De Pleegzoon

Chapter 36

Chapter 363,864 wordsPublic domain

"Het was daarom, dat ik besloot, mijn uiterste pogingen daarheen te leiden, om, tegen den tijd, waarin het bestuur mij werd opgedragen, het Gemeenebest, zooveel in mij was, van ontevredene en twistzoekende geesten te zuiveren: en tot bereiking van dit oogmerk schreef ik mij een weg voor, welke ik tot heden toe zonder afwijkingen bewandeld heb. De partij der Remonstranten openlijk te kiezen, streed zoowel tegen mijn gevoelens als tegen mijn inzichten: van een anderen kant wilde ik haar niet tot radeloosheid gebracht zien, uit vrees eener noodlottige uitbarsting: ik begreep dus in 't openbaar de Contra-Remonstranten te moeten voorstaan, en in 't geheim hun tegenstanders zooveel ondersteuning te bieden, als noodig is om hen voor volstrekte armoede en daaruit voortkomende wanhoop te bewaren. Zoolang mijn moeder leefde, werden die giften als uit haren naam uitgedeeld; doch na haar dood zag ik mij verplicht andere middelen te kiezen, om mijn oogmerken te bereiken. Ik openbaarde dus mijn geheim aan eenige weinigen, op wier trouw ik mij, als op de uwe, verlaat. Door hunnen invloed en het door mij verstrekte goud is aan menigen Remonstrant de gelegenheid bewaard gebleven, om op gezette tijden onverhinderd zijn godsdienstoefeningen te blijven houden: de verstandigste onder hun tegenstanders beginnen aan die vergadering zich reeds te gewennen en zelfs de heethoofden achten het onnoodig, die met geweld te verstoren: de haat en vervolgingen beginnen te verflauwen: de bezadigdheid en zucht naar rust winnen hoe langer hoe meer veld: de gebannen of afgezette Predikanten zien betere tijden te gemoet, leeren geduld oefenen en zich een onderdrukking getroosten, die niet lang meer duren kan: ja, de Regeering zelve vermindert haar gestrengheid, ziet met oogluiking aan wat zij beletten kon, is minder ijverig in het vastzetten en verbannen, laat zorgeloos haar gevangenen ontsnappen en draalt in hen te achterhalen: in één woord, alles bevestigt mij in 't denkbeeld, dat de tijd niet ver af is, wanneer haat en tweedracht uit dit Gemeenebest verbannen zullen worden en regenten en burgerij zich weder als voorheen zullen beijveren, om, met aflegging van onderlingen wrok, hun pogingen alleen aan te wenden tot verdediging van den lande en tot beschaming der vijandelijke machten."

Hier zweeg Frederik Hendrik; maar nog een geruimen tijd bleef hij in dezelfde houding zitten, en zijn groote, vriendelijke oogen, waarin zijn menschlievende en waarlijk edele ziel geheel leesbaar was, flikkerden van tevredenheid over het schoon verschiet, 't welk hij zich in de toekomst voorspelde.

"Ik bewonder de wijsheid, welke uitblinkt in al de daden Uwer Doorl.," zeide Ludwig: "hoe gaarne zou ik wenschen, dat de hoop, welke Uwe Doorl. streelt, eenmaal vervuld mocht worden; dan, helaas! daar is, thans, naar mijn oordeel weinig kans op."

"Hoe dan!" riep de Graaf uit: "wat doet u vreezen?"

"Het nieuwe decreet, dat eerlang genomen zal worden," antwoordde Ludwig: "waarbij de plakkaten tegen de Arminianen versterking ontvangen: men zegt dat zelfs op het herbergen, ja op het ondersteunen alleen van een Remonstrant, eeuwige ballingschap zal gesteld worden."

"Wie heeft u die zotheid in 't hoofd gebracht?" vroeg Frederik Hendrik, veinzende een gezegde in den wind te slaan, dat hem innerlijk verontrustte.

"De commies van den Procureur-Generaal. Het is een zaak, naar men zegt, beklonken tusschen den Heer Raadpensionaris, den Heer Procureur-Generaal, den Heer van Sommelsdyk, en een paar razende Predikanten: ook is mij verhaald, dat daartoe aanleiding gegeven hebben de oproerige en woeste conventikelen, welke onlangs, ja zelfs hier ter stede, onder de Arminianen gehouden zijn."

"Wat gij zegt!" hernam de Graaf op denzelfden toon als te voren.

"Uwe Doorl. zal aan de uitkomst kunnen beoordeelen, of ik al dan niet waarheid heb gesproken. Dit is zeker, dat er ten huize van een kastelein alhier, wien ik niet noemen mag, wat al te grove dingen gepredikt zijn."

"Praatjes!" riep Frederik Hendrik met een gemaakten glimlach.

"Ik heb iemand gesproken, die 't zelf gehoord heeft, den jongen Bleiswyk, die overal met den neus bij is; die heeft het mij verteld."

"Zoo!--Nu, ik wenschte wel zulk een oproerige vergadering eens bij te wonen. Dat moet er al zonderling toegaan."

"Niets is gemakkelijker: ik neem aan, Uwe Doorl. naar een bijeenkomst te geleiden, waar niemand haar kennen zal."

"Ik zou bijkans trek gevoelen om u aan uw woord te houden," zeide Frederik Hendrik: "indien ik niet begreep aan mijn waardigheid te kort te doen, door uw voorstel aan te nemen."

"En ik," zeide Ludwig, met een buiging, "zou Uwe Doorl. sterk aanraden zulks te doen. Het zou Uwe Doorl. voor eeuwig van alle vooringenomenheid met de Arminianen genezen."

"Wij zullen zien," hervatte de Graaf, lachende: "doch het wordt mijn tijd. Zijne Hoogheid wacht mij voor de laatste onderhandeling: met de Spaansche gezanten: wellicht hoor ik nog iets van dat nieuwe decreet. Tot wederziens."--Dit zeggende, wilde hij vertrekken.

"Met verlof!" zeide Ludwig: "Uwe Doorl. weet wel, dat zij den brief der Remonstrantsche Directeuren bij zich gestoken heeft. Zal ik daar geen kopie van houden?"

Zonder te antwoorden, trad de Graaf toe, leide den brief op tafel en vertrok.

Alleen gebleven zijnde, haastte zich de Secretaris, van dien brief een dubbele kopie te maken, waarvan hij de eene bij de papieren zijns meesters voegde, en de andere een geruimen tijd in de hand hield, als besluiteloos, wat er mede te verrichten. Eindelijk rukte hij een verborgen lade uit de schrijftafel, schoof de kopie er haastig in en begon eenige andere schriften en papieren, welke in die lade gelegen waren, te lezen, zonder die er uit te nemen, ze met beide handen vasthoudende, ten einde ze bij de minste stoornis te kunnen inschuiven. Na deze verrichting sloot hij de lade weder en wandelde in hevigen gemoedsangst de kamer op en neder, somtijds de zweetdroppelen afvegende, die langs zijn wangen liepen. "Ben ik geen groote gek?" vroeg hij zichzelven: "en den hond gelijk, die zijn prooi voor den schijn in 't water vallen liet? En echter, een post als die van Pensionaris!.... of een kop korter!.... kom! kom! ik ben te ver gegaan om kinderachtig te worden."

Een bode kwam zijn verdere overdenking storen, door hem een onbekende vrouw aan te melden, welke den Heer Secretaris verlangde te spreken.

"Een onbekende vrouw!" mompelde Ludwig: "hm! hm! zeker weder de eene of andere onbestorven Arminiaansche weêuw. Laat zij komen."

De bode verliet het vertrek en leidde, terugkeerende, een vrouw binnen, van een groote en deftige gestalte, doch geheel onder haar huif bedekt: vervolgens, een stoel gezet hebbende, vertrok hij.

"Wat is er van uw dienst, vrouwtje?" vroeg Ludwig, haar een teeken gevende om te gaan zitten.

"Kent gij mij niet meer, Ludwig?" vroeg de kamenier der Freule Van Sonheuvel, haar huif oplichtende en op hem een vriendelijker blik werpende, dan waarmede zij gewoon was iemand te verwaardigen.

"Moeder!" riep Ludwig, een stap achteruittredende.

"Stil!" hernam Magdalena: "dien naam mag ik niet hooren.... en toch! waarom treedt gij terug op mijn gezicht? waarom vind ik u zoo koud na een zoo lange afwezigheid? Bemint mijn zoon mij niet meer?"

"Kunt gij daaraan twijfelen?" vroeg Ludwig, haar de hand kussende: "doch uw plotselinge verschijning verraste mij:--hoe onvoorzichtig! indien iemand u hier zag...."

"Dan zoudt gij u schamen, nietwaar, dat men u in een vertrouwelijk gesprek zag met de kamenier der Freule Van Sonheuvel?--Zoek u niet te verontschuldigen: ik ken sedert lang dat ijskoud hart, hetwelk zich alleen voor het eigenbelang opent: ik weet, dat gij u zelven tot het eenige doel maakt van al uw wenschen, verwachtingen en handelingen."

"Integendeel, moeder: ik ben verheugd u zoo wel geplaatst te zien."

Eene hevige verontwaardiging deed, bij 't hooren dezer woorden, de kaken van Magdalena gloeien, en haar oogen wierpen vlammende, toornige blikken op haar ongevoeligen zoon. "Ellendige belangzoeker!" zeide zij: "waarover verheugt gij u? Dat de dochter des Graven van Wertheim in den lagen en verachtelijken stand van dienstbode verkeert?--of dat gij, nu zij voor haar onderhoud niet meer bekommerd is, ontslagen zijt van den plicht, die op u rustte, en waarvan gij u altijd zoo slecht gekweten hebt, om haar het dagelijksch brood te schenken? Wee mij! de vloek mijner moeder drukt mij zwaar op 't hoofd, nu ik door mijn eigen zoon, voor wiens welzijn ik zooveel heb uitgestaan, veracht en verstooten worde."

"Ik zie geen reden om zoo heftig in drift te geraken," zeide Ludwig, ongeduldig op zijn pen knauwende: "gij hebt u immers over niets te beklagen? dat gij kamenier zijt geworden is uw eigen verkiezing geweest: dat ik u niet meer geld zond, toen gij nooddruft leedt, is mijn schuld niet: men wist nooit waar gij u bevondt, en ik zelf had niet veel te geven, daar ik de grootste helft mijner verdiensten voor de goede zaak heb opgeofferd. En wat de weldaden betreft, die ik van u zou genoten hebben, ik beken dat ik werk heb, die te ontdekken. Ik ben u weinig verschuldigd, die mij als een basterd de wereld hebt ingestuurd, om een leven vol zorg en kommer te leiden."

De ongelukkige moeder wilde antwoorden; doch de koude, gevoellooze taal haars zoons deed de stem haar in den gorgel stikken, en voor het eerst, na lange jaren, berstte zij, de hooghartige vrouw, in tranen uit.

"Ween niet, moeder!" zeide Ludwig, haar naderende, schoon zij hem terugstootte: "ween niet en vergeef mij mijn harde woorden: ik zou die nooit gebruikt hebben, zoo uw verwijtingen ze niet hadden uitgelokt. Ween niet en vergeef mij wat ik in drift gezegd heb. Ik weet, dat gij mij bemint en uw zorg mij nooit hebt onttrokken, ook toen ik in vreemde handen mijn opvoeding genoot en mijn eigen loopbaan volgen moest. Laat ik die tranen afdrogen en herken uwen Ludwig nog."

Welke moeder wederstaat de smeekingen van haar zoon, ook op het oogenblik dat hij haar hart verscheurd heeft? Magdalena weerde den boetwaardige af; doch met mindere strengheid: en zich herstellende, sprak zij:

"Ik dacht, Ludwig! dat ik geen tranen meer had, en echter zie ik dat gij die nog kunt doen vlieten. Ondankbare! gij zegt, dat gij mij niets verschuldigd zijt? en wie anders, dan ik, heeft u bij de Gravin van Nassau geplaatst, wier voorspraak u naderhand tot hoogere posten heeft doen geraken? wie anders, dan ik, heeft u, te midden van ketters, voor 't ware geloof doen leven? wie anders deed u de heilige bestemming erlangen om, in dit vijandig land, de eer te genieten van uwen geloofsgenooten ten dienst te staan? wie zal de eerste oorzaak genoemd worden, dat gij eenmaal, wanneer de dierbare Moederkerk hier zegepraalt, tot de hoogste waardigheden geroepen, den dank van allen zult ontvangen, als de man, aan wien Rome en Spanje het meest verschuldigd zijn!"

"Ik wil u niet weder bedroeven, moeder!" zeide de Secretaris, op den minzaamsten toon; "doch waarlijk, ik beschouw het als zulk een groot geluk niet, dat ik, mijn gansche leven door, de weinig geachte rol van verspieder spelen moet, en hen gedurig bedriegen, die mij de meeste gunst bewijzen."

"Wijt dit aan de omstandigheden, die ons de list tot plicht hebben voorgeschreven, en niet aan mij," antwoordde zijn moeder. "Noodzakelijkheid drijft u en mij."

"Ik stem u dit toe," zeide Ludwig: "doch," vervolgde hij met een flauwe stem: "was het ook noodzakelijkheid, toen ik, om aan de bijzondere wraak van Pater Eugenio te voldoen, den jeugdigen Graaf van Falckestein, den oudsten zoon mijner weldoenster, aan het staal der moordenaren opofferde?"

Magdalena zweeg en zag zuchtende voor zich.

"Was het ook noodzakelijkheid," vervolgde hij, "dat ik in dit afschuwelijk eedverbond tegen uw meester, den Baron Van Sonheuvel, heb moeten treden, ten gevalle van dienzelfden vervloekten Jezuïet?"

"Zwijg stil om Godes wil," zeide Magdalena, hem snel de hand op den mond leggende: "gij weet niet wien gij vloekt."

"Ik weet zeer wel," hernam hij, "dat ik van eenen, in uw oogen eerwaardigen man spreek, aan wiens leiding en bevelen gij mij gelast hebt, onbepaald gehoor te geven, en die mij eens een plaatsje op het rad aan zijn zijde bezorgen zal. Ik weet wat zijne, en, vergeef mij, wat uwe inzichten zijn. Dan reeds al te lang ben ik hem gehoorzaam geweest, zonder andere vrucht voor mijzelven dan onrust hier," de hand op het hart leggende, "en vrij twijfelachtige verwachtingen in de toekomst."

"Onrust!" herhaalde Magdalena verbaasd: "wat kan u ontrusten, wanneer gij voor uw Kerk en uw wettige Vorsten uw plicht volbrengt? of zoudt gij thans, om eenig gewin en zekerheid voor u zelven, de partij, waaraan gij zoolang zijt getrouw geweest, verraden, en een plasdank bij uw kettersche meesters af gaan bedelen?"

"Ik weet het niet," antwoordde haar zoon, terwijl hij zuchtende de schouders optrok: "Ik kan zelf niet beoordeelen, wat in de tegenwoordige omstandigheden voor mij het beste zou zijn."

"O!" zeide Magdalena, "die beslissing kan u niet zwaar vallen. Wanneer gij alles met den maatstaf uwer baatzuchtige inzichten afmeet, dan moet gij u haasten, al de opofferingen, welke gij tot heden toe gedaan hebt, al de vruchten van uw tot nog toe verrichten arbeid, als nutteloos en nietig te vergeten en uw geloofsgenooten, met al die tot ons verheven doel werkzaam waren, bij uw meesters te gaan verraden. Want, is de hooge belooning, die Spanje en Rome u schenken zouden, nog onzeker, de bloedprijs voor het overleveren onzer bondgenooten kan u niet ontgaan."

"Overleg eens ernstig, lieve moeder! in welk geval ik het meest den naam van verrader verdien."

"Kortzichtige! die uw plicht alleen met de oogen des vleesches beschouwt, en die geen andere vierschaar kent, waar onze daden beoordeeld worden, dan de denkwijze van 't algemeen. En acht gij dan het misnoegen niet van Hem, wiens wijsheid u tot het heerlijk werk der verlossing heeft verkoren? en acht gij den vloek uwer moeder niet, die op uw schedel dalen zoude, indien uw dagen door afval geteekend werden? Zie deze haren, mijn zoon! die vóór den tijd vergrijsd zijn geworden, zult gij ze met schande bedekken of met eere kronen?--Het hangt van u af, van u alleen. O mijn Ludwig! toen ik u, nog een teedere knaap, uit mijn gezicht verwijderde en in vreemde handen overgaf, toen smeekte ik den Hemel, dat hij in u den held zou kiezen, die te midden der ketters zijn geloofsgenooten dienen mocht. Toen waande ik, verblinde, dat gij eenmaal het werktuig wezen zoudt, dat deze heerlijke, maar verdoolde gewesten onder den staf des eenigen Herders terug moest brengen. Toen streelde een, misschien zondige, hoogmoed mijn ziel, dat ik eenmaal uwen naam als dien van Romes getrouwsten en ijverigsten dienaar zou hooren prijzen. Helaas! hoe fel worde ik gestraft voor dien vermetelen waan! Hoe weinig beantwoordt gij aan de heerlijke vooruitzichten, welke mij uw daden in den beginne beloofden ... dan genoeg! ik lees in het ongeduld, dat zich in al uw trekken vertoont, de bekrompenheid uwer ziel. Welaan dan, ik wil, u ten gevalle, alles uit een bloot menschelijk oogpunt beschouwen: dan nog vordert uw eer, ja uw belang, dat gij niet afwijkt van den eenmaal ingeslagen weg. Want, stel eens, dat gij aan den trotschen dwingeland of aan zijn flauwhartigen broeder onze geheimen verraadt: wat zal dan uw volgend lot wezen? waar zult gij het goud, den prijs uwer schande, gaan verteren? In al die landen, waar het zuivere licht der waarheid straalt, zou uw leven niet veilig zijn, en bij hen, wier kettersche gunst u beloonen moest, zult gij, als een verspieder, veracht en geschuwd worden. Waar gij u zult willen nederzetten, overal zullen vloek, haat en verfoeiing uw deel zijn, en met Kaïns merk op het voorhoofd zult gij, ellendig, vervolgd en ontweken, als banneling op aarde moeten rondzwerven, totdat gij eindelijk met den vloek der wereld beladen, in het graf een schuilplaats zoeken zult, die u nog voor den toorn des Eeuwigen niet bevrijden kan."

"Na al hetgeen ik reeds gedaan heb," zeide de geheimschrijver op den bedaardsten toon der wereld, "verdien ik zooveel gestrengheid niet. Wees gerust, moeder! ik zal geen besluit nemen dat u bedroeven zou; doch niemand misprijze het, indien ik mijn daden door voorzichtigheid besturen laat. Vergeten wij al het over en weder gezegde, en laten wij voortaan in onze gesprekken geen anderen toon voeren, dan dien, welke onze nauwe betrekking voegt."

"Dat zal van uw gedragingen afhangen," zeide Magdalena, en stak hem tot verzoeningsteeken haar hand toe, welke hij kuste. Op dit oogenblik trad de bode binnen en meldde een vreemdeling aan.

"Laat hij een oogenblik vertoeven," zeide Ludwig.--"Welnu, moeder!" vervolgde hij, na het vertrek des bedienden: "hebt gij nog iets te bevelen? Gij ziet, dat mijn oogenblikken mij niet toebehooren."

"Dit pakket," zeide Magdalena, een dik pak uit haar boezem te voorschijn halende, "moet aan den Kanselier bezorgd worden. Het bevat rapporten van onderscheidene geloofsgenooten over den staat van zaken hier te lande."

"Het zal bezorgd worden," hernam Ludwig, het pakket aannemende: "ik moet de gezanten toch nog spreken vóór hun vertrek uit Den Haag."

"En deze brief," vervolgde zij, "is voor den Veldheer Spinola."

"Waarschijnlijk van den Ambtman," hernam hij: "ja, ik herken die hand. 't Is wel: ik hoop slechts, dat ik hem te zien zal krijgen. Is er nog iets?"

Magdalena beantwoordde deze vraag ontkennend, drukte hem de hand, trok haar falie weder over 't gezicht en verwijderde zich; waarna Ludwig, de brieven zorgvuldig verborgen hebbende, den bode riep en hem gelastte, den vreemdeling binnen te laten.

"Ik heb daar een zwaren post gehad," mompelde hij bij zichzelven, terwijl hij het nieuwe bezoek verwachtte; "nu, alles zal afhangen van mijn gesprek met de gezanten. Praatjes helpen niet meer. Ik moet zekerheid hebben!--Wat verlangt UEd.!" vervolgde hij overluid, zich tot een jongeling wendende, die, eenvoudig doch smaakvol gekleed, binnentrad.

"Mijn boodschap was eigenlijk aan Zijne Doorl. in persoon gericht," zeide de vreemdeling, "doch, daar UEd., naar ik verneme, de vertrouwde geheimschrijver Zijner Doorl. zijt, geloof ik, mij van mijn plicht genoegzaam te kwijten door mijn boodschap aan UEd. te doen."

"Zooals UEd. verkiest; wat ik ontvang, ontvangt Zijne Doorluchtigheid."

Terwijl de andere zijn buis ontknoopte om de daarin verborgene papieren voor den dag te halen, en de Secretaris opgerezen was om die te ontvangen, zagen beiden elkander gedurig steelswijze aan; want beiden herinnerden zich, elkander meer gezien te hebben; doch waar en wanneer, dit wisten zij zich niet zoo oogenblikkelijk te binnen te brengen.

"Ik ben uit Den Bosch gekomen," zeide de onbekende, eenige brieven voor den dag halende.

"Uit Den Bosch," zeide Ludwig haastig: "ga zitten: schuif wat naderbij, als 't u belieft. Gij komt toch niet van.... van, gij weet wel wien...." Dit zeggende, zag hij hem scherp in 't gezicht, als wilde hij de aanvulling van den volzin aan den vreemdeling overlaten, wien hij voor een der medegenooten van Pater Eugenio hield.

"Ja, ik weet zeer wel van wien ik kom," antwoordde de ander, op een toon, die Ludwigs vermoeden versterkte.

"Van den zwarten vos misschien?" zeide Ludwig, den Jezuïet bedoelende.

"Ik geloof van ja," antwoordde de vreemdeling, die in den waan verkeerde, dat de geheimschrijver een der verbannen Predikanten bedoelde.

"Ik had mij gevleid," hernam Ludwig, fluisterend, "dat hij zelf hier zou komen snuffelen."

"Hij zou er wel op passen," zeide de ander: "hij zou hier slecht ontvangen worden."

"Als gij denkt, dat hem zulks zoude afschrikken, dan kent gij den Pater niet. Doch, wat mij verwondert," vervolgde Ludwig, wiens vermoedens op dit oogenblik tot zekerheid oversloegen, "is dat hij den pleegzoon van den Baron Van Sonheuvel tot zijn zendeling uitkipt."

"Met uw verlof," zeide Joan, die van zijn kant den geheimschrijver herkende: "ik heb wel eens zendelingen zien uitkiezen, waarop men minder reden had van te vertrouwen.... ik geloof, dat ik vroeger de eer had, u te ontmoeten."

"Verheugd u weer te zien," zeide Ludwig, zich buigende: "doch hoe duivel komt Pater Eugenio....? ik vat er niets van."

"Gij kent Pater Eugenio?" hernam Joan verbaasd: "doch waarover verwonder ik mij? Nu ik mij wel herinner, uw brief indertijd aan Klaas Meinertz gezonden.... de kennis, die gij aan mijn geboorte hadt.... ik geloof, dat u meer zaken bekend zijn, dan menig ander."

"Ik ken Don Diego de Velasco, en dit moet u genoeg zijn om mij al die berichten mede te deelen, welke gij geraden oordeelt."

"Is mijn nieuwe naam reeds herwaarts overgewaaid?" vroeg Joan: "doch gij kendet dien sedert lang. Welnu, mijn boodschap is zeer eenvoudig en zal geen lang betoog behoeven. Dit pakket vervat ettelijke brieven, alsook een paar handschriften van de Remonstrantsche ballingen, die zich thans in Brabant bevinden, en aan Zijne Doorl. Graaf Frederik Hendrik toegezonden, om daarmede naar goedvinden te handelen. Gemelde Heeren waren van oordeel, dat niets de oprechtheid hunner bedoelingen meer zou aantoonen, dan wanneer zij hun zaak in handen stelden van zulk een voornamen en onpartijdigen Vorst als Zijne Doorluchtigheid."

"Aha!" zeide Ludwig: "gij komt dus van de Remonstrantsche Heeren? dat verandert de zaak; ofschoon het mij verwondert, dat de kweekeling van Ds. Raesfelt zich met Arminianen ophoudt."

"Het was het verlangen van Don Louis," antwoordde Joan, wiens ronde oprechtheid geen strikvragen vermoeden kon, "het was het verlangen mijns ooms, aan wiens tafel ik den Heer De Groot en diens vrienden ontmoette, dat ik mij met de waarneming hunner belangen zou ophouden en mij op die wijze tot een mogelijke herstelling der rust laten gebruiken. Terwijl de Gezanten des Konings van Spanje met Prins Maurits aan een vredesverdrag werkzaam zijn, zou ik het mij tot een waar genoegen rekenen, hier den binnenlandschen krijg te helpen smoren."

"Gij zijt dus met de Gezanten gekomen?--En hoe komt het dan, dat ik u thans eerst hier zie?"

"Eerst gisteren kwam ik hier. Ik heb zoolang in Den Bosch gewacht tot deze brieven vaardig waren. Doch ik heb ook een mondelinge boodschap aan Z. D. Wanneer zou ik bij Haar kunnen worden toegelaten?"

"Zoo! hebt gij een mondelinge boodschap?--Ja, heden zal er moeilijk kans voor u zijn, die af te leggen. Wanneer vertrekt gij?"

"Morgenmiddag naar alle gedachten, met de Heeren van het Gezantschap."

"Welnu! keer dan morgenochtend te negen uren hier terug, en ik zal Z. D. van uw komst verwittigen; maar wees zoo goed, dit papier weder bij u te steken: ik heb liever, dat gij het in eigen persoon aan Z. D. overhandigt. Ik ben om goede reden een weinig huiverig, om mij met een dusdanige commissie te belasten."

"Zooals gij verkiest," hernam Joan, het pakket weder bij zich stekende: "gij zegt dan, morgenochtend...."

"Te negen uren. Vaar intusschen wel, Heer Gezant."

"Ik heb de eer u te groeten, Heer Secretaris!" zeide Joan en vertrok.

"Morgenochtend te negen uren!" herhaalde Ludwig, zoodra hij alleen was. "Tegen dien tijd zit gij, waar men u zoo licht niet vandaan laat vliegen. De haas is in den strik geloopen, waar hem niets uit redden zal. Was nu Eugenio maar hier.... dan kom! heb ik geen eigen genie genoeg om thans den weg te zien, dien ik volgen moet? Spoedig de brieven aan de Gezanten bezorgd en dan.... Doorluchtig Broederpaar, gij zult mij al te slim zijn, indien ik hier niet voor morgen een Thebaïs van tweedracht en vijandschap verwek."

ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat's er éen, dat's er een, Ter waereld schoonder geen, Dat yder moet belijen. Ontgin hem maar eens, heen en weêr, En denk dat uit een anders leêr, Goed riemen is te snijen.

_Jan de Regt_.