Chapter 32
"Dat niet: die gevangene is een Remonstrant, een.... maar neen, dat kan toch niet...."
"Hoe!" zeide Raesfelt, een gestrengen blik op Joan werpende: "weet gij niet, wie en wat die gevangene is?"
"Ik zag hem eergisteren voor 't eerst en toen onder een anderen schijn dan heden? maar wie hij is?...." Hier schudde hij het hoofd, zag voor zich en haalde de schouders op.
"Joan!" zeide de Predikant: "de Paapschen hebben een instelling, welke zij een sacrament achten te zijn, door een verkeerde toepassing namelijk van Jacobi V vs. 16. Hun priesters hebben zich het recht aangematigd, 't geen Gode alleen behoort, om, na gedane biecht, de zonden aan den boeteling kwijt te schelden. Dit zeide ik is een valsche verklaring, want de Apostel leert niet ter aangehaalde plaatse, dat men zijn zonden aan een kerkelijk persoon moet belijden ten einde daarvan vergeving te ontvangen; maar hij spreekt uitdrukkelijk van een belijdenis, die men elkander moet doen, dat is de eene geloovige aan den ander, en vooral van die zaken, waardoor de liefde des naasten verbroken en twist zou ontstaan zijn:--zoodat het in de meeste gevallen niet alleen geoorloofd, maar zelfs noodzakelijk en plichtmatig is, in het hart van een getrouwen vriend, van een man van ondervinding, vooral van een evangeliedienaar, zijn geheime gedachten en verrichtingen uit te storten, ten einde raad, hulp of vertroosting te ontvangen. In zulk een geval bevindt gij u thans, en de vriend, de leeraar, die uw vertrouwen genieten en u met raad, hulp en vertroosting dienen wil, ben ik. Spreek vrijelijk tot mij, Joan! gelijk Paulus tot den wijzen Ananiam sprak, nadat hij hiertoe door een gezichte was vermaand, en ik zal u hooren en u onderwijzen met de onderwijzing, die ik vermag te geven. Doch verberg mij niets; want om uw toestand wel te beseffen, is het noodig dat ik alles wete."
"Reeds voor uw verzoek," zeide Joan, "had ik besloten u mede te deelen wat de reden is van het zonderling gedrag, dat ik heden heb moeten houden. Doch eer ik begin, moet ik u de stipste geheimhouding verzoeken omtrent al wat ik u zeggen ga."
"Een oogenblik," zeide Raesfelt: "geheimhouding te beloven!.... dat zou mij onder de verplichting leggen, die een priester heeft aangegaan bij zijn ordening, en van ons gesprek een biecht te maken.... daarover moet ik even nadenken!"
Nadat de brave man eenige oogenblikken gepeinsd had, zegevierde zijn zucht om nuttig te wezen aan de belanghebbende partijen over zijn te ver getrokkene nauwgezetheid, en hij beloofde Joan, dat niets van hun gesprek buiten zijn toestemming zou uitlekken. "In allen gevalle," zeide hij, "kan ik de biecht wel hooren, als er toch geen _absolutie_ op volgt; want daar staat geschreven: belijdt malkanderen de misdaden en bidt voor malkanderen, opdat gij gezond wordet: sprekende de Apostel hier van gezondheid der ziel, gelijk in de vorige verzen van gezondheid des lichaams."
En hierop begon Joan, zonder te spreken van hetgeen hem te Tiel met Van Dyk overkomen was, de oorzaak, welke hem naar het Lischboschje gevoerd had en zijn ontmoeting van den morgen te verhalen. Toen de Predikant van het voorgenomen tweegevecht hoorde gewagen, schudde hij het hoofd en had moeite om den spreker niet in de rede te vallen; doch zooras Joan hem begon te vertellen, dat Van Dyk hem van zijn vader had gesproken, lieten zijn gedachten elk ander onderwerp varen om zich hierbij te bepalen, en bleef hij met gespannen aandacht luisteren naar het vervolg. Joan ging voort en zag den Predikant vlak in 't aangezicht, om den indruk gade te slaan, dien zijn woorden op hem zouden maken. Met open mond en strak gevestigde oogen zat Raesfelt over hem, zijn adem inhoudende uit vrees van een woord te verliezen, en zijn knieën stijf met de handen vastknijpende als beducht, een beweging te maken. Doch toen Joan eindelijk Velasco zijn vader en den Baron zijns vaders moordenaar noemde, trok de Predikant haastig de handen terug, vouwde die samen voor 't gezicht, hief het hoofd naar boven en sloot de oogen stijf toe, als wilde hij òf een gebed doen, òf zich iets, dat lang geleden en het geheugen reeds ontgaan was, herinneren. Na eenige oogenblikken in die houding te hebben doorgebracht, liet hij de handen weder vallen, zakte als 't ware ineen, sloeg de oogen op den grond en zweeg.
Dat zwijgen scheen Joan toe, wat het werkelijk was: een bevestiging van het verhaal van Van Dyk: nog altijd had hij de hoop blijven voeden, dat deze een logenaar geweest ware: thans echter bleek hem het tegendeel, en zoo diep werkte die overtuiging op zijn gemoed, dat hij niet met spreken voort kon gaan, maar op zijn beurt den Predikant zwijgend aanzag, met oogen, waaruit vertwijfeling straalde.
Nadat die wederzijdsche stilte een geruimen tijd geduurd had, stond Raesfelt op, schudde het hoofd, stak de beide handen naar Joan toe en zeide: "Gij bevindt u waarlijk in een toestand zoo rampzalig als weinig menschen ondervinden; doch alle dingen moeten medewerken tot zaligheid voor hem die gelooft."
Dit gesproken hebbende, ging hij weder zitten en peinsde weder eenige oogenblikken over hetgeen hij gehoord had. Nu brak Joan op zijn beurt het stilzwijgen en vroeg op een angstvalligen toon, of Dominee werkelijk met het geheim zijner geboorte bekend was, en of dit strookte met het verhaal van den vreemdeling.
"Over 't geheel genomen, ja!" antwoordde Raesfelt: "en gij kunt het ook leeren kennen: want het staat, ofschoon niet volkomen juist, in de geschiedenissen te lezen, welke in de afgeloopen jaren gedrukt zijn. Doch dat de Heer Baron uw vader zou vermoord hebben, of zelfs den moord gelast, daarvan is mij nooit iets gebleken, en ik geloof het ook niet:.... waarschijnlijk is dat een bijvoegsel van den gevangene, om u haat tegen Zijn Edelheid in te boezemen: een schelm als hij, een sluikmoordenaar, kan lichtelijk zoo iets verzinnen, om...."
"Waarlijk! zoudt gij reden hebben om dit punt in twijfel te trekken? Het zou mijn hart van een geweldig pak ontlasten."
De Predikant herhaalde zijn verzekeringen en bracht alles te berde, wat zijn geheugen hem omtrent de omstandigheden van Velasco's dood te binnen bracht, om klem daaraan bij te zetten. Hij besefte nu, waarom en hoe innig zijn gewezen leerling lijden moest, en poogde hem dus ook met godsdienstige troostgronden op te beuren, doch om goeden raad te verschaffen, daarmede vond hij zich meer verlegen. Eindelijk kwamen zij overeen, dat Raesfelt den Baron zou verzekeren, dat Joan geen boos opzet hoegenaamd tegen hem had gevormd, en alle mogelijke middelen in 't werk stellen, om een onderhoud met den Jezuïet te hebben, ten einde van dezen de waarheid betreffende Joans afkomst te verstaan; en dat Joan zich hoe eer hoe beter naar Den Bosch zoude begeven, om zijn oom Don Louis te bezoeken, en met dezen te overleggen, wat hem te doen stond. Aan het eerste gedeelte dezer afspraak werd dadelijk door den Predikant voldaan, nadat hij afscheid van Joan genomen had. In korte bewoordingen verklaarde Raesfelt aan den Baron, dat Joan zijn vriendschap altijd waardig gebleven was, doch dat hij de redenen van zijn geheimzinnig gedrag nog niet vermocht te openbaren, waarop Reede, tevreden over de voorloopige verzekering van de onschuld van zijn pleegzoon, besloot hem den volgenden morgen te gaan spreken, ten einde alles op te helderen wat nog duister was.
Intusschen was er een boodschap van den Ambtman Mom aan den Heer van Sonheuvel gekomen, waarin eerstgemelde zich verschoonde, om bij deze gelegenheid op het slot te komen, vermits de Koning van Bohemen dagelijks verwacht werd; 't geen de tegenwoordigheid aller ambtenaren in de plaats hunner residentie noodzakelijk maakte. De Baron had gaarne zijne tegenwoordigheid genoten, vermits Eugenio, die eindelijk mede een verhoor had ondergaan, voorgewend had een Bosschenaar te zijn en door den Heer van Botbergen gezonden, om zijn verschil met Joan bij te leggen. De Schout, die het verhoor deed, was van oordeel, dat men, om de waarheid van dit voorgeven te kennen, zoowel het bijzijn van den Heer van Botbergen als dat van den Ambtman Mom vereischte. Men besloot dus, daar de avond reeds gedaald was, den gevangene wederom weg te voeren en de getuigen naar huis te laten gaan, hen tegen den volgenden morgen terug bescheidende.
VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Daar's niets dan 't zwoord en 't been: al 't spek is geëclipseerd.
_Langendyk_, de Wiskunstenaars.
Den volgenden morgen was de Schout reeds vroegtijdig aan het kasteel terug en stelde hij den Heer van Sonheuvel voor, Joan te laten voor hem komen, om de aanleiding van zijn gesprek, met den gevangene in 't Lischboschje gehouden, op te geven. De Baron, zulks goedgekeurd hebbende, zond Roelof naar het vertrek van den Jonker, om diens tegenwoordigheid te verzoeken; dan al spoedig kwam deze terug met het bericht, dat de Jonker niet in zijn kamer te vinden was, 't welk bevestigd werd, toen de Baron, na gevraagde inlichting, vernam, dat Joan reeds vroeg in den morgen den hof was ingewandeld. "Hij zal wat zijn gaan kuieren om zijn leed te verzetten," zeide Reede: "welnu! men spore hem op en verzoeke hem, terstond hier te komen: wij zullen dan beginnen, met den gevangene nog eens te ondervragen. Dienaars! brengt hem binnen!"
De gerechtsdienaars, door Bouke geleid, begaven zich naar Eugenio's kerker, die wel met grendels, bouten en kettingen voorzien en gesloten was. Het was Bouke zelf, die nu de zwaar beslagene deur opende met een gedruisch, dat geheel het kasteel door kon vernomen worden. "Klink! klank!" zeide de Baron tegen den Schout, toen hij het hoorde: "die bewaarplaats is een weinig zekerder dan de kamer te Loevestein, waaruit de Heer De Groot voor veertien dagen ontsnapt is: van hier zal die vermaledijde Jezuïet niet wegkomen, of hij moest kunnen vliegen."
"Dat moet hij dan kunnen," zeide Bouke, stampvoetende en vloekende binnenkomende: "want weg is hij!"
"Wie? wat? wie is weg?" zeide de Baron.
"De gevangene."
"Ben je dol, kerel?" en de Baron stoof met hem de trappen af, terwijl de Schout en de Secretaris, na elkander aangegaapt te hebben, de schouders ophaalden en volgden, vrij ontevreden, dat de eer hun ontgaan zoude, zulk een belangrijken misdadiger te hebben ingeleverd.
"Maar voor Sint-Felten, Bouke!" riep Reede, toen hij met hem voor den ledigen kerker stond: "hebt ge den boel dan niet dichtgesloten?"
"Gesloten?--Dat kunnen deze lieden getuigen, die er bij stonden; het spreekwoord zegt wel: groote visschen springen uit den ketel; maar hoe deze er uitgesprongen is, vat ik bij mijn ziel niet."
"De vent is wis een toovenaar," zeide een der dienaars. "Zou de Heer Baron niet goedvinden, dat wij hem wogen: de schaal is nog op het gemeentehuis."
"Dat mag ik wel lijden," zeide de Baron: "maar wij moeten hem eerst hebben."
"Met uw verlof, Heer Baron!" zeide de Schout, de gevangenis binnentredende: "is hier geen andere uitgang dan door de deur?"
"Door dat gat kan hij niet weggegaan zijn," zeide de Baron, op een rond luchtgaatje wijzende, waar geen mensch door kon kruipen, en dat bovendien met ijzeren traliewerk voorzien was: "en bij het luik, dat de pijp sluit, die op den zolder uitkomt, kan men van hier niet reiken."
"Dat zal het toch wezen," zeide de Schout, naar boven ziende en het luik met de punt der hellebaard van een der dienaars opstootende: "door die opening kan iemand wegkomen, met behulp van een ander, die bovenstaat."
De pijp namelijk geleidde naar den zolder, en had te voren gediend om de turf, welke eertijds boven bewaard werd, naar gelang men die noodig had, naar beneden te werpen; toen diende de kerker voor een turfhok; doch zooals Geert aan Magdalena 's daags te voren verhaald had, "nog bij 't leven van Mevrouw zaliger had men een turfloods naast de keuken gebouwd, en dit hok tot een gevangenis ingericht voor dieven en stroopers of voor groote schelmen, zooals deze paap was."--De pijp was sedert dien tijd van boven en van onderen met een luik gesloten geweest, en dit nog wel behoorlijk toegegrendeld. Bij nauwkeurige beschouwing bleek het echter, dat men die grendels had doen springen: en er bleef dus geen twijfel over of de gevangene had langs dien weg een uitkomst verkregen.
"Joost haal me!" zeide de Baron, na gedaan onderzoek: "ik dacht ik had hem zoo wis."
"Ja!" zeide Bouke: "gissen is missen en gehad is een arm man; maar hoe kwam hij weg? alleen zeker niet: want de duivel heeft altoos een maat."
"Men moet het gaan onderzoeken," zeide de Schout.
"Eerst den schelm weerom gekregen!" riep de Baron: "zit op mannen! en jaag hem achterna, tot gij hem vindt."
"Dat is gemakkelijk gezeid," merkte Bouke aan: "maar waar vinden wij hem? want alle muiske heeft zijn kluiske."
"Waar? wel wis is hij naar Tiel toe, den weg op, waar hij vandaan kwam."
"Naar het veer dan," zeide Bouke: "daar hooren wij zeker wat van hem: want vaart men over een sloot, men laat er een brood; vaart men over een veer, men laat er nog meer."
"Met verlof!" hernam de Schout: "zoude UEd. niet eerst het kasteel laten doorzoeken? wellicht zit hij nog hier of daar verscholen."
Deze raad werd gevolgd; men trok het kasteel in alle richtingen door en ondervroeg alle bedienden. Niemand had iets van den Jezuïet gemerkt; doch Geert verhaalde, hoe de Jonker 's daags te voren bij haar had aangedrongen, om den gevangene te spreken. Dit deed het vermoeden ontstaan, dat Joan de hand had gehad in zijn ontsnapping. Zooras de Baron dit denkbeeld opvatte, begaf hij zich met al de overigen naar het vertrek van den jongeling; het werd nauwkeurig omgehaald, en men vond eindelijk in het ledikant, tusschen de lakens, een wigge en een eind touw verborgen, die aan den Baron werden voorgesteld. Bij onderzoek bleek het, dat die wigge gediend moest hebben om de grendels op te lichten van de luiken, die de pijp sloten, door welke de Jezuïet ontsnapt was.
"Die wigge en dat touw hebben tot de vlucht gediend, Heer Baron!" zeide de Schout: "ik zal ze dus als bewijsstukken medenemen, en de Heer Secretaris verzoeken, die te nummeren."--Dit zeggende, beschouwde hij nogmaals de wigge, om den naam van den fabrikant te lezen, welke daarop gegrift stond, doch door roest en ouderdom uitgesleten was. Ten einde den roest eenigszins weg te wrijven, raapte hij een papiertje op, dat voor hem lag, toen de Baron, die naast hem stond, hem met den uitroep: "dat is de hand van Joan!" ontrukte.
Het bleek een gedeelte van een briefje te zijn, waaraan twee hoeken ontbraken, en liet de volgende afgebroken woorden lezen:
"Het bewijs uwer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . deed toekomen . . . . . . . . . . . . . . . . . . verlost door mij . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . den boezem aan . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . de beschuldiging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . alle geloof blijft wei . . . . . . . . . . . . . . den naam van uw vriend . . . . . . . . . . . . . . . . . vollen uwer waardig . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . eerst bezwaarlijk vallen. . . . . . . . . . . . . . . de vermoedens te ont . . . . . . . . . . . . . . . . . . ekerd, de tijd zal mij. . . . . . . . . . . . . . . . . . . doen vallen, die . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . moet, en aan de . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . van Sonheuvel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . zijn moordenaar. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . geheel de uwe . . . . . . .
J."
"Welk verder bewijs hebben wij nog noodig?" riep de Baron uit, zoodra hij deze onzamenhangende woorden gelezen had: "blijkt het niet uit dit geschrijf volledig, dat Joan, en niemand anders, den Jezuïet heeft verlost? Let eens, Heer Schout! op de woorden: _deed toekomen_, _verlost door mij_, _Van Sonheuvel_, _zijn moordenaar_.... O! het is niet moeilijk, de tusschenruimten in te vullen. Joan! Joan! had ik dat aan u verdiend? aan u, wien ik zoo hartelijk liefhad? Moest gij de Judas worden, die mij verraadde!" Hier bedekte de brave man zijn gelaat met beide handen en snikte luid.
"Wat beveelt UEd.?" zeide de Schout, na een oogenblik zwijgens, 't welke hij zich ten nutte gemaakt had, om het briefje nogmaals na te lezen. "Zal men den Jonker nazitten?"
"Neen!" zeide Reede, terwijl hij zijn oogen afwischte: "Laat den ongelukkige gaan, waar hem zijn gesternte brengen wil. In den oorlog werd zijn vader door mijn soldaten vermoord: en ik wil het bloed zijns zoons niet op mijn gemoed hebben. Hij ga en leve in vrede, indien zijn geweten het hem toelaat."
"Wat den Jezuïet betreft dien moeten wij echter niet laten wegkuieren," zeide de Schout. "Hij is aan hoogverraad schuldig, en het zou mij spijten, indien ik dien vogel niet weder in de kooi kreeg."
Dit gezegd hebbende, gaf hij de noodige bevelen om Eugenio na te sporen. Alle vervolging was vruchteloos; echter ontdekte men, na een nauwkeurig onderzoek, dat iemand, wiens beschrijving zeer wel met die van den Pater overeenkwam, den weg op naar Wijk te Duurstede was ingeslagen en aldaar de rivier was overgestoken; terwijl andere berichten vermeldden, dat Joan, met een vermomden grijsaard, de Waal te Tiel was overgevaren.
Inmiddels had Reede zijn dochter doen ontbieden. Zij kwam met rood bekreten oogen en een bleek gelaat de kamer in. Zwijgend wees de Baron haar een zitplaats aan, keek een poos voor zich en begon toen aldus:
"Lieve meid! ik weet, gij hebt altijd Joan als een broeder liefgehad; ja zelfs meer dan eigenlijk behoorde.... ja, schrei maar niet: ik wil u daarvoor thans niet beknorren: 't was ook eenigszins mijn schuld.... maar ik zelf had den knaap lief, en zoo hij geen Spaansche basterd geweest ware.... doch dat daargelaten! over het verledene zullen wij zwijgen: ik wilde alleen u waarschuwen, dat ge voor de toekomst hem geheel uit uw gedachten bannen moet. Hij is een onwaardig, een slecht voorwerp, ja slechter dan ik u zeggen kan: mij, zijn weldoener, wilde hij om hals brengen, met behulp van een schoft, dien hij nu heeft doen ontsnappen. Zie mij niet zoo ongeloovig aan. Ik zelf zou het niet hebben geloofd, had ik de bewijzen niet in handen."
"Was hij een verrader," zeide Ulrica met kracht, "dan is hij de grootste huichelaar, die ooit bestaan heeft; doch ook op uw getuigenis, mijn vader! kan ik hem daar niet voor houden."
"Welnu dan," hernam de Baron: "wat dunkt u van zijn ontsnapping, te gelijk met den Jezuïet? van deze wigge en dat touw? van dit briefje?"
Ulrica nam het papier met een sidderende hand op en las het, terwijl haar vader voortging met de bezwaren, op te sommen, die tegen Joan konden worden aangevoerd. Een wijl bleef het meisje als versteend staan en berstte toen uit in tranen.
"Welnu!" zeide de Baron: "en aan dien slechthoofd wilde de brave Ambtman u afstaan. Hoe zult gij 's mans edelheid beloonen?"
"Laat hij komen, wanneer het hem goeddunkt," zeide Ulrica, opstaande en haar tranen wegvegende: "ik ben bereid, zijn gade te worden."
"God zegene u, beste meid!" zeide de Baron, haar omhelzende. "Gij verheugt mij onbeschrijfelijk, door zulk een kloek besluit te nemen. De liefde van mijn waardigen vriend Mom zal best geschikt zijn om de tranen te drogen, die gij over den onwaardigen Joan nog storten mocht!"
"De smart was in staat er nog eenige te doen vlieten," zeide zijn dochter: "maar de verachting heeft er geene: en die alleen vervult thans mijn boezem voor den booswicht!"
Terwijl deze gebeurtenissen op het slot te Sonheuvel voorvielen, was Joan, die vroeg in den morgen van daar vertrokken was, de poort van Tiel reeds binnengetreden en had zich naar den Gouden Ooievaar begeven, om zijn paard en mantelzak, welke hij aldaar bij zijn vertrek had achtergelaten, terug te eischen. Verscheidene personen van allerlei stand en rang zaten in het voorhuis te praten, te rooken of te drinken: soldaten doorkruisten het in onderscheidene richtingen: werklieden waren bezig een opkamertje aan te bouwen: in één woord, het huis was met drukte, verwarring en gewoel vervuld. Dit liet niet na bij Joan, die hiervan de reden niet besefte, eenige verwondering te baren: doch deze hield op, toen men hem verhaalde, dat de meeste der aanwezigen dien dag te Tiel gekomen waren om den Koning van Bohemen de stad te zien voorbijvaren, terwijl die krijgslieden zich aldaar bevonden om Z. M. een eerewacht te vormen. Intusschen veroorzaakte het plaatshebbend rumoer, dat Joan onderscheidene reizen zijn stem verheffen moest, eer hij van den waard gehoor kon verkrijgen. Deze was eerst sinds weinige jaren bij aankoop eigenaar van dien stand geworden en had onzen held nooit gezien dan drie dagen te voren, toen hij zich aldaar in gezelschap van Groenhovius vertoond had.
"Wat is er van je dienst, heerschop?" vroeg hij, zijn breeden vooruitpuilenden buik naar den kant van Joan wendende. "Ai mij! wat zie ik? is oe niet dat heerschop, die laatst met dien zwartrok hier ekomen zijt?"
"Ik zelf!" zeide Joan: "geef mij een snede brood en een kan bier, en laat mijn paard opgezadeld worden: ik moet spoedig verder."
"Wel is 't mij bijzonder aangenaam, oe te zien," hervatte de waard. "Ai mij! de luiden zeiden al, je waart verzopen: jaô, een snee brood en een kan bier, daôr kan ik oe an helpen, en aan oe mantelzak ook, die leit nog boven achter 't slot, wel bewaôrd; ai mij! 't zou mij pijn doen, als iemand iets bij mij te kort kwam; maôr oe paôrd, man! dat is marsch!"
"Hoe!" riep Joan, opvliegende: "wat heeft dat te beduiden?"
"Ai mij! maôk u niet driftig, heerschop! 't Is dat...."
"Ik wil mij driftig maken," hernam Joan: "wat is er met mijn paard gebeurd?"
"Oe paôrd, heerschop! jaô! oe paôrd! Ai mij dat.... het is geprest voor de lichting, en deur dien weg is het marsch." En hij vergezelde deze woorden met een zeer beduidende gebaarde.
"Larie!" zeide Joan, den herbergier vrij onzacht bij den arm grijpende: "mijn paard weerom, òf ik klaag u zoo dadelijk aan bij het gerecht."
"Ai mij!" hernam de waard, terwijl hij zich uit de handen van een zoo geweldige weerpartij zocht los te maken.
"Geen aimijen meer! mijn paard weerom, en terstond!"
"Wel daôr speult Sint-Felten mee," riep de waard, half boos, half bevreesd, "kijk mij zoo een vent het eens roeren! Kan ik het ebeteren, dat je zonder betaôlen aftrekt en oe verzuipt, zoodat elk oe veur dood houdt en dat oe paôrd geprest wordt en dat je nou weer levend veur mij staôt? Zie dat jij oe paôrd van den ritmeester weer krijgt, die het met enomen heeft: aôrs, honderd daôlders heeft hij er veur elaôten, die zijn tot oe dienst: ze liggen boven, en zooals ik oe zeide, niemand moet iets bij mij te kort komen."
De soldaten hadden gedurende dit gesprek de herberg langzamerhand verlaten; doch de overige klanten, nieuwsgierig naar den uitslag van dezen twist, waren opgestaan en hadden zich om de beide sprekers in een engen kring verzameld, zich met de gramschap des jongelings en den angst des kasteleins vermakende.
"Honderd daalders!" riep Joan verontwaardigd: "die Jood! die Griek! een paard, dat de helft meer waard is."
"Weeg uw woorden wat, vriendje!"' voegde hem een officier toe (die met een anderen krijgsman het voorhuis ingetreden was, en de laatste woorden gehoord had), terwijl hij Joan op den schouder klopte: "die Griek ben ik, en ik heb er voor gegeven wat de Staten als prijs hebben vastgesteld voor officiers-paarden."
"De Staten hebben, met verlof gezegd, over mij noch over mijn paard iets te beschikken," hernam Joan op een zachteren toon: "beiden zijn wij in dienst van den Koning van Bohemen."
"De Koning van Bohemen" zeide de officier met een spotachtigen lach: "pshaw! brrr! als hij hier komt, wordt hij er nog bij geprest ook, de arme man! Nu, trek u zijn zaak maar niet te veel aan," vervolgde hij, ziende dat Joan de hand aan 't rapier sloeg: "ge schijnt mij een goed kalf van een jongen! en zijt ge om vijftig daalders verlegen, ik zal ze er wel bijleggen: dan hou ik het paard voor mij; want zuiver, de knol bevalt mij."