Chapter 35
"Dat is juist, wat ik vernemen kwam," was het antwoord, dat met een gebroken stem gegeven werd.
"Juist zoo!.... dus zijt gij door Pater Eugenio gezonden?"....
"Door Pater Eugenio!" herhaalde Joan, verbleekende. "En was de man, die zich Van Dyk noemde, werkelijk Pater Eugenio?"....
"Van Dyk.... Eugenio...." stamelde Velasco, hoe langer hoe meer in de war: "nu ja, gij zijt dan toch die jongeling, die bij den Heer Van Sonheuvel is opgevoed...."
"En die thans," vervolgde Joan, "de bevestiging komt vernemen van een verhaal, mij onlangs gedaan, dat ik de zoon zou zijn van uw overleden broeder."
"Juist," hernam Velasco: "dezelfde: doch, neem plaats!"
Beiden gingen zitten en zagen een tijdlang als sprakeloos voor zich. Ten laatste hervatte de Grootmeester op deze wijze het gesprek:
"Ik moet bekennen, Mijnheer! dat ik, na al wat ik gehoord heb, na al hetgeen de Heer Baron, uw pleegvader, mij voor vele jaren geschreven heeft, na de berichten, welke ik onlangs heb ingewonnen, geen redenen meer heb om te twijfelen aan den graad van bloedverwantschap, die ons verbindt: en ik beken tevens," voegde hij er met welwillendheid bij, "dat, indien uw inborst en bekwaamheid slechts gedeeltelijk den gunstigen indruk evenaren, dien uw uiterlijk op mij gemaakt heeft, ik het mij als een bijzonder geluk zal rekenen, een man als neef te omhelzen, die aan ons geslacht allen luister kan bijzetten."
"Ik was verre," zeide Joan, zich buigende, "zulk een onthaal van UEd. te verwachten. Wees overtuigd, edele Heer! dat mijn dankbaarheid zich in mijn daden zal vertoonen, en dat mijn gehoorzaamheid aan uw begeerten zoo uitgebreid zal wezen als mijn plichten mij zulks veroorloven."
"En mag ik thans vragen," zeide Velasco, "waarin ik u van dienst kan zijn!"
"Voor 't oogenblik verlang ik niets," antwoordde Joan, "dan een mij beloofde inlichting omtrent mijn geboorte."
"Natuurlijk, zeer natuurlijk!" zeide Velasco, zich over de kin strijkende: "ofschoon ik gedacht had, dat ik die van u zoude ontvangen."
"Men had mij ten halve met de hoop gevleid, dat ik hier mijn moeder zoude vinden."
"Zoo.... ei! Dat wist ik niet.... dat geloof ik ook niet,--Zoo Pater.... zoo Van Dyk hier ware, hij zou u meer kunnen vertellen.... nu, hij zal spoedig hier zijn! _vindice nodus_, zooals mijn leermeester te Salamanca zeide."
"Daar twijfel ik aan: zoo hij den knoop ontwarren moet, vrees ik dat de zaak eeuwig geheimzinnig blijven zal; want hij zit op het slot te Sonheuvel gevangen."
"Wat zegt gij?" riep Don Louis verschrikt: "hij gevangen! voorwaar, alles loopt samen om onzen neteligen toestand te verergeren."
Vlascamp trad onder dezen uitroep binnen en meldde den Generaal, den Kanselier en den Overste Grobbendonck aan.
"Slechte tijding!" zeide hun Velasco, toen zij binnentraden: "deze Heer meldt mij, dat Pater Eugenio op Sonheuvel gevangen zit."
"Gevangen zat," zeide de man, van wien hij sprak, binnentredende: "_Pax Vobiscum!_" [49]
"Voor den duivel!" riep Velasco, een stap terugtredende: "de Staatschen zijn wel ongelukkig met hun gevangenen. Niet één kunnen zij bewaren."
"_Angelus Domini per noctem aperuit ianuas carceris_," [50] zeide de Jezuïet: "ik kwam u bericht geven van mijn bedrijven binnen Tiel.... maar zie ik ginds mijn goeden vriend niet, die om mijnentwille in ongeval gekomen is? wees hartelijk welkom in Den Bosch, mijn waaide Jonker! Edele Heeren! vergunt mij, dat ik u Don Diego de Velasco voorstelle, den zoon van mijn waardigsten vriend, die voor ongeveer twintig jaren jammerlijk vermoord werd."--Dit zeggende, nam hij Joan bij de hand en stelde hem aan Spinola en de overige Heeren voor, die hem met vele plichtplegingen gelukwenschten. Toen echter wendde zich Joan tot Eugenio en betuigde, dat hij, ondanks zijn verzekeringen en de vriendschap, welke hem betoond werd, nog aan de echtheid der mededeeling twijfelen moest, zoolang hem niet volkomen gemeld werd, wie zijn moeder geweest ware.
"Ik zelf," antwoordde Eugenio, "heb in den jare 1597 uw vader in den echt verbonden met Jonkvrouw Charlotte von Helmstadt, een adellijke Duitsche Freule. Dit huwelijk bleef toen geheim, omdat zich de ouders uwer moeder daartegen verzet hadden. Een jaar na de verbintenis beviel de gade mijns edelen vriends van een zoon, wiens geboorte haar het leven kostte. Die zoon waart gij."
"Zoo heb ik dan geen moeder," zeide Joan met een zucht: "en waarom mij dan met de ijdele hoop gevleid, dat ik haar in Den Bosch zoude vinden?"
"Ik heb u alleen gezegd," hernam de Jezuïet, "dat men u hier de noodige inlichtingen geven zou: wat gij verder verkeerd hebt gelieven te verstaan, daarvoor behoef ik mij niet te verantwoorden."
"Welaan, mijn waarde neef!" zeide Velasco: "sinds alles opgehelderd is, hoop ik, dat voortaan alle stijfheid tusschen ons verbannen zal wezen. Dezen middag verwacht ik u bij mij aan tafel, indien uw waarde gastheer, aan wien ik mijn nederige groete verzoek, u af wil staan.--Thans zult gij mij verschoonen, en mij wel met deze Heeren alleen willen laten."
"Wat mij betreft, volgaarne zou ik van uw uitnoodiging gebruik maken," zeide Joan: "doch de Heer Vicaris is, na mij verzocht te hebben van zijn terugkomst af te wachten, heden morgen voor eenige dagen naar Brussel vertrokken."
"Zijt gij bij den Vicaris gehuisvest?" vroeg Eugenio met eenige drift, terwijl zich een trek van bevreemding over zijn gelaat verspreidde.
"Verwondert u dat?" vroeg Pekkius, hem met een scherpen blik aanziende. "Een woord met u, Pater!" en tegelijk, hem om den arm nemende, trok hij hem met zich in het naaste vertrek.
"Gij weet dus ook niet," vervolgde de Kanselier, "dat de Vicaris op den weg is aangerand geweest."
"Ik kom pas in Den Bosch."
"Dat is geen stellig antwoord op mijn vraag.--Gij zijt geen vriend van den Vicaris. Zijn ambt was u vroeger toegezegd."
"Men zal mij toch niet betichten, hem te hebben aangerand," hernam de Jezuïet met trotschheid.
"Wat de Vicaris doen zal is mij onbewust.--Dit alleen weet ik, dat de aanrander, zekere veerman over de Waal, een bekend werktuig is van Pater Eugenio."
"Heeft de schoft geklapt?" vroeg deze met een woesten blik.
"Dat geloof ik niet," antwoordde de Kanselier, "daar hij gisteren buiten staat was te spreken en hedenmorgen aan zijn wonden overleden is. Zoo u dit gerust kan stellen, zal 't mij aangenaam zijn: doch als vriend raad ik u, in 't vervolg behoedzaam te werk te gaan, want anders zou noch uw Sociëteit, noch uw diensten, den lande bewezen, u voor straf behoeden."
"Men moest eerst iets kunnen bewijzen," hernam Eugenio, wiens gelaat weder de gewone kalmte vertoonde. "Intusschen dank ik UEd. voor 't bericht."
Na dit gesprek keerden zij naar de kamer van Don Louis. Zij vonden Joan reeds vertrokken.--"Mag ik nu weten," zeide Velasco, naar Eugenio toetredende, "waar ons de klucht moet brengen, die wij spelen?"
"Hoe dan," vroeg Spinola; "is die jongeling dan uw neef niet?"
"Zoomin als UEd.," antwoordde Velasco: "het is een zeer gekke vertooning, welke de Pater mij laat maken: hij kwam juist van pas, om mij uit het vaarwater te helpen: de jonkman deed mij hoogstnatuurlijke vragen over zijn familie, daar ik geen antwoord op wist te geven."
"Mijn doel is niet naar wensch gelukt," zeide Eugenio: "Ik had gehoopt, dat die knaap, om zijn gewaanden vader te wreken, zijn pleegvader om den hals zou brengen;.... doch daar heeft hij niet aan gewild."
"Santa Maria!" riep Velasco: "dus wildet gij dien armen Baron door zijn voedsterzoon laten vermoorden? En ik moest u in zulk een boevenstuk de hand bieden?"
"Is dit de handelwijze eens geestelijken?" vroeg Spinola met afgrijzen.
"Waarom niet?" antwoordde Eugenio met koelheid: "elk heeft het recht, wegens geleden hoon zijn beleediger om te brengen: en het is, gelijk de wijze Tanner zeer juist aanmerkt, ons geestelijken geoorloofd, niet alleen tot lijfsbehoud, maar ook ter bevordering van het nut der gemeente, hem te doen sneven, die daaraan eenig nadeel kan teweegbrengen."
"Ik herken in deze taal den gewezen beleider der aanslagen tegen het leven van mijn doorluchtigen vijand gesmeed," zeide Spinola.
"Wat hoor ik!" zeide Eugenio: "zal een voorvechter der ware Kerk die aanslagen misprijzen?--en dat in mij, die tegen alle ketters den eed van vijandschap en verdelging gezworen heeft. Is 't u bewust, Heer Marquis! dat al wat ik hier verricht, ingevolge de bevelen der Hoven van Rome en Madrid wordt ten uitvoer gebracht?"
"Ook de voldoening van personeelen wrok?" vroeg de Generaal.
"De op mij verstrekte last bevrijd mij van alle verantwoording: wat mij voorkomt tot nadeel der ketters te kunnen geschieden, moet in 't werk gesteld worden en de dood van een gevaarlijken vijand als Sonheuvel zou een ware dienst aan onze Kerk geweest zijn."
"De leer der Kerk luidt: _non occides_," [51] zeide Spinola.
"Een leer, die een krijgsman dagelijks overschrijdt!"
"Wilt gij zijn sabelslagen bij den dolksteek des sluikmoordenaars vergelijken?" vroeg de verontwaardigde Veldheer.
"Een sluikmoordenaar," antwoordde Eugenio, altijd met dezelfde bedaardheid, "is alleen de zoodanige, die voor zijn verraad geld of loon ontvangt; doch zij, die zulks ten dienste der goede zaak verrichten, kunnen dien naam geenszins verdienen; dit leeren onze statuten, met pauselijke en koninklijke goedkeuring bekrachtigd."
"Laat ons," zeide Pekkius, "een gesprek staken, dat alleen tot onnutte verbittering aanleiding kan geven. De eerwaarde Pater heeft zooveel diensten aan den Staat bewezen, dat wij hem gerust naar zijn begrip kunnen laten handelen. Elk heeft op deze wereld zijn bijzondere taak te vervullen: de dappere Spinola moet de wapenen Zijner Majesteit wijd en zijd doen zegevieren: mijn ambt is, mijn Vorsten door onderhandelingen te dienen: de verbreiding van het echt geloof en de verdeeling der ketters is aan den eerwaarden Pater toevertrouwd. Elk volge zijn eigen weg en vervulle de hem opgelegde plichten, zonder de bedrijven eens anderen te veroordeelen, omdat zij schijnbaar afwijken van de regelen, die men zichzelven heeft voorgesteld."
Spinola zweeg; schoon weinig tevreden gesteld met de drogredenen des Kanseliers, begreep hij reeds genoeg te hebben gezegd, en achtte het gevaarlijk, den haat van een zoo machtig lichaam, als dat der Jezuïeten, op zich te laden. Hij schoof dus zijn zetel een weinig terug, speelde met de lissen zijner sjerp en mengde zich verder niet in 't gesprek.
Velasco opperde nu wederom de vraag, wat er met zijn zoogenaamden neef moest worden aangevangen.
"Hij kan ons op dit oogenblik van onbeschrijfelijk veel nut zijn," zeide Eugenio: "ik zag naar een geschikt werktuig om, dat de achterdocht, die Maurits tegen zijn broeder heeft opgevat, kon verlevendigen, en daardoor haat en vijandschap tusschen hen beiden en verdeeldheid in den Staat teweegbrengen. Dit werktuig heb ik in hem gevonden. Met weinige woorden zal ik u in staat stellen, mijn plan te beoordeelen."
Hij legde hun hierop zijn oogmerk voor, waarvan wij den uitslag nader in ons verhaal ontwikkeld zien zullen, en hetwelk wij dus hier niet behoeven te vermelden.
ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Geluckt de voor-genomen daed, 't Loon zal een hand vol wind zijn; Loftuyting en een eeren-praet Van die met u gezint zijn.
Maar zoo ghy 't voornemen sneeft, Ghy blijft en zelfs verlegen; En die 't geluck maer tegen heeft, Krijght heel de werelt tegen.
Den algemeynen haet en spot Hebt ge in ellendt te wachten. Of overboos of al te bot Zal u een yeder achten.
_Camphuisen_.
Ten einde ons verhaal regelmatiger te kunnen voortzetten, moeten wij thans onzen lezers verzoeken, zich met ons te willen verplaatsen in het vorstelijk 's. Gravenhage en aldaar in de zoogenaamde Huizinge van Brandwyk (thans het paleis des Konings), toen algemeen bekend onder den naam van het Oude Hof, en bewoond door Zijne Doorl. Graaf Frederik Hendrik. In het tijdvak, hetwelk wij behandelen, begon de edele Vorst, (die tot nu toe slechts een ondergeschikte rol had gespeeld, en wiens verdiensten, hoe heerlijk die in andere landen zouden hebben uitgeblonken, in Nederland verduisterd werden door die van zijn broeder), de aandacht der landzaten op zich te vestigen en de noordstar te worden, waarnaar al wie de binnenlandsche tweespalten moede werd, de oogen richtte. Zijn bekende gematigde denkwijze, de zachtheid en weldadigheid van zijn inborst, zijn geboorte vooral uit een vrouw, die tot aan haar dood toe de verdrukte Remonstranten had beschermd en voorgesproken, en wier handelwijze omtrent hen hij, schoon van haar in godsdienstige en staatkundige beginselen en inzichten verschillend, bedektelijk volgen bleef, dit alles, gevoegd bij de toenemende verzwakking van den Stadhouder en de verwachting, dat het Stadhouderschap weldra in andere handen geraken zoude, had Frederik Hendrik tot het brandpunt gemaakt, waarin zich al de wenschen der gematigden en de uitzichten der Remonstrantschgezinden vereenigden. Op welke wijze hij de op hem gevestigde hoop wist gaande te houden en hoe daaraan door hem beantwoord werd, zal uit het vervolg dezer geschiedenis genoegzaam blijken: terwijl wij zijn bedoelingen zullen moeten opmaken uit het navolgende gesprek tusschen hem en zijn geheimschrijver gehouden.
"Wel Ludwig!" zeide de Graaf, terwijl hij in een eenvoudig huisgewaad het vertrek binnentrad, waarin de persoon, tot wien hij sprak, aan een tafel vol papieren gezeten was: "wat nieuws is er hedenmorgen?"
"De huisvrouw van den Predikant Bysterus is hier geweest," antwoordde de Secretaris, "om Uwe Doorluchtigheid te bedanken voor de genoten ondersteuning. Ik had werk om haar weg te krijgen. Zij wilde zich met alle geweld voor de knieën van Uwe Doorl. gaan werpen om haar vol gemoed en haar erkentenis uit te storten."
"Zoo! wat is dat voor zotheid? Mijnheer heeft zeker uit de school geklapt. Had ik u niet gelast, haar de som, die zij hebben moest, op een bedekte wijze te doen geworden?"
"Gelijk door mij is verricht," antwoordde Ludwig: "doch zoo bedekte giften van ambtelooze burgers gelijk zijn aan de flikkering eener verschietende ster, welker oorsprong niet te raden is, de geheime weldaden der grooten zijn als de zonnestralen, die haar herkomst vanzelf verraden."
"Vrij poëtisch," zeide Frederik Hendrik: "op mijn eer! bij Paai Priaap [52] af; doch de vergelijking verontschuldigt u niet. Gij hebt geklapt, vriend! gij hebt gebabbeld."
"Uwe Doorl. moest meer op mijn bescheidenheid bouwen; doch zoo zij maar gelieft na te denken, dat de vrouw wel geen anderen gever raden kon. De _arme_ Remonstranten _hebben niets_ en de _rijken geven niets_: daarenboven wist zij, dat haar vrienden de hulp Uwer Doorl. hadden ingeroepen."
"Al genoeg, al genoeg," zeide de Graaf, ongeduldig: "wanneer gaat zij op reis?"
"Zij denkt in de volgende week zich naar Gorkum te begeven, waar men voor haar een kamertje aan de haven gehuurd heeft, met het uitzicht op Loevestein. Zooras zij bevallen is, zal zij een verzoekschrift inleveren om bij haar man te worden opgesloten."
"'t Welk waarschijnlijk zal afgeslagen worden, zoo ik den Raad wél ken.--Is er niets meer?"
"Er zijn twee uitnoodigingen gekomen voor Uwe Doorl.: de eene, om de plechtige hulde van den Hofbeer te komen bijwonen; de andere, om den ondertrouw van Jonkheer Jacob Mom met Jonkvrouwe Ulrica Van Reede tot Sonheuvel met uw tegenwoordigheid te vereeren. De Heer Baron zal zijn verzoek in persoon bij Uwe Doorl. komen herhalen, en de Ambtman verzocht ook, zijn opwachting te mogen maken."
"Is de bruid bevallig?"
"Ik heb haar eens als kind gezien," antwoordde Ludwig, "en toen beloofde zij zeer schoon te worden; doch Uwe Doorl. kent haar zeker: zij huist altijd, en ook nu, bij mijn voormalige meesteresse, de Gravin Douarière."
"Aha zoo! dan ken ik haar wel: nu: zij is gansch niet verwerpelijk: hoe komt haar vader er toe, om haar aan een man van de jaren des Ambtmans uit te trouwen!--Is er nog iets?"
"Een brief voor Uwe Doorl. zelve: zoo ik mij niet bedrieg in de hand van het opschrift, is hij van de Inlandsche Directeuren der Remonstrantsche Sociëteit, _Niellius cum suis_."
"Ja waarlijk!" zeide Frederik Hendrik, nadat hij den brief haastig had opengebroken: "onderteekend door het machtige Driemanschap. Hoe komen die lieden zoo dwaas! mij openlijk te gaan schrijven en mijn ondersteuning en voorspraak te vragen!"--Dit zeggende, smeet hij den brief gramstorig op tafel; doch, zich bezinnende, nam hij dien als in verstrooiing weder op, vouwde hem zorgvuldig toe en stak hem bij zich.
"Wat zal ik zeggen?" hervatte Ludwig: "de Remonstranten zien Uwe Doorl. aan als een baak in zee, waar zij allen op aanstevenen."
"Ik weet niet, wat ik gedaan heb om die eer te verwerven," zeide de Graaf op een gemelijken toon.
"Met verlof," zeide Ludwig: "Uwe Doorl. heeft er nogal eenigen geholpen, en het is geen wonder, dat zij, de goedheid van Uwe Doorl. kennende, die als een milde regen...."
"Gij zijt een gek met uw vergelijkingen," hernam de Graaf: "ik ben niet goed, ik help geen Arminianen, en verlang deswege níet geprezen te worden."
Deze verklaring geuit hebbende, stond hij op en maakte zich gereed om te vertrekken; doch, zich nogmaals omwendende, viel zijn blik op het gelaat van den schrijver, wiens spotachtige kleine oogen, veelbeteekenend hoofdschudden en kwalijk bedwongen glimlach genoegzaam aanduidden, dat hij aan de betuigingen zijns meesters weinig geloof hechtte. De uitdrukking van Ludwigs gebaren had op dat oogenblik zoo iets grappigs, dat de Graaf niet kon nalaten, nadat hij een wijl op hem gestaard had, in een luid gelach uit te bersten, waarop hij de vraag spoedig deed volgen: "gelooft ge mij niet?"
Ludwig antwoordde niets; maar een kasboek van de tafel nemende, waarin de geheime uitgaven des Graven stonden uitgedrukt, legde hij hem dit open voor, met den vinger die posten aanwijzende, waar de verborgene giften aan verdrukte Remonstranten waren opgeteekend, giften, die, te zamen gerekend, een vrij aanmerkelijke som beliepen.
Hoewel in 't algemeen weinig dingen onaangenamer zijn, dan, na iets plechtig verzekerd te hebben, van het tegendeel overtuigd te worden, vooral, wanneer zulks door ondergeschikte personen geschiedt, nam Frederik Hendrik niettemin de vrijmoedigheid zijns dienaars niet euvel op. Hoe toch kon hij op dezen toornig zijn? Daar het den Vorst echter uit de hem voorgelegde nota's bleek, dat zijn gehouden gedrag jegens de Remonstranten tot verkeerde uitleggingen kon aanleiding geven, begreep hij, te dezen opzichte openhartig met Ludwig te moeten omgaan, volgens den regel, dat het beter is, iemand in zijn geheel vertrouwen te doen deelen, dan hem half onderricht te laten, wijl hij in 't eerste geval (zoo hij geen schurk is) zwijgen zal, en in het laatste uit onwetendheid of verkeerd begrip zondigen kan. Zich wederom bij de tafel nederzettende en het voorhoofd met de hand ondersteunende, schoof hij zijn stoel vertrouwelijk naar des geheimschrijvers zetel toe en sprak hem aan in dezer voege:
"Gij hebt gelijk, Ludwig! en ik zou om geen Konings schepter willen, dat gij ongelijk hadt, wanneer gij mij, door het openslaan van dit boekske, bewijzen wilt, dat ik meer hulp aan de Remonstranten betoond heb, dan ik beken. Ja, ik behandel hen wèl. Zij deelen in mijn gunst en weldaden, en zulks geschiedt op goede gronden; doch ik wil, dat het onbekend blijve: en ook hiervoor heb ik gezonde redenen. Die redenen acht ik het, om niet miskend en veroordeeld te worden, noodig u te ontvouwen. Reeds sinds jaren ondervonden de Remonstrantschgezinden, zoo om hun geloof als om hun staatkundige begrippen en gehechtheid aan wijlen den Heer Advocaat, de ongenade van Zijne Hoogheid, wiens gedrag ten deze ik niet beoordeele ja wiens misprijzing ik als een grove persoonlijke beleediging zou beschouwen. Ik, jonger en minder in staatszaken gemoeid dan mijn broeder, bekreunde mij weinig aan de heerschende geschillen, en gaf er althans luttel om, op wat wijze verschillende sekten hunnen Heer zochten te dienen. Dan, mijn moeder zaliger was, vooral door de vriendschap, welke zij voor haar Franschen Predikant Uyttenbogaert koesterde, de verdrukte partij genegen en bewees haar al die diensten en hulp, waartoe zij door haar invloed en vermogen in staat was gesteld. Om haar te believen, zoowel als uit medelijden, en geenszins omdat ik eenige geneigdheid tot hun leer gevoelde, volgde ik haar voorbeeld en ondersteunde nu en dan de Remonstranten, doch bedektelijk, uit vrees voor mijns broeders ongenoegen. Eindelijk, meer deel aan het staatsbestuur verkrijgende, begon ik er mijn hoofdstudie van te maken, om de verschillende drijfveeren na te sporen van de partijen, welke ons Gemeenebest op een zoo geduchte wijze aan binnenlandsche onlusten ter prooi geven, en nu leerde ik oorzaken en uitwerkselen kennen, welke ik te voren nooit vermoed had. Dan, ik ging verder: ik sloeg een oog in de toekomst, en het verschiet, 't welk zich voor mij opdeed, was zoo duister en vreesverwekkend, dat ik dadelijk inzag, hoe alleen de uiterste voorzichtigheid en nauwlettendheid in mijn handelingen dien zwarten gezichteinder zou kunnen verhelderen. Ik had de krachten der wederzijdsche partijen leeren kennen en op prijs stellen, en ik had met schrik bemerkt, hoeveel het scheelde, dat de in schijn verplette Aristocratie en Remonstrantschgezindheid ten onder was gebracht: hoe die integendeel met een gunstig gevolg het hoofd weer zou kunnen opheffen, wanneer eens het fiksche brein mijns broeders (wien God nog lang in 't leven spare) den Staat niet meer bestuurde. Ik beefde terug tegen den tijd, waarin ik, de vermoedelijke opvolger van Z. Hoogheid in 't Stadhouderlijk bewind, het roer zou moeten aanvaarden van een zoo geschokten en verdeelden Staat, en ik achtte mijn krachten niet geëvenredigd aan de taak, die mij zou kunnen worden opgelegd.