toetredende en de beweging makende, alsof hij zijn handen wilde vatten: "zoo moeten wij niet tot elkander spreken."

"Terug!" zeide de Prins, zijn stoel achteruitschuivende: "geen stap verder! Ik wil u niet in de gelegenheid stellen, een broedermoord te kunnen begaan."

"Almachtige God!" riep Frederik Hendrik met ijzing uit: "wie kon u zulke denkbeelden van mij inboezemen?"

"Wie?--uw gedrag:--hij, die zoo diep ontaard is, dat hij, met den huichelachtigen lach der onschuld op het wezen, zijn broeder, zijn vorst misleiden kan, zijn Godsdienst verloochenen, zijn vaderland verraden en met snoode dienaars en schelmen heulen, is even goed tot een broedermoord in staat."

"Maurits!" zeide met nadruk de Graaf, in wiens gemoed de verontwaardiging over zulk een opeenstapeling van onverdiende betichtingen de overhand nam boven droefheid en angst: "durft gij uws vaders zoon van zulke boosheden verdenken?"

"Ik verdenk u niet meer," antwoordde de Prins met een verachtenden glimlach: "dat deed ik dezen morgen: waar de zekerheid bestaat, houden de vermoedens op."

"Gij zult mij dan onverhoord verwijzen?" vroeg Frederik Hendrik; "gij zult mij, uw broeder, die billijkheid weigeren, die gij den laagsten booswicht niet ontzeggen zoudt?--Is dat de rechtvaardigheid, waarop Maurits roem durft dragen?"

"Ik luister," zeide Maurits: "wat hebt gij tot uw verschooning in te brengen?"

"Ik dien eerst te weten waarvan ik beticht worde," antwoordde zijn broeder met de fierheid van een rein geweten.

"Ellendige!" riep Maurits, vol gramschap opspringende;--doch spoedig de verloren zelfbeheersching terugnemende, vervolgde hij op een zachteren, ofschoon bitteren toon: "doch gij hebt gelijk; men moet u niet van den aard uwer schuld onbewust laten.--Dan, waarmede zullen wij beginnen? de bezwaren zijn zoovele in getal."--Hier zweeg hij, bezig met te overdenken, op welke wijze hij het best in de ziel zijns broeders grijpen kon.

"Ik ben gereed alles op te helderen," zeide Frederik Hendrik.

"Hebt gij," vroeg eensklaps zijn broeder, "de vrouw van Bysterus niet met geld ondersteund?"

"En sedert wanneer," vroeg de Graaf op zijn beurt, "kan een aalmoes iemand tot misdrijf worden aangerekend?"

"Bewimpel uwe gedragingen niet met den mantel van godsvrucht," zeide de Prins: "gij hebt haar niet alleen, maar honderd anderen van haar sekte, ja zelfs bannelingen en door de wet veroordeelden met raad en daad bijgestaan. De bewijzen hiervan zijn in mijn handen. Had uw medelijdend hart alleen u daartoe vervoerd, ik zou mij wachten u deswege een verwijt te doen hooren: alleen zou ik u in dit geval tegen de gevolgen waarschuwen; doch de wijze, waarop de weldaden, of liever die giften en raadgevingen zijn uitgedeeld, maken uw gedrag strafwaardig en toonen genoegzaam aan, dat zucht om scheuring te verwekken en oproer aan te hitsen uw eenige bedoeling was."

"God kent mijn hart en de reinheid mijner oogmerken," zeide de Graaf, terwijl hij de oogen ten hemel sloeg en de hand op zijn hart legde.

"En uw komst op de Arminiaansche vergadering, was die ook door een rein oogmerk bestuurd?" vervolgde Maurits, zich op de lippen van gramschap bijtende.

"Mijn tegenwoordigheid aldaar," hernam zijn broeder, "was een dwaasheid en niet meer.--Ik was gewaarschuwd, dat op soortgelijke vergaderingen nu en dan door de predikers slechte en oproerige aansporingen tot muiterij aan de broederschap gegeven werden: en ik wilde mij met eigen ooren van de waarheid dier woorden overtuigen en mij verzekeren of ik inderdaad mijn weldaden aan onwaardigen verspild had."

"Gij weet een schoonen glimp aan uw handelingen te geven. Op de vergaderingen te gaan om te zien hoe het aldaar gesteld is!.... Uit loutere nieuwsgierigheid om met eigen ooren te vernemen of.... geef liever geene, dan zulke antwoorden, Mijnheer!"

"Zoo Uwe Hoogheid," hernam Frederik Hendrik met waardigheid, "vooraf besloten heeft, mijn verschooningen niet te willen aannemen, dan acht ik het noodeloos, verdere moeite tot mijn verdediging te doen. Ik had gehoopt, gewaand, dat in den boezem van Uwe Hoogheid nog een broederhart voor mij klopte; doch ik vind alleen een koelen, onbarmhartigen rechter, wien ik, vermits hij onbevoegd is mij als _zoodanig_ te verhooren, geen verder antwoord behoef te geven."

"Frits!" zeide de Prins, zijn stoel haastig naderbij trekkende: "de Hemel weet, dat ik niets liever zou wenschen, dan uw onschuld helder aan het licht te hebben gebracht;--doch antwoord mij, in den naam des Eeuwigen Rechters, voor Wien wij allen eens verschijnen zullen, wat deedt gij in dat Arminianenhol?"

"Ik heb u de waarheid gezegd," antwoordde zijn broeder, "de zuivere, onvervalschte waarheid."

"Frits! Frits!" hernam Maurits, het hoofd op de vlakke hand leunende, en eenige tranen stortende, die van oprechtheid zijns harten getuigden: "hoe kunt gij uw broeder, uw liefhebbenden broeder, aldus behandelen! Waarlijk, ik zag u met meer vermaak aan 't hoofd van een Spaansch leger Den Haag insluiten en mij bevechten, dan dat ik u tot zulke ellendige spreukjes de toevlucht nemen zie. Heb ik niet alles gehoord en gezien? Zijt gij niet midden in de zaal gaan staan om de woorden van een dier schelmen te bevestigen, en aan te toonen, dat gij u werkelijk in die vergadering bevondt?"

"Om den oproerkraaier te logenstraffen en de aanwezigen omtrent mijn bedoelingen uit den waan te brengen," antwoordde de Graaf.

"Waarachtig," zeide Maurits met bitterheid: "ik heb u niet laten uitspreken; 't is waar: men had anders ongetwijfeld wat schoons gehoord."

"Met uw verlof," zeide Frederik Hendrik, in de hoop van de kracht der beschuldiging te verminderen, door haar op zijn broeder te doen terugkaatsen: "waarvan beticht ge mij? Hebt gij zelf niet zoowel als ik die bijeenkomst met uw tegenwoordigheid vereerd?"

Hij deed deze vraag op een half schertsenden, althans gemeenzamen toon, terwijl hij, de tafel, waaraan de Prins gezeten was, naderende, met de eene hand daarop leunde en zijn broeder vriendelijk aanzag: doch zijn vraag had een geheel andere uitwerking dan die, waarmede hij zich gevleid had. De Stadhouder, wanende, dat zijn broeder hem een listigen strik wilde spreiden om hem, naar gelang van zijn antwoord, in zijn eigene woorden te vatten, sprong in losgebarsten gramschap op, evenals een lijder, wien de heelmeester bij het verbinden eener pijnlijke wond, onwillekeurig, met de speld, welke de windsels vast moet hechten, in de gevoelige deelen treft. Zijn gelaat werd purperkleurig: zijn handen beefden als popelbladen en zijn stem geleek aan het rauw geluid des tijgers, die zich in de kuil des jagers begraven vindt.

"Ha, slang!" brulde hij: "is dit uw helsche list? mijn oogmerken mij af te vragen om daardoor de uwe te bedekken! Ja, ik ben daar ook gekomen: ik ben daar, evenals gij, gekomen omdat ik gewaarschuwd was, dat er oproer gepredikt werd, en dat mijn.... broeder er mede deel in had."

"Gij kwaamt dus om mij te bespieden?" vroeg Frederik Hendrik, bedaard achteruittredende: "een ware trek van broederliefde!"

"Beleedigt ge mij nog, verrader!" grauwde Maurits, wiens gramschap nu den hoogsten top bereikt had, hem toe: "sidder voor mijn toorn!" Met het zeggen van deze woorden sloeg hij de rechterhand aan het gevest van zijn degen, terwijl hij de linkervuist ophief en er zijn broeder mede dreigde.

"Maurits!" zeide deze, innig geroerd: "keer tot u zelven."

De Graaf had nog niet uitgesproken, of de woede des Prinsen was reeds bedaard. In de zaal, en recht over de plaats, waar Maurits gezeten had, hing een volkomen gelijkend afbeeldsel van zijn doorluchten vader, den stichter der Nederlandsche vrijheid. De Prins was op het laatst zijns levens uitgeschilderd, en droeg niet de wapenrusting, waarmede hij zich zoo dikwijls aan het hoofd zijner wakkere scharen vertoond had, maar den eenvoudigen huispels, welken hij aanhad, als hij des avonds bij zijn beminde gade en in 't midden zijner waardste panden gezeten was. De kunstenaar had meesterlijk die uitdrukking van reine kalmte des harten, van dankbare tevredenheid en van onwrikbare gelatenheid getroffen, welke op het innemend gelaat van vader Willem te lezen was en de strenge diepzinnigheid des ondoordringbaren staatsmans temperde. Op het oogenblik dat Maurits, door de onstuimige opwelling der gemoedsaandoeningen weggesleept, zijn broeder tegentrad, viel zijn verwilderd oog onwillekeurig op dat afbeeldsel, en hij waande, in dien ernstigen en toch liefderijken blik, in de trekken van den mond, waarin weemoed en gulheid uitgedrukt waren, een stil verwijt te lezen. Het was hem, of zijn vader gereed was, de lippen te openen en hem op een hartroerende wijze over een drift te berispen, die hem de hand tegen zijn broeder deed opheffen: tegen een broeder, wien hij zoo plechtig beloofd had, een getrouw en standvastig vriend en beschermer te strekken. Het hart van Maurits, dat niet alleen

Achilles heldenmoed en kinderlijke oprechtheid

ten toon spreidde, doch ook, als het hart van Achilles, even spoedig tot vergiffenis als tot toorn geneigd was, deed zich op 't zelfde oogenblik een nog grievender verwijt dan 't geen uit 's vaders oogen sprak. Beschaamd trad Maurits terug, bukte het hoofd als een edele windhond doet, wanneer hem zijn meester bestraft heeft, ontgespte zijn degen en liet dien met bandelier en al op den grond vallen, waarna hij zich in zijn stoel wierp en het gelaat in beide handen verborg. Zijn broeder, door dien onverwachten omkeer niet min bewogen dan door de drift waarvan die het gevolg was, trad dadelijk toe en trachtte door vleiende woorden en uitboezemingen vol trouwhartigheid en broederliefde, het ontsteld gemoed des Prinsen weder tot bedaardheid te brengen,

Dan deze, schoon hij op zichzelven ontevreden was, had geenszins de overtuiging van 's Graven verraderij verloren. Zoodra zijn droefheid over de aan den dag gelegde hevigheid bedaard was, keerden al zijn denkbeelden weder tot het punt, waarvan zij waren uitgegaan, de ontrouw zijns broeders. Het hoofd wederom oprichtende, maakte hij met de rechterhand een afwijzende beweging, en wenkte Frederik Hendrik, dat zijn plaats niet bij hem, maar aan het benedeneinde der tafel was. De schouders zuchtend ophalende, hernam de Graaf zijn vorige plaats.

"Gij misduidt mij," zeide Maurits, "zoo gij denkt, dat mijn ontroering aanduidde, dat mij uw veinzerij had verblind. Zoo ik op mijzelven toornig ben, het is, omdat ik mij zooverre liet vervoeren, dat ik een ambt ging verrichten, hetwelk alleen den scherprechter toekomt."

"Ongelukkige!" hernam de Graaf: "ik beklaag u, zoo gij er berouw over kunt gevoelen van een oogenblik naar de stem van natuur en menschelijkheid te hebben geluisterd."

"Frits!" riep de Prins, terwijl de tranen hem langs de kaken stroomden; "denkt gij dan in ernst, dat het mij niets zou kosten, mijn broeder, wien ik van zijn kindsheid af bemind en verzorgd heb, als een staatsverrader aan de geschonden wetten prijs te geven? Bloed zal ik schreien; doch ik zal rechtvaardig zijn:--hoor, Frits! weet gij wat het is, rechtvaardig te _moeten_ wezen? hebt gij, als ik, u ooit in de omstandigheid bevonden, dat de veiligheid, het belang, ja, het geheele welzijn van dit arme volk het vorderen, een ouden Staatsdienaar, een grijsaard, die met den voet in 't graf stond, een man, die oneindige diensten aan mij en aan het Gemeenebest bewezen had, en die, ter dood veroordeeld, geen genade vragen wilde, te _moeten_ overgeven aan de wraak dier gehoonde wet? Weet gij, wat het zegt, een wel verdienden en met moeite verkregen roem van rechtvaardigheid te hebben opgeofferd om der rechtvaardigheid wille?--Ik heb het vonnis van Oldenbarneveldt bekrachtigd, omdat hij schuldig was: ik heb het bekrachtigd, omdat ik hem haatte, den ouden heerschzuchtige! ik zou het evenzeer bekrachtigd hebben al had ik hem liefgehad. Nu weet ik dat men binnens- en buitenslands mij van wreedheid, van ondankbaarheid beschuldigt: dat het niet altijd billijk nageslacht, op de daad meer dan op de drijfveeren lettende, mijne vijanden na zal praten, en, zich vermetel als rechter mijner daden opwerpende, in mijn grootste zelfopoffering niets dan zelfbelang en vuige staatzucht zien zal. Ik weet dit: nog meer: ik wist dit alles, toen ik schreiend het doodsbevel onderteekende: en echter, ik heb de zorg voor mijn roem, voor mijn eer bij de nakomelingschap, laten varen, en alleen het belang des lands en de handhaving der wet geraadpleegd. Thans, oordeel over mijn tegenwoordigen toestand! nu ik u, die mij dierbaar zijt, oneindig schuldiger vind, dan de Advocaat geweest is. Overweeg nu, welk een vreeselijke taak uw handelingen mij voorschrijven en of ik gronden heb om mij diep ongelukkig te noemen! Want, zoo ik toen rechtvaardig was, toen het mijn vijand gold, ik zal het ook heden zijn nu het mijn broeder gelden moet."

Vermoeid van deze rede, welke hij met een krachtige stem had uitgebracht, zweeg de Prins en zag zijn broeder aan, om den indruk gade te slaan, welken zijn taal op hem had teweeggebracht.

"Ik weet, dat gij rechtvaardig zijt," zeide Frederik Hendrik, na eenige oogenblikken zwijgens: "en daarom verwondert het mij, dat gij, alleen wegens een geldelijken onderstand, aan ongelukkigen uitgereikt, en wegens eene, ik herhaal het, geheel onschuldige bijwoning van een Arminiaansche vergadering, mij van hoogverraad beticht."

Hier zag de Stadhouder hem eerst met eenige verwondering en vervolgens met zulke scherpe blikken aan, alsof hij de verborgenste kuilen zijns harten doorschouwen wilde. "Frits!" zeide hij ten laatste: "gij zijt òf de miskende onnoozelheid in persoon, òf de grootste huichelaar die ooit bestaan heeft:--hebt gij u dan niets anders te verwijten dan hetgeen gij daar opnoemt? Hoegenaamd niets?"

"Tegen u en den Staat?--Hoegenaamd niets."

"Niets?" herhaalde Maurits: "welaan, wij zullen zien:--Heer Fiskaal! wees zoo goed eens binnen te komen." Dit zeggende, stond hij op en sloeg met de gesloten vuist ongeduldig op de tafel. Op het oogenblik trad de Fiskaal binnen; doch bleef eerbiedig in de deur staan.

"Heer Fiskaal!" vervolgde de Prins: "haal mij eens al die processale stukken hier.--Gij weet immers wat ik bedoel?"

Van Kinschot maakte een buiging en vertrok. Gedurende zijn afwezigheid liep Maurits met groote stappen en zichtbare blijken van ongedurigheid de zaal op en neder, terwijl zijn broeder, met gevouwen handen en gesloten oogen, in een biddende houding staan bleef.

"Ja!" zeide Maurits, toen Frederik Hendrik zijn gebed, zoo 't scheen voleindigd had, "gij zoudt ook wel, geloof ik, als _vetter_ Lodewijk, een bedevaart naar Scherpenheuvel doen, zoo ge uit dit pas gered waart; doch dat is niet genoeg," vervolgde hij, zich op het hart slaande: "men moet Scherpenheuvel hier hebben."

Van Kinschot keerde terug, beladen met een pakket brieven; na deze, zonder spreken, op de tafel gelegd te hebben, boog hij zich en verliet de zaal.

"Nu, Frits!" zeide Maurits: "neem plaats: wij zullen dit pakket eens gezamenlijk doorloopen: neem maar den eersten brief den besten en lees hem: gij zult er mij naderhand uw gedachten over zeggen."

De Graaf nam een der brieven op en leide dien, na gedane lezing, stilzwijgend naast zich neder: hij was van Uyttenbogaert, en de Predikant bedankte hem daarin voor ettelijke diensten, aan de Remonstranten bewezen: een volgende was van De Groot, die zijn huisvrouw aan de bescherming Zijner Doorl. aanbeval, en tevens, evenals Uyttenbogaert, 's Graven raad vroeg over de aanbiedingen, vanwege den koning van Spanje gedaan: na het lezen van dezen zag Frederik Hendrik den Prins met vragende oogen aan.

"Lees verder, Frits! lees verder!" zeide Maurits, hem een derden brief voorleggende.

Frederik Hendrik opende dien;--doch nauwelijks had hij eenige regelen gelezen, of zijn kleur verschoot en een hevige verontwaardiging kleurde zijn voorhoofd.

"Aha! de brief van Grobbendonck!" zeide Maurits! over zijns broeders schouder heen ziende: "welnu! wat zegt gij?"

Grobbendonck verzocht in dezen brief, die in antwoord op een missive des Graven geschreven scheen, aan Frederik Hendrik, dat deze, ingevolge zijn belofte, zorg zou dragen, dat zekere Staatsche Kapiteins (die hij noemde en welke hij deed voorkomen, als aan Spanje verkocht) in de grenssteden gezet werden, opdat zij, na een schijnbare tegenweer, die aan den vijand mochten overleveren: verder vernam hij, of de Remonstranten, volgens afspraak, gereed waren tot den voorgenomen opstand; hij eindigde, met Z. Doorl. van de toegenegenheid van den Hove van Spanje te verzekeren, hetwelk hem, als de omkeer van zaken gelukkig tot stand gebracht was, het Stadhouderschap zou opdragen, benevens een zwaar pensioen en andere voorrechten.

"Ik zeg," antwoordde Frederik Hendrik op de vraag zijns broeders, dat die afschuwelijke brief niets tegen mij bewijst: dat de vijand zoo iets uitdenkt om mijn trouw verdacht te maken, laat zich lichtelijk beseffen; dat is meer gebeurd: doch dat mijn broeder aan zulk bedrog geloof hecht, bevreemdt mij:--let eens op, dat in dit geschrift juist uw getrouwste legerhoofden genoemd worden."

"Denkt gij," zeide Maurits, hem scherp aanziende, "denkt gij waarlijk, dat dezen mijn getrouwste legerhoofden zijn?--Doch lees verder."

De volgende brieven, door andere voorname Spaansche oversten onderteekend, luidden in denzelfden toon als die van Grobbendonck, en gaven aanleiding tot soortgelijke aanmerkingen van weerszijden.

"Ik wilde maar," zeide eindelijk de Graaf, dat men in plaats van al het _aan_ mij geschrevene, iets _door_ mij geschreven kon voor den dag brengen: dat zou een weinig meer afdoen om mijn schuld te bewijzen."

"Het grieft mij," hernam de Prins, "dat ik aan uw onvoorzichtigen wensch voldoen kan." Dit zeggende, reikte hij den Graaf een anderen brief toe, welke niet in het pakket van Joan gevonden, maar den Fiskaal op een andere wijze in de hand gespeeld was. Hij was in cijfers geschreven, door Frederik Hendrik zelven onderteekend, met zijn bijzonder zegel bekrachtigd en aan den Kanselier Pekkius gericht.

"Ik weet niet wat die teekens beduiden," zeide de Graaf: "doch dit weet ik, dat mijn handteekening is nagemaakt: want ik draag aan dit prulschrift geen kennis."

"Fijn uitgedacht!" zeide Maurits: "het ééne is niet door Z. D. geschreven en van het andere draagt Z. D. geen kennis. Wij zullen er maar niet verder over spreken. Onverhoord zal ik u niet veroordeelen, wees daar verzekerd van; doch ik wil u tijd geven, om een weinig nader te peinzen over het uitvinden van betere verontschuldigingen dan deze. Gij ziet intusschen, dat mijn argwaan niet zoo geheel op losse gronden steunde, als gij wel gedacht en gewenscht hadt."

"Ik zie," zeide Frederik Hendrik, "dat ik het slachtoffer ben van een verfoeilijk bedrog."

"'t Is wel," hernam de Prins: "wij zullen dit nader onderzoeken, Van Kinschot! kom binnen!"

De Fiskaal verscheen.

"Zijn de wachten aan het Hof afgelost?"

"Dat kan niet lang meer duren," antwoordde Van Kinschot: "het is reeds klaar dag."

"Zeer goed: de nieuwe wacht weet niet, wie zich hier bevindt. Zeg aan den wachthebbenden officier, dat hij een gevangene te bewaken zal hebben, voor wien nauwkeurig zorg zal moeten gedragen worden.--Graaf! geef mij uw degen: ik zal zelf uw stokbewaarder zijn:--uw kerker, de naaste kamer."

Frederik Hendrik reikte hem, zonder een woord te spreken zijn degen.

"Is het rijtuig van Zijn Doorluchtigheid nog beneden?" vervolgde Maurits, zich tot Van Kinschot wendende.