De Pleegzoon

Chapter 38

Chapter 383,891 wordsPublic domain

"Wanneer de Rechter zich niet schaamt zijn gevangene te beschimpen, dan passen hem zulke antwoorden," zeide de Remonstrant.

"Mijnheer de Vlaere," zeide de andere Raadsheer, die een bedaard, ernstig man scheen te zijn, tot zijn ambtgenoot: "wij hebben nog veel te verrichten, en uit dezen gevangene is niets meer te halen. Ware het niet verkieslijker, het verhoor te staken en den Heer Fiskaal niet langer op te houden?"

"Zooals gij wilt, Mijnheer Sartor!" antwoordde De Vlaere, zeer tevreden van een goede aanleiding te hebben om een twist te eindigen, waarin hij de gelukkigste rol niet speelde. "Dienaars! leidt den gevangene weg!"

De dienaars traden toe en geleidden den Remonstrant weg, zonder dat het Joan gelukt was, diens gelaatstrekken te zien. Zoodra hij vertrokken was, gaf de Raadsheer Sartor aan onzen held een wenk, om de tafel, waaraan zij gezeten waren, te naderen.

Terwijl Joan aan dit bevel voldeed, stond ook de Fiskaal op en trad aan de tafel, waarop het ondervragen een begin nam.

"Uw naam?" vroeg De Vlaere.

Joan zweeg en zag voor zich. De eerste vraag was voor hem de moeilijkste.

"Wees niet beteuterd," vervolgde Sartor, dit stilzwijgen aan vrees toeschrijvende: "geef ons openhartig antwoord. Hoe heet gij?"

"Don Diego de Velasco."

"Zijt gij daar zeker van?" vroeg de Fiskaal, Joan scherp in 't gezicht ziende.

"Deze naam is de laatste, die mij gegeven werd. Vroeger noemde men mij Joan Van Craeihorst."

"Zeer wel!" zeide Van Kinschot, tegen de Raadsheeren langzaam met het hoofd knikkende, ten teeken van tevredenheid. De Vlaere zette het verhoor intusschen voort.

"Waar zijt gij geboren?"

"Ik weet het niet."

"Gij weet het niet?--Wat is dat voor een antwoord!" Hier trad de Fiskaal toe en fluisterde hem iets in 't oor: "aha ja! _filius illegitimus!_--Waar opgevoed?"

"Op den huize Sonheuvel?

"_Recte_. Waar laatst woonachtig?"

"Ik heb nu 't laatst eenige dagen in Den Bosch doorgebracht: het vorige jaar heb ik in 't leger van Z. M. van Bohemen gediend."

"Dat komt juist uit," zeide de Fiskaal, een geschreven papier doorloopende, dat hij in de hand hield. "Doch! indien de Heeren mij vergunnen, een vraag te doen: waarom heeft de gevangene voor vier weken het slot te Sonheuvel op een zoo vreemde wijze verlaten?"

"Ten einde mij naar Den Bosch te begeven."

"En met wien hebt ge daar omgang gehad?"

"Met mijn oom, Don Louis de Velasco, met den Heer Vicaris, met den Heer Van Grobbendonck en met eenige Remonstrantsche uitgewekenen."

"Zoo! En hebt gij ook voor die Heeren eenige boodschappen opgenomen te verrichten?"

"Is dat mijn gansche misdrijf?" vroeg Joan verbaasd: "ja, dat heb ik: en hier is het pakket, 't welk ik op mij had genomen te bezorgen aan...."

"Zwijg!" riep de Fiskaal met een donderende stem, hem het pakket uit de handen rukkende. "Dit pakket," vervolgde hij langzaam, terwijl hij het met somber oog van alle kanten beschouwde en eindelijk voor de Raadsheeren nederleide, "zal meer onheil brouwen, dan ooit eenig ander hier te lande gedaan heeft. Uw leven zal afhangen van hetgeen hierin gevonden wordt."

"Ik kan niet begrijpen," zeide Joan, "welk kwaad er in steekt, brieven te bezorgen aan Zijne Doorluchtigheid.--Of is dit ook een _suspecte_ persoon?"

De Fiskaal wierp hem een vreeselijken blik toe. "Het zal noodig zijn," zeide hij vervolgens tegen de Raadsheeren, "dat dit verhoor zonder eenige getuige afloope. UEd. Achtbare zult hiervan het belang met mij gevoelen."

"Ongetwijfeld!" zeide De Vlaere, en gaf last aan de dienaars, buiten te staan, waarna hij aan Joan een nauwkeurig verhaal afvroeg van, alles, wat zijn kennis met de Heeren, die hij in Den Bosch gesproken had, had voorbereid. Het gewicht eener openhartige bekentenis gevoelende, voldeed de gevangene vrij omstandig aan dit verzoek: zijn verhaal duurde des te langer, daar de Griffier, die alles nauwkeurig opteekende, hem zijne gezegden meer dan eens herhalen deed.

Toen hij geëindigd had, deden hem de Gecommitteerden eenige vragen betreffende de Arminiaansche ballingen, als b. v. of Uyttenbogaert ter misse ging, of hij kennis met de Jezuïeten hield, of hij raadsman van Pekkius was, of De Groot dikwijls bij Velasco aan huis kwam, en dergelijke meer: de meeste dezer beantwoordde Joan ontkennend: op sommige verklaarde hij niet te kunnen antwoorden.

"Zullen wij thans het pakket niet openen?" vroeg eindelijk De Vlaere aan zijn ambtgenoot.

"Vooraf," zeide deze, "wenschte ik den gevangene te vragen of hem de inhoud bekend is."

"Zoover ik weet," antwoordde Joan, "zijn het brieven, waarin de verbannen Heeren zich in de bescherming Zijner Doorl. aanbevelen."

"Het bevreemdt mij," merkte de Fiskaal aan, op een straffen toon, "dat gij zulke sprookjes vertellen durft op het oogenblik, dat wij de stukken in handen hebben, welke u van logentaal zullen overtuigen, of mijn berichten zijn valsch, of er moet geheel wat anders in die brieven staan."

"Dan zou ik bedrogen zijn geweest," zeide Joan, de schouders ophalende.

"Waarlijk!" zeide Van Kinschot, hem verachtelijk aanziende: "wij zullen zien, wie hier de bedrogene is." Het pakket werd nu geopend en de inhoud onderzocht.

"Mijn God!" riep Sartor met verbaasdheid uit, toen hij den eersten brief den besten gelezen had: "wie kon dat ooit gelooven?"

"Welk een afschuwelijk samenweefsel van verraad en list en huichelarij!" riep De Vlaere.

"Laat ons voorzichtig zijn," zeide hem zachtjes zijn ambtgenoot: "deze brief is aan geen gemeen persoon gericht, noch tot iemand, die op losse gronden beticht mag worden. De brieven kunnen zeer wel zijn opgesteld uit list, met het oogmerk om kwade vermoedens te werpen op hem aan wien het opschrift luidt. Jongeling, wie stelde u dit pakket in handen?"

"Mijn oom, Louis de Velasco."

"Onbeschaamde!" zeide De Vlaere: "en gij zeidet, dat het brieven van de Remonstrantsche ballingen waren. Wat had uw oom daarmede te maken?"

"Hij gaf mij die uit hun naam: ik had geen reden, zijn oprechtheid in twijfel te trekken. Heeft hij mij misleid, ik ben er onschuldig aan."

"Deze brieven," hernam Sartor, zich tot den Fiskaal wendende, "zijn van zulk een aard, dat wij, naar mijn gedachten, buiten voorkennis Zijner Hoogheid geen stap verder in deze doen kunnen."

De Fiskaal stemde zulks toe, en nu deed de Griffier de brieven weder in het pakket, hetwelk behoorlijk gesloten en verzegeld werd.

"Was het overbrengen van dit pakket," vroeg toen Van Kinschot aan de gevangene, "de eenige reden van uw reis herwaarts?"

"Onbewimpeld gesproken, neen: de Vicaris beloofde mij, dat, zoo ik hier eenige dagen bleef, zich veel ontwikkelen zou, dat thans nog duister voor mij lag."

"Gij erkent dus een zendeling van den Vicaris te zijn.--Wie hebt gij sedert uw komst hier in Den Haag opgezocht?"

Joan verhaalde zijn vruchteloozen gang naar het Paleis van Zijne Doorluchtigheid.

"Waarom hebt gij u niet aangemeld bij Z. M. den Koning van Bohemen, onder wien gij voorgeeft te hebben gediend?"

"Ik vreesde dat mijn nieuwe naam mij minder welkom zou maken."

"Waarom niet bij den Baron Van Reede, uw pleegvader?"

"Omdat ik onbewust was van zijn verblijf alhier en Zijn Ed. bovendien tegen mij ingenomen is, uithoofde van een ongelukkig misverstand...."

"Een ongelukkig misverstand! En gij hebt tegen zijn leven samengespannen met zekeren booswicht, die.... doch dit misdrijf, als in de provincie Utrecht geschied en van geen staatkundigen aard zijnde, valt niet onder 's Hofs jurisdictie.--Ik vrees, dat het slecht met u af zal loopen! alles toont duidelijk, dat gij u hier hebt zoeken schuil te houden."

"Dan ware ik hedenmorgen niet op het Binnenhof gekomen, waar iedereen mij zien kon," zeide Joan met drift: "doch, men zal zich nog bedenken, eer men mij op losse gronden verwijst. De Spaansche Gezanten zullen niet dulden, dat de neef van Don Louis de Velasco...."

"Ongelukkige logenaar! gij vleit u vergeefs," viel hem Van Kinschot in: "gisteren sprak mij de Kanselier Pekkius, kort voor zijn vertrek, en stellig betuigde hij mij, dat de Gezanten zich uwer niet zouden aantrekken, vermits men u voor een gelukzoeker hield."

"Dan is het beter, dat ik zwijge," zeide Joan: "ik zie dat mijn verderf vastbesloten is!"

"Het verhoor heeft nu lang genoeg geduurd," zeide De Vlaere, oprijzende: "stokbewaarder!"

De stokbewaarder en de dienaars traden binnen.

"Breng dezen gevangene in goede verzekering. Zijn persoon is van het uiterste gewicht."

"Ja! om hem alleen te plakken, dat zal bezwaarlijk gaan," antwoordde de stokbewaarder: "doch ik zal hem bij dien Arminiaan zetten, die zooeven hier geweest is."

"Mijn eenig verzoek is," zeide Joan, "dat mijn reiszak, die in de herberg het Zotje ligt, mij hier geleverd worde. Er zit eenige verschooning in, die ik wellicht zal noodig hebben."

"Die is hier al gekomen," zeide de cipier; "ik had vergeten zulks aan de Heeren te zeggen."

De reiszak werd terstond aangebracht, op de tafel gelegd en door den Fiskaal stuk voor stuk geledigd. Het eerste dat zich vertoonde, was een prachtige gouden keten.

"Ei! ei!" zeide De Vlaere: "een kostbaar stuk werks, genoeg om een geheel boevenhuis om te koopen. Hoe komt Mijnheer aan dat pronkstuk?"

"Het werd mij in mijn jeugd door de Gravin van Nassau vereerd."

"Waarlijk! Nu, dit zal licht te bewaarheden vallen.--Maar wat is dat voor een boeltje? voor wien is dat poppengoed?" vroeg De Vlaere, toen hij zag dat de Fiskaal een pakje uithaalde, 't welk een volkomen, schoon wat ouderwetsch, kindergewaad behelsde.

"Een stellig bewijs van hoogverraad," zeide Joan, met een bitteren glimlach.

"Wat doet gij met kindergoed in uw valies?" vroeg De Vlaere.

"Het zijn de kleederen, die ik aanhad, toen de Barones Van Reede mij tot kind aannam. Ik had die met mij naar 's-Bosch gevoerd, om ze aan mijn oom te vertoonen."

"Voeg die kleertjes bij de _preciosa_," zeide De Vlaere tegen den Griffier: "de Baron Van Sonheuvel is bij Mevrouw van Nassau gehuisvest, en wij zullen ons van de waarheid van 't een en ander gaan verzekeren.--Is er niets meer?"

"Het komt mij voor," zeide de Fiskaal, "dat wij het overige veilig aan dien jongeling laten kunnen. Stokbewaarder! breng uwen gevangene weg."

Joan groette de Raadsheeren en den Fiskaal, en volgde zijn leidsman, die hem langs eenige trappen en gangen naar het kleine vertrekje bracht, dat hem tot kerker bestemd was. Toen de deur openging, zag Joan denzelfden gevangene, wiens stem hem bekend was voorgekomen, aan een tafel zitten, bezig met in een klein bijbeltje te lezen. Hij rees op toen hij een deelgenoot zijner gevangenschap zag binnenkomen, en trad naar Joan toe. Beiden zagen elkander strak in 't gezicht; doch eer men tien had kunnen tellen, vielen zij met den uitroep van Joan!--Hendrik--in elkanders armen.

ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Of zoo ick schuldigh ben en heeft het my gemist, 't Is uit onnozelheit en zonder argh of list.

_Vondel_, Gysbrecht van Aemstel.

"_Dies albo notanda lapillo!_" [54] zeide Hendrik Raesfelt; want deze was het, welke Joan zoo onverwachts begroette.

"Moet ik mijn ouden speelmakker op zulk een plaats terugvinden?" zeide Joan.

"Maar hoe toch wist gij, dat ik hier gevangen zat?" vroeg Hendrik.

"Waarlijk, mijn beste vriend!" antwoordde Joan: "ik was dezen morgen even weinig voornemens deze plaats als u te bezoeken."

"Gij komt dan niet vrijwillig?--Neen waarlijk, nu zie ik eerst, dat gij uw degen mist. Hoe, mijn beste stokbewaarder!.... moet deze Heer...."

"Uw maat zijn," zeide de cipier: "juist geraden: en het doet mij genoegen, dat gij oude kennissen zijt. Hebt gij mij verder niets te zeggen?--Niet!--Dan wensch ik u een vroolijken dag samen."--Dit zeggende, vertrok hij.

"Ik kan niet van mijn verbazing terugkomen," hernam Raesfelt: "wat kan den Jonker Van Sonheuvel op de Gevangenpoort brengen?"

"Noem mij met dien naam niet meer," zeide Joan: "dien heb ik reeds lang verloren."

"Verloren? En door welk toeval?--Doch, ik bid u, neem plaats."

Beiden gingen zitten en Joan gaf aan zijn vriend een beknopt verslag van zijn lotgevallen, waarna hij wederkeerig zijn verlangen te kennen gaf, om te weten wat Hendrik op deze plaats gebracht had. Raesfelt voldeed aan dit verzoek en vertelde omstandig wat hem overkomen was. Wij zullen van dit verhaal alleen de hoofdpunten aan onze lezers mededeelen. Hendrik was, gelijk wij vroeger gezien hebben, te Amsterdam bij een juwelier geplaatst geworden om de negotie te leeren. Hij had aldaar zijn betrekkingen met de Remonstranten geenszins afgebroken, doch zijn studiën voortgezet en de geheime samenkomsten bijgewoond. Tot proponent aangesteld en de predikbeurten somtijds waarnemende, was hij gevangengezet, en later, wegens herhaling, gebannen: sinds had hij lang op de grenzen gezworven, tot hij eindelijk te Mulheim een briefje kreeg van zekeren Van Dyk, die hem verzocht te Tiel te komen, ten einde aldaar over de belangen der Remonstranten te handelen. Wij hebben vroeger gezien dat dit briefje door Eugenio geschreven was en aanleiding gaf tot het misverstand, dat Joan te Tiel bijna zoo duur was te staan gekomen. Te Nijmegen echter was Raesfelt reeds gevangengenomen en dadelijk naar Den Haag gezonden, waar hij sedert dien tijd op de Gevangenpoort gezeten had.

"En," zeide Joan, "zooals ik heden meen gehoord te hebben, zult gij dezen kerker niet verlaten dan voor de Loevesteinsche gevangenis."

"Ik ben niet gelijk degenen, die geen hoop hebben," antwoordde Raesfelt: "God heeft de drie mannen in den vurigen oven niet vergeten: en Hij vergat ook mij niet, toen ik uit de diepte tot Hem riep. Hij zond mij een engel."

"Of een engelin?" viel Joan in, glimlachende om de opgewondenheid, welke zich in de blauwe oogen des proponents en op zijn zachte wezenstrekken vertoonde.

"De zachte Rachel was de dochter des norschen Labans: God vermurwde het hart van des stokbewaarders dochter, en deed mij in haar een geloofsgenoot vinden."

"Wat nu!" vroeg Joan: "is de dochter van onzen vriendelijken huisbaas een Remonstrantinnetje, en verliefd op een gevangene, die daarenboven een Remonstrantsche proponent is! Nu waarlijk! dan moet ik zeggen, dat de Justitie wel dubbel waakzaam worden mag. En is die liefde zoo plotseling in den kerker ontstaan?"

"Om u de waarheid te zeggen, neen. Ik kende haar reeds in Amsterdam, waar zij bij de zuster van mijn Patroon het mutsenmaken leerde: zij is hier eerst sedert een paar maanden teruggekomen en bezorgt de huishouding van dit gesticht. Somtijds brengt zij den gevangenen hun eten: wij zagen elkander weder: de oude betrekking keerde, en...."

"En binnen weinige dagen verliest de stokbewaarder zijn dochter en zijn gevangene!"

"Zij heeft mij stellig beloofd, dat, zoo ik veroordeeld werd naar Loevestein te worden overgebracht, zij alles in het werk zou stellen, om mij voor dien tijd te doen ontsnappen.--Doch nu gij de deelgenoot mijner ellende geworden zijt," vervolgde Hendrik, Joan met warmte de hand drukkende, "zal ik dezen kerker niet verlaten, zonder dat gij mij vergezelt."

"Ik stel dat blijk van vriendschap op hoogen prijs," zeide Joan; "maar verlang er geen gebruik van te maken: ik hoop alleen dat mijn zaak onderzocht worde; dan kan het niet missen of mijn onschuld moet erkend en ik in vrijheid gesteld worden."

"Vlei u daar niet mede," zeide Hendrik: "vurig zou ik wenschen u eenige de minste hoop op vrijspraak te kunnen geven, doch, naar hetgeen gij mij verhaald hebt, zijn alle bewijzen tegen u: en gij bezit hier geen vriend, geen raadsman, die u den minsten bijstand zou willen verleenen of eenigszins voor u in de bres springen. De Baron beschuldigt u van een aanslag op zijn leven te hebben gesmeed: de Ambtman heeft zich koel en afkeerig tegen u betoond: uw Brabantsche betrekkingen werken in uw nadeel: de stokbewaarder, die getuige was van onze wederzijdsche blijdschap, zal niet nalaten te vertellen, dat gij in mij weder een Arminiaanschen medeplichtige hebt gevonden: in 't kort, alles loopt tegen u samen. Geloof mij, en vertrouw niet te veel op uw onschuld. Men spot hier te lande niet met de beschuldigingen wegens hoogverraad. Zij, die zich niet ontzagen het eerwaardig hoofd van onzen grootsten staatsman te doen vallen, zullen er waarlijk geen gewetenszaak van maken, iemand te veroordeelen, die, als gij, noch bewezen diensten, noch groote betrekkingen, noch hooge jaren voor zich kan doen pleiten."

"Mij dunkt, hier is een groot verschil," zeide Joan: "de Advocaat had het land verraden, en ik...."

"Zoo zegt gij, Contra-Remonstranten!" zeide Hendrik: "wij oordeelen er anders over; doch dat daargelaten. Nog eens, verzuim de gelegenheid ter ontkoming niet, indien zij u eenmaal wordt aangeboden."

"Wij zullen zien;.... doch zeg mij, zal ik uw schoone niet zien?"

"Zij zal mij niet bezoeken," antwoordde Hendrik, "ten einde geen vermoedens op te wekken, voordat het uur mijner redding daar is."

Hier werd het gesprek der beide vrienden gestoord door het binnenkomen van een der suppoosten, die het middageten bracht, uit een schotel brij en een brood bestaande. Dadelijk na zijn vertrek, sprak Hendrik een kort gebed uit en zette zich aan 't eten, niet een gretigheid, die Joan, wiens eetlust door de omstandigheden merkelijk verminderd was, met verbazing sloeg.

"O, indien gij eenige dagen hier doorgebracht hadt," zeide Hendrik, "zou het u niet verwonderen, dat men ook op de Gevangenpoort tegen den middag honger kan hebben; maar ik heb nog een andere reden, waarom ik dien schotel ledig wilde hebben. Ik verlang nog meer dien van onderen, dan van boven te zien."

"En waarom dat?" vroeg Joan, verwonderd over deze verkiezing.

"Raadt gij het niet? Die tinnen schotel is de zwijgende bode, waarvan mijn Truitje en ik ons bedienen, om ons mede te deelen wat van belang voor ons kan zijn."

"Heerlijk bedacht," zeide Joan, opspringende: "dan zal ik u helpen om het adres van den brief open te maken." Dit zeggende, begon hij mede te eten, en binnen weinige oogenblikken was de schotel ledig. Toen draaide Hendrik hem haastig om, en ontcijferde, na een wijl zoekens, de letters S. 12 M., welke met de punt van een mes daarop gegriffeld waren.

"Een zeer duidelijke missive," zeide Joan: "de drommel haal mij, zoo ik er iets van begrijp. Het heeft veel van het merk van een hemd."

"Ik begrijp die des te beter," hernam zijn vriend: S. is Sondag, dat is morgen: M. beteekent Maandag, en 12 is middernacht: zijnde het uur tusschen die beide dagen, waarop ik mij tot de vlucht zal moeten gereedhouden."

"Waarlijk!" zeide Joan: "indien de middelen ter ontkoming even schrander zijn uitgedacht als de wijze van briefwisseling te houden, dan durf ik u een goeden uitslag voorspellen!"

Het geschrevene werd wederom zoogoed mogelijk uitgewreven, opdat de bediende des cipiers het niet lezen zoude; en weldra keerde deze terug, om den ledigen schotel te halen, en tevens om een bezoeker bij de gevangenen in te leiden, welken zij met de grootste blijdschap voor den Predikant Raesfelt herkenden.

"Gij hier, mijn vader!" riep Hendrik: "o nu is alle hoop nog niet voor mij verloren."

"Ik herleef, nu ik u wederzie," zeide Joan: "gij althans kunt getuigen, dat mijn vertrek van Sonheuvel mij door mijn plicht werd voorgeschreven."

"Ik dacht niet," zeide de Predikant, terwijl hij de vochtige oogen ten hemel hief, "dat, toen ik mij bewegen liet om den Heer Baron naar deze plaats te vergezellen, alwaar ik tevens de hoop koesterde van een drukker te vinden voor mijn werk over Psalm CXLVII, mij hier zulk een treurige plicht verbeidde als het vertroosting bieden aan twee deerniswaardige gevangenen, waarvan de een mijn vleeschelijke, en de ander, zijnde mijn leerling, mijn geestelijke zoon is."

"Onze gevangenneming was u dus bekend?" vroeg Joan.

"Die van mijn zoon vernam ik dezen morgen van mijn godvreezenden ambtgenoot Dm. Lamotium, en de uwe, Joan! van den Heer Baron, aan wien zekere Jonker Van Bleiswyk, die als een Petrus tegen u opstond, haar verhaald moet hebben."

"Hij heeft mij een weldaad bewezen," zeide Joan, hem de hand drukkende, "door mij het bezoek te verschaffen van een raadsman als u. Doch Hendrik heeft oudere en nadere rechten, en ik wil, u niet alleen laten, want ik zie geen kans om mij te verwijderen, maar althans uw onderhoud niet storen."--Dit zeggende, ging hij in een hoek van het vertrek zitten, zonder zich in het gesprek tusschen vader en zoon te mengen.

"Zoover," zeide Raesfelt tegen Hendrik, "heeft uw kettersche afval u dan gebracht?"

"Strekt mij mijn gevangenis tot schande, lieve vader?" vroeg deze: "heeft niet Daniël, hebben niet de Apostelen op gelijke wijze in den kerker gezeten en om Christi wille smaadheid geleden?"

"Vergelijkt gij, gij afvallige! u bij die heilige mannen Gods?--Ach! ik vleide mij nog, dat aan u, die als een Manasse den Baäl gediend hebt, de kerker, evenals aan hem, tot bekeering en boetedoening zou aanleiding geven; dan ik zie te wel, hoezeer ik mij bedrogen heb."

"Lieve vader!" zeide Hendrik, met aandoening, terwijl hij den slinkerarm om zijns vaders hals sloeg en met de rechterhand zijn beide handen drukte: "lieve vader, laat ons een onderwerp vermijden, dat niets dan bitterheid in stede van liefde, en verwijdering voor toenadering geven kan. De oogenblikken zijn kostbaar. God weet, of ik u immer wederzie: overmorgen wellicht vertrek ik voor mijn leven naar Loevestein. O! dat wij ons dan de oogenblikken ten nutte maken: misschien is het de laatste reize, dat ik u om uw zegen smeeken mag."

"Mijn zegen hebt gij, mijn zoon!" zeide Raesfelt, opstaande en de beide handen boven het hoofd zijns zoons uitstrekkende: "ach! mocht hij de kracht bezitten, om u af te leiden van het verderfelijke doolpad, dat gij gekozen hebt. Dan God alleen kent de harten: niemand kan tot Hem komen, dan die door den Geest tot Hem geleid wordt. Hij zal aan duizend geslachten lankmoedigheid betoonen: dit was Zijn belofte aan Zijn bondsvolk: en ook in u, mijn zoon! moge die om mijnentwille bewaarheid worden!"

"God loone u, mijn vader!" zeide Hendrik, zijn handen met kussen bedekkende: "de God des vredes en der genade bevestige deze uwe woorden. Hij moge mij, indien ik feile, genadiglijk vergeven, gelijk gij mij vergeeft; want zoo ik dwale, is het uit onwetendheid en niet uit boozen wil."

Toen de aandoening, die hen wederzijds beklemde, eenigszins bedaard was, vonden beiden kracht genoeg, om met meer bedaardheid elkanders weetlust te voldoen omtrent de lotgevallen, die hun sedert hun scheiding waren overkomen, in welk gesprek Joan zich spoedig mengen kon.

Nadat deze ook van zijn lotgevallen aan den Predikant een kort bericht gegeven had, verzocht hij van hem te mogen weten, of het waar was, dat, gelijk Bleiswyk verhaald had, Ulrica eerlang verloofd zou worden. Raesfelt bevestigde zulks.

"En is de Baron altijd evenzeer op mij vertoornd?"

"Ongetwijfeld!" antwoordde de Predikant: "niet zoozeer omdat gij den Jezuïet hebt laten ontvluchten, als om dat ongelukkige briefje, dat gij geschreven hebt."

"Ik heb geen Jezuïet laten ontvluchten en ook geen briefje geschreven," zeide Joan: "aan wien was dat briefje gericht?"

"Waarschijnlijk aan uw boozen medemakker," zeide Raesfelt.

"Het was nagemaakt! Ik herinner mij niet, iets geschreven te hebben."

"Het was duidelijk uw hand: ik heb die te lang gezien om ze niet dadelijk te herkennen. Wat het briefje betreft, ik heb er, meen ik, een kopie van gehouden."--Dit zeggende, haalde hij zijn brieventasch voor den dag, zette zijn bril op en vond, na lang zoeken, een afschrift van het fragment, 't welk in Joans kamer op het huis te Sonheuvel ontdekt was.

"Is dat alles?" vroeg Joan, toen hij het gelezen had: "welk een geluk, dat ik u kan overtuigen dat dit briefje, in zijn geheel gelezen, niets misdadigs bevat."--Dit zeggende, opende hij zijn zakboekje en nam er een paar blaadjes uit, welke hij den Predikant overhandigde.

"Men passe deze stukken bij het fragment," zeide hij, "en het zal dadelijk blijken, of de inhoud van mijn briefje misdadig was."