Chapter 39
De Predikant beloofde, dat hij den volgenden dag reeds zich bij den Baron zou aanmelden, om de vereischte ophelderingen te geven omtrent een punt, dat hem zoo diep getroffen had. Kort daarop kwam de stokbewaarder en gaf hem te kennen, dat zijn bezoek volgens de voorschriften van het gevangenhuis niet langer duren mocht.
"Vaartwel dan, mijn kinderen!" zeide de vrome man, de beide jongelingen omhelzende.
"God schenke u kracht in uw beproevingen: op morgen ziet gij mij niet weder! want er staat mij een gewichtig werk te doen, waar ik u eerst na den uitslag kennis van zal mogen geven. Ik hoop, dat ik den dag des Heeren niet ontwijden zal, door er eenige uren aan te besteden: want daar staat geschreven, dat men wèl moet doen ook op den Sabbat." Met deze woorden liet hij de beide vrienden, na een herhaald en aandoenlijk afscheid, alleen; terwijl hij zich naar den Predikant Lamotius begaf, bij wien hij gedurende zijn verblijf te 's-Hage huisvesting genoot.
Na zijn vertrek viel er niets vermeldingswaardig meer in de gevangenis voor: Joan en Hendrik bleven laat zitten praten en gingen eindelijk welgemoed ter ruste. Wij zullen hen voor een wijl in hun kerker laten, om onzen ouden vriend, den Baron Van Sonheuvel, te bezoeken, die met zijn dochter en gevolg zijn intrek bij de Gravin van Nassau had genomen.
De dag, die op Joans gevangenneming volgde, was, gelijk Raesfelt had aangemerkt, een Zondag. Na den afloop der kerktijden, zat de Baron, daar het weder regenachtig was en hem het wandelen door de stad niet behaagde, in de door hem betrokkene kamer met zijn getrouwen Bouke te praten.
"Ziezoo!" zeide deze: "aan alle dingen komt een eind. Morgen zal dan de verlovingsdag zijn. De booien hier wenschen al, dat het twaalf uren in den nacht ware."
"En dat waarom?" vroeg hem de Baron.
"Wel! dan was de Sabbat om, en zij zouden kunnen beginnen om het huis onderstboven te keeren en overal bloemkransen, eerepoorten, festoenen en loovertakken te plaatsen."
"Ik wou ook dat ik het al zag," zeide Reede: "Ik weet niet wat er aan hapert, maar ik ben niet op mijn gemak. Die satansche brief maalt mij door 't hoofd. Toen ik hem kreeg, vond ik hem zeer duidelijk, en nu begrijp ik er geen stom woord van."
"Welke brief is het, die UEd. kwelt?'"
"Weet je dat niet?--Ja, 't is waar, ik heb je niet verteld, dat ik door middel van den Ambtman, die hem bezorgd heeft, een epistel aan wijlen mijn vrouws vader, mijn oom, den Priester geschreven heb om zijn toestemming tot Ulrica's huwelijk."
"Welnu?"
"Welnu! daar is antwoord op gekomen, nu ruim veertien dagen geleden: ik heb den brief bij mij: luister eens hoe het klinkt:
""Mijn waarde neef!
Indien ik, door mijn goed- of afkeuring te schenken aan het huwelijk uwer dochter geacht moest worden een mij van nature toekomend recht te vervullen, zoo zou ik weigeren mijn stem ten deze uit te brengen; want de banden des vleesches, welke mij aan u en de uwen hechtten, zijn verbroken en te niet gegaan, sedert ik den geestelijken staat omhelsd heb. Doch vermits het, gelijk ik het uit uw missive verneme, de uiterste begeerte van Ulrica's stervende moeder geweest is, dat zij niet dan met mijn toestemming huwen zoude, en ik derhalve niet als bloedverwant, maar krachtens beschikking der overledene mij voor of tegen haar echt verklare, zoo meen ik mij daartoe gerechtigd te kunnen houden.--Ik, Ambrosius, Groot-Vicaris van den Heiligen Stoel in de Nederlanden, verklare bij deze, dat, indien Jonkheer Jacobus Mom, Ambtman in Maas en Waal, zich geschikt acht om Jonkvrouwe Ulrica Van Reede tot Sonheuvel gelukkig te maken, en indien gezegde Jonkvrouwe Ulrica met haar vrijen wil gezegden Jonkheer J. Mom tot man wil aannemen, ik mij geenszins tegen hun huwelijk verzet; maar daaraan mijn volle toestemming verleene, mits de verloving niet vroeger plaats hebbe dan op Maandag den 28sten Juni des jaars 1621.
_Ambrosius_, Gr.-Vicaris.""
"Welnu! wat zegt ge van dat duidelijke stuk?" vroeg de Baron, na het ten einde gelezen te hebben.
"Had UEd. mij dat eerder laten lezen," antwoordde Bouke, het hoofd schuddende, "ik zou er nogal reden in gevonden hebben, om dat huwelijk vooreerst niet te laten doorgaan."
"Zoo?"
"Wel ja! want UEd. kan toch niet ontkennen, dat de Ambtman, al is hij nog zoo een best braaf man, toch niet best geschikt is om een vrouw gelukkig te maken: en ten tweede (behalve dat het Paapsch is om van een vrijen wil te praten) zoo geloof ik, dat, als dat malle stuk schrift van Joan niet gevonden ware, freule Ulrica liever op haar bloote voeten van hier naar Sonheuvel ware geloopen, dan haar hand te geven aan al de ambtlieden van de wereld."
"Zwijg Bouke! en spreek van dien schavuit niet meer, die nog al zoo onbeschaamd is, zich op licht-klaren dag hier in Den Haag voor onze oogen te vertoonen, op een plaats, die zoo vol menschen is als deze."
"Neem het mij niet kwalijk, Heer Baron! Ik kan het maar niet verduwen, dat UEd. dien armen jongen zoo hard behandelt! wat weergaas, dat hij zich hier vertoont is een bewijs, dat hij het licht niet schroomt. Als hij zoo groote schuld had, kwam hij niet waar menschen zijn. Steek uw vinger in de aard, zie in wat land ge zijt: 't beste brood leit men op 't venster en er vliegen geen uilen bij valken."
"Zot! zou hij niet op Sonheuvel zijn gebleven, indien hij geen kwade consciëntie had bezeten? Zou hij dien vervloekten Jezuïet wel verlost hebben, indien zij geen maatjes waren geweest?"
"Praatjes! dat hij hem verlost heeft is nog zoo zeker niet. UEd. weet, dat Teun Wezer dien nacht ook op het slot is geweest en sinds nooit weer voor den dag is gekomen: de ekster kan haar hippelen niet laten! lam! lam! is des wolfs vesperklok: eens een strooper, altijd een strooper, en al is hij mijn neef, zoo houd ik hem toch voor een groote schoelje--en wat betreft, dat Joan weggereisd is, zonder boe en ba te zeggen,--Dominee zegt immers zelf, dat hij niets anders doen kon, omdat hij u voor den moordenaar zijns vaders hield."
"Ei wat! Dominee weet op dat stuk niet wat hij zegt: de schuld van den jongen is zonneklaar: hij zit immers nu alweer achter de tralies: ik denk hem er niet vandaan te halen.... en dan zoo een lafbek! heeft hij wel eens op de plaats, waar hem de Heer Van Botbergen wachtte, durven verschijnen?"
"Dat was wel deugdelijk zijn voornemen, toen hij naar het Lischboschje ging."
"Dat maakte hij jou en de ganzen wijs; maar hij loog door zijn ziel: want Botbergen had hem op een andere plaats bescheiden, waar hij den ganschen dag vruchteloos op hem gewacht heeft."
"Een knapuiltje van Botbergen, daar UEd. geen geloof aan slaan moet. Heeft die pochhans zich gisteren wel eens bij den Hofbeer durven vertoonen, omdat hij bang was, dat de Koning van Bohemen. hem zien zou, ofschoon de heele Koning van Bohemen met een blaas met boonen is weg te krijgen."
"Wat leuter je toch? Is de gansche wereld niet overtuigd, dat Joan een schelm en een lafbek is?"
"De gansche wereld is niet overtuigd; want _ik_ geloof het niet, en Dominee en de Freule ook niet: dat heb ik gisteren gemerkt, toen zij van het Hof terugkwam."
"Zoo! waar heb je dat aan gezien?"
"Tut! tut! Heer Baron! men ziet aan 't been wel, waar de hoos gescheurd is; had ze geen rood bekreten oogen en bleeke wangen toen zij van Joan sprak? en heeft de Ambtman wel een zoet woordje van haar gekregen?"
"Kom! kom! gekheid!"
"Ik wil wedden, Heer Baron! dat als ik naar hem toeging en zeide: Jonker! de oude Heer heeft berouw over zijn drift en...."
"Ik er berouw over hebben?--Ge raast, Bouke!"
"En wil u gaarne eens weder zien: en, zoo hij uw vader heeft doodgeslagen, dat was in een wettigen strijd.--En als hij dan hier kwam...."
"Hij zal hier wel vandaan blijven," zeide de Baron: "zit hij niet in een kast daar hij niet zoo licht uit kan raken?"
"En als hij dan hier kwam," vervolgde Bouke, zonder zich aan zijns meesters gezegden te storen, "en voor UEd. stond met de tranen in de oogen en dat vriendelijk, innemend gelaat, dat hij altoos gehad heeft, en tot UEd. zeide...."
"Hij zou den bek wel houden!--Is de kerel dol?"
"En tot UEd. zeide: Mijnheer Van Sonheuvel! ik heb UEd. altijd geëerd en liefgehad en ben uw achting nooit onwaardig geweest: en die anders spreken zijn schelmen: en als hij zich dan voor UEd. nederwierp en...."
"Het zal nimmer zoover komen," zeide Reede, zich met zijn stoel omdraaiende.
"En UEd. de hand kuste en die met heete tranen bevochtigde.... wat zou UEd. dan doen?"
"Dan zou ik.... dan zou ik.... maar dat zal nimmer gebeuren?"
"Dan zou UEd. de armen om zijn hals slaan, Heer Baron! en tegen hem zeggen: knaap, laten wij alles vergeten en vergeven, en weder als voorheen leven gelijk vader en zoon."
De Baron rees op zonder een woord te spreken en liep eenige reizen het vertrek op en neder, terwijl zijn gelaat duidelijk blijken droeg van een gemoedsstrijd, die in zijn binnenste kampte.
"Maar die satansche brief!" zeide hij eindelijk, stilstaande.
"Aha!" zeide Bouke: "die brief! ja dien heeft hij geschreven, dat kan niemand loochenen!"
"Welnu?--En levert die geen genoegzaam bewijs op?"
"Als hij in zijn geheel werd gelezen dan misschien!"
"Ja! wie kan hem in zijn geheel doen lezen?"
"Dat kan ik," zeide Bouke met een zegevierenden blik, en haalde twee stukjes papier voor den dag.
"Wat zijn dat?" vroeg de Baron, een daarvan haastig opnemende: "is dat niet Joans hand en hoe kom je daaraan?"
"Dat zal ik UEd. zeggen; straks, toen UEd. aan 't kuieren was, is Dominee hier geweest. Die heeft Joan in zijn gevangenis bezocht en zijn zoon ook, die er voor Arminianerij zit."
"Zijn zoon? Die arme Hendrik! ik beklaag hem."
"Ik ook; maar dat doet niets ter zake: toen Dominee het hoorde, dat UEd. er niet was, zei hij, dat het hem bijzonder leed deed, omdat hij niet wachten kon; want hij had nog druk werk: en toen vroeg hij mij, om u deze stukjes te geven, die naar zijn zeggen, bij den gevonden brief behooren."
"Dan kunnen wij terstond den ganschen inhoud weten," zeide de Baron, en haalde het fragment voor den dag, hetwelk in Joans kamer op Sonheuvel gevonden was. De stukken, welke Dominee had medegebracht, werden aan weerskanten gelegd en leverden te zamen een geheel op, van den volgenden inhoud:
"Het bewijs uwer nooit volprezen goedheid, dat ge mij heden deedt toekomen, heeft mij ten minste van een smart verlost, door mij de zekerheid te geven, dat uw e dele boezem aan de zoo ongerijmde als onverdien de beschuldiging en, welke tegen mij worden ingebracht, alle geloof blijft wei geren. Neen, mijn Ulrica! hij, die den naam van uw vriend verdienen mocht, hij is nog ten volle uwer waardig. Misschien zal het mij in het eerst bezwaarlijk vallen aan den waarden Heer Baron de vermoedens te ont nemen; doch houd u des verz ekerd, de tijd zal mij rechtvaardigen, en den sluier doen vallen, die mijn handelingen nog bedekken moet, en aan de geheele wereld toonen, dat de Heer Van Sonheuvel in mij geenszins zijn vijand, veelmin zijn moordenaar heeft grootgebracht.
geheel de uwe J."
"Wat drommel!" riep Reede, na gelezen te hebben, "dat briefje luidt aan Ulrica. Wat hebben wij daarmede noodig?"
"Is dat de toon van een schelm?" vroeg Bouke.
"Ik weet niet," zeide de Baron: "doch wat doet hij aan Ulrica te schrijven?"
"Wel kijk! heeft hij niet honderdmalen aan de Freule geschreven? Is dat zijn eenigste kwaad? Heer Baron! wie een hond wil slaan, vindt licht een stok: maar ik begin waarachtig te gelooven, dat UEd. lust hebt, een stok te vinden."
"Zwijg Bouke!.... weet je wat,--morgen komt Zijne Hoogheid hier; dan zal ik, dat beloof ik u, over Joan spreken: en heeft hij geen schuld, dan zal hem alles dubbel en dwars vergoed worden."
Terwijl hij sprak, trad een der dienaars der gravin binnen, en zeide hem dat de Heer Fiskaal Van Kinschot bij Mevrouw Douairière was en op ZEd. wachtte.
"De Fiskaal!" zeide Reede, terwijl hij den bediende volgde: "wat moet die?.... aha! nu begrijp ik het.... hij zal mij over Joan komen ondervragen."
Op deze wijze bij zichzelf mompelende, trad hij in het zijvertrek, waarin de Douairière met den Fiskaal nederzaten.
"Mijnheer Van Sonheuvel!" riep deze: "ik ben zoo vrij geweest, mij bij Mevrouw de Gravin te laten aanmelden, om haar zoowel als UEd. te vragen, of UEd. ook kennis dragen aan eenige voorwerpen, gevonden bij zekeren jongeling, onder den naam van Joan door UEd., Heer Baron, op den huize Sonheuvel grootgebracht."--Dit zeggende leide hij een pak op de tafel en opende het.
"Dezen ketting," vervolgde hij, "beweert gemelde jongeling van Mevrouw de Gravin te hebben ontvangen."
"Ik herken die," zeide de Gravin: "zij was het loon voor den gewichtigen dienst, dien hij mij, nog een knaap zijnde, bewezen heeft."
"En deze kinderkleeren,".... vervolgde Van Kinschot.
"O! die herken ik," zeide Reede: "het is het pakje, dat hij aanhad, toen ik hem vond. Hij neemt het altoos met zich, even alsof hem dat wat helpen zou."
"Ik herken het fatsoen," zeide de Gravin, terwijl een traan in haar oogen blonk. "Juist zulke kleedertjes droegen de kinderen in dien tijd. Mijn kleine Ulrich had een soortgelijk jurkje.... Is het mij vergund?" Dit zeggende, nam zij het pakje op, ontrolde het, bekeek het eerst met belangstelling, vervolgens met aandacht en eindelijk met een scherpe nauwkeurigheid.
"Indien Mevrouw het pakje nog wat houden wil," zeide de Fiskaal, "zoo heb ik er niets tegen. De Justitie stelt er geen verder belang in, het kan dus aan den eigenaar worden teruggegeven. UEd. zal mij verschoonen, indien ik thans van hier moet vertrekken. Ik heb hedenavond nog zaken te verrichten, welke geen uitstel kunnen lijden."
"Mijn God! wat is dat? wat scheelt Mevrouw?" riep de Baron eensklaps verschrikt uit.
De Gravin had het jurkje uit haar handen laten vallen: een doodelijke bleekheid had zich over haar gelaat verspreid en zij was bewusteloos in haar stoel gezegen.
Op het gefluit en geroep van den Baron schoten de ontstelde huisgenooten toe: het duurde niet lang, of de Gravin kwam weder bij haar zelve.
"Om Gods wil!" waren haar eerste woorden: "waar is die knaap? hoe komt hij aan dat jurkje?"
"Die knaap zit in de gevangenis, Mevrouw," zeide de Baron.
"Dan wil ik terstond naar die gevangenis toe. Laat Feurich dadelijk inspannen, en...."
"Mevrouw! men laat niemand bij de gevangenen," hernam Reede: "zonder verlof van den Fiskaal, en die is zoo aanstonds vertrokken, mij verzoekende, UEd. zijn verontschuldiging...."
"Om 't even! dan wil ik naar den Fiskaal. Dien gevangene wil en moet ik spreken. O mijn God! zou het mogelijk zijn?"
"Ik bid UEd. bedaar!" hernam de Baron: "ik wil gaarne zelf naar den Fiskaal gaan en verlof vragen. Ulrica zal UEd. intusschen gezelschap houden. Waar is Ulrica?"
"De Freule is zooeven naar bed gegaan, met zware hoofdpijn," zeide de kamenier der Gravin: "Leentje is bij haar."
"Ja, men heeft altijd hoofdpijn den dag voor de verloving," merkte de Baron aan: "dat weet ik vanouds. Maar ik bid u, Mevrouw de Gravin! zeg ons toch, vanwaar UEd. opeens zoo aangedaan zijt geworden. Zijn het die kleedertjes, wier gezicht alleen u zoo getroffen heeft?"
"Dat jurkje heb ik geborduurd, en niemand anders," zeide de Gravin, terwijl zij het opnam en met strakke oogen beschouwde.
"Die gele stof, die roode en groene bloemen.... ik zie den kramer nog, van wien ik de wol kocht.... O mijn hoofd! mijn hoofd!"
"Maar Mevrouw! om 's hemels wil," zeide de Baron: "hoe kan UEd. zoo spreken? dat Jurkje droeg Joan: hoe kan UEd. het dan gemaakt hebben?"
"Joan.... Joan!...." herhaalde zij op een verwilderden toon: "wie is Joan?"
"Joan, mijn pleegzoon," antwoordde Reede; "of zoo UEd. liever wil, de zoon van den gesneuvelden Velasco."
"Velasco!.... Een zoon van Velasco zou een kleedje gedragen hebben, door mijn handen vervaardigd?.... Een kleedje, voor mijn zoontje, mijn lieveling, mijn Ulrich geborduurd?"
"Waarom niet, Mevrouw? evengoed als hij den jachthond van den Graaf van Falckestein zich toeëigende, kon hij zijn kind met den roof van het uwe optooien."
"'t Is waar!" zeide de Gravin, strak voor zich heen ziende: "'t is waar, wat gij daar zegt: en ik was een zottin, om mij te vleien met een hoop, die nimmer verwezenlijkt kon worden.--Nietwaar, Beckman!" vervolgde zij tegen haar ouden rentmeester, die insgelijks in het vertrek was gekomen: "nietwaar, gij hebt het met eigen oogen gezien, dat een verfoeilijke booswicht het kind...." Hier zweeg zij, als was de volzin te vreeselijk om uitgebracht te worden.
"Mevrouw! ich heb het, eilaas! seyen mussen, dat den teifelschen Jezuïet das kleinen kinde in 's wasser worf," antwoordde Beckman.
"Ik heb mij door een ijdele begoocheling van 't spoor laten voeren," hernam de Gravin: "verschoon, Mijnheer Van Sonheuvel! het bespottelijke tooneel, waar gij getuige van geweest zijt."
Dit gezegd hebbende, groette zij den Baron met een buiging vol waardigheid, en verliet het vertrek om zich naar haar slaapsalet te begeven.
NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Het zal den Vorst believen, Te vorschen naer 't geheim.
_Vondel_, Palamedes.
Terwijl dit alles voorviel ten huize van de Gravin van Nassau, zaten Joan en Hendrik Raesfelt, die den geheelen dag, zonder eenig bezoek, in groote verveling hadden doorgebracht, op den nacht te wachten, welke verlossing aan moest brengen, toen de knecht des cipiers hun gevangenis binnenkwam en Joan verzocht hem te volgen, vermits er iemand beneden was, die hem verlangde te spreken. Deze boodschap verwonderde den beiden vrienden; want het uur, waarop de poort zich niet meer opende, was reeds voor een geruimen tijd verstreken; dit belette echter niet, dat Joan zijn leidsman volgde, die hem in een spreekvertrek bracht, en hem met een vreemdeling alleen liet.
Het begon reeds duister te worden en de laatste schemering viel slechts even in de kamer waar hij zich bevond, zoodat Joan in 't eerst den man niet herkende, die in een gemakkelijken leunstoel aan een tafel zat met het eene been over 't andere en de armen gekruist: te meer daar een hoed met breede randen en donkere veeren hem het hoofd en een groote mantel de leden bedekte. Eenige oogenblikken gingen voorbij, waarin de vreemdeling, zonder een woord te spreken, Joan sterk in 't aangezicht bleef zien.
"Ben ik het, wien UEd. verlangt te spreken?" vroeg deze eindelijk, eenigszins geraakt: "of heeft hier een misverstand plaats?"
"Geen misverstand, volstrekt geen," antwoordde de ander: "gij schijnt mij niet te herkennen, jonkman, wij hebben elkander toch vroeger gezien."
"'t Is waar," zeide Joan "uw stem is mij niet onbekend: doch het is hier zoo verbaasd duister, dat...."
"Kapitein Holtvast, van de Garde, om u te dienen: wij hebben elkander voor vier weken te Tiel ontmoet."
"Juist, nu herinner ik mij volkomen.... doch hoe wist UEd. dat ik mij in Den Haag en wel in dezen kerker bevond?"
"Even alsof ik u gisteren niet op 't Binnenhof gezien had?.... Gij hebt uw oogen op mij niet willen wenden; het scheen dat er een ander voorwerp was, hetwelk beter uw beschouwing verdiende.... nu! dat is billijk,--doch ik zag en herkende u terstond: en om te weten, dat gij hier geplakt werdt, dat was spoedig ruchtbaar."
"En UEd. komt mij bezoeken!--Dat is recht hupsch van u."
"Nietwaar? Ja, ik kom meer doen;.... doch kom wat naderbij en zet u!.... ik kom meer doen; ik kom u de middelen bieden om u uit dezen kerker te redden."
"Waarlijk!" zeide Joan, den kapitein haastig bij de hand nemende: "geloof, dat mijn dankbaarheid...."
"Dankbaarheid!" herhaalde de kapitein: "ja, reken op dankbaarheid: dankbaarheid is klokspijs voor gekken: ik heb nooit meer betalingen ontvangen dan in betuigingen van dankbaarheid:.... dankbaarheid is de schil van den citroen, welke men u toewerpt, nadat men het sap heeft genoten. Dankbaarheid! ja voor den duivel! ha! ha! ha!"--Hier begon Holtvast op een gemaakte wijze te lachen en scheen toen opeens in mijmeringen verdiept.
"Men schijnt uw goed vertrouwen misbruikt te hebben," zeide Joan, met een eenigzins beschroomde stem.
"Wat zegt gij, knaap?" vroeg Holtvast met een bulderende stem, terwijl hij opstond en zijn mantel over zijn schouder sloeg: "wie zou dat hebben durven doen? of liever: aan wien zou ik mijn vertrouwen geschonken hebben?"
Joan zweeg, en zag den kapitein verwonderd aan.
"Doch dit alles komt hier niet te pas," zeide deze, wederom gaande zitten: "ik heb u heel wat anders te zeggen: hoor knaap!" vervolgde hij, terwijl hij zijn kin met beide handen ondersteunde "weet gij wel, dat het schavot voor u opgericht wordt?"
Ik geloof, dat er niemand op aarde bestaat, die bij een dergelijke mededeeling zijn gewone kalmte van ziel bewaren zou. Ook onze held voelde een kille huivering door al zijn leden gaan, en zag den brenger dier slechte tijding met strakke oogen aan.
"Morgen uw laatste verhoor, man!--en dan uw vonnis: de galg kunt gij niet ontgaan," vervolgde Holtvast met de meeste bedaardheid.
"Zou UEd. waarlijk denken, dat men zoo spoedig.... en zoo onbarmhartig te werk zou gaan?"
"Spoedig!--Ja! misschien nog te langzaam," zeide Holtvast, weder in zich zelven sprekende: "Onbarmhartig!--maar wat is grooter barmhartigheid, schelmen te hangen, of schelmen te laten loopen?"
"Indien deze laatste woorden mij gelden," riep Joan uit, "dan zouden zij u duur te staan kunnen komen." Bij het uiten dezer woorden sloeg hij de hand met drift op de plaats, waar hij het gevest van zijn degen verwachtte. "Ach!" zeide hij: "'t is waar: er is geen degen meer; doch des te laffer is het van u gehandeld, een ongewapende te beleedigen."
"Er bestaat hoegenaamd geen oogmerk tot beleediging," zeide Holtvast met koelheid: "ik sprak met mij zelven.... ik bevind mij dikwijls in de gelegenheid van alleen mij zelven te kunnen raadplegen;.... doch het is zooals ik zeide: morgen of uiterlijk overmorgen wordt gij gehangen."
"Onmogelijk! ik heb niets misdreven, en zonder schuld...."
"Dat doet niets ter zake, vriend!" zeide Holtvast: "ha! ha! als men alleen den schuldige hing;.... doch mijn vraag is niet, of gij schuldig of onschuldig zijt, ik wilde u helpen, lieve vriend, anders niet."
"Gij zult mij toch niet willen helpen, zoo gij mij schuldig acht?"
"Hoor!" zeide Holtvast, lachende, en hem tot zich trekkende: "het is juist, omdat ik u schuldig acht aan hetgeen u ten laste gelegd wordt, dat ik u redden wil. Ik weet zeer wel, dat gij de agent zijt, door wien Graaf Frederik Hendrik en Grobbendonck samenspannen."
"Wel mogelijk," antwoordde Joan, met koelheid: "doch buiten mijn weten."
"Wat!" riep de kapitein, opvliegende: "wel mogelijk? houdt gij het voor mogelijk, dat Graaf Frederik Hendrik...."
"Waarom niet?" vroeg Joan: "de rechters, die mij ondervroegen, schenen het wel voor mogelijk te houden."
"Om 't even," zeide de kapitein, die weder zijn bedaardheid hernomen had: "doch het kan u niet onbewust zijn," vervolgde hij, fluisterende, "dat er een plan bestaat om Frederik Hendrik hier aan 't hoofd der zaken te stellen."
"'t Is voor 't eerst dat ik er van hoor," antwoordde Joan.
"Gij behoeft met mij niet te veinzen," hernam de kapitein: "ik weet alles: ik weet, dat gij van Grobbendonck gezonden zijt om met den Graaf te onderhandelen:--Ik vermoedde reeds, toen ik u te Tiel zag, dat gij mede tot het eedverwantschap behoordet."
"En waarom hieldt ge mij dan toen niet aan?" vroeg Joan, die hem wilde laten praten, in de hoop van eenige inlichtingen betreffende zijn zoogenaamde medeplichtigheid aan hoogverraad te erlangen.
"Of ik gek was?--Ik ben zelf ook in 't geheim, zeide ik u immers. Volg gij maar letterlijk mijn voorschriften, en ik help u hier uit, eer het jaar een dag ouder is;.... doch zeg mij vooraf: heeft Grobbendonck de laatste brieven des Graven wel ontvangen?"