Chapter 29
Joan oogde beide Heeren zuchtend na. Nog wist hij niet recht, hoe hij over den Ambtman moest denken, noch aan welke beweegredenen hij diens vreemde handelwijze moest toeschrijven. Zij had den schijn van grootmoedigheid voor zich; dit kon hij niet ontkennen; en toch lag er iets spotachtigs in het gelaat des Ambtmans, dat hem kwalijk beviel en hem, vooral als hij nadacht over het gebeurde te Tiel, met wantrouwen omtrent zijn bedoelingen vervulde. Wel is waar, de proef, die hij met Mom had genomen, toen hij hem voor het afbeeldsel des Priors bracht, was met glans doorgestaan: doch het was mogelijk, dat de Ambtman minder dan Joan door de gelijkenis getroffen was geweest, of dat hij de schilderij meer gezien had en dus op de vraag voorbereid ware. Joan besloot eindelijk met den gevreesden man zoo spoedig mogelijk een onderhoud te hebben, ten einde al hetgeen hem nog duister voorkwam tot helderheid te brengen, en inmiddels niets onbeproefd te laten om zijn gedragingen en gezegden met de meeste oplettendheid na te gaan. Hij gevoelde, dat dit hem eenige moeite zou kosten en dat hij met voorzichtigheid zou moeten te werk gaan, daar de Ambtman hem slim genoeg voorkwam om zich niet licht te ontmaskeren; doch het geluk van Ulrica hing er van af, en de gedachte, dat het meisje, 't welk hij zoo hartstochtelijk beminde, en dat zoozeer verdiende bemind te worden, zou kunnen worden opgeofferd aan iemand, die haar liefde onwaardig was, trof hem te zeer, dan dat hij niet al zijn krachten zou inspannen om zijn onderzoek te bewerkstellingen. Dit besluit gevormd hebbende, begaf hij zich naar het slot en voegde zich bij de gasten.
Van het maal, dat vervolgens plaats had, zullen wij niets melden. dan alleen, dat de aanwezigen eer deden aan den lekkeren wijn des Barons, en proefondervindelijk bewezen, dat hij dien niet ten onrechte geprezen had, daar zij, de een vroeger de ander later, wel beschonken huiswaarts keerden. Slechts de Ambtman en Joan waren nuchter gebleven; de eerste was onder voorwendsel van gewichtige bezigheden, vroegtijdig vertrokken, en Joan, die geen voorwendsel behoefde, daar hij zich werkelijk nog ongesteld bevond, kort daarna naar zijn kamer gegaan, terwijl de Baron, die mede wat diep in de flesch gekeken had, niet lang vertoefde, na het vertrek der gasten, om in een aangename sluimering de drukten van den dag te vergeten.
TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Ons afscheit was, hy zou Verzeker op dees uur alhier zich laten vinden.
_Vondel_, Gysbrecht van Aemstel.
Het was reeds schemeravond, eer de Ambtman, van zijn tocht naar Sonheuvel te Tiel terugkwam. Nauwelijks had hij den feestelijken dos, dien hij ter eere des Barons en de schoone Freule had aangehad, voor den huispels verwisseld, toen Pater Eugenio, na zich onder den naam van Van Dyk te hebben doen aanmelden, het vertrek, waarin hij bij den haard gezeten was, binnentrad.
"Ik verlangde reeds u te zien, Pater!" zeide Mom: "om van u te vernemen, wat hier sedert mijn afwezigheid al is voorgevallen."
"En ik," zeide Eugenio, "ben begeerig om te hooren, of UEd. met den zoogenaamden Jonker van Craeihorst tot een verklaring hebt moeten komen."
"Hoe! gij wist dan reeds?...."
"Dat de man, dien wij gisteren voor een Remonstrantschen Proponent hielden, de pleegzoon van uw aanstaanden schoonvader was? Ja, dat wist ik reeds, voordat uw heldhaftige vriend Elbert van Botbergen mij zulks kwam vertellen."
"Alles is wel afgeloopen, zonder verdere opheldering van het voorgevallene."
"En hoe was de schoone Jonkvrouw te moede?" vroeg Eugenio: "betoonde zij geen blijdschap over de terugkomst van haar vriend en voedsterbroeder?"
"Meer dan mij lief was, heeft haar die terugkomst aangedaan." antwoordde Mom, verwonderd opziende, dat Eugenio ook de betrekkingen scheen te kennen, die er tusschen Joan en Ulrica bestonden.
"Alzoo een medevrijer!"
"Ja, en die vrij ontijdig opkomt. Ik vlei mij echter dat ik bij den vader een witten voet heb en dat de dochter achting voor mij heeft. Niettemin ware het mij aangenaam, zoo die knaap van hier was. Botbergen heeft zich met het geval bemoeid, en bijna had hij de zaak verkorven."
"Laat die zorg aan mij over," hernam de Jezuïet: "eer vier weken ten einde zijn, moet gij de echtgenoot der Freule van Sonheuvel wezen."
"Ja, doch er is nog een _maar_...."
"Wat de bezittingen des Barons betreft?--nu ja, die zwarigheid zal ook wel opgeheven worden: de oom, of liever de schoonvader in _quaestie_, zal gaarne zijn schriftelijke toestemming geven tot een huwelijk met den Heer Ambtman."
"Gij zijt, dunkt mij, van alles onderricht, en ik zie hoe langer hoe meer in, dat ik best zal doen, u blindelings al mijn zaken te laten besturen."
"Met raad en daad sta ik mijn vrienden altijd ten dienste," zeide Eugenio, zich buigende.
"Ik erken die goedheid dankbaar," herman de Ambtman: "gij kent dan dien schoonvader?"
"Of ik hem ken? ik ben gisteren en heden met hem in _conferentie_ geweest."
"Hij is hier!" riep de Ambtman: "en waar vinde ik hem? Zoo haast ik mij, hem op te zoeken en mij in zijn bescherming aan te bevelen."
"Dan ware alles verkorven. De Vicaris weet niet, dat gij aan het hoofd van het eedverbond staat: en indien hij van deze omstandigheid kennis droeg, ware die genoegzaam om hem zijn toestemming te doen weigeren. De goede Vicaris gaat nog verder dan Filippus van Macedonië: hij bemint noch het verraad, noch de verraders."
"Hoe!" riep Mom, opvliegende: "wat bedoelt gij? Zoo het niet uit eerbied voor uw stand ware, Pater! ik wierp u het venster uit."
"Dat zou een slechte belooning zijn voor de getrouwe diensten, die ik u bewezen heb en nog denk te bewijzen," zeide Eugenio met veel koelheid: "ik had ook geen voornemen om u te beleedigen; ik wilde u alleen den Vicaris beter leeren kennen. Laat alles gerust aan mij over, en, ik herhaal het: binnen vier weken is alles naar uw wensch geschikt."
"Was die Vicaris, wien ik oogluikend zijn broederen heb laten vergaderen in het klooster, de grootvader van Ulrica? Hoe vreemd loopt alles samen! En wat heeft de vrome man aan de broederen verhaald?"
"Hij heeft hun gisteren zijn _Credentialen_ getoond en heden heeft hij hun een predikatie voorgedragen om hen tot lijdzaamheid en onderwerping aan te manen. Gelukkig had hij weinig toehoorders en luisterde niemand naar zijn ontijdige zedenlessen, Zijn doel was, geloof ik, den indruk van mijn aansporingen tot afschudding van het juk krachteloos te maken."
"Was het? ik meende, dat hij juist afgevaardigd ware, om door zijn invloed al de Roomschgezinden te nopen, het hunne bij te dragen om de bestaande orde van zaken om te keeren."
"Zijn invloed!" herhaalde Eugenio met een verachtelijken glimlach: "die heeft nooit iets te beduiden gehad. Pater Ambrosio is een van die kleingeestige dwazen, die, hoezeer zij hetzelfde doel wenschen te bereiken, dat wij ons voorstellen, tegen de middelen schrikken, wanneer zij niet volkomen strooken met hun nauwgezette denkbeelden van rechtvaardigheid en eerlijkheid. Zij laten hun handelwijze van hun zedenkunde afhangen, in de plaats van deze aan hun oogmerken ondergeschikt te maken."
"En," vroeg Mom, na eenige oogenblikken zwijgens: "hoe heeft die bezopen Predikant het gemaakt?"
"Groenhof?--O! die heeft voor zijn toehoorders een uitmuntend sermoen gehouden, doorspekt met bijbelsche aanhalingen, zoo fijn bijeengehaald, dat ik bij mij zelven dacht, hoe het toch mogelijk was, dat men zoovele aanmaningen tot moord, roof en muiterij kon halen uit een boek, 't welk liefde prediken moet. Onze kerk heeft wijselijk gehandeld, dacht ik, toen zij verbood dat de bijbel in alle handen kwame; want men kan met de letter van de Schrift toch alles goedmaken."
"Waarlijk," zeide Mom met een schamperen lach: "ik dacht niet, dat gij bijwijlen zulke goede gedachten hebben kondt."
"Zulke mannen als Groenhof zijn goud waard," vervolgde Eugenio, veinzende de aanmerking van den Ambtman niet te hooren: "waarlijk, ik zou gaarne zulk een medelid in onze Sociëteit hebben, mits hij wat minder aan den drank verslaafd ware."
"Nu genoeg van hem.--En Stoutenburg?"
"Daar heb ik een taai gesprek mede gehad. Hij heeft in Den Haag, Rotterdam en Leiden aanhangers genoeg, meest warme vrienden van den Advocaat, en mannen, waar men in tijd van nood op rekenen kan. Doch hij wil, alvorens iets te beginnen, zijn broeder Groenevelt en zijn zwager Van der Myle tot zijn zijde overhalen. Zoo 't echter wezen moet, maakte hij, ook zonder hun hulp, zich sterk, om de goede zaak op 't krachtigst voor te staan, door den vijand in folio te vermoorden."
"Een stout voornemen!--En de Wederdoopers?"
"Dat zijn zotten, die geen knip voor den neus waard zijn. Zij willen geen zwaard opnemen en zouden zich, als de Joden onder Antiochus op den sabbat, zonder zich te verdedigen, laten vermoorden. Hier kunnen zij ons geen dienst doen; doch ik heb hen het land rondgestuurd om door ingevingen en boetpreeken het gemeene volk tegen het bestuur op te ruien. Op zulk een wijze doen zij ons hetzelfde nut als de ballingen, die inmiddels uit Antwerpen en Brussel het land met blauwboekjes beschieten.--Ondertusschen heb ik al de eedgenooten, waar ik zeker van ben, naar huis gestuurd: zij kunnen ons daar veel meer nut doen, door nieuwe hulp aan te werven, dan hier, waar zij slechts vermoedens opwekken. Wat de zwakken betreft, die houde ik hier om hen door Preys, Leendertz en Groenhof te laten opwinden."
"En gij zelf?"
"Ik moet morgen weder van hier. Mijn tegenwoordigheid in Den Bosch zal weldra noodzakelijk zijn: want zooeven ontvang ik de tijding, dat de Aartshertog overleden is."
"Overleden! En zijn beloften? Wie waarborgt mij, dat zij zullen worden nagekomen?"
"Ik," antwoordde de Jezuïet: "ik, die niet gewoon ben, mijn plannen te laten varen; doch daarom juist worde ik in Den Bosch vereischt.--Dan, van wat anders: mij is bericht, dat de Spotkoning van Bohemen herwaarts komt: Graaf Hendrik Frederik moet hem halverwegen gaan ontvangen. Tracht dezen onder 't een of ander voorwendsel hier ter stede te lokken, of maak, dat ge in allen gevalle een geheim mondgesprek met hem houdt: dat zal genoeg zijn om aan onze Remonstrantsche medeverbondenen de vaste overtuiging te geven, dat hij, gelijk ik hun verhaald heb, aan het hoofd van den aanslag staat."
"Uitmuntend gedacht! doch hoe dit best overlegd? Gij weet, dat de Nassausche Vorsten altijd bij verrassing reizen, en dat men zelden hoort, dat zij er geweest zijn, voordat zij weder zijn vertrokken."
"Vergeet gij dan mijn kwaden Engel, die ons van alles onderricht?--Vrees niets, eer 't jaar een dag ouder is, zal deze u een middel aan de hand doen, of zelf misschien den Graaf herwaarts leiden. Is hij eens hier, dan wordt hij zoodanig met Arminiaansche smeekschriften bestormd, ja zoowel in den schuurzak gebracht, dat, al mislukte onze geheele onderneming, de beide broeders in gezworen vijandschap geraken moeten."
"Gij blijft de spreuk getrouw, Pater, die men zegt dat uw genootschap voert: divide et impera [46]. Maar, is er van dezen nacht nog iets voor mij te verrichten?"
"Niets anders dan gerust naar bed te gaan, Heer Ambtman!--Morgen te elf uren spreken wij elkander nader bij Klaas Meinertz. Thans hebben wij beiden rust noodig. UEd. is vermoeid, en ik moet morgen nog uit op een geheimen tocht voor uw belang.... en voor mijn wraak," voegde hij er grijnzend bij.
"Ik begrijp niet, hoe die samengepaard kunnen gaan," zeide Mom, met verwondering, ja met een soort van angst de afzichtelijke uitdrukking bespeurende, welke Eugenio's trekken aannamen: "doch ik twijfel niet of beide zijn u wel aanbetrouwd. Tot wederziens dan," voegde hij er bij, den Pater naar de deur geleidende. Deze verliet hem en Mom begaf zich naar bed, met een mengeling van gevoelens, die, zoo zij hem al niet uit den slaap hielden, hem zeker beletteden, de rust des rechtvaardigen te smaken.
Sliep Joan geruster op het slot te Sonheuvel? Wij mogen, na al het gebeurde van den dag, daaraan twijfelen. Hoe het zij, te zes uren had hij zijn legerstede reeds verlaten en zich, geheel gekleed, naar de wapenkamer begeven. Na te dier plaatse eenige oogenblikken vertoefd te hebben, wikkelde hij zich in een grooten mantel, trok ongemerkt het kasteel uit, en ging den tuin door, met oogmerk om zich door het achterpoortje naar het Lischbosch te begeven.
In het derwaarts gaan moest hij de kegelbaan voorbij, en een niet onnatuurlijke zielsopwelling deed hem het oog wenden naar de plaats, waar hij zijn vijand had uitgedaagd: dan op datzelfde oogenblik voelde hij zich bij zijn mantel trekken, en zich omkeerende, zag hij Bouke voor zich staan. Deze was reeds vroeger uitgegaan om de kegels weg te gaan sluiten, 't welk den vorigen avond vergeten was. In alle andere oogenblikken zou Joan door zijn ouden vriend met genoegen aldus zijn verrast geweest; doch thans veroorzaakte de ontmoeting van Bouke bij Joan eenige verlegenheid. Hij gevoelde dat het scherpziend oog van den ouden dienaar het oogmerk van zijn geheimzinnigen uittocht licht doorgronden zoude, en gaarne had hij een onderhoud vermeden, 't welk hij nu voorzag, dat noodzakelijk plaats moest hebben. Hij beantwoordde dus Boukes morgengroet kortaf en zag met een verstrooiden blik in 't rond.
"Wel kijk!" zeide Bouke: "geen jager zoo vroeg in 't veld, of de strooper was er nog vroeger. Moet je al zoo vroeg er op uit, Jonker?"
"Laat mij gaan," zeide Joan: "laat mij gaan Bouke! ik heb haast."
"Hei! hei! die haast wordt, haast ontwordt," hernam de oude dienaar: "'t zijn goê spillekens, die zacht draaien en lang loopen. Weet je wat, Jonker? Je meugt zooveel haast hebben als je wilt, je zult toch moeten lijden, dat mijn olde beenen met je jonge beenen pas houden."
"Ik moet alleen uit, beste vriend," zeide Joan, zich los willende maken.
"Kom!" zeide Bouke: "met goê gemak raakt men ook voort: ijlen maakt uilen, en men zal zoo haast gaan als loopen. Alleen laat ik je niet gaan; dat is eens vooral bij mij bepaald; want je hebt nu zoo lang op je eigen beenen rondgezwalkt, Jonker! dat ik voor den tijd, dat je hier zijt, je kameraad wel weder wezen mag."
"En ik herhaal nogmaals ernstig, Bouke! dat ik u verzoeken moet, mij te verlaten, ik moet iemand alleen gaan spreken."
"Dat weet ik," zeide Bouke: "denk je, dat ik die degens en pistolen onder je mantel niet voel? Dat ik niet weten zou wat je in 't schild voert? Men ziet aan 't been wel, waar de hoos gescheurd is."
"Zoo gij mijn voornemen raadt, zult gij ook best begrijpen, waarom ik niemand kan medenemen."
"Dat begrijp ik heel wel," hernam de onverzettelijke Bouke: "maar ik begrijp ook heel wel, waarom ik meê wil gaan. Je wilt met Botbergen gaan vechten, en daar heb ik niet tegen; dat schoelje verdient wel een por in de huid; maar denk je, dat zoo een bloode schelm alleen zal komen? Jawel, of hij 't laten zal. Hij zal ook denken: beter blood Jan als dood Jan: en opdat je niet in ongelegenheid raakt, zal en wil ik met je gaan."
"Bouke! voor de eerste reis van mijn leven zult gij mij toornig op u maken."
"Praat maar, praat maar en ga uw weg! ik ga met: goed voorgaan doet goed volgen. Je zult mij hier op de plaats moeten doodschieten eer ik je verlaat. Die schelm mocht je verlakken: en een blindeman schiet ook wel eens raak."
"Als het dan zoo wezen moet, ga dan in 's Hemels naam met mij: doch onder één voorwaarde: vinden wij mijn partij alleen, dan ga je terstond weder terug."
"Dat 's afgesproken!" riep Bouke verheugd: "en nu er maar op los gegaan. Ik zal mij wel luikes houden: die een schurk wil vaên, daar moet er een achter de deur staan."
Stilzwijgend trad nu onze held, gevolgd van zijn ouden en getrouwen vriend, het achterpoortje uit en begaf hij zich den weg op naar den Rijnkant. Na verloop van eenige minuten waren zij aan het Lischboschje gekomen, zijnde de plaats, waar onze lezers zich herinneren, dat Joan zijn partij bescheiden had. Dit boschje bestond uit een paar morgen gronds met elzen en wilgen beplant, en die, 's winters meestal onder water staande, met lisch en biezen waren opgevuld en hierdoor tot een geliefkoosd verblijf aan de eenden en watersnippen verstrekten; waarom de plek ook in den jachttijd alleen bezocht werd en men er in het voorjaar zonder vrees van gestoord te worden een samenkomst kon houden. Een laan deelde het boschje in twee gelijke deelen, terwijl andere smalle paadjes het in verschillende richtingen doorslingerden. Men kwam er langs een pad, breed genoeg om aan een ruiter den vrijen toegang te vergunnen. Op dit pad ontdekte Joan de nog versche sporen van een paard, hetwelk van den Rijnkant moest gekomen zijn.
"Hij moet reeds binnen zijn," zeide Joan tot zijn metgezel: "en klaarblijkelijk is hij alleen. Gij kunt dus weder vertrekken."
"Niet voordat ik overtuigd ben, dat er geen twee op het paard gezeten hebben," antwoordde Bouke, en het pad opgaande wilde hij in zijn drift den Jonker vooruitsnellen.
"Niet alzoo, Bouke!" zeide Joan: "wilt gij volstrekt zien, hoe het er mede staat, verberg u dan hier of daar; doch draag zorg, dat men u niet zie. Ik wil geen vermoeden bij mijn vijand doen ontstaan, dat ik een helper met mij genomen heb."
"Daar staat die lange slungel al aan 't einde van de laan," zeide Bouke zachtjes: "ga hem maar te gemoet: ik verschuil mij hier." Dit gezegd hebbende, sloop hij tusschen het hakhout, en, een der hem bekende slingerpaadjes ingaande, kwam hij weldra niet verre van de plaats, waar Joans wederpartij, in een grooten mantel gewikkeld, tegen zijn paard stond te leunen. Joan, de rechte laan, welke hij ingeslagen was, volgende, naderde den ruiter, groette hem beleefdelijk en wilde hem aanspreken, toen deze hem, bij 't afnemen van zijn hoed niet de gevulde trekken van Elbert van Botbergen, maar het mager gelaat van den Arminiaan Van Dyk deed herkennen.
"Wat heeft dit te beduiden?" vroeg Joan, verbaasd terugtredende: "ik dacht hier...."'
"Gij dacht hier den Heer van Botbergen te vinden," zeide de Jezuïet: "en het is u leed, dat gij buiten de mogelijkheid gesteld wordt, het bloed van uwen naaste te plengen."
"Ik had zeker moeten begrijpen," hervatte Joan: "dat de laffe schurk geen moeds genoeg zou bezitten om zijn logens hier met het zwaard te komen staande houden; maar ik dacht weinig dat hij een zetsman in zijn plaats zou sturen: en althans u niet, die, gelijk ik eergisteren meen ontdekt te hebben, tot den geestelijken stand behoort.--Doch, waarom u niet? Eerst noemdet gij u een Remonstrant: toen vond ik u in gezelschap van Roomsche priesters: nu treedt gij misschien als spadassijn op en komt u met mij meten. Is dit laatste het geval, zoo ben ik tot uw dienst." Hier opende Joan zijn mantel en haalde twee gelijke degens en een koppel pistolen voor den dag.
"Gij misduidt mij, jongeling!" zeide Eugenio, de wapens afwijzende, welke hem werden aangeboden, "als geestelijke kom ik hier, om woorden van vrede tot u te spreken."
"Woorden van vrede!" herhaalde Joan, met een verachtelijker glimlach: "gevoelt de Heer van Botbergen berouw over de mij aangedane beleedigingen, zoo laat hij op het slot des Barons komen, en aldaar, in tegenwoordigheid van al de edele Heeren, die er gisteren te gast waren, zijn logens intrekken en mij verschooning vragen. Ziedaar de eenige voorwaarden, waarop ik den ellendigen bloodaard zijn welverdiende straf zal laten ontgaan."
"Ik vrees," hernam de zoon van Lojola, "dat de Heer van Botbergen moeilijk aan zulke voorstellen zal gehoor verleenen."
"Waarom dan is hij zelf niet gekomen" vroeg Joan: "hij heeft mij nu het recht gegeven, door de gansche wereld te gaan verbreiden, dat hij een laffe logenaar is, die noch moeds genoeg heeft om zijn woorden staande te houden, noch eerlijkheids genoeg, om te bekennen, dat hij schuld gehad heeft. Gij hebt nu mijn voorwaarden gehoord. Mijnheer! en wij hebben verder niets af te handelen. Ik heb de eer u te groeten." Dit zeggende, lichtte hij den hoed af en wilde zich verwijderen.
"Een oogenblik, jongeling!" zeide Eugenio, hem den weg afsnijdende: "ons gesprek is nog niet afgeloopen."
"Hebt gij mij niet verstaan?" vroeg Joan, hem met fierheid aanziende.
"Zeer wel," hernam de Pater: "maar gij hebt mij nog niet verstaan. Ik heb over zaken van meer gewicht met u te spreken, dan over een ellendige dronkenmanskibbelarij."
"Gij schijnt den oorsprong van den twist niet te kennen," zeide Joan, terwijl zijn oogen van drift fonkelden, "of gij hadt er een anderen naam aan gegeven. Weet gij de schandelijke praatjes, welke die lafbek omtrent mij heeft durven houden in tegenwoordigheid van menschen, op wier achting ik prijs stel? Weet gij, dat hij met boosaardigen laster mijn goeden naam, het eenigst dat ik op aarde het mijne kan noemen, heeft aangerand?"
"Ik weet dit alles," zeide Eugenio: "doch ik weet ook, dat de wijze zich aan geen zotteklap stoort."
"Ik maak geen aanspraak op den naam van wijze," hernam de jongeling: "maar ik ben een man van eer en draag een degen op zijde: dit had die lage knaap moeten bedenken, eer hij mij hoonen durfde."
"Ik ben geen _casuïst_," zeide Eugenio: "en verlang dus in geen redetwist met u te komen over een punt, dat mij tamelijk onverschillig is. Iemand van mijn stand kan moeilijk bepalen, in welke gevallen het plichtmatig of slechts geoorloofd is, het staal tegen zijn naaste te ontblooten."
"Gij zijt dus een geestelijke?" hernam Joan: "doch tot welke Kerk gij behoort is mij nog duister, daar ik u in verschillende betrekkingen heb gezien."
"Ik behoor tot de eenige ware Kerk," zeide de Jezuïet.
"Dat zeggen alle geestelijken," hernam Joan: "doch wat u betreft, gij komt in tweeledige opzichten voor den dag."
"Gij spot met mij, jongeling! dit heb ik aan u niet verdiend. Dit hadde uw vader niet gedaan," zeide Eugenio, met een ernstigen blik.
"Mijn vader!" riep Joan: "Kent gij den Baron van Sonheuvel dan?"
"Wie spreekt van dien moordenaar?" vroeg de Jezuïet, terwijl hij zijn stem op eens tot haar vollen omvang verhief, als een woedende stier door de neusgaten blies en de groote oogen strak op den jongeling gevestigd hield, om den indruk te ontdekken, dien zijn woorden maken zouden: "ik spreek van uw vader, uw wezenlijken, natuurlijken vader?"
"Mijn God! kent gij hem?" vroeg Joan, terwijl hij met siddering den Jezuïet naderde en diens handen in de zijne drukte.
"Hij was mijn vriend," zeide Eugenio, den jongeling aan zijn boezem sluitende.
"Hij was!.... hij is dan niet meer?" vroeg Joan, de armen latende vallen.
"In den bloei van zijn roemvol leven, na de edelste en heldhaftigste bedrijven verricht te hebben, werd de brave Velasco als een weerloos lam op de schendigste wijze vermoord."
"Velasco mijn vader!" riep Joan: "en op een schendige wijze vermoord? O! noem mij den moordenaar, en deze hand zal in zijn bloed de schande uitwisschen, die mij drukt, dat ik hem zoolang ongestraft liet."
"De jager, die den ouden leeuw in zijn kuil heeft omgebracht," hernam de Jezuïet, "laat somtijds den leeuwenwelp in 't leven en voedt hem op uit zucht naar gewin. De booswicht, die Velasco bij zijn leven niet in de oogen durfde zien en hem na zijn dood bespotte, bracht den zoon op, die eenmaal des vaders moord hem vergelden zal."
"O God!" riep Joan, de handen wringende; "zegt gij waar? was de Baron van Sonheuvel...."
"Uws vaders moordenaar.--Twijfelt gij aan de waarheid mijner woorden, er bestaan levende getuigen, die haar kunnen bevestigen."
"Neen!" zeide Joan: "de edele, deugdvolle man, die mij nooit anders dan goede lessen gaf, die mij altijd als kind beminde, kan geen moord hebben gepleegd! De oorlog maakte hem en mijn vader tot vijanden: en de dood van dezen zou door een ongelukkig samentreffen kunnen zijn veroorzaakt: doch een moord!.... onmogelijk."