De Pleegzoon

Chapter 33

Chapter 333,971 wordsPublic domain

"Verplicht!" zeide Joan: "ik begeer noch uw geld te ontvangen, noch uw jokkernij aan te hooren: en verzoek u zelfs aardigheden te sparen, die ik niet dulden mag. Ik verlang alleen mijn paard terug: want ik moet nog heden verder."

Al de omstanders zagen den officier aan, nieuwsgierig om te hooren, hoe hij de fiere taal van den jongeling beantwoorden zoude; want zij beschouwden den krijgsman als iemand, die, voor zooverre men het uit zijn kloek en mannelijk voorkomen, uit zijn valkenblik en uit zijn door lange diensten sterk geteekend gelaat zou opmaken, zich niet gemakkelijk op de teenen zou laten trappen; doch hun verwachtingen, wellicht de heimelijke hoop van sommigen, dat er een krakeel zoude ontstaan, werd niet vervuld. De officier beschouwde Joan een wijl met heldere, vriendelijke oogen, draaide zich toen een weinig om, zag de omstanders aan en vroeg op een vrij forschen toon: "welnu! wat hebt gijlieden daarmede te maken? Denkt gijlieden dat wij, op zijn Engelsch, een hanengevecht gaan houden?"

Deze onverwachte toespraak, de toon, waarop zij werd uitgesproken, en vooral de barsche houding van den krijgsman deed de omstanders beteuterd ter zijde treden: en als kinderen, die eene bestraffing ontvangen hebben, bleven zij op een afstand het verder onderhoud gadeslaan.

"Hoor eens, kameraad!" vervolgde de officier, Joan vriendelijk onder den arm nemende: "antwoord mij eens oprecht: wie heeft het _model_ opgegeven, volgens 't welk uw paard getoomd en geteugeld is?"

"Wel ik zelf!--Maar wat zal deze vraag?"

"Omdat ik dan bij waarheid getuigen moet," hernam de ritmeester, altijd bedaard en vriendelijk, "dat meester Symen, die een bol in de toomprangkunst was, de goede man, het u niet verbeteren zou. En daarom juist, lieve vriend! kunt ge uw paard niet weerom krijgen; want ik heb het met toom en al naar Graaf Hendrik Frederik gestuurd tot model."

"Verplicht voor de eer," hernam Joan; "maar dat helpt mij weinig."

"Gij moest met mij naar Zijn Hoogheid gaan," zeide de officier, zonder zich aan den driftigen toon van Joan te storen: "ik sta u borg, dat gij spoedig vooruit zoudt komen. Wat dunkt u daarvan, Kapitein Schwanck?" vervolgde hij, zich tot den anderen officier wendende.

"Dat zult gij best weten, Kapitein Holtvast!" antwoordde deze.

"Uw naam," vervolgde de andere tot Joan, "uw naam is, zoo ik mij niet bedrieg.... Ulrich.... neen.... Joan van.... van....! Ja waarlijk, volkomen herinner ik mij uw naam niet, schoon ik u meer gezien heb."

Bij deze woorden werd Joan beurtelings rood van verlegenheid en bleek van gramschap; doch de gulle lach, waarmede Kapitein Holtvast ze vergezelde, ontwapende zijn drift, vooral toen hij bemerkte, dat Holtvast zelf een kleur kreeg, gelijk meermalen gebeurt, wanneer men die bij een ander heeft doen opstijgen.

"Ja!" hernam hij: "nu herinner ik mij!.... doch gij behoeft u daarvoor niet te schamen, jongeling!--ik voorspel u, gij zult een naam verwerven, zoo gij er nog geen hebt;--althans het zal uw schuld niet zijn, indien gij een brekebeen blijft. Wat zegt ge? neemt ge dienst bij ons?"

"Ik kan noch mag daarop antwoorden", zeide Joan, "voor 't oogenblik moet ik naar Den Bosch; misschien zal ik naderhand van uw vriendelijke uitnoodiging gebruik kunnen maken."

"Hm! hm!" zeide Holtvast, terwijl hij eenigszins misnoegd het hoofd schudde: "die reis naar Den Bosch bevalt mij maar half: schoon ik er ook eens hoop te komen.--Wat drommel moet ge in dat Paapsche land uitrichten?"

"Ik weet niet dat ik u eenige rekenschap verschuldigd ben," zeide Joan.

"Misschien!" antwoordde Schwanck: "het moet ons vreemd voorkomen, dat iemand, die voorgeeft Koning Frederik te dienen, naar Den Bosch reist op het oogenblik, dat Zijn Majesteit hier verwacht wordt."

"Bedaar, kapitein Schwanck, bedaar!" zeide zijn krijgsmakker. "De Jonker heeft vast wijze redenen, die het ons niet past te onderzoeken. Ook zal Koning Frederik hier dienaars genoeg hebben, en misschien meer, dan wij in den kost kunnen houden; doch het is onze tijd, verder te gaan: nu, Jonker! zoo gij iets naders van ons begeert, verneem dan maar naar mijn makker, dien gij hier ziet, Kapitein Schwanck, van de garde. En ik noem mij Holtvast, om u te dienen. Zoo ge bij ons wilt komen dienen, beloof ik u, dat ik u aan een paard zal helpen, ruim zoogoed als hetgeen wij u ontnomen hebben;.... doch waarom hieldt gij u ook dood?"

Deze toespraak geëindigd hebbende, draaide hij zich om, zonder verder antwoord af te wachten, en ging naar den stal, vergezeld van Kapitein Schwanck. "Bij mijn degen," zeide hij tegen dezen in 't uitgaan: "die knaap herinnert mij volkomen een dapperen Kleefschen Graaf.... doch dien hebt gij nooit gekend, Schwanck!"

Joan staarde den ritmeester met verbaasdheid na en bleef een wijl wrevelig en ontevreden staan, knorrig op den waard, die zijn paard verkocht had, op Holtvast, die hem had doen zwichten voor een invloed, waaraan hij geen verklaring geven kon, en op zich zelven, daar hij begreep een gekke rol gespeeld te hebben. Terwijl hij besluiteloos voor zich keek, rees een der aanwezigen, die zich met den ganschen twist niet bemoeid had, maar stil in een hoekje was blijven zitten, van zijn bank op, naderde hem, en zeide in een vreemden tongval, dat hij een wagentje gehuurd had, om hem naar Den Bosch te laten brengen, en dat het hem aangenaam zou wezen, indien de Jonker hem de eer van zijn gezelschap wilde verschaffen.

Joan wierp een vluchtigen blik op den man, die hem dezen voorslag deed. Hij had het uiterlijk van een Duitschen of Poolschen Jood, droeg een lange blauwe samaar met een hoogen kraag, die hem over de ooren stak, een diep ingedrukte bonten muts en een bruinen baard. Schoon onze held zich van zulk een reisgezel weinig vermaak kon beloven, begreep hij echter, de gelegenheid niet te moeten versmaden, weshalve hij den vreemdeling een toestemmend antwoord gaf, hem tevens vragende, wanneer hij dacht te vertrekken.

"Zoo op het oogenblik," antwoordde de Jood: "indien UEd. uw pakkage gelieft te halen: ik zal UEd. hier blijven wachten."

Beseffende, dat hij toch vergeefsche moeite zou doen om zijn paard terug te krijgen, voldeed Joan aan het verzoek en vergezelde den waard naar een achterkamer, waar deze hem zijn valies ter hand stelde en hem het geld toetelde, dat voor zijn paard betaald was, daarvan, als vanzelf spreekt, de som afhoudende, welke Joan hem voor zijn vertering schuldig was: waarna onze held terugkeerde naar het voorhuis, en met den Jood de stad verliet. Weldra waren zij aan de Waal en in de veerschuit gestapt.

De rivier leverde op dit oogenblik een belangwekkend schouwspel op: zij was gevuld met groote en kleine vaartuigen, van wier stengen en achtersteven vlaggen wapperden, en welke passagiers inhielden, die op den stroom de aankomst van Koning Frederik verbeidden. De beide oevers waren met scharen toeschouwers bedekt, en voor de stad lag een prachtig versierd jacht, dat zoowel de Prinsenvlag als het wapen van Oranje-Nassau voerde, en waarop zich Prins Maurits met zijn gevolg, waaronder de Ambtman Mom en meer hoofdbeambten van het gewest, bevonden. Onder de muren van Tiel stond krijgsvolk onder de wapenen, om den doorluchtigen gast van Nederland bij zijn doortocht verschuldigde krijgseer te bewijzen: en twee schuiten, met soldaten bemand, gingen den Koning te gemoet, wiens vaartuig, rijk met vlaggen versierd, men van verre onder het schaterend gejuich der menigte den vloed zag afkomen. Joan kon, ondanks de bekommering, die zijn ziel vervulde, niet nalaten zijn oog over dit prachtig schouwspel te doen weiden, waarvan de beschouwing hem gedurende den tijd der overvaart geheel vervulde. Eerst toen hij aan de andere zijde gekomen was en toevallig opzag, herkende hij in een der veerlieden zijn oude kennis, Teun Wezer. Niet verlangende, met dezen in gesprek te treden, wendde hij het gelaat om; doch de veerman, een halven cirkel om hem heen beschrijvende, stond dadelijk weder vlak voor zijn gezicht, en sprak hem met de volgende woorden aan:

"Goemorgen, Jonker! wie deksel dacht u hier te zien? gisteraôvend liet ik u immers nog op Sonheuvel."

"Gij moet van daar nog vroeger zijn vertrokken dan ik, Teun!" hernam Joan: "en moet gij er niet weder naar toe?"

"Vandaôg en morgen niet," antwoordde Teun: "ik moet eerst dien Poolschen Jood naar Den Bosch brengen, dat je 't vat."

"Ei! en mij bijgevolg ook; want wij reizen samen."

"Zoo!" hervatte de veerman, wiens gelaat op dit bericht betrok; "nu ja! maôr ik weet niet of het zich wel schikken zal.... Patientie! wij zullen zien.--Haalt aan, jongens! haalt aan!"

Aan de overzijde aan wal gestapt en den dijk opgewandeld zijnde, zag Joan in de laagte een soort van huifkar staan, met twee kloeke paarden bespannen, welke een jonge vrouw vasthield.

"Ziedaôr uw rijtuig," zeide Teun, hem op de kar wijzende: "wil ik er de bagage maar inbrengen?" Dit zeggende, nam hij de valiezen der beide reizigers en smeet die in de kar, waarna hij zich vloekende en tierende bij de jonge vrouw begaf, haar verwijtende, dat zij de paarden averechts gespannen had.

"Maar zij staan immers altijd zoo," zeide de jonge vrouw.

"Houd den bek, wijf!" grauwde Teun haar halfluid toe, "of ik zal oe een muilpeer geven, die oe de lust tot snaôteren wel benemen zal. Ik zeg, ze staôn verkeerd om, en dan is het zoo!"

Tegen dit _martiaal argument_ was niets in te brengen: de goede vrouw haalde met een zucht de schouders op, en riep toen, Joan ziende, verwonderd uit: "Lieve deugd! is dat onze Jonker niet?"

"Ja! dat is onze Jonker: ga je maôr naôr hem toe, je staôt mij hier meer in dan uit den weg," antwoordde Teun op denzelfden vriendelijken toon. "Heerschoppen!" vervolgde hij, zich tot Joan en diens reisgezel wendende: "blijf daôr zoolang niet in den wind staôn. Gaôt in dat kapelleke, terwijl ik de paarden verspan."

De reizigers volgden dien raad en gingen in een kroegje dat vlak aan den weg stond, gevolgd door de vrouw van Teun Wezer, in dewelke Joan nu zijn speelkarnuit Klaartje, Boukes nicht, herkende.

"Wel Klaartje!" vroeg hij haar na de eerste groete, "hoe maakt gij het al in den echten staat?"

"Ja," antwoordde zij, terwijl twee dikke tranen haar langs de wangen liepen: "als men alles van te voren wist!.... doch ik geloof waarlijk, dat mijn man mij roept om hem te komen helpen;.... maar neen," zeide zij, terugkeerende: "hij kan mij wel missen: trouwens, dat kan hij altijd wel.... daar is hij!"

Teun Wezer trad het kroegje binnen, en in 't voorbijgaan een vreeselijken blik op zijn vrouw werpende, begaf hij zich naar de toonbank en zwolg een kelk brandewijn in, welken een oude Megeer, die aldaar voor tapster speelde, hem toegereikt had; waarna hij zich tot de reizigers wendde met een: "'t is klaôr, heerschoppen!"

In 't uitgaan der kroeg bemerkte Teun, dat zijn vrouw Joan, die reeds buiten was, toewenkte, dat zij hem nog iets te zeggen had: bij het zien dezer beweging stootte hij haar ruwelijk achter zich weg; dan Joan, wien de gebaarden van Klaartje niet ontsnapt waren, keerde terug, draaide om den voerman heen en stak aan diens vrouw de hand ten afscheid toe. Veinzende te struikelen, nam zij dit oogenblik waar om hem schielijk in te fluisteren: "uw pistolen!" waarna zij zich haastig omwendde en een luid vaarwel toeriep.

De Jood had intusschen plaats op de kar genomen: Joan volgde hem, over de geheimzinnige waarschuwing, welke hij ontvangen had, nadenkende: en op de bank gezeten, was zijn eerste werk om naar zijn pistolen om te zien; doch hij vond die, zooals hij ze gelaten had, aan weerszijden in zijn mantelzak gestoken.

Teun Wezer, zich op een soort van bok of vooropbank gesteld hebbende, greep nu de teugels, of liever de touwen, welke dien rang bekleedden, in de hand en deed zijn zweep driewerf de lucht doorklieven; waarop de paarden op een redelijken draf vertrokken en het rijtuig door een aangename landouw, met boomgaarden en koornvelden bedekt, voorttrokken. Met weemoedige deelneming staarde onze held op die welvarende en vruchtbare streken: en diep trof hem de gedachte, hoe weldra, na het eindigen van het Bestand, de oorlogsfakkel opnieuw in dit gedeelte van Nederland zoude blaken, de hoop des veldmans verteren en wellicht vele dier thans zoo fraaie en rijke woningen in asch leggen: hoe de zwaarden der krijgsliên het graan zouden maaien, 't welk de hand des nijveren landmans hier gezaaid had. De sombere stemming, waarin hem deze overdenkingen brachten en de nog dieper zwaarmoedigheid, waarin hij verviel, als hij soms weder over zijn eigen toestand nadacht en zich de ontdekkingen en gebeurtenissen der vorige dagen voor den geest bracht, en eindelijk het gering genoegen, dat hij uit een gesprek met zijn vreemden reismakker verwachten kon, deden hem over den weg een diep en onafgebroken stilzwijgen bewaren. Wat den Jood betrof, ook deze scheen geen onderhoud te verlangen: hij had zich, 't zij uit voorzorg tegen den wind, 't zij omdat hij van tandpijn gekweld was, een zijden doek om de kin gebonden, welke het gedeelte van zijn gelaat, dat nog zichtbaar gebleven was, ten volle bedekte. De voerman was insgelijks stil en afgetrokkener van gedachten, dan men van iemand uit zijn stand verwachten zoude: somtijds poogde hij een liedje te neuriën, doch al spoedig verzwakte zijn stem, hij zweeg, zakte ineen en verviel weder als in een dommeling, en als dit een korte poos geduurd had, richtte hij zich wederom op, begon opnieuw te fluiten en te zingen, liet de zweep aan de paarden voelen en hen draven tot aan de naastbij gelegene kroeg, waar bij nooit naliet het zoopje te aanvaarden, dat de maagd, die voor den deurpost wachtte, hem reeds van verre had staan toereiken.

Over Drummel naar de Maas gereden, staken onze reizigers die rivier over, en kwamen weldra te Kessel, alwaar Teun Wezer begreep zijn paarden eenige rust en voeder te mogen doen genieten; welke gelegenheid zoowel Joan als de Jood zich ten nutte maakten om in de herberg een sober ontbijt te gebruiken.

Terwijl Joan hiermede bezig was, zag hij uit het raam, waaraan hij gezeten was, dat zijn voerman op de binnenplaats in gesprek stond met twee kerels van een alleronaangenaamst voorkomen, die na eenige woordenwisseling de herberg verlieten. Deze omstandigheid wekte opnieuw eenig kwaad vermoeden op bij onzen held, zoodat hij het raadzaam oordeelde, zich nogmaals van den toestand, waarin zijn wapenen zich bevonden, te gaan verzekeren. Hij begaf zich met dat oogmerk naar den stal, alwaar hij op dat oogenblik niemand vond, vermits Teun Wezer zich naar de keuken had begeven om te ontbijten, en de staljongen voeder was gaan halen. Onverhinderd en onopgemerkt kon hij dus de beide pistolen uit den mantelzak halen en onderzoeken; waarop hij tot zijn verbazing ontdekte, dat men de kogels uit de loopen had gehaald. Hij zelf had de pistolen des morgens op Sonheuvel geladen en te Tiel gestoken in zijn mantelzak, welke hij sedert niet uit het oog had verloren, dan alleen gedurende den korten tijd, toen hij op verzoek van Teun Wezer het kroegje aan het veer was ingegaan. Hij begreep nu, dat die schelm zich deze gelegenheid had ten nutte gemaakt om, onder voorwendsel van de paarden te verspannen, de geweren buiten staat te stellen eenig letsel te doen, welk bedrijf Klaartje ongetwijfeld had opgemerkt. Zijn reisgenoot niet buiten noodzakelijkheid willende verschrikken, en onbewust of deze geen medeplichtige aan een tegen zijn leven of vrijheid gesmeden aanslag ware, hield hij dezen onkundig van de gedane ontdekking, laadde de pistolen opnieuw, bracht die op hun plaats terug en verliet wederom even ongemerkt het wagenhuis.

Kort daarna kwam Teun Wezer de reisgenooten waarschuwen, dat het tijd was weder op reis te gaan: zij vervolgden dan hun weg door een zwaar, slijkerig spoor, hetgeen de paarden noodzaakte stapvoets voort te gaan. Hoe meer zij vorderden, hoe vetter en hinderlijker de modder werd, zoodat zij, eer zij Kessel nog uit het oog verloren hadden, tot de helft der wielen in het moeras zaten.

Het oord was hier eenzaam en verlaten: nergens vertoonde zich eenig levend wezen, en de rook alleen, die hier en daar in de verte uit het kreupelhout opging, verraadde de nabijheid van dorpen en gehuchten. Eindelijk ontdekte Joan verre voor zich uit, doch aan den rijweg, met welgevallen een gebouw, dat vrij aanzienlijk scheen: doch met teleurstelling ontwaarde hij bij 't naderen, dat het alleen uit de vier muren bestond, zijnde het droevig overblijfsel eener nog vóór den aanvang van het Bestand uitgebrande huizinge, welke thans uitmuntend geschikt was tot een verblijfplaats van uilen en kraaien, en misschien van nog gevaarlijker roofgedierte. Ook ontging het Joan, die oplettend was op al wat zijn vermoedens op kon wekken, geenszins, dat zich tusschen die vervallen muren een paar menschen bevonden, die even uitkwamen, doch bij het zien van het rijtuig dadelijk terugtraden. Zooras onze held dit bemerkte, haalde hij in stilte zijn pistolen uit den mantelzak en stak zijn handen onder de bank, eer zijn reisgenoot of de voerman deze beweging bespeurd hadden. Zij reden echter de bouwvallen voorbij, zonder dat er iemand te voorschijn kwam; doch nauwelijks was men een twintig roeden verder gekomen of Teun Wezer liet, als bij toeval, zijn zweep vallen, hield de paarden staande en sprong af, als wilde hij die gaan oprapen. "Met uw verlof!" zeide Joan, die al zijn bewegingen aandachtig gade had geslagen, "dat zal ik wel voor u doen;" en, meteen sprong hij op het voetpad, dat, veel hooger dan de weg, niet zoo zwaar bemodderd en bewandelbaar was. Dan terstond haalde Teun Wezer, zonder een woord te spreken, de houten pen uit, welke het karretje (hetwelk in den smaak der hedendaagsche asch-, mest- of vuilniskarren gemaakt was), tegenhield, waardoor het met Jood en al achterover en in de modder sloeg. Op datzelfde tijdstip sprongen de twee personen uit het vervallen gebouw, dezelfden, die Joan in de herberg gezien had, met het mes in de vuist, voor den dag, en snelden op de kar aan.

"Staat!" riep Joan, hun de pistolen voorhoudende: "of ik brand los."

"Loop maar toe!" riep Teun, terwijl hij zijn mes trok en Joan van achteren aangreep: "zij zijn niet eladen."

"Dat zult gij anders ondervinden! zeide Joan, en zich omkeerende, schoot hij den booswicht neder, die vloekende tusschen de paarden rolde. Vervolgens zijn degen trekkende, stelde de moedige jongeling zich in postuur om de beide anderen af te wachten: dezen, door het gezicht van den gewonden voerman ontzet, verkozen geen poging te doen om met levensgevaar te naderen en bliezen den aftocht, met den meesten spoed hun weg weer naar den kant van Kessel nemende. Joan volgde hen een klein eind weegs, doch slechts langzaam, daar hij zich niet te ver van de kar verwijderen wilde; doch hij verloor hen weldra uit het oog. Toen keerde hij terug om te onderzoeken, in welken toestand zich de arme Jood en de gekwetste bevonden. Dan, wie schildert zijn verbazing, toen hij bij 't naderen geen Jood noch Joodsgelijke meer zag, maar, naast den onder zijn eigene paarden in de modder geraakten voerman, de edele, eerwaardige gestalte van Godard van Reede, zooals hij zich in het klooster te Tiel aan hem vertoond had, herkende.

"Wat zie ik?" riep Joan, verbaasd achteruittredende.

"Stil!" zeide de geestelijke: "die ongelukkige leeft nog: hij is misschien nog te helpen."

"Gij wilt dien ellendige bijstaan?" hernam Joan, een vertoornden blik op Teun Wezer werpende.

"Hij heeft mijn bijstand ingeroepen," antwoordde de grijsaard: "en dit heeft nooit een sterveling te vergeefs gedaan."

Dit zeggende, trachtte Pater Ambrosius, gelijk de geestelijke, als men weet, genoemd werd, den gekwetste op te helpen; doch het machteloos lichaam gaf niets mede en zat diep in het slijk.

"Wacht!" zeide Joan: "laat mij die taak over: ik zal hem wel op vasten grond brengen!" En meteen zette hij de voeten vast aaneengesloten in het slijk, greep Teun Wezer met beide handen om het lijf en tilde hem op het voetpad. De gewonde opende nu de oogen en zeide met een schorre en gebroken stem: "o wee! het is met mij gedaan.... laat de Vicaris.... een gebed.... voor mijn ziel.... o wee!" Deze woorden met moeite hebbende geuit, liet hij het hoofd op den schouder vallen en sloot de oogen, terwijl de doodskleur zich weder over zijn gelaat verspreidde.

"Hier is geen hulp in den omtrek," zeide de geestelijke: "laten wij hem in de kar leggen en met ons voeren: indien ik slechts iets had om het bloed te stelpen, dat uit zijn wond stroomt.... wacht! in de kar ligt de doek, waarmede ik mijn gezicht verborgen hield."

"Hoe!" riep Joan, terwijl hij snel den doek uit de kar haalde: "gij waart dan werkelijk die Jood, mijn reisgenoot?"

"Ik ben een ongelukkige zwerver," antwoordde Ambrosius: "die nergens veilig, door allen vervolgd, bij allen gehaat, niet dan door Gods vaderlijke hulp, die u tot mijn redder beschikte, aan den moorddolk ontsnapt ben, die mij dreigde."

"Het was dan tegen u, dat de aanslag gesmeed was?"

"Gewis! en ik ken hen, die dezen arm tegen mij gewapend hebben."

"En gij bewijst uw menschlievende hulp aan den booswicht?"

"Leert men in uwe Kerk," vroeg de geestelijke, den jongeling met ernst en waardigheid aanziende, "dan het heilige voorschrift niet: ""doe wel aan die u haten?""

"Voorzeker," zeide Joan blozende: "doch, verschoon mij, ik had het voorbeeld, dat mij door u gegeven wordt, niet van een Roomschgezinde verwacht."

"Slechts één hielp den gekwetsten koopman, waar de schriftuur ons van verhaalt, en die was een Samaritaan," zeide Ambrosius met nadruk.

Onder dit gesprek hadden zij den gekwetste verbonden zoogoed hun mogelijk was: vervolgens plaatste Joan hem in de kar: de grijsaard ging naast hem zitten en hield hem vast, om het zwakke lichaam tegen de al te sterke schokken van het rijtuig te bewaren. Joan nam de teugels in de hand, zette zich op het vooropje en liet de paarden hun weg vervolgen.

"Zou het niet te vrijpostig wezen," vroeg Ambrosius, na eenige oogenblikken zwijgens, "om te vragen, welke zaken den Jonker van Craeihorst in Den Bosch roepen?"

"Gij kent mij!.... Doch waarom zou mij dit bevreemden? Ik heb in de laatste dagen het recht verloren om mij ergens over te verwonderen."

"Ja! ik ken u. Reeds toen ik u voor eenige dagen te Tiel zag, trof mij uw gelaat; sedert vernam ik, wie gij waart, en ik herinnerde mij, u als knaap bij uw pleegvader te hebben ontmoet, en u den ring geschonken te hebben, welken ik aan uw vinger zie."

"Welnu, zoo UEd. mij kent," zeide Joan: "zal uw verwondering over mijn reis naar Den Bosch niet zoo groot wezen; want dan zult ge ook de betrekkingen kennen, welke ik aldaar ga opzoeken: ten minste, ik moet dit veronderstellen, na u in 't gezelschap van Van Dyk te hebben ontmoet."

"Van Van Dyk?" hernam Ambrosius: "was hij de man die u derwaarts zond? En welke redenen heeft hij u gegeven, sterk genoeg, om u een huisgezin, dat u liefheeft, te doen verlaten?"

Joan was op het punt zijn vertrouwen te schenken aan zijn reisgenoot, wiens achtbaar en tevens vriendelijk voorkomen hem bereids had ingenomen; doch hij weerhield zich, indachtig aan de nauwe betrekking, die tusschen Vader Ambrosius en den Baron bestond. Daarenboven was hem de gedachte niet vreemd, dat de grijsaard, van hetgeen hij hem zou kunnen verhalen, beter en vollediger onderricht ware, dan hij zelf.

"Ik weet niet," antwoordde hij, "of ik vooralsnog vrijheid heb, UEd. die redenen mede te deelen. Wat echter den persoon betreft, dien ik zoek, het is Don Louis de Velasco, en het zou mij aangenaam zijn, indien UEd. mij behulpzaam wilde wezen om een mond gesprek met hem te verkrijgen."

"Jongeling!" hervatte Ambrosius: "versta ik u wel? Zijt gij niet in dienst van den verjaagden Paltsgraaf, die zich koning van Bohemen noemt? Wat hebt ge dan met zijn vijand uit te richten?"

Joan zweeg.

"En draagt de Baron van Sonheuvel kennis van deze reis?"

Joan schudde het hoofd en zuchtte.