De Pleegzoon

Chapter 30

Chapter 303,975 wordsPublic domain

"Lees de geschiedenissen van zijn tijd," zeide Eugenio met koelheid: "daar staat het gedrukt, hoe het lijk van Velasco door een bloeddorstigen en wraakgierigen overwinnaar mishandeld werd. Doch, ik begrijp licht," voegde hij er bij, met een verachtelijken blik, "dat de oogen van den minnaar der schoone Ulrica de bloedvlek niet kunnen zien, die haars vaders handen bezoedelt."

"Mensch!" riep Joan radeloos uit: "martel mij niet op een zoo verschrikkelijke wijze."

"Zoo zijn de dwaze stervelingen altijd," hernam Eugenio: "even onmachtig om de tegenheden als om de vreugde te dragen: eerst waart gij opgetogen en verrukt van blijdschap, omdat gij het geheim uwer geboorte hooptet te leeren kennen; ongelukkig legt de kennis van dit geheim u een lastigen plicht op, en dadelijk verwenscht gij hem, die de moeite nam, het u te ontvouwen."

"Ik weet niet," zeide Joan, terwijl hij de hevige gemoedsbewegingen, welke bij hem oprezen, poogde te onderdrukken, om in een zoo verscheurend oogenblik den vreeselijken onbekende met eenige bedaardheid te kunnen aanhooren: "ik weet niet wat gij bedoelt, noch welken plicht gij mij wilt opleggen."

"Ik leg u geen plicht op," zeide de Jezuïet: "ik heb u reeds gezegd, dat ik slecht kan beoordeelen wat uw eer en uw naam, waarvan gij den mond zoo vol hebt, van u vorderen: wel is waar, een ander, die minder met woorden schermde en wat meer innerlijk gevoel bezat, zou de vraag, welke gij mij doet, niet behoeven op te werpen. Gij zelf hebt die reeds beantwoord, toen gij een oogenblik geleden den dood zwoert aan uws vaders moordenaar. Toen sprak uw hart: toen hoorde ik de taal, welke den zoon, den man van eer betaamde. Die kreet was in overeenstemming met de laatste woorden uws vaders, wanneer hij, op last van den laaghartigen Reede vermoord, in mijn armen nederzeeg, het brekend oog op u sloeg en mij met stervende lippen toevoegde: voed hem op tot mijn wreker. Het eerste gedeelte van dat bevel kon ik verrichten: het laatste: die uiterste wensch van een stervenden vader, staat aan u te vervullen: en wee den zoon die aan 's vaders laatsten wensch niet wil voldoen."

"Kan ik," vroeg Joan, "mijn zwaard opheffen tegen den man, die mij met zijn brood heeft gevoed?"

"Gij stelt het vraagpunt verkeerd," zeide Eugenio: "vraag liever: kan ik den man als vijand behandelen, wiens dochter ik liefheb?--dan zult gij beter uw wezenlijke meening uitdrukken. Doch ik heb u geheel verkeerd beoordeeld, en tot mijn leedwezen; want de bijdragen tot menschenkennis, die men op dusdanige wijze vergadert, zijn niet van de aangenaamste. Mijn boodschap aan u is verricht, en ik moet u verlaten met den wensch, dat gij met een gerust geweten de weldaden van uws vaders moordenaar moogt blijven aannemen."

"Een oogenblik!" riep Joan, hem met drift terughoudende: "tegen hem, die mij van mijn kindsheid af heeft welgedaan en als vader behandeld, mag ik geen onbewezene beschuldigingen aannemen. Welke waarborgen geeft gij mij voor de echtheid van uw verhaal?"

"Welke waarborgen?" herhaalde de Jezuïet: "dan, gij hebt gelijk: het is in den tegenwoordigen tijd voorzichtig, niemand op zijn woord te gelooven, althans geen vreemdeling. Doch, vraag het aan den moordenaar zelven, vraag het aan zijn bloeddorstige medehelpers, vraag het aan uw oom, den ook in Nederland hooggeachten Don Louis; lees het in uw historieschrijvers, die op dit punt ten minste der waarheid zijn getrouw gebleven;.... doch ik spreek in den wind: voor hem, die liefst niet overtuigd wil wezen, helpen geen bewijsgronden."

"Zóó laat ik u niet gaan," zeide Joan, terwijl hij den Jezuïet tegenhield, die zich zocht te verwijderen: "gij zijt mij meerdere opheldering schuldig."

"Tot uw dienst," hervatte Eugenio: "doch maak het kort. Mijn tijd is kostbaar, en mijn leven is hier niet zeker."

"Ik sta voor uw leven in," zeide Joan haastig: "doch antwoord mij. Gij noemdet zooeven mijn oom? Waarom heeft hij mij tot heden geweigerd te erkennen?"

"Vraag hem dit zelf," antwoordde de Jezuïet: "hij is in Den Bosch, en zal u geenszins weigeren, u zijn gedrag op te helderen."

"Het is dan Don Louis, die u tot mij gezonden heeft?"

"Don Louis weet dat ik u zou opzoeken: doch herinner u hetgeen ik u gezegd heb: ik had van uw vader zelven een last bekomen, dien ik vervullen moest."

"En waarom draaldet gij hiermede dan zoo lang?"

"Ik ben u omtrent mijn gedrag geen rekenschap verschuldigd," antwoordde Eugenio met hoogheid: "en al wilde ik dit, de tijd laat mij zulks niet toe."

"Waar kan ik u dan nader spreken? Waar vind ik u weder?"

"In Den Bosch, bij uw oom: vraag hem daar slechts naar Pater Eugenio. Vroeger ziet gij mij niet terug. Denk intusschen eens na over hetgeen ik u zeide, onderzoek alles en overweeg uw plicht."

Dit zeggende, sloeg de Jezuïet, zijn paard bij den toom leidende, de laan in, die hem buiten het boschje voeren moest. Joan bleef, als door den donder getroffen, eenige oogenblikken staan. Dan opeens rees in zijn ziel een gedachte op, welke hij zelf niet besefte dat nu eerst bij hem opkwam. Hij snelde den Jezuïet achterna, en, hem bij den arm grijpende, riep hij uit:

"En mijn moeder?"

"In Den Bosch zal aan uw nieuwsgierigheid voldaan worden," antwoordde Eugenio, terwijl hij zich losrukte en verder voortstapte. Dan nauwelijks was hij buiten het boschje en op den weg gekomen, of een stevige vuist greep hem in den nek en deed hem tegen zijn paard aantuimelen.

Het was Bouke, die hem op een zoo onvriendelijke wijs begroette. Deze had zich, gelijk boven verhaald is, niet ver van de plaats, waar het onderhoud voorviel, in 't boschje verscholen. De wind had hem wel belet om juist te verstaan alles wat er gezegd werd; doch eenige weinige woorden, luider dan de overige gesproken, hadden hem doen beseffen, dat er een kwaad opzet tegen zijn Heer gebrouwen werd. En dit vermoeden sloeg tot overtuiging over, toen hij, na lang op het gelaat van den vreemdeling getuurd, en op het einde der samenspraak zich een weinig naderbij begeven te hebben, den Jezuïet van de Katholieke Hofstede herkende; want schoon er sinds dien tijd twintig en meer jaren verloopen waren, behoorden de gelaatstrekken van Eugenio onder diegene, welke men niet licht vergeet, na ze eens aanschouwd te hebben. Met ijzing en afschuw zag hij den gevreesden booswicht aan; dan nog bleef hij twijfelen; want hij had gezien, hoe zijn Joan, zijn vriend en leerling, op den toon der vertrouwelijkheid met den onbekende gesproken, ja, hem zelfs de handen gedrukt had. Eindelijk werd zijn onzekerheid weggenomen, toen de Pater, bij het afscheid nemen, zijn naam noemde, dien naam, welke den braven Bouke zoo verfoeilijk was. Hij nam nu het vast besluit, deze reis den booswicht niet, gelijk de vorige keeren, te laten ontkomen. Zorgvuldig gleed hij door het kreupelhout terug en nam juist het oogenblik waar, dat Eugenio zijn paard wilde beklimmen, om voor den dag te springen en hem, gelijk wij gemeld hebben, met kracht aan te grijpen. "Ja," riep hij, "loontje komt om zijn boontje! Deze reis zult gij mij niet ontsnappen!" Eugenio, schoon doorgaans op zijn hoede, en altijd tegen een aanval gewapend, was niettemin op zulk een plotselijke aanranding niet bedacht. Hij herstelde zich echter spoedig, en daar Bouke, die de armen hem om 't lijf hield, hem belette, de hand bij zijn pistolen te brengen, greep hij dezen onder de okselen en trachtte hem op te tillen om hem van zich af te werpen, terwijl hij hem terzelfder tijd voor struikroover uitschold.--Joan, zelf onthutst over hetgeen hij geschieden zag, wierp zich tusschen de beide strijders, die met dezelfde woede en met schier gelijke krachten worstelden: en het gelukte hem, Bouke van zijn weerpartij af te scheuren. Doch de oude dienaar des Barons, door deze tusschenkomst nog feller verbitterd, trok zijn mes en zou Eugenio een steek hebben toegebracht, had Joan zijn arm niet met geweld teruggehouden.

"Zijt ge ijlhoofdig, Bouke?" vroeg de jongeling, "wat is dit voor een razende dolheid?"

"Laat mij begaan, Jonker!" brulde Bouke: "dood bloed geen nood doet!"

"Gij ziet, hoe een ontrust geweten ontwaakt," zeide de Jezuïet tegen Joan, meteen een pistool voor den dag halende: "deze man heeft mij herkend: hij behoorde ook onder de moordenaars."

"Dat mag ik van jou wel zeggen, schurk!" galmde Bouke: "Jonker laat mij los: want zoo die schelm los komt, is het land in nood."

"Gij hebt voor mijn veiligheid ingestaan," zeide Eugenio, Joan scherp aanziende.

"Dat heb ik," zeide Joan: "doch maak u weg, eer 't te laat is; want, bij den hemel! ik zie iemand naderen, die u niet hier moet vinden."

"Ha! daar komt versterking," riep Bouke: "Jonker! bij je ziel! laat den schelm niet ontsnappen!--Mijnheer! Mijnheer! kom toch hier!"

"Wat is hier te doen?" vroeg de Baron van Sonheuvel, die, om de dampen van den wijn te doen vervliegen, een ochtendwandeling deed en toevallig den weg naar het boschje genomen had.

"Wat gebeurt er?" riep hij, met spoed aan komende loopen.

"Een zonderling geval, Mijnheer!" antwoordde Eugenio: "die kerel valt mij op 't onverwachtst met een mes op 't lijf, zonder dat ik hem in 't minst beleedigd heb: ik geloof dat de vent dronken is."

"Kent UEd. hem niet?" riep Bouke, zich aan Joans handen ontworstelende: "het is de Jezuïet van Panne, die toen met UEds. paarden wegliep!"

"Wat Jezuïet? wat Panne?" vroeg Eugenio, met een glimlach: "de vent is razend."

"Waarlijk!" zeide de Baron, terwijl hij Eugenio met een scherpen blik aanzag en langzamerhand zijn hartsvanger uithaalde: "ik heb dat gezicht meer gezien: ja hij is het!"

"Ben ik het?" hernam de Jezuïet: "weg dan met alle vermomming! Ja, gij hebt mij nog eenmaal gezien, nadat gij mijn trouwsten vriend baldadig hadt vermoord."

Deze woorden overtuigden den Baron, dat de vreemdeling werkelijk de medeplichtige van Panne was geweest, daar hij, gelijk onze lezers zich misschien zullen herinneren, werkelijk op dien avond een Jezuïet had neergeschoten; doch Joan bracht het gezegde van Eugenio in verband met hetgeen deze hem het oogenblik te voren had verhaald, en begreep, dat het op den moord van Velasco sloeg. Waarschijnlijk had zich de Jezuïet ook met dit inzicht van een uitdrukking bediend, die voor onderscheiden uitleggingen vatbaar was.

"Welnu schelm!" zeide de Baron: "zoo gij het zelf bekent, geef u dan over."

"Dat niet," hernam Eugenio, "zoolang ik hier nog een vriend heb, die mij beschermen zal!" Dit zeggende wierp hij een veelbeteekenenden blik op Joan.

"Laat hem gaan! laat hem gaan! Heer Baron!" riep Joan, in een hevige gemoedsbeweging: "hij was de vriend mijns vaders."

"Joan, ga ter zijde!" riep de Baron: "zult gij met dien moordenaar één lijn trekken? Gij weet niet welk een vervloekte booswicht daar staat."

"Wie hij zijn moge," zeide Joan: "ik heb voor zijn veiligheid ingestaan."

"Ha! worde ik van mijn voedsterling verraden?" vroeg Reede met verwoedheid: "om 't even! geef u over schurk van een Jezuïet!"

Bij het uiten dezer woorden liep hij met drift op Eugenio aan, die, achteruittredende, hem de tromp van zijn pistool voorhield. Bouke poogde terzelfder tijd den Jezuïet van achteren aan te vatten; doch deze had zich reeds achter zijn paard om begeven, was behendig opgestegen en poogde nu, den teugel wendende, zijn aanvallers te ontrijden, toen hij door een nieuw aangekomen vijand wederhouden werd. Deze was niemand anders dan Gheryt Maessen, die met een mandje vol kostelijke eieren, door hem tot een dankbaar geschenk voor Freule Ulrica bestemd, van den Rijnkant afkwam. Zoodra hij het gevecht van verre aanschouwde, zette hij zijn mandje neder, nam, bij gebrek van ander wapentuig, een ei in de linkerhand en kwam Eugenio achterop, wien hij met de rechtervuist aangreep en van het paard zocht te trekken. Deze poging ware hem bijna duur te staan gekomen; want de Jezuïet legde reeds het geladen pistool op Maessen aan, toen deze hem het ei vlak tegen het voorhoofd wierp, zoodat de struif hem over de oogen stroomde. Eugenio, die geen doodwond zou ontzien hebben, was door deze zonderlinge ontmoeting een oogenblik onthutst. Hij brandde los; doch in den blinde en zonder iemand te deren; terwijl Gheryt, van zijn verbaasdheid gebruik makende, hem met een ruk achterover en van 't paard haalde, waarop de Baron en Bouke, genaderd zijnde, zich van hem trachtten meester te maken, en hem te binden: "want," zeide de Baron: "de schelm moet aan mijn galg en niet door mijn degen sterven."--Eugenio was echter even spoedig weder opgestaan als hij gevallen was en sloeg zoo geweldig van zich af, dat het aan de drie aanvallers onmogelijk ware geweest, zich levend van hem te verzekeren, zoo niet eenige boeren, van den Rijnkant komende, den Baron de behulpzame hand waren komen bieden. De eerste en wel de ijverigste onder deze nieuwe medehelpers was de bij den lezer welbekende Teun Wezer, die zich (wij zullen nader zien om welke reden) op dat tijdstip in de kroeg aan den overhaal bevond en met de overigen op het vallen van het schot en op het hooren van het geschreeuw was toegesneld.--Op het zien dier menigte staakte Eugenio allen wederstand en gaf zich vrijwillig gevangen, alleen verzoekende, zoodra mogelijk op het slot te worden gebracht.

En Joan, hoe had hij gedurende den strijd zich gedragen? Bleek als een doode, met de armen los bij het lijf nederhangende, zonder een voet te verzetten, had hij het schouwspel aangestaard. Strak en akelig stonden zijn oogen; maar duizend ontzettende gedachten bestormden zijn ziel. Het was hem nu duidelijk gebleken uit de woorden van den Baron, van Bouke, van Eugenio, dat de beide eersten de moordenaars, de laatste de vriend van zijn vader geweest waren. Doch aan genen was hij tot nog toe alles, aan den laatste niets verschuldigd geweest. Wien moest, wien mocht hij bestand bieden, nu zij elkander als woedende tijgers aanvielen? Besluiteloos was hij blijven staan, en het was hem een gerustheid, toen hij bij den uitslag zag, dat de strijd aan niemand het leven gekost had. Toen eerst deed hij een stap voorwaarts, doch hernam terstond zijn vorige houding, zoodra hij zag, dat de Baron, na aan de zijnen gelast te hebben. Eugenio naar het kasteel te brengen, naar hem toetrad met een gelaat, waarop verbazing, gramschap en droefheid onderling in strijd schenen.

"Welnu, Joan!" zeide Reede: "uw vriend is geknipt, en niemand heeft eenig letsel bekomen. Zult ge mij nu ook gelieven te zeggen, waarom gij de partij van dien bloedhond getrokken hebt en ons in den pekel hebt laten zitten?"

"Heer Baron!...." zeide Joan sidderende en naar woorden zoekende om zijn aandoening uit te drukken; doch in dit oogenblik wierp Eugenio, in 't heengaan, een doordringenden blik op hem. "Denk aan uw eed," zeide de Jezuïet, met een helderklinkende stem.

De Baron zag Eugenio en Joan beurtelings aan met oogen, die van gramschap fonkelden, en vond in beider houding een nieuw bewijs hunner verstandhouding. Hij was naar Joan toegetreden met het oogmerk om vertrouwelijk met hem te spreken en de oorzaak zijner vreemde handelwijze op te sporen. Thans echter nam de toorn in zijn ziel de overhand boven de vriendschap, die hij voor zijn pleegzoon gevoelde, en met den gestrengen toon eens rechters gelastte hij dezen, hem op het kasteel te volgen.

DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Om in dien schijn te gaen Zijn vyanden bespiên, en letten hoe men 't maakte.

_Vondel_, Gysbrecht van Aemstel.

Ulrica zat in een der bovenkamers van het slot, en was bezig om aan de oude Geertrui, die, half blind en half lam geworden zijnde, zelden de trappen afkwam, een hoofdstuk uit den Bijbel voor te lezen, een taak, welke die goede vrouw in vroeger dagen voor haar Freule verricht had en welke deze thans met evenveel bereidwilligheid voor haar vervulde. Achter Ulrica was Magdalena gezeten, en hield, schijnbaar aandachtig, de handen onder het voorschoot te zamen gevouwen; doch haar vingeren doorliepen ongemerkt de korrelen van een bedesnoer en haar lippen prevelden onhoorbare gebeden. Geertrui zat met gevouwen handen over haar meesteres, met het hoofd een weinig op zijde gedraaid, om beter te kunnen hooren: nu en dan toonde zij, bij dezen of genen tekst, dien zij op het huisgezin toepasselijk oordeelde, haar welgevallen door een hoofdknik, en somtijds zelfs maakte zij binnensmonds een noot of aanmerking op het gelezene.

Dan, eer de morgenoefening was afgeloopen, werd de aandacht der Jonkvrouw van haar lezing afgetrokken door een ongewoon en verward gedruisch, dat zich van den grooten weg liet hooren. Ulrica sloeg haar oogen naar het venster, en zag een menigte lieden in een dichten drom van den Rijnkant komen, waaronder zij al spoedig haar vader herkende. Verwonderd over dezen ongewonen toeloop, zoo vroeg in den morgen, gelastte zij Magdalena, naar de oorzaak te vernemen, en deze, haar bereidwilligheid met een stijven knik te kennen gevende, verliet het vertrek.

"Kijk mij zoo een malle prinses eens aan," zeide Geertrui: "knikt ze je niet toe, alsof zij de Freule en UEd. de kamenier was. Die madam heeft ook vast reis gedroomd, dat zij heel wat was."

"Zij is niet voor dienstbaarheid geboren," antwoordde Ulrica: "en mij dunkt Geert! dat, als ik geduld met haar heb, gij u niet over haar behoeft te beklagen."

"Geduld! geduld! ja, dat is goed en wel," zeide Geert: "maar UEd. moet denken, tegen UEd. toont zij haar heerschzuchtigen aard maar half. Je moest eens zien hoe zij met de booien spreekt: altijd uit de hoogte: als UEd. dat nog deedt, UEd. is de meesteres; maar zoo een madam, die hier zoo kaal als een neet gekomen is en die nu de bazin wil spelen en met elk den spot drijven en voor elk den neus opsteken, tot voor Dominee toe, wanneer hij hier komt."

"Nu, nu Geert!" viel haar Ulrica in de rede: "gij zijt ook niet altijd even goede vrienden met Dominee. Ik heb u ook wel eens met hem hooren twisten; en, wat betreft den toon, dien zij aanneemt, het heugt mij wel, dat in vroegere dagen de dienstboden even bang waren voor u, als thans voor haar."

"Dat's waar," zeide Geert: "ik hield mijn fatsoen onder 't volk; maar hoe lang had ik ook het huis gekend en bestierd; en dan Mevrouw zaliger, die vertrouwde mij alles, en die wist ook wel, wat zij deed, maar zoo een malle Leen: want zoo heeten haar de booien in de wandeling...."

"Geert!" zeide Ulrica: "ik hou niet van die bijnamen. Ik weet, zoogoed als iemand, dat Magdalena, voor een dienstmaagd, wel eens wat veel spreekt; maar ik herhaal het, zij is niet voor dien staat opgeleid, en haar opvoeding maakt het gezelschap van boerenknapen, zooals hier op het slot komen, ongeschikt voor haar."

"Dan moest zij er zich in schikken," hernam Geertrui, zich ontevreden op haar stoel nederzettende: "maar als UEd. _per fors_ gelijk wil hebben, dan zal ik zwijgen, gelijk mij betaamt: schoon ik geloof, dat Mevrouw zaliger er anders over zou gedacht hebben. Nu! ik hoop maar, dat zij nooit erger kwaad zal doen: indien het slechts niet waar is, hetgeen Roelof Teeuwiszoon vertelt, dat hij haar laatst een kruis op de knie heeft zien maken, en dat zij een ivoren afgoodje onder haar bed verborgen heeft."

Ulrica was op het punt van een heftig antwoord op deze beschuldiging te geven; doch zij bedwong zich, daar zij de koppigheid van haar oude Baker kende, en begreep, aan haar hooge jaren inschikkelijkheid te moeten betoonen. Zij wendde dus het gesprek af en vroeg aan Geertrui, of zij den Jonker al sedert zijn terugkomst gezien had.

"Onzen besten Jonker Joan!" herhaalde Geertrui, terwijl zich over haar gelaat eensklaps een ongewone opgeruimdheid verspreidde: "och neen! gisteren had hij het zeker te druk met u allen, om aan de oude Geert te denken."

"Dit heeft hij toch gedaan," hernam Ulrica: "hij heeft naar u gevraagd; doch, zooals gij wel zegt, de drukten van het huis zullen hem belet hebben u te gaan omhelzen."

"Die goede jongen!" zeide Geert: "heeft hij waarlijk naar mij gevraagd? nu, ik hoop straks mijn schade in te halen. Hij was een knappe Jonker, toen hij nu voor drie jaren.... laat eens zien, was het drie jaren.... ja, met Pinkster is het drie jaren geweest.... toen hij naar het veld trok, meen ik. En hij zal er nu wel op gebeterd zijn; kijk! dat Mevrouw zaliger hem nog eens zien kon!.... en u ook, Freule Ulrica!--Als ik nog denk, toen ik met u in de bakermat zat en toen Mijnheer met hem binnenkwam; of neen.... Bouke kwam met hem binnen.... ja wat ik toen niet al dacht!.... niet veel goeds, Freule! God vergeve het mij! maar ik bezondigde mij en beoordeelde Mijnheer al vrij lichtvaardig.... nu, het verheugt mij toch, dat de Jonker de oude Geert nog niet vergeten heeft.--Wat verlang ik hem weder te zien!.... Doch vindt gij niet, Freule! dat Magdaleentje lang uitblijft!"

"Mij dunkt, ik hoor haar komen," zeide Ulrica: "mijn hemel! wat is er gebeurd?"

Deze laatste vraag was tot Magdalena gericht, die juist binnentrad, met een gezicht, nog strakker en zwaarmoediger dan naar gewoonte.

"Is er een ongeluk voorgevallen, dat gij zoo donker kijkt?" vervolgde Ulrica.

"Alsof zij ooit vriendelijk uit haar oogen zag," mompelde Geertrui.

"Er is geen ongeluk voorgevallen, Freule!" zeide Magdalena: "doch er heeft een soort van schermutseling plaats gehad bij het Lischboschje, met een verkleeden monnik, of zoo iemand, dien zij gevangen medebrengen."

"Een schermutseling!" riep Ulrica: "er is toch niemand gewond?"

"Daar heb ik niets van gehoord," antwoordde Magdalena.

"Mij dunkt," merkte Geert aan, "dat je ook het fijne van de mis niet weet. Bouke zou zeggen: zend de poes naar Rome, zij zegt _miaauw_ als ze weeromkomt.... nu, ik hoop, dat zij dien monnik gauw zullen ophangen."

"Ja, als uw oude oogen nog zoo iets mochten zien," hernam de kamenier met bitterheid, hoogst ontsticht over de spreekwijze van Geertrui, welke een vernis van spotternij spreidde over voorwerpen van haar vereering. "Wat zou Heer Godard van Reede zeggen, indien hij u hoorde spreken?"

"Heer Godard!" riep Geert, van verbazing de handen ineenslaande.

"Kent gij mijn oom?" vroeg Ulrica verwonderd.

"'t Is al één rommelzoo, net zooals ik wel vermoedde," zeide Geert: "lieve Hemel! wat zou Mevrouw zaliger...." hier werd het geluid van haar stem onverstaanbaar, doch zij bleef in haar zelve voortpraten.

"Er heeft nog een zonderlinge omstandigheid bij dat gevecht plaats gehad," vervolgde Magdalena: "men zegt dat de Jonker van Craeihorst de partij van dien Monnik genomen heeft tegen den Heer Baron."

"Magdalena! deze aardigheden gaan te ver!" riep Ulrica, met een ontroerde stem.

"Wat zeg je? Ben ik doof of versta ik verkeerd?" vroeg Geert, terwijl zij met moeite opstond en naar de kamenier toeschoof: "wat durf je van Jonker Joan vertellen?"

"Ik herhaal wat ik gehoord heb," antwoordde Magdalena, de schouders ophalende: "ik kan het niet helpen, indien de berichten. welke ik breng, u niet bevallen. Misschien ook is er geen woord waar aan: ik heb uit het gereutel dier domme boeren niet half wijs kunnen worden."

"Ja, je zijt maar al te wijs," zeide Geert; "maar zulke praatjes!"

"Geert heeft gelijk," zeide Ulrica: "men moet zonder goede waarborgen geen uitstrooisels van dien aard vertellen."

"UEd. zal spoedig de gansche toedracht der zaak vernemen!" hernam de kamenier.

"Ja, ik wil haar vernemen en dadelijk," riep Ulrica, en snelde naar beneden.

"En ik ook, ik wil weten hoe de vork in den steel zit," zeide Geert, terwijl zij strompelende den vluggen tred van haar meesteres navolgde; "lieve Hemel! had ik ooit gedacht, dat ik na den dood van Mevrouw zaliger nog zoo iets beleven zoude?"

Op het binnenplein gekomen, vond Ulrica alles in opschudding. De eerste, dien zij onder de aanwezigen herkende, was Gheryt Maessen, die den Jezuïet bij den arm vasthield. "Zoo gaôt het, Freule!" zeide hij: "ik dacht oe een ben goede eieren met te brengen, en daôr breng ik oe een gevangen man met. De eieren staôn nog op den weg: die zol de kat opvretten."