Chapter 28
"Ik ben misschien te ver gegaan," zeide hij. "Geloof mij, ik gevoel uw toestand, ik schat de opoffering, die gij wellicht zult doen, op haar waarde; doch ik bezweer u, bij uw geluk, overdenk den stap dien men u wil laten doen, nog eenmaal ernstig en bedaard: en vooral.... tracht berichten in te winnen omtrent den Ambtman, nauwkeuriger dan gij tot nu toe hebt kunnen bekomen. Want," vervolgde hij met nadruk, terwijl hij haar hand vatte en haar recht broederlijk in de oogen zag: "ik zou ongaarne zien, dat gij uw lot verbondt aan iemand, wiens inborst en gedrag mij althans nog te geheimzinnig voorkomen, om...."
Op dit oogenblik trad de man, van wien hij sprak, de kamer in.
Als een schuldige liet Joan de hand der Jonkvrouw varen, en trad achteruit, terwijl zijn gelaat zich met een hoogrood overdekte. Ulrica werd bleek, schoof haar zetel terug en wischte haastig haar tranen weg.
"Laat ik u niet storen," zeide Mom, zich buigende en zijn mond tot een spotachtig lachje samentrekkende: "ik ga terstond weder heen en laat u samen. Ik begrijp, dat men, na zulk een lange afwezigheid, elkaar veel te vertellen heeft." Hier hield hij zich, als wilde hij weder vertrekken.
"Wees zoo goed en blijf, Heer Ambtman!" zeide Ulrica hem een zetel aanwijzende: "mijn broeder en ik zullen nog genoeg gelegenheid hebben elkander te spreken: daarenboven hebben wij thans niets te zeggen, dat geen derde hooren mag."
"Al te beleefd, al te vriendelijk," hernam Mom, altijd met een glimlach op de lippen: "wijl UEd. het verkiest zal ik blijven; doch ik zou misschien vrijpostiger zijn dan de Jonker: want ik (hier boog hij zich diep) heb UEd. veel te zeggen, dat een derde niet hooren mag."
"Ik zal u van mijn tegenwoordigheid ontslaan," zeide Joan.
"De Heer Baron heeft mij gelast, UEd. te vragen, of hij u niet aan de kegelbaan zou zien," hervatte de Ambtman.
"Ik ga mij bij het gezelschap vervoegen," zeide Joan, zich verwijderende: "doch," vervolgde hij, terugkomende en den Ambtman bij de hand nemende: "vergun mij UEd. een vraag te doen, een enkele."
"Tot uw dienst," zeide Mom.
"Kent UEd. den man, die hier afgebeeld is?" vroeg Joan, hem op de schilderij wijzende.
De Ambtman vertrok geen gelaat, maar zeide zeer bedaard:
"Dat verbeeldt, zoo ik wel heb, den Prior Frederik van Reede."
"Gewis; doch heeft UEd. nooit iemand gezien, die tot model dezer beeltenis zou hebben kunnen dienen?"
"Neen," antwoordde Mom, droogjes: "en UEd.?"
"Ik wel," zeide Joan: en met een diepe buiging verliet hij de zaal, terwijl hem Ulrica, met bevreemding, ja met een soort van angst, of het hem ook in het hoofd schortte, en de Ambtman, met den spotachtigen blik, die hem sedert zijn komst niet verlaten had, en met een innerlijk genoegen van den jongeling verschalkt te hebben, naoogden.
Joan verliet het kasteel en begaf zich naar de kegelbaan, waar de gasten nog altijd met spelen bezig waren. Toen hij kwam, was de toer juist uit, en werd hij verzocht, het getal der spelers te vermeerderen en zijn geluk te beproeven. Hij voldeed aan het voorstel en nam zijn bal uit de handen van Bouke aan.
"Dat zal wezen: oppassen is de boodschap!" zeide deze tegen de spelers. "Zoo onze Jonker het nog niet verleerd is, zal hij de Heeren spoedig de baas zijn."
"Ik twijfel er aan," zeide Joan: "ik heb in lang niet gespeeld en ben heden nog te verweerd van de reis, om naar behooren te spelen." Dit zeggende, plaatste hij zich naast den Baron, die zich weder aan het spel begeven had en wachtte zijn beurt af.
Van de aanwezige gasten hadden de Jonker van Scherpenzeel en Botbergen tot nog toe het meeste voordeel behaald: de eerste omdat hij goed, de laatste omdat hij buiten zijn eersten misworp, gelukkig gespeeld had. Toen nu Joan zou spelen, zagen al de omstanders scherp toe, omdat zij, na Boukes gezegde, een meesterlijken worp verwachtten. Joan zette den voet op de streep, keek even naar de kegels en wierp toen den bal over de baan op een zoo onverschillige wijze en met zooveel onoplettendheid, dat geen der aanwezenden dacht dat hij een kegel raken zoude. De bal rolde langzaam voort: doch toen hij bij het spel kwam, was het, of hij opeens een andere richting verkreeg: hij draaide zich tusschen de voorkegels door, wierp den koning omver en wentelde, zonder een anderen kegel te raken, weder buiten het spel.
"De koning! de koning!" riepen de spelers.
"Dat telt negen punten," zeide Bouke: "nu, Mijneheeren! wat heb ik u gezegd? Ja, ik wist wel, dat de Jonker niet zoolang voor niet met mij gekegeld had."
"'t Is meer geluk dan wijsheid," zeide de Baron. "Kom, Jonker!" vervolgde hij, zich tot Scherpenzeel wendende, lachende: "gij zijt tot nog toe de bol. Toon uw kunst nog eens, opdat de knaap niet denke, dat hij, omdat hij uit verre landen komt, ons allen de baas is."
Scherpenzeel stelde zich in postuur, keek en mikte lang, en was even gelukkig als Joan: en Botbergen, die het laatste nommer had, wierp insgelijks den koning om. Nu moesten zij drieën, volgens de wet van 't spel, weder overspelen, om te zien wie den algemeenen inleg en de boeten, bij dezen toer betaald, zou ontvangen.
Even achteloos als de vorige reis, deed Joan den bal over de baan rollen, en wierp, evenals de vorige reis, den koning om.
"Zie mij zulk een geluksvogel eens aan!" riep de Jonker van Scherpenzeel uit: "hij raakt slag op slag, zonder er eens naar om te zien."
Hij speelde; maar zoowel hij als Botbergen misten hun worp en Joan werd als overwinnaar begroet. Nu moest hij bij den volgenden toer het eerst spelen.
"Het is waarlijk voor goede spelers geen kunst," zeide hij, "om te werpen wie de meeste kegels omwerpt. Men moet te voren bepalen, welke kegels men om moet werpen. Zoo spelen de Franschen en Brabanders dit spel."
"Dat heb ik nooit gehoord," zeide Scherpenzeel; "doch ik wil gaarne gelooven, dat het daardoor nog belangwekkender wordt."
"Welnu," vervolgde Joan: "dan moet de voorste middelkegel er aan, met den koning: daar gaan zij!" En, met meer oplettendheid dan te voren zijn worp verrichtende, volbracht hij zijn opgave volkomen. De overige spelers poogden hem dit na te doen; doch er was er geen onder hen, wien het gelukte.
"Pots tausent!" riep Botbergen: "zoude ik dat ook niet kunnen doen?" en deed den bal over de baan rollen. De beide opgegeven kegels vielen werkelijk om.
"Dat is gewonnen!" riep hij.
"Neen!" zeide Bouke: "dat is verloren. Gij hebt den koning niet met den bal geraakt: hij is alleen gevallen, omdat de voorste kegel er tegen aan geworpen werd."
"Dat is onwaar," hernam Botbergen, zich bij de kegels begevende: "de bal heeft wel degelijk allebei de kegels aangeraakt en omgegooid."
"En ik zeg van neen," zei Bouke.
"Pots dit en dat!" vloekte Elbert: "zult gij het mij heeten liegen?"
"Dat zal ik," hernam Bouke: "als de maan vol is schijnt zij overal."
"Houdaar!" zeide de vergramde speler, die door den drank was opgewonden; en, een der kegels opnemende, sloeg hij er den ouden dienaar zoo geweldig mede op 't hoofd, dat hij wankelde.
Joan kon zijn getrouwen vriend Bouke niet straffeloos zien mishandelen; als een pijl van den boog schoot hij op Botbergen toe, greep hem met de eene hand bij den kraag en met de andere in den gordel, lichtte hem als een kind op en smeet hem over het houten schot buiten de baan, onder toejuiching der aanschouwers. Woedend stond Botbergen weder op, trok zijn degen, kwam de baan weder inloopen en snelde regelrecht op Joan aan; doch deze sloeg hem met een kegel het lemmer uit de hand.
"Gij zult mij voldoening geven voor zoo groot een beleediging," brulde Elbert.
"Zeer gaarne," antwoordde Joan; "doch thans niet. Wanneer gij morgen nuchter zijt," fluisterde hij hem zachtjes in 't oor, "en u te zeven uren in 't Lischboschje hierover bevinden wilt, ben ik bereid, u met pistool of degen af te wachten."
"Ik zal er wezen," antwoordde Elbert, op denzelfden toon: "Heer Baron!" zeide hij hardop, zich tot Reede wendende, die hem met de andere Heeren stond uit te lachen: "wanneer ik hier voor spot en mishandeling niet vrij ben, kan ik niet langer uw gast wezen. Vergun mij, dat ik mijn afscheid neme."
Dit gezegd hebbende, raapte hij, zonder antwoord te wachten, zijn degen op, en begaf zich met zoo fieren tred als zijn wankelende beenen het hem vergunden, naar het slot, waar hij zijn paard liet zadelen om weder naar Tiel te rijden. Opgestegen zijnde en den stal uitrijdende, ontmoette hij op het voorplein den Ambtman, die zooeven Ulrica verlaten had.
"Wat is dat, Elbert? verlaat gij ons weer?" vroeg Mom met bevreemding.
"Ik moet wel," zeide Elbert: "ik gevoel weinig lust om door dat bezopen gespuis van ginder overhoop gestoken of in de gracht gesmeten te worden. Ik heb het ook fiks gezeid aan den Baron, dat ik het eeuwig verd...."
"Ja! gij zijt de ware held om iets fiks te zeggen," viel hem de Ambtman met een schamperen lach in de rede: "gij hebt mij fraaie angsten op mijn dak gejaagd met uw zot gezwets. Ik was maar bang, dat het een of ander uit zou lekken van.... gij verstaat mij."
"Pots honderd tausent slapferment! Kon ik het gebeteren, dat die weerlichtsche knaap juist vandaag weerom zou komen. Ik had hem liever onderweg afgewacht en aan honderd piesjes gehakt, dan dat ik zoo gelogenstraft ware geworden."
"Ja! gij hadt wat: nu! wilt ge een van mijn dienaars met u hebben? Ge zijt misschien bang alleen op den weg."
"Ik ben heden niet geschikt om uw zotte schimpscheuten aan te hooren," zeide Botbergen, gemelijk: en zijn paard de sporen gevende, draafde hij weg.
"Ga maar!" zeide Mom, terwijl hij hem naoogde. "Had ik ooit zulk een uiterste van bloohartigheid bij u vermoed, nooit waart gij mijn vertrouweling geworden. Gij zijt alleen geschikt, om, evenals de laffe jakhals, den leeuw op zijn tocht te vergezellen, hem zijn vijand aan te wijzen, en de brokken na te kauwen, die de koning des wouds wil achterlaten."
Terwijl hij aldus den teugel vierde aan zijn ontevredenheid, was hij de brug overgegaan en trad den hof in. Hier ontmoette hem Magdalena.
"Welnu?" vroeg zij.
"Welnu!" herhaalde Mom: "ik heb uw raad gevolgd en geen verwondering laten blijken, toen hij mij de schilderij vertoonde. Ik heb zelfs jegens Ulrica de edelmoedige gespeeld en haar gezegd, dat ik mijn aanzoeken terug zou nemen, bijaldien een ander de voorkeur in haar hart bezat. Zij weigerde met aandoening het door mij gedane voorstel, om haar vader te bewegen, haar hand aan Joan te schenken: het zoude mij verwonderen, indien ik door deze handelwijze geen groote vorderingen in haar achting gedaan had. Tracht dit wat aan te wakkeren, en ik zal mij niet ondankbaar jegens u betoonen."
"Ik begeer geen loon," zeide Magdalena, op een verachtelijken toon: "denk slechts op de voorwaarden, waaraan de hulp, welke ik u bewijs, verknocht is. Ulrica zal de uwe zijn; doch gij moet haar verdienen, door de goede zaak te doen zegevieren."
"Daaraan zijn wij bezig," hervatte Mom, "gij kunt aan Pater Eugenio, die toch een kennis van u schijnt, bij gelegenheid wel eens vragen, wat ik al gedaan heb om die zaak bevorderlijk te zijn. Hij zal u zeggen, dat er in Tiel reeds meer dan honderd lieden bijeen zijn, die...."
"Die niets zullen uitrichten," viel Magdalena hem in de rede: "omdat hun oogmerken en wenschen geheel uiteenloopen niet alleen, maar ook tegen de onze aandruischen. Wat zal de hulp van een dronken Groenhof met zijn oproerkraaiende Arminianen, van een Essius met zijn lafhartige Wederdoopers, van een wraakzuchtigen Stoutenburg, die van God noch zijn gebod weet, en van zoovele anderen doen, om het zuiver oud geloof weder op te richten? Hun doel is, herstel hunner eigene grieven of wraak over geleden hoon te erlangen: en, daar dit werk niet van God is, zal het verbroken worden! In u stelt de verdrukte gemeente een andere hoop. Dan, wat waarborgt mij, dat gij zelf, wanneer Ulrica de uwe wezen zal, uw woord niet verbreken zult en, tevreden met den verkregenen bruidsschat uw dagen onbekommerd zult gaan doorbrengen en u onzer niet langer aantrekken."
"Ik ben reeds te ver gegaan om weder terug te keeren," hernam de Ambtman: "en wat mijn woord betreft, dat heb ik nooit gebroken."
"Niet?" zeide Magdalena, op een gestrengen toon: "en den eed, dien gij aan den lande deedt, hebt gij dien behouden, toen gij uw trouw naderhand aan den Aartshertog verpanddet?"
"Ik ben van dien eed door een Priester ontslagen geworden," antwoordde Mom.
"En een kettersche Predikant zal u van het aan Spanje gegeven woord even gaarne ontslaan willen.--Doch gij spreekt wel; gij zijt te ver gegaan om terug te keeren, en de overtuiging daarvan stelt mij meer gerust dan al uw eeden. Dan laat ons scheiden eer iemand ons samen vindt, en wees zoo goed, mij aan de gebeden van den eerwaardigen Vicaris aan te bevelen." Met deze woorden verliet zij hem.
"Den Vicaris!" mompelde de Ambtman: "dat satansche wijf weet alles! 't is en blijft, zooals ik gisteren zeide: ik heet de leider van het eedgespan, en ik ben alleen de houten pop, die, met onzichtbare koorden, ten dienste van anderen her- en derwaarts getrokken wordt."
Aldus peinzende, vervolgde hij zijn weg. Hij was het met zichzelven nog niet eens, of hij over de bescherming van Ulrica's kamenier tevreden moest zijn of niet. Zij toonde zich bereid, zijn inzichten omtrent haar meesteres te bevorderen; doch van een anderen kant had zij in zijn hart gelezen en hem niet onduidelijk te kennen gegeven, hoe zij inzag, dat, zoo hij met de hand van Ulrica rijke bezittingen kon machtig worden, hij om de ijdele belofte van den Aartshertog weinig meer zou geven en sterk overhellen om een aanslag te laten varen, die hem toch nimmer eer kon aanbrengen. Dan, de bezittingen, waarop hij vlamde, kon hij door de nauwgezette braafheid des Barons niet verkrijgen, tenware een derde zulks goedkeurde; en om dezen derde, dezen noodlottigen oom in zijn belang te winnen, begreep hij de Spaansche zijde te moeten blijven houden. Het voornaamste van alles scheen hem echter toe, Joan te verwijderen. De wederzijdsche genegenheid, die tusschen dezen en Ulrica bestond, was hem te duidelijk gebleken, dan dat hij zulk een medeminnaar niet gevaarlijk zoude achten. Hij voedde echter de bijna zekere hoop, dat de Baron nimmer zijn toestemming zou geven tot het huwelijk zijner dochter met iemand van een ongewisse geboorte, al ware het ook zijn geliefde pleegzoon: dit was hem uit de kennis, welke hij van de inborst des Heeren van Sonheuvel had, genoegzaam gebleken.
Hij vond den Baron en zijn gasten in goede harmonie bijeen, sinds de twiststoker verdwenen was. Nadat hij zich jegens het gezelschap verontschuldigd had, van een gast te hebben ingeleid, die zich zoo onwelvoeglijk had gedragen, en Botbergen had zoeken te verschoonen door zijn buitensporigheden aan den drank toe te schrijven, verzocht hij Reede en diens pleegzoon, hem een oogenblik gehoor te willen verleenen, en plaatste zich met hen op een tuinbank, terwijl de overige gasten, wien het kegelspel begon te vervelen, zich met wandelen, praten en tabakrooken vermaakten.
"Heer Baron!" ving hij aan: "Ik heb zooeven een gesprek met uw bekoorlijke dochter gevoerd." Hier stond Joan op en wilde zich verwijderen.--"Verschoon mij, Jonker!" vervolgde de Ambtman: "uw bijzijn is hier noodzakelijk: ik zeg, ik heb aan de beminnelijke Ulrica mijn hoop, mijn inzichten te kennen gegeven. Zij heeft mij volmondig erkend achting voor mij te koesteren;.... doch ik heb duidelijk meenen te ontdekken, dat haar hart niet meer vrij was."
Hier bloosde Joan sterk, en de Baron sprong driftig op: "Wat! haar hart niet meer vrij?" riep hij met verbazing en ergernis uit: "waar haalt gij de zotheid vandaan, Ambtman? En ik zou daar niets van weten."
"Verschoon mij, Heer Baron!" hernam Mom met veel bedaardheid: "een vader is doorgaans de laatste, die zoo iets verneemt. Doch ik kan licht bevroeden, dat een zoo beminnenswaardige Jonkvrouw als uw dochter, op haar jaren reeds een keuze gedaan heeft: en, wat meer zegt," vervolgde hij langzaam, terwijl hij Joan scherp aanzag, "het zou mij zeer verwonderd hebben, indien zij die _niet_ gedaan had."
"Wat!" herhaalde de Baron, wiens oogen de beweging van die des Ambtmans gevolgd waren: "versta ik u wel? en is...."--Hier zweeg hij, als wilde hij de invulling van den volzin aan Mom overlaten: doch zijn vinger wees zijn pleegzoon aan, die bleek en stijf als een steenen beeld voor de bank bleef staan en de oogen nauwelijks durfde opheffen.
"Zoo ik mij niet bedrogen heb, ja!" antwoordde de Ambtman.
De Baron zag Mom en den jongeling eenige oogenblikken beurtelings aan, terwijl eerst verbazing en vervolgens ongeloovigheid op zijn gelaat geschilderd waren. Eindelijk kreeg deze laatste de overhand en hij brak het stilzwijgen.
"Maar zij hebben elkaar in geen drie jaren en langer gezien!"
"Ik begeer niet, dat gij aan mijn betuiging geloof hecht," zeide Mom: "doch vraag aan hemzelven af, welke gevoelens ook thans nog ten opzichte uwer dochter zijn hart beheerschen?"
"Joan!" riep Reede in gramschap uit: "is het waarheid wat de Ambtman zegt? hebt gij mijn weldaden beloond, door mijn dochter te verleiden?"
Joan zag den Baron een oogenblik met teederheid aan, sloeg de ogen weder neder en zweeg, terwijl een gloeiend rood zijn wangen opnieuw bedekte.
"Is het mogelijk! Joan!" herhaalde de Baron: "Joan! ik verheugde mij zoo u terug te zien: maar nu.... ja! nu had ik liever, dat gij op het slagveld.... of ten minste," zeide hij, zich hervattende, "dat gij hier ver vandaan gebleven waart."
"Bedaar, edele vriend!" zeide Mom: "hoe kan een zoo natuurlijke genegenheid, welke UEd. zelf heeft opgewekt, u verstoren."
"Die ik opgewekt heb?" herhaalde Reede, met drift: "nu ja, misschien! maar kan een valkenier het helpen, dat de valk, dien hij van jong opvoedde, hem de oogen uitsteekt?--Wilt gij, dat ik mijn dochter geve aan.... aan...." Hier zweeg hij opeens, ziende dat hij te ver ging.
"Aan den Jonker van Craeihorst," hernam de Ambtman, altijd even bedaard blijvende: "is daar wat op te zeggen? Is zijn geslacht niet edel? is zijn adel niet zuiver?"
"Wat geslacht? wat adel?" zeide de Baron: "ja! als dat bewezen ware."
"Hoe!" zeide Mom, zich hoogst verbaasd veinzende: "is de Jonker niet uw neef? hebt gij zelf niet verhaald, dat gij hem tot u genomen hadt, omdat hij als hulpelooze wees overgebleven was?"
"Een fraaie neef!" bromde de Heer van Sonheuvel: "een Spanjoolsch kind!"
"Wat hoor ik?" riep Mom: "is de Jonker een Spanjaard?"
"Wie ik ook wezen moge," riep Joan, zich een traan uitwisschende, "een ondankbare zal ik nimmer zijn; en zoolang ik leve, heer Baron! zal erkentenis voor uw vaderlijke weldaden mijn boezem vervullen. Neen!" vervolgde hij, terwijl zijn stem, die in den beginne zwak en stamelend was, onder 't spreken vaster en fierder werd: "neen, mijn vader! gij hebt uw mildheid aan geen ondankbare verspild. Verre is het van mij geweest, dat ik ooit voedsel zou gegeven hebben aan de dwaze hoop, die gij, Mijneheeren! in mij veronderstelt. Neen! eenmaal, ik beken het, heeft een ongelukkig toeval mij een geheim doen openbaren, dat voor eeuwig in dit hart had verborgen moeten blijven; doch de eenvoudige gedachte aan 't geen ik u, Heer Baron! verschuldigd was, heeft mij belet van het spoor te wijken, dat plicht en dankbaarheid en eer mij voorschreven. Onttrek mij dus uw achting niet: want het gemis daarvan zou den laatsten slag toebrengen aan een bestaan, dat, reeds van mijn geboorte af, bestemd om zonder doel of uitzicht voortgesleept te worden, alleen door die achting nog draaglijk bleef."
Joan had deze woorden met vuur gesproken, en bij het eindigen der laatste zinsnede de handen des Barons gegrepen en daarop een teederen kus gedrukt. Reede voelde de hand des jongelings niet zonder aandoening in de zijne geklemd, en kon niet nalaten, die met hartelijkheid, schoon onder het mompelen van eenige onverstaanbare woorden, die ontevredenheid moesten aanduiden, te drukken. Schoon het denkbeeld hem stuitte, dat zijn dochter aan iemand van een onbekende geboorte haar hart zou geschonken hebben, had hij echter Joan van harte lief en begeerde althans op den dag zijner terugkomst niet met hem in onmin te geraken wegens een onvoorzichtigheid, die jaren geleden bedreven was.
"Nu, nu!" zeide hij, "jongelief! wat gedaan is, is gedaan, en gij kunt het ook niet helpen, dat wij uw familie nooit hebben kunnen opschommelen. Gij weet immers, mijn beste jongen! dat ik altoos veel van u gehouden heb! maar om u Ulrica te geven, dat zou wat kras geweest zijn, en gij deedt wel, dat gij u die geschiedenis uit het hoofd hebt gezet. Ook begrijp ik nog niet, vriend Mom! hoe gij aan dit alles gekomen zijt?".... Hier zag hij dezen vragende aan.
"En ik," zeide Joan, den Ambtman ernstig aanziende, "ben u, Ambtman! kleinen dank verschuldigd, dat gij, dus ongevergd, hartsgeheimen niet alleen hebt uitgelokt, maar zelfs aan den dag hebt gebracht, welke èn de Freule van Sonheuvel èn ik in de eeuwige vergetelheid hadden gewenscht te begraven."
"Ik gevoel dat ik dit verwijt verdien," zeide Mom, zich buigende op een vriendelijken toon: "doch ik wist niet, dat er redenen bestonden, welke den Baron beletten konden, zijn goedkeuring te weigeren aan een echt tusschen de Freule en u! Ik werd toevallig gewaar, dat gij misschien de bevoorrechte, geliefde minnaar wezen kondt, en in dit geval wilde ik geen hinderpaal voor uw wenschen zijn. Ook thans nog," vervolgde hij met ernst, "ook thans nog ben ik bereid, zoo de Heer van Sonheuvel omtrent dien echt van gedachten veranderen mocht, mij te verwijderen, ja, met een bloedend hart, doch tevens met de overtuiging van mijn plicht gedaan te hebben."
"In dat geval heb ik u verkeerd beoordeeld," zeide Joan, "en verzoek u om verschooning."
"Nu!" zeide de Baron, die vol blijdschap een dienaar zag naderen, welke de gasten aan den disch kwam roepen en hem uit de verlegenheid redde, waar hij zich in bevond, "wij zullen over dit gansche geval wel eens nader spreken. Mijn lieve Hemel! Pas is Joan teruggekomen, en hij heeft mijn huis op stelten gebracht! Eerst valt hij als een bom uit de lucht en krijgt hij ruzie met den vriend van u, Ambtman! (die waarlijk ook geen lievert is) en vervolgens hoor ik, dat hij sinds jaar en dag naar mijn dochter zou vrijen. Kom! kom! laten wij van middag om niets anders denken, dan om ons wel te vermaken. Ik heb nog anderen wijn van onze Duitsche buren gekregen, dan dien gij van dezen middag gezien hebt, en gij zult er mij uw gedachten eens over zeggen. Intusschen," voegde hij er zachtjes bij, terwijl hij den Ambtman onder den arm nam en met hem slotwaarts wandelde: "hetgeen ik u eens gezegd heb, blijft gezegd: Joan is een beste jongen, dat is waar; doch mijn dochter hem te geven ware al te belachelijk! ik heb haar aan u beloofd, en zoo gij het met haar eens kunt worden, dan is alles in orde. Gij zult haar die liefdegrillen ook wel uit den kop praten, zoo ze er al ooit in gezeten hebben, 't geen ik niet gelooven kan; want zij heeft er mij nooit een woord van gezegd."