Chapter 27
De overige gasten hadden, evenals de Baron, weinig genoegen genomen met de wijze, waarop de twist gesust was; daar zij, niet zonder grond, oordeelden, dat een van de twee partijen een lafaard wezen moest, die niet in hun gezelschap voegde; het misnoegen bracht dus stilte te weeg: zelfs de Ambtman, hoewel hij de anderen aan 't praten zocht te krijgen, had het hoofd te vol, dan dat hem zulks wel afging, en het zou een opmerkzamen bijstander niet ontgaan zijn, dat de goede houding, die hij aanwendde, alleszins gedwongen was. De heerschende stilte deed den Baron dus spoedig besluiten om het gezelschap te verzoeken, een einde aan het ontbijt te maken en zich met hem naar de kegelbaan te begeven. Dit voorstel scheen een verlossing toe aan de gansche vergadering: en allen haastten zich daaraan te voldoen, behalve Joan, die, zijn pleegvader ter zijde trekkende, van hem verlof verzocht om zich af te zonderen en Ulrica te gaan groeten.
"Hoe is 't Joan?" zeide de Baron: "zoekt gij een gelegenheid om van dien Botbergen af te raken? Ik had van u meer vuur verwacht, vriendlief! Ware ik in uw plaats geweest, die verwaande pochhans had al lang op 't plein gelegen."
"Ik beloof u, Vader! dat uitstel geen achterstel, worden zal," zeide Joan: "ik zal met dien knaap nog een appeltje schillen, dat hem slecht zal smaken. Stel u daaromtrent gerust; maar, dunkt mij, mijn verlangen om Ulrica te zien, is nogal natuurlijk."
"Nu, ga maar, ga maar," zeide de Baron, knorrig: "lieve deugd! in mijn tijd waren de knapen anders! thans zijn zij zoo koel als winterperen. Wat zullen de oude lui dan zijn als de jeugd geen warm bloed meer heeft!"--Na deze wrevelige aanmerking keerde de Baron zich weder tot zijn gasten en geleidde hen buiten het slot, naar den hof, waar de frissche lucht en de balsemgeuren van het voorjaarsgebloemte de wandelaars op een lieflijke wijze tegenkwamen en de dampen, door den wijn veroorzaakt, vervingen. Langs een lommerrijke lindenlaan begaf men zich naar de kegelbaan, die aan het achtereinde van den hof tusschen hooge hagen gelegen, en met een planken beschot, laag genoeg om er overheen te zien, omzet was. De baan, waaraan Bouke gedurende de vorige dagen al zijn vlijt besteed had, was spiegelglad: op twee derden van hare lengte stonden de prachtige ebbenhouten kegels, met zilveren randen en ringen beslagen en wel drie voet hoog, op daartoe op gelijke afstanden getrokken kringen, te prijken. Langs het schot liep ter linkerzijde van de baan, een houten goot af, waarbij een tuinjongen geplaatst was, om na den worp, den bal weder aan de spelers toe te zenden. Bouke stond aan de rechterzijde, bij de kegels, gereed om de tusschen de spelers gerezene oneenigheden te beslissen, en den uitslag van elken worp met krijt aan te teekenen op een zwart bord, dat aan een paal hing, die boven het beschot uitstak. Aan het begin der baan stonden twee andere dienaars bij een tafel, waarop bier en brandewijn gereedstonden tot lafenis der spelers: en daarover een kastje met laden, waarin de kegelballen lagen, benevens een bord met dobbelsteenen; de nommers, die aan de spelers uitgedeeld moesten worden, de handleien, waarop elk zijn _poincten_ of verliezen voor zich kon opteekenen, in één woord, al wat noodig kon geacht worden. Onderscheiden lijnen, evenwijdig over de breedte der baan getrokken, duidden de plaats aan, vanwaar men werpen moest en welke de speler, wien het slotnummer te beurt viel, doorgaans aanwees.
Met veel plechtigheid naderde Bouke het gezelschap, zooras het de kegelbaan nadertrad, haalde de dobbelsteenen voor den dag en reikte ze den Jonker van Scherpenzeel toe, die, na geworpen te hebben, ze aan zijn buurman overgaf en zoo vervolgens. Bouke teekende de geworpen getallen op en liet de gelijkstaande weder overgooien, totdat elk zijn nommer had. Toen begaf hij zich weder naar zijn standplaats bij het groote bord, en Botbergen, wien het laatste nommer te beurt was gevallen, duidde aan, van welke streep men beginnen moest. De heer van Lievendaal, die den eersten worp moest doen, zette den linkervoet op de streep, bracht den rechtervoet een schrede achterwaarts, nam den zwaren bal op en deed hem over de baan vliegen. De bal wierp een kegel om en schudde den tweeden, doch hij had zijn kracht verloren en rolde al draaiende het spel uit zonder iets verder te verrichten, De tuinknaap zette dadelijk den gevallen kegel weder op en zond den bal terug.
"Hij was goed gemeend!" zeide een der spelers.
"De baan is niet glad genoeg," antwoordde Lievendaal: "anders ware de tweede ook gevallen: zaagt ge wel hoe hij wiggelde? Dan komaan, Helmenhorst! laat eens zien, of gij beter zult slagen."
Met meer bedaardheid dan zijn voorganger dreef de tweede speler den bal voort en wierp ook een kegel om, terwijl de bal stil liggen bleef.
"Dat is ongelukkig!" riep hij uit: "wie kan zoo iets helpen? De kegel valt juist voor mijn bal en snijdt hem den weg af: anders waren er nog wel drie of vier omgeworpen geweest."
Haastig, gelijk hij alles deed, wierp Reede op zijn beurt den bal. Doch door de drift draaide zijn hand onder 't werpen, en de bal, na eerst rechtuit te zijn gerold, nam, kort voor 't spel een zijdelingsche wending en liep de kegels voorbij.
"Wat satan is dat!" schreeuwde hij hoogst ontevreden: "Bouke! de baan is niet gelijk! hoe kan een bal zoo mal rollen?"
"De baan is al gelijk!" antwoordde Bouke, terwijl hij met veel bedaardheid den misslag opteekende: "Ik kan niet helpen, dat UEd. scheef gooit."
"Kom, Heer Ambtman! het is uw beurt! Laat ons eens zien of UEd., die niet gedronken heeft, scherper gooien zult dan een van ons allen," zeide de Jonker van Scherpenzeel.
"Gij ziet, van dat weinigje beef ik reeds," zeide Mom, en wierp den bal wel een voet buiten 't spel. Met ongelijk gevolg speelden diegenen, die na hem kwamen. Toen de beurt aan Botbergen kwam, die reeds luide gesnoefd had over de menigvuldige partijen, door hem bij andere gelegenheden gewonnen, keken de spelers nieuwsgierig toe; maar de Gelderschman voldeed slecht aan hun verwachting en deed den bal midden door de kegels heen vliegen.
Na op deze wijze eenige toeren afgespeeld te hebben, werd Reede, die bij deze gelegenheid slecht, of, zoo 't heette, ongelukkig speelde, wrevelig, en den Ambtman, wiens kans niet fraai stond, onder den arm nemende, verzocht hij hem, het spel maar te laten varen en met hem plaats te nemen op een bank, buiten den ingang der baan geplaatst, waar men ongestoord zat en echter het spel overzien kon. Na een wijl over onverschillige dingen gesproken te hebben, begon de Ambtman weder zijn liefde voor Ulrica tot onderwerp van hun gesprek te maken; en toen was het, dat de Baron, wiens oprecht en rondborstig gemoed door den Rijnschen wijn nog openhartiger geworden was, het gepast oordeelde, den Ambtman een geheim te vertrouwen, dat hij voor elk ander zorgvuldig bewaard hield, doch 't geen hij als eerlijk man zich verplicht achtte, zijn aanstaanden schoonzoon mede te deelen.
"Vriend Mom!" zeide hij: "Ik ben overtuigd, dat het alleen uit genegenheid voor haar persoon is, dat gij mijn dochter gevraagd hebt; dat geen andere drijfveer u handelen deed, en dat gij haar van mijn hand zoudt willen nemen, al ware zij niet machtig u een penning als huwelijksgoed mede te brengen. Doch, daar ik nimmer den schijn van karigheid zou willen toonen, en niet gaarne de beschuldiging verdienen, van u omtrent den waren staat mijner zaken misleid te hebben, daar er bovendien nog een zwarigheid bestaat, als ik van ochtend zeide, acht ik het billijk, u dienaangaande nader in te lichten."
"Heer Baron!" zeide Mom, zijn verwondering over zulk een voorafspraak onder een vriendelijken glimlach verbergende: "uw beleefdheid is al te groot. Geloof vrij, dat geen inzicht om mij te verrijken mij noopt, uw bevallige dochter ten huwelijk te vragen. Ik ben, Goddank! rijk genoeg, en, zoo ik een gade wensch, zoek ik slechts een lieve gezellin, die den avond van mijn leven verheuge. Echter, zoo UEd. noodig oordeelt, mij, na deze betuiging, nog de eer aan te doen van mij uw familiegeheimen mede te deelen, ben ik bereid naar u te luisteren."
"Juist! juist, Heer Ambtman!" antwoordde Reede: "gij moet alles weten, want al zijn uw gevoelens omtrent mijn Ulrica nog zoo edel, omtrent mij zoudt gij wellicht van meening veranderen, zoo ik niet met open kaarten speelde. Dan ter zake.--Ik moet, om u mijn omstandigheden te verduidelijken, de geschiedenis wat hooger ophalen.--Mijn overgrootvader Godard van Reede had, gelijk u bekend is, zijn meeste goederen, waaronder deze heerlijkheid, ter leen van het Bisdom van Utrecht, en stond, daar hij een devoot Katholiek was, in hooge gunst bij den Bisschop. Op aanzoek van dezen, en onder belofte van diens protectie, liet hij zijn tweeden zoon Frederik voor den geestelijken stand opvoeden, en wel bij de Dominicanen te Tiel. De jonge geestelijke bracht het ver.... ja, Roomsch of Onroomsch, wij zijn altoos bijbelvast en fiksch in de leer geweest.... nu, dat is tot daaraan toe: hij maakte groote vorderingen, en de oude heer had het genoegen hem voor zijn dood tot Prior van datzelfde convent der Dominicanen te zien verheffen.... dat moet een vet ambtje geweest zijn!"
"Zoo vet," zeide Mom, "dat ik er mijn ambtsmanschap dadelijk voor geven zou, mits het mij maar niet belette uw schoone dochter te huwen."
"Ja! men moet kiezen of deelen;.... doch waar waren wij gebleven?.... "
"Bij uw oudoom den Prior; is hij het niet, die, wanneer hij zat te lezen, een duiveltje de kaars liet houden?"'
"Juist! zijn beeltenis hangt op het slot; doch ter zake.--Borre, Frederiks oudste broeder en mijn grootvader, niet minder goed Roomsch dan zijn broeder, vertrouwde hem de opvoeding van zijn oudsten zoon Godard, terwijl Karel, de jongste, voor de wapenhandel werd opgeleid.--Intusschen had de omwenteling plaats en de oorlog met de Spanjaards. Mijn grootvader, toen Heer van Sonheuvel, zijn broeder de Prior en mijn oom Godard hielden, als men denken kon, ijverig de zijde van den Koning; doch mijn vader, die reeds jong aan hun opzicht onttrokken was, koos des Prinsen zijde, en zwoer, evenals deze den Paapschen Godsdienst af."
"Dat zal den ouden Heer weinig gesmaakt hebben," merkte Mom aan, om te toonen dat hij luisterde naar een verhaal, waar hij de belangrijkheid nog niet van inzag.
"Het gedrag van zijn zoon belgde hem zoozeer," vervolgde de Baron, "dat hij mijn vader onterfde en zijn bezittingen aan mijn oom Godard maakte, die een weinig later de eenige erfgenaam werd der machtige nalatenschap van den Prior."
"Zoo" riep Mom, voor wien de geschiedenis opeens een belangrijker gedaante verkreeg: dan heeft oom Godard alles ingepalmd."
"Zooals gij wel aanmerkt. Mijn vader had zich wel tegen het een en ander kunnen verzetten; doch dit wilde hij uit kinderlijken eerbied niet doen. Hij had bovendien een vrij gegoed meisje getrouwd. Zoodra mijn grootvader gestorven was, riep mijn oom Godard mijn vader weder tot zich en stelde hem voor, samen als broeders op Sonheuvel te leven. Dit aanbod was met hartelijkheid gedaan: het werd met dankbaarheid aangenomen. Dan, niet lang had die samenwoning geduurd, toen de vrouw van mijn oom stierf. Hij was over dit verlies diep getroffen; de vermaken der wereld werden hem walgelijk, hij liet aan mijn vader het opzicht over al zijn goederen, trok naar Tiel, nam het geestelijk gewaad aan, verkreeg, als zijn oom, de waardigheid van Prior, en zou tot hooger waardigheid gestegen zijn, ware hij niet met een groot gedeelte der Roomsche geestelijkheid van oproerigheid beschuldigd geweest, en ten lande uitgebannen. Nu deed mijn vader iets, dat ik niet weet of ik mij wel zou hebben durven veroorloven."
"En dat was?" vroeg Mom, bij wien het verhaal hoe langer hoe meer belangstelling wekte.
"Dat zult gij hooren. Mijn oom had zijn eenigste dochter bij de geestelijke zusters van Sinte-Cecilia laten opbrengen. Nu gebeurde er in dat klooster een schandaal: namelijk, dat, een non en een Jezuïetschen pater, die hier door 't land reisde, samen opdrosten. Het volk, dat al niet zeer op de hand der nonnetjes was, plunderde toen het gansche convent en joeg de nonnen weg. Toen stuurde mijn oom zijn Maria aan mijn vader, met verzoek haar naar Kampen te sturen, waar een vrome zuster voor haar opvoeding zoude zorgen. Dat deed mijn vader niet, en daar deed hij, mijns inziens, verkeerd aan."
"Hij wilde de rijke erfgename onder zijn bereik houden," zeide Mom.
"Neen, dat niet," zeide Reede, terwijl zijn kleine oogen van verontwaardiging fonkelden: "hoe komt ge op die gedachte! Hij handelde misschien verkeerd; maar geenszins uit baatzuchtige oogmerken."
"Dan kan ik niet inzien, uit welken hoofde zijn gedrag laakbaar was," zeide Mom: "noch zelfs wat zijn oogmerk geweest kan zijn."
"Ziet gij dat niet?" vroeg Reede: "hij wilde een zieltje winnen en hield de kleine Maria bij zich, om haar, tegen de begeerte haars vaders aan, in de Hervormde leer te laten opvoeden. Ziet ge! dat was niet zooals 't hoorde."
"Vindt gij?" vroeg Mom op zijn beurt, met eenige verbaasdheid: "al onze Dominees zullen u het tegendeel zeggen."
"Dat is wel mogelijk, ofschoon mijn goede vriend Raesfelt er niet volkomen zeker van is," zeide Reede: "maar, naar mijn inzien, kunnen de middelen het doel nooit wettigen, zooals de Jezuïeten beweren;.... doch, dat daargelaten: Maria bleef dan bij ons en werd, toen zij huwbaar was, mijn vrouw.--Mijn vader stierf--ik bleef. voor het oog der wereld, de Heer van Sonheuvel: doch inderdaad, niet meer dan de rentmeester van mijn oom."
"En heeft die oom niets meer van zich laten hooren?" vroeg Mom.
"Slechts eens heb ik hem sedert gezien: en toen had zijn onvoorzichtigheid hem bijna doen vatten: met moeite deed ik hem ontsnappen. Hij verzocht mij toen, het bestuur der bezittingen te blijven behouden en de interessen als een eigendom te beschouwen."
"Die vrek!" zeide Mom: "hij had u alles even goed kunnen overdoen; want, vooreerst heeft hij aan die rijkdommen niets, en ten tweede zoude er op zijn recht van eigendom vrij wat aan te merken zijn."
"Geen woord daarvan!" hernam de Baron: "wie hem ooit in zijn recht verkort, ik zal het blijven handhaven.--Dan, nu is er nog iets: mijn oom was ter oorzake der nauwe verwantschap tusschen Maria en mij, tegen ons huwelijk geweest. Leedwezen daarover voerde mijn lieve vrouw ten grave. Zij deed, ik geloof gedreven door een soort van zucht om een zoenoffer aan den toorn haars vaders te brengen, mij op haar sterfbed beloven, dat ik Ulrica, ons eenigst kind, niet zoude uithuwelijken, dan met de toestemming van mijn schoonvader.... Zij was stervende, ik zwoer dit, om haar gerust te stellen:--en toch, ik had zoo lichtvaardig niet moeten zweren: want waar vinde ik nu den ouden Heer?"
"Hoe laat hij zich noemen?" vroeg Mom.
"De Paapschen noemen hem vader Ambrosius," antwoordde Reede: "doch het zal moeilijk zijn, zijn verblijfplaats uit te vorschen. Er zijn zoovelen van dien naam."
"Wij zullen zien," zeide Mom, opstaande en zijn knevel wrijvende om een onwillekeurigen glimlach te verbergen: "misschien is hij wel op te sporen. Ik heb overal nogal betrekkingen: en ik vleie mij, dat zoo hij met mijn wenschen bekend is, hij er niets tegen zal hebben in te brengen."
"Mijn mededeelingen hebben dus geen invloed op uw voornemens?" vroeg Reede, terwijl een waas van tevredenheid zich over zijn gelaat verspreidde. "Gij blijft de hand mijner dochter vragen?"
"Heer Baron," zeide Mom: "uw openhartig, ja edelmoedig gedrag te mijwaarts treft mij, vervult mij met bewondering voor u; doch het verbaast mij niet. Gij hebt mij wel beoordeeld, toen gij genoeg vertrouwen in mij steldet, om mij deze gewichtige geheimen mede te deelen. Ik bemin Ulrica: haar vraag ik, en haar alleen."
"Bedenk u wel," zeide de Baron: "Ik bezit niets, dat ik mijn eigendom kan noemen, dan mijn moeders erfdeel: op mijn ouden dag bekrimp ik mij niet meer, en van wat ik heb, heb ik vast besloten de helft aan Joan te geven; ik heb dien armen jongen niet opgevoed om hem naderhand armoede te laten lijden. Ulrica weet dit, en zij is tevreden met het weinige dat ik haar medegeef; doch gij!...." Hier schudde hij bedenkelijk het hoofd.
"Ik ben met Ulrica tevreden, en begeer niets meer," hernam Mom.
"Heel wel! dat zijn jongelui's betuigingen, als zij vrijen. Doch naderhand komt het berouw, en dan is het te laat."
"Ik ben geen knaap meer," zeide Mom "die zijn geluk op een paar schoone oogen verspeelt. Ik ben rijk genoeg om een vrouw naar mijn zin te huwen, ook zonder bruidsschat. Veroorloof mij, tot nader bewijs van mijn betuiging, dat ik mij naar uw dochter begeve en haar mijn hulde brenge."
"Zeer gaarne," zeide de Baron, zich verheugd de handen wrijvende: "en zend mij Joan hier, indien hij zich nog bij haar bevindt.--Nu! kijk maar niet zwart: zij zijn samen opgebracht: daar steekt geen kwaad in."
Mom glimlachte weder; doch deze reis was zijn lach gemaakt, en zich buigende, begaf hij zich naar het slot.
EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Ulrica, de eer en 't leven van deez' boorden.
Juffr. _Koolaert_.
Ulrica was in de benedenzaal met Magdalena bezig met borduren, toen Joan binnentrad, toesnelde en haar met al de onstuimige driften eens jongelings in de armen drukte. Schoon zij reeds door een der dienaars van zijn terugkomst verwittigd was geweest, en door de verwarring, waarin die tijding haar gebracht had, niets meer deed dan broddelen, was zij nog niet genoeg voorbereid om hem te zien en deed zijn plotselinge verschijning haar ontstellen. Magdalena rees met hare gewone deftigheid op, groette den Jonker met eene diepe neiging, bood hem haar zetel naast Ulrica aan en plaatste zich op eenigen afstand bij een ander venster.
De jonge lieden bleven eenigen tijd als sprakeloos naast elkander zitten: Joan hield de eene hand zijner pleegzuster in de zijne geklemd en zag haar aan met een gloeiend gelaat en fonkelende oogen, terwijl de Jonkvrouw verward en blozend voor zich keek. Dan, toen de eerste zielsbedwelming voorbij was, scheen een denkbeeld beiden op eens te treffen: Ulrica trok met schrik haar hand terug en schoof haar stoel achteruit, en Joan liet de armen vallen, zuchtte diep en zag voor zich.
"Alles is hier zeer veranderd, Ulrica!" zeide hij eindelijk, "sedert ik laatst vertrokken ben."
"Ik begrijp u niet," antwoordde zij met een flauwe stem, schoon zij hem zeer wel begreep.
Joan zuchtte, zweeg wederom en streelde de grauwe haren van Veltman, die hem gevolgd was en voor zijn voeten lag. Na eenige oogenblikken poogde hij het gesprek te hervatten, en vroeg met schroomvalligheid: "zullen wij u welhaast Mevrouw Mom kunnen heeten?"
"Daar is nog niets over bepaald," antwoordde zij, opnieuw van kleur veranderende: "ik weet niet, of dat wel ooit zal gebeuren."
"Nu! wij willen hopen.... van ja, nietwaar?" vroeg Joan, op een toon, die het tegendeel zeide. Hij ontving geen antwoord, en beiden bewaarden gedurende eenige oogenblikken een diep stilzwijgen. Ulrica brak dit het eerst.
"Wanneer zijt ge hier in 't land teruggekomen?"
"Gistermorgen van Nijmegen."
"Waar hebt gij dan vannacht geslapen?"
"Bij Gheryt Maessen zekerlijk," antwoordde Magdalena; "althans daar hing diezelfde degenhanger in den schoorsteen welke UEd. thans aanheeft."
Ulrica bloosde opnieuw zeer sterk, en Joan keek weder voor zich.
"Heden, Joan!" zeide Ulrica: "waarom zijt gij gisteravond niet hier gekomen?"
"Ik was.... ik had.... ik zal dat wel eens nader vertellen." zeide Joan, een zijdelingschen blik op Magdalena werpende. In deze beweging viel zijn oog op het afbeeldsel van den Prior Frederik van Sonheuvel, dat aan den wand hing.
"Nu weet ik het!" riep hij uit, sprong op en ging de schilderij aandachtig beschouwen.
"Wat weet gij?" vroeg Ulrica verwonderd.
"Ja, hij is het!" vervolgde Joan: "het is dezelfde, die.... ja hij is het wel!"
"Joan! zijt gij mal geworden?" vroeg Ulrica, angstig opstaande en zich aan zijn zijde voegende.
"Gij hebt gelijk," hernam hij: "Ik moet den schijn hebben van ijlhoofdig te zijn: nu, dat zal zich wel oplossen: ik moet uws vaders oordeel hierover eens weten; doch laten wij van iets anders spreken, lieve Ulrica!" vervolgde hij, haar weder naar haar zitplaats geleidende: "zeg mij toch: hoe varen Dominee en zijn vrouw? en hoe maakt Geert het toch?"
Ulrica voldeed aan zijn vragen: haar antwoorden lokten wederom nieuwe vragen uit, en het onderhoud verlevendigde zich, totdat Ulrica eindelijk vroeg, wat er toch, een oogenblik na Joans terugkomst, in de zaal had plaats gehad.
Joan voldeed aan hare nieuwsgierigheid.
"Gij zult u toch aan geen gevaren blootstellen?" vroeg zij.
Deze woorden werden door een zoo beminnelijk lachje vergezeld en de oogen der bevallige schoone vestigden een zoo deelnemenden blik op den jongeling, dat hij, innig geroerd, haar hand weder in de zijne sloot.
"Lieve Ulrica!" zeide hij: "ik zal doen wat ik als man van eer verplicht ben."
Hier stond Magdalena, die uit het venster in den tuin had gezien, op, en verliet het vertrek.
"Ulrica!" riep Joan, zoodra zij vertrokken was: "is het in ernst waar? Zal de Ambtman Mom uw man worden?"
"Mijn vader verlangt dat huwelijk," antwoordde zij bevende.
"Uw vader;.... maar gij?"
"Het is misschien de beste keus, die ik in mijn omstandigheden doen kan. Mijn vader is er op gesteld, dat ik een goed huwelijk doe: en...."
"En gij bemint hem?"
"Ik houd hem voer een eerlijk, achtenswaardig man."
"En daarom alleen zult gij hem huwen? Ulrica! speel niet met uw geluk!"
"Joan!" hernam zij op een zachten, weemoedigen toon: "ik had u bij uw terugkomst geheel anders verwacht. Zijn dit de beloften, die gij mij bij uw vertrek van hier hebt gedaan?"
"Ik herinner mij die belofte te wel, om die ooit te verbreken," zeide Joan: "ja, ik heb u beloofd, dat ik een dwaze en hopelooze liefde zou pogen te onderdrukken, dat ik u voortaan, gelijk in onze kindsche dagen, alleen als zuster zou beschouwen: aan dat gegeven woord zal ik gestand blijven, en niemand dan gij zal immer weten, dat ik u eenmaal met een andere dan broederlijke teerheid liefhad, dat ik u nog heden met diezelfde...."
"Stil!" viel hem Ulrica met een gestrengen blik in de rede: "gij zijt weder opweg om dat woord te breken."
"Welnu!" hervatte hij: "die dwaze liefde daargelaten, geeft mij de naam van broeder, dien gij mij vergunt te behouden, dan geen recht om in het geluk mijner zuster het teederst belang te stellen? Gij bemint den Ambtman niet, gij koestert alleen achting voor zijn karakter: gij neemt hem, ik moet u openhartig mijn gedachte zeggen, alleen om mij alle hoop voor de toekomst af te snijden, om u zelve te behoeden tegen een genegenheid, die u schuldig voorkomt. Doch ik ben verplicht, als broeder verplicht, u te waarschuwen, dat uw huwelijk nimmer gelukkig kan uitvallen, wanneer het alleen gesloten wordt, om een ander dieper ingeworteld gevoel uit te roeien of te verdooven."
"Onbarmhartige!" zeide Ulrica, terwijl zij haar tranen poogde te bedwingen: "ga voort, het staat u schoon, mijn droefheid te vergrooten door zulke onwaardige veronderstellingen. Ik had niet verwacht Joan, dat gij het eerste uur, dat wij ons na zoo een lange afwezigheid, terugzien, zoudt besteden, met mij een beschuldiging te doen hooren, die mij, zoo zij gegrond ware, in mijn eigen oogen vernederen zou."
Joan gevoelde dit verwijt, stond op en wandelde de zaal op en neder. "Ulrica!" zeide hij, na eenige oogenblikken zwijgens: "die Ambtman is u niet waardig!"
"Joan! Joan!" herhaalde zij met aandoening: "eerst gisteren zijt gij hier in 't land gekomen. Heden ziet gij den Ambtman voor 't eerst, zoo gij hem al met kennis gezien hebt. Hoe kunt gij dus zoo lichtvaardig oordeel vellen over iemand, die misschien eenmaal recht zal hebben op mijn eerbied, op mijn gehoorzaamheid, op mijn liefde. Is deze handelwijze billijk, is zij grootmoedig, is zij vriendelijk ten opzichte van hem--en van mij?"