Chapter 37
Het was op den volgenden morgen, dat, omstreeks acht uren, de plechtige overdracht van den Hofbeer, door die van Utrecht aan den Hove van Holland geschieden zou. Deze zoogenaamde Hofbeer was niets anders dan een mannetjes-varken, het grootste en vetste dat in de provincie Utrecht te vinden ware en hetwelk jaarlijks op zekeren bepaalden dag als een hulde en tot een teeken van onderdanigheid met de noodige plechtigheden werd aangeboden. De oorsprong van dit gebruik is bij geen schrijver aangeteekend en ligt derhalve in het duister; hoewel sommigen beweren, dat de oorzaak daarvan gezocht moet worden in de overrompeling en plundering van Den Haag, in den jare 1528, door de Gelderschen onder Maarten Van Rossem, en dat, vermits die geschied was door toedoen van die van Utrecht, Keizer Karel, wanneer hij in het volgende jaar de stad bij verrassing innam en namaals de _temporaliteit_ of het wereldlijk bestier daarvan bij verdrag bekwam, hun tot straf en eeuwige gedachtenis van een zoo stout bestaan zou opgelegd hebben het leveren van een beer of mannetjes-varken aan den Hove van Holland. Hoe 't zij, zeker is het, dat de Magistraat van Utrecht verplicht was, alle jaren op zekeren gezetten dag aan den Hove op te brengen zoodanigen beer of zwijn, dat alsdan aan een paal, staande op het Binnenhof, eenige dagen werd tentoongesteld, vervolgens geslacht en onder den Stadhouder (die 't hoofd kreeg) en zijn Raden verdeeld.
Reeds een uur voor de plechtigheid waren het Binnenhof en de straten, welke het ongure dier moest doortrekken, met toeschouwers gevuld. De schutterij der stad, bij deze gelegenheid in de wapenen gekomen, maakte hier en daar de bezetting uit, welke de orde bewaren moest: de winkels, welke te dien tijde de Groote Zaal op het Binnenhof omringden, en waar men alle voorwerpen van galanterie verkrijgen kon, stalden hun beste waren uit: in één woord, het gansche plein leverde een bijzonder vroolijk en levendig voorkomen op.
Onder de toeschouwers bevond zich, als natuurlijk was, de Jonker van Bleiswyk, dezelfde, van wien Ludwig (in het vorige hoofdstuk) had aangemerkt, dat hij overal met den neus bij was. Hij had zich, ook thans een der beste plaatsen uitgekozen, om alles wel te aanschouwen en op te nemen. Hij stond namelijk tegen een der torens van het groote gebouw geleund, van waar hij èn den weg waar het zwijn langs moest komen, èn de paal, en eindelijk de ramen van het Hof op zijn gemak kon zien.
"Ik hoop," zeide hij tegen een deftigen, in 't zwart gekleeden Heer, die naast hem stond, "dat Utrecht van 't jaar een fatsoenlijker varken sturen zal, dan dat van verleden jaar."
"En wat haperde daaraan?" vroeg de ander.
"Weet UEd. dat niet?--Wel het beest was zoo slecht onderwezen, dat het, zoodra het aan de paal lag, allerlei onbeleefdheden beging; ik zelf stond er vlak bij: de rozen van mijn schoenen waren glad bedorven."
"Wat deedt gij er ook zoo dicht bij te staan? laat dat aan de straatjongens over," zeide de deftige man.
"Met uw verlof! ik had gewed dat het dier niet deugde, en wilde mij daarvan verzekeren; ook had ik niet misgeraden; want toen de Rentmeester des Espargne het slachten liet, werd het gortig en vuil bevonden, zoodat de Raden aan den Magistraat van Utrecht om een ander schreven: ik heb den brief zelf gelezen: hij begon met het varken en eindigde met een Christelijk gebed!.... nu, er kwam een ander beest, en toen waren onze lekkerbekken uit den brand, Ik heb zelf bij Zijne Doorluchtigheid van den kop gegeten. Hij was puik puik!"
"Ik denk toch, dat dit zotte gebruik van de min verlichte tijden niet lang meer duren zal," hervatte de andere spreker.
"Daar zal eens een hartig woordje bij de aanstaande vergadering over gewisseld worden," zeide Bleiswyk: "Ik heb het zelf van den Heer Duyk gehoord. Nu, die van Utrecht hebben ook heftige klachten ingeleverd, en waarover, denkt gij? Niet over den last van den beer te leveren; maar omdat de eer van het lieve beestje hun zoo nauw aan 't hart ligt, dat zij niet verduwen kunnen, dat het aan de kaak gelegd wordt en dat er de jongens baldadigheden mede bedrijven, let wel, tot hun schimp en spot: zoo luidt hun missive, die ik zelf gelezen heb. Daarom heeft men heden den ring en 't ijzer van den paal afgeslagen, opdat het geen kaak zou gelijken. Ten minste zoo heb ik zelf van den griffier gehoord."
"Het schijnt mij toe, dat UEd. van alles bijzonder wel onderricht is."
"Dat placht zoo te zijn, mijn waarde Heer! dat placht zoo te zijn; ten tijde van wijlen den Heer Advocaat was ik spoediger achter de zaken dan tegenwoordig. Z.Ed. had veel goedheid voor mij: alles vertelde hij mij eer iemand het wist; ik maakte ook veel werks van den ouden man: nu! ik heb hem ook tot aan zijn dood toe eer bewezen: ik heb zelfs geen vier treden van hem afgestaan, toen hij onthoofd werd: ik had een treffelijk plaatsje op 't schavot, vlak achter den Fiskaal."
"UEd. wilde hem zeker in het uiterst bijstaan."
"Dat juist niet, mijn beste! dat liet ik aan Lamotius over; maar als men zulke goede vrienden geweest is! ... en daarenboven.... ik zie gaarne alles... UEd. heeft zeker gisteren de Spaansche gezanten zien wegreizen."
"Gisteren!" zeide een welgekleed jongeling die aan zijn andere zijde stond: "ik dacht dat zij hedenmiddag...."
"Abuis, mijn vriend! gisteravond te halfnegen zijn zij de poort uitgereden. Ik heb hen zelf van Z. H. afscheid zien nemen.... Zijne Hoogheid schudde hartelijk de hand van Spinola bij 't vertrekken: nu Generaal! zeide Z. H., waar zien wij elkander weder? En de Marquis antwoordde: ik hoop Uwe H. bij Bergen-op-Zoom. welgewapend te ontmoeten.... nu denkt Z. H., dat Spinola ons juist van een anderen kant aan zal vallen: maar de Marquis vertelt altijd aan een elk wat hij in 't zin heeft, opdat men het tegendeel zou gelooven; dat heeft Z. H. mij dikwijls zelve gezegd."
"Wij zullen dus oorlog hebben," zeide de zwarte man.
"Natuurlijk," hervatte Bleiswyk: "dat was lang van te voren beslist, gelijk mij al die van de zaak weten gezegd hebben; maar het leger zal er vrij wat minder uitzien dan voor twintig jaren: toen was het een andere troep als thans!"
"Dat heeft men UEd. zeker ook gezegd," zeide de deftige Heer spottende: "want ik twijfel of UEd. het gezien heeft."
"Ik was toen nog een knaap," hervatte Bleiswyk; "doch ik hield veel van alles te zien en te vernemen; maar eilieve zie eens.... kent gij dien man met zijn rooden neus wel, die daar ginds door de schaar heendringt?--Niet?--Dat is de Arminiaansche Predikant Groenhovius;.... maar waar loopt UEd. zoo haastig naar toe?"
Hier verliet de zwarte man zonder te antwoorden zijn plaats en verloor zich weldra in de menigte, gelijk ook de Predikant.
"Ik verwed mijn vederbos tegen een oude beddekwast, dat die zwartrok een Arminiaan of een spion van 't gerecht is!" vervolgde Bleiswyk, zich tot den jongen onbekende wendende: "UEd. ziet dien Dominee na: ja, die is eigenlijk gebannen, maar hij wil 't niet weten.--Heeft UEd. wel ooit een Arminiaansche predikatie bijgewoond?"
"Ik dacht dat het verboden was, op die bijeenkomsten te gaan," zeide deze.
"Dat is te zeggen," hernam Bleiswyk op een gewichtigen toon: "het is verboden er te gaan uit godsdienstige oogmerken; maar om zijn nieuwsgierigheid te voldoen, mag men er gerust heen trekken, en met dat oogmerk alleen ben ik er heen geweest."
"Een fijne distinctie!--En was UEd. nogal voldaan over de predikatie?"
"Denk je dat ik naar het gerammel van dien kwijlbaard geluisterd heb? om geen geld; maar naast mij zat een zoet zusje, dat de moeite wel waard was, om gezien te worden: ik zeg ook niet, dat ik er een volgende reis niet weer heen trek; ik wil die kennis gaarne aanhouden."
"Ik zou het u niet raden, Jonker," zeide een deftig gekleed Heer, (die, kort te voren de trappen van de Groote Zaal afgekomen, zich juist achter Bleiswyk bevond en zijn laatste woorden gehoord had), terwijl hij hem op den schouder tikte.
"Aha! zijt gij het, mijn waarde Heer Fiskaal," zeide Bleiswyk, zonder van kleur te veranderen: "en waarom zou UEd. mij dat niet raden?"
"Omdat het UEd. een fiksche som gelds zou kunnen kosten," hernam de Fiskaal.
"Eilieve, zie eens!" zeide Bleiswyk, met een onveranderlijke koelbloedigheid zijn halskraag in orde schikkende; "zou de Justitie mij beletten, mij op een onschuldige wijze te vermaken, hoe en waar het mij belieft?--Ik wil u de boete wel daags te voren te huis sturen; maar er heen gaan zal ik.... of wil UEd. ook voor 't halfje met mij accordeeren?"
"De Justitie treedt in geen akkoorden," zeide de Fiskaal op een strengen toon.
"Kom! kom! Mijnheer Van Kinschot!" hernam Bleiswyk, lachende: "ik ga naar de mis, naar de oefeningen, naar de Arminiaansche conventikels, naar de synagoge, naar de moskee desnoods, overal waar het mij bevalt, en 't zal een kerel zijn die het mij belet."
"Pas op, dat mijn dienaars er u niet vandaan halen," hernam de Fiskaal.
"Pas maar zelf op, oude Heer!" zeide Bleiswyk, de deftige houding des Fiskaals op een koddige wijze nabootsende: "of 't zal u gaan als 't uwen confrater Van der Duyn ging, toen hij die Rotterdamsche samenkomst bespiedde en met zijn dikken kop tusschen de tralies, waar hij doorkeek, vast bleef zitten."
Dit antwoord verwekte een luid gelach bij al de omstanders: alleen zij, die het dichtst bij den Fiskaal stonden, en hem niet gaarne tot vijand wilden hebben, stopten de punten hunner mantels in den mond, of hielden er de hand voor om niet uit te bersten. De Fiskaal antwoordde niet, doch, den onbescheiden jongeling met een ontevreden blik aanziende, trad hij eenige stappen terug in 't gedrang.
"Ziet gij, zoo moet men met die Heeren van 't Gerecht omspringen," vervolgde Bleiswyk, zich tot zijn buurman wendende, die sinds eenige minuten, zonder naar het gesprek met den Fiskaal te luisteren, de oogen op een der vensterramen van het Hof gevestigd had gehouden: "doch waar kijkt UEd. naar?--Aha! ik zie het al: het vorstelijk gezin is aan de ramen gekomen: zie eens, die aan dat middelste venster met dien hoed met gele en roode veeren is Zijne Hoogheid: die met dat botte uitzicht, die naast hem staat, is de Koning van Bohemen;.... maar gij kijkt naar een geheel verkeerd raam.... ho ja! daar valt ook wat meer bezienswaardig te aanschouwen, ik geef u geen ongelijk: die jonge Dame, die naast de Gravin Douairière Lodewijk Gunther zit, is gansch niet onooglijk. Het is de Freule Van Sonheuvel, en die deftige Heer, die achter haar staat, is de Ambtman Mom, die eerstdaags met haar trouwen zal. Ik ben zelf op de partijen genoodigd; men zegt: het staat haar maar half aan, een man te trouwen, die zooveel ouder is; doch zijn jaren zijn de ware reden niet van haar tegenzin: ik heb zelf van goederhand gehoord, dat de Baron een knaap had opgevoed, wien zij liefgekregen had en met wien zij had willen doorgaan."
"Dat is niet waar," riep de ander uit, terwijl zijn oogen fonkelden en zijn hand het gevest van zijn degen greep. Bleiswyk, die de reden van dit opvliegen niet bevroedde, trad eenigszins verzet achteruit, doch herstelde zich spoedig.
"Wat drommel gaat het u aan?" zeide hij: "maak u om die Freule niet dik; zij gaat toch met een ander in 't schuitje."
"Geen beleedigingen meer!" zeide Joan (want niemand anders was de onbekende jongeling) en hief de vuist op om den onbedachtzamen Jonker op eene gevoelige wijze zijn misnoegen te toonen, toen een algemeene kreet van: _ruim baan! ruim baan! daar komt hij! daar is hij!_ de menigte uiteen deed stuiven en hem van zijn tegenpartij afdrong. Alras vertoonde zich nu een vendel schutters, 'twelk de noodige ruimte op het Binnenhof maakte voor den optocht, die volgde. De trein werd geopend door twee hellebaardiers, die den Schout en Burgemeesteren begeleidden; op dezen volgden de Procureur-Generaal, de Raadpensionaris en de Leden van den Provincialen Hove. Na dezen kwamen wederom eenige burgers en vervolgens het voorname doel van het gejuich der menigte, het voorwerp van het luid opstijgend hoezee en verdoovend handgeklap, de Hofbeer, met bloemen opgeschikt als een paaschlam en statig voortkuierende (zoo statig als het een varken mogelijk is) tusschen twee Boden van de Utrechtsche Magistraat, die de twee einden vasthielden van een sierlijk lint, dat aan den hals van het beest vastgestrikt was; doch dit was slechts _pro forma_! want degene, die de gangen van het varken werkelijk bestuurde, was een kloek landman, zindelijk naar zijn stand gekleed; deze was de voormalige eigenaar van het beest en Joan herkende alras in hem zijn gullen gastheer Gheryt Maessen. Nadat de trein, die door eenige burgers gesloten werd, het Binnenhof was rondgewandeld, geschiedde de overdracht, daarin bestaande, dat de Utrechtsche Boden de einden van het lint, die zij vasthielden, aan de Boden van den Hove overgaven. Nadat dit geschied was, bond men het dier aan den daartoe bestemden paal vast en ging de optocht ter zijde, om plaats te maken voor de doorluchtige toeschouwers, die het vette dier van dichtbij bezien kwamen. De Vorsten vertoonden zich al spoedig op het Binnenhof, van een aanzienlijken stoet hofjonkers en dames vergezeld; dan hun nadering scheen weinig indruk op den onhoffelijken Hofbeer te maken, die tegen den Stadhouder knorde, aan Z. M. van Bohemen de tanden wees, en aan de Gravin van Nassau den rug toedraaide met groote blijken van ongeduld. Dan, toen het trompetgeschal nogmaals herhaald werd, scheen het varken gramstorig te worden en eindelijk te begrijpen, dat het een voor hem zeer vernederende rol speelde, waarop het met hevigheid een zijsprong nemende, het touw ('t geen, als Bleiswyk verhaald had, den ijzeren ketting en ring vervangen had), losrukte en, zonder aanzien des persoons, op de doorluchte toeschouwers aansnelde. Men beseft lichtelijk, welk een verwarring door dien onverwachten misslag van den slecht onderwezen Hofbeer ontstond: de adel vloog op zijde en tusschen het gemeen in: de Raadsheeren trapten in 't vluchten op hun tabbaarden en rolden onder de schutters: 't gemeen vluchtte de hoftrappen op: de mannen schreeuwden: de dames gilden: de jongens lachten of raapten steenen op om er het varken mede te smijten: enkele onverschrokken lieden poogden den beer te keeren; doch het varken, door geen tegenstand afgeschrikt, liep twee of drie menschen onder den voet en juist op de Freule Van Sonheuvel aan, die waarschijnlijk mede door het woedende dier ware vertrapt geweest, ware niet haar trouwe minnaar nabij haar geweest. Joan was, toen het dier losbrak, dadelijk tot bescherming zijner geliefde toegesneld: hij wierp zich snel als de wind op het dier en greep het bij de ooren met zooveel kracht, dat het stilstond en weldra door Maessen en anderen, die toegeschoten waren, in bedwang gehouden werd.
"Ulrica! mijn kind!" schreeuwde de Baron, naar zijn doodsbleeke dochter toesnellende: "zijt gij gewond?"
"Het is niets, mijn vader!" antwoordde zij, met een gebroken stem: "laten wij van hier gaan."--Deze woorden uitsprekende, zocht zij half buiten haar zelve, den arm haars vaders te nemen; doch zij miste haar greep en zou ter aarde gestort zijn, had niet Joan haar opgevangen.
"Duizend kanonnen!" riep de Baron; "hij ook hier!"
"Had ik geweten, Heer Baron!" zeide Joan, de oogen nederslaande, "dat ik UEd. hier ontmoeten zoude, ik had UEd. mijn tegenwoordigheid gespaard; schoon ik mij jegens UEd. niets te verwijten heb."
"Met uw verlof," zeide Mom, hem naderende en Ulrica den arm biedende: "ik zal wel voor de Freule zorgen."
"UEd. had zulks wat vroeger moeten doen," zeide Joan eenigszins geraakt, en, den hoed aflichtende, maakte hij een statige buiging voor den Baron, waarna hij zich buiten den kring begaf en met een haastigen tred het Binnenhof verliet. Nauwelijks was hij echter op het Buitenhof gekomen, met oogmerk om zich naar de huizinge van Brandwijk te begeven en daar de terugkomst van Frederik Hendrik af te wachten, toen hij door iemand achterhaald werd, die hem op den schouder tikte en zich voor den Jonker van Bleiswyk herkennen deed.
"Verschoon mij," zeide deze: "Ik ben zooeven wat van u afgeraakt; echter niet zoo ver, of ik ben ooggetuige geweest van uw heldendaad. Mag ik nu vernemen, welke betrekking er bestaat tusschen UEd. en de Freule, wier partij UEd. zoo hevig genomen hebt, _re et verbis_, als de geleerden zeggen."
"Vermoedelijk wilt gij dit alleen weten," hernam Joan, hem met een toornigen blik aanziende, "om het hedenavond te kunnen rondvertellen, en er bij te voegen, dat gij het van goederhand vernomen hebt."
"Misschien wel" hernam Bleiswyk lachende: "nieuwsgierigheid is mijn zwak."
"En mijn zwak is," zeide Joan, "geen onbeschaamdheid te dulden: ik zou u dus raden mij alleen te laten, of het kan u slecht bekomen."
Deze taal geuit hebbende, sloeg hij de hand aan zijn degen: doch Bleiswyk, hem tegenhoudende, nam beleefdelijk den hoed af en verzocht hem, geen rumoer op straat te maken. "Zoo 't UEd. gelieft, uw behendigheid tegen de mijne te meten," vervolgde hij, "zoo vindt gij mij tot uw dienst bereid; doch laten wij dan naar het Bosch gaan, daar kunnen wij elkander gevoeglijk een lating geven: ik wil daar met UEd. vechten tot den middag, mits ik naderhand uw geschiedenis maar verneme."
"Ha! dat is te veel!" riep Joan. "Ik volg u terstond."
"Met verlof!" riep een barsche stem achter hem: "dat zal nu niet gebeuren. Dienaars, treedt voor."
"Houdt! wat!" zeide Bleiswyk, zich omkeerende, tegen den Fiskaal, die degene was, welke gesproken had: "UEd. legt het er vandaag op toe, om mij in mijn vermaken te storen."
"Zwijg Jonker!" hernam de Fiskaal: "uw aardigheden zijn thans hoogst ongepast. Mijnheer!" vervolgde hij, zich tot Joan wendende: "gij zijt mijn gevangene: uw degen, als 't u gelieft."
"In geenen deele," zeide Bleiswyk, terwijl hij Joan, die den Fiskaal verbaasd aanzag, bij de hand nam: "wat is dat voor een malle grap? ik zal niet dulden, dat een wakker gezel als deze edelman, door diefleiders achteraf gebracht worde."
"Jonker Van Bleiswyk!" hernam de Fiskaal met een ontzaggebiedende stem: "gij, die zooveel weet, weet gij niet, dat hij, die schuldigen aan hoogverraad aan de Justitie onttrekken wil, zelf aan hoogverraad schuldig wordt?"
"Aan hoogverraad!" zeide Bleiswyk, de armen latende vallen en de oogen half sluitende, terwijl hij op een theatralen toon declameerde:
"Waar is zoo verre een plaats, zoo woest een wildernis, Die voor u, o mijn zoon! een zekere schuilhoek is?" [53]
"Aan hoogverraad!" herhaalde Joan, met verbazing: "wat is mijn misdaad?"
"Die zal nader onderzocht worden," antwoordde de Fiskaal: "geef uw degen over en volg mij. Ik zie u niet voor onwillig aan, anders liet ik u knevelen, dat gij niet gaan kondet."
"Dat zou zeker de beste manier zijn om iemand te doen voortmarcheeren," merkte Bleiswyk aan, die nooit zijn blijgeestigheid verloor. "Mijn goede vriend," vervolgde hij tegen Joan: "of liever mijn mislukte vijand! Ik ruilde graag mijn nieuwen hoed tegen de smerige kalot van Ds. Lamotius, dat ik u niet in zulke handen liet. De Gevangenpoort is voorzeker geen vermakelijk verblijf; althans daarin komen al wie er gezeten hebben overeen: ik zelf heb er nooit gelogeerd; anders...."
"Zoo UEd. niet verkiest te zwijgen, zal ik u die ondervinding bezorgen," zeide de Fiskaal.
"Boe! boe! ik ga al heen," riep de onverbeterlijke snapper uit: "ik ga al heen, wees maar niet boos!"
Dit zeggende, verwijderde hij zich eenige stappen; doch terstond wederkeerende, greep hij Joan, die tusschen de twee dienaren in stond, bij de hand en zeide hem met drift, ja met gevoel: "vaarwel, Mijnheer! En zoo ge iets behoeft of verlangt, laat het dan maar weten bij Willem Van Bleiswyk, in 't Voorhout, die u helpen zal, waar hij kan en mag, ja, al mag hij niet."
Na het uiten dezer woorden draaide hij zich om en snelde als een pijl uit een boog weder naar het Binnenhof om te vertellen aan ieder die 't hooren wilde, hoe de redder der Freule Van Sonheuvel wegens hoogverraad was vastgezet.
"Lichtzinnig, maar goedhartig," zeide Joan, hem naoogende. "Heer Fiskaal! ik volg u waar het wezen moet: breng mij waar gij wilt. Sedert lang is mijn verblijf mij onverschillig."
"Wij zullen niet ver gaan," zeide de Fiskaal: "Mijnheer! hier is uw weg."
Dit zeggende, toonde de Fiskaal aan Joan den ingang van den kerker boven de Gevangenpoort, waar zij zich voor bevonden.
De gevangene kon de huivering niet bedwingen, die hem beving, toen hij, ingetreden zijnde, de zware deur achter zich hoorde toesluiten en de ijzeren grendels vastschuiven; daar hij zichzelven echter geen kwaad bewust was en nog altijd hoopte, dat een bloot misverstand tot zijn gevangenneming had aanleiding gegeven, herkreeg hij weldra zijn vorigen moed en volgde onbeschroomd zijn geleider. De cipier, of gelijk men toen nog zeide stokbewaarder, bracht zijn gasten in een vrij ruim vertrek, hetwelk voor het verhooren was ingericht en welks wanden versierd waren met de bevallige stoffage van allerlei soorten van boeien, kettingen, straf- en foltertuigen, blokken, schroeven enz., benevens eenige prenten en een paar oude schilderijen, beruchte strafoefeningen voorstellende, en andere voorwerpen, alle bestemd en geschikt om een akeligen indruk te maken op het gemoed van al wie tegen zijn wil die plaats betrad. Achter een soort van balie waren, gelijk aan Joan naderhand bleek, twee Gecommitteerden van den Hove gezeten, bezig met het verhoor van een gevangene, die met den rug naar de binnenkomenden gewend stond en wiens antwoorden de Griffier, die aan een bijzonder tafeltje gezeten was, vlijtig opteekende.
"Mijne Heeren!" zeide Van Kinschot bij 't inkomen: "hier is de man, in quaestie."
"Één oogenblik slechts, Heer Fiskaal!" zeide een der Gecommitteerden, een dik, log mannetje, wiens lomp en opgezet gelaat van verwaandheid en trotschheid glom: "wij hebben met dezen zoo dadelijk afgedaan."
De Fiskaal zette zich en Joan bleef tusschen twee dienaars staan, niet ontevreden over dit oogenblik respijt, hetwelk hem veroorloofde zijn toestand een wijl te overdenken en zich voor te bereiden, zoo op de vragen, die hem gedaan zouden kunnen worden, als op de wijze, waarop hij antwoorden moest.
"Gij blijft dus bij uw hardnekkige ontkentenis van sedert uw terugkomst hier te lande eenige predikatie gedaan of Arminiaansche vergadering bijgewoond te hebben?" vroeg de Raadsheer, die zooeven gesproken had, den gevangene.
"Ik blijf dit ontkennen," antwoordde deze, met een vaste stem, welke aan Joan niet onbekend voorkwam.
"Vriendje! vriendje!" hernam de Raadsheer, het hoofd schuddende: "Ik zou u raden, liever te bekennen: het kon anders slecht met u afloopen. Hebt gij het hok gezien, waar Bysterus en Lindenius in gezeten hebben, die even koppig waren als gij?"
"God is mijn getuige, dat ik alleen de waarheid spreek," zeide de gevangene.
"Wat doet des Heeren naam," vroeg de Raadsheer, "in den mond van een schelm als gij, die gelooft dat een kind voor zijn geboorte al verdoemd is?"
"Dat is _ons_ geloof niet," antwoordde de gevangene, die een Remonstrant was, verbaasd over des Raadheers onkunde: "UEd. Achtbare meent...."
"Wil je 't mij leeren, vlegel?" bromde de gewichtige man: "heb ik den _gepraedestineerden_ dief niet gelezen, en heeft dat geen Arminiaan als jij geschreven?"
"UEd. Achtbare gelieve op te merken," hernam de Remonstrant, "dat dit werkje Slatii, met wiens gevoelens ik daarenboven geenszins overeenstemme, alleen _ironice_ geschreven is, en er dus...."
"_Erotice!_" hernam de Raadsheer: "wat rammel je? ik heb er niets verliefds in gezien: kort en goed: dit kan ik je zeggen: overmorgen wordt je sententie gelezen: voor je leven naar Loevestein, zoo ik iets in te brengen heb: daar zal je _mores_ leeren: onze haan kraait koning! wij zijn 't vet, wij drijven boven."
"Dan zijt gijlieden 't schuim," viel de gevangene in, "dat drijft boven 't vet."
"Onbeschaamde vlegel!" riep de Raadsheer, heftig op de tafel slaande: "is het aan uw Rechter, dat gij zulke antwoorden geven durft!"