De Pleegzoon

Chapter 25

Chapter 253,933 wordsPublic domain

"En ik weet niet," hervatte Ulrica op een scherpen toon, "met welk recht zich de Heer Ambtman over mijn gevoelens zou bekommeren."

"Verschoon mij, Freule!" zeide Magdalena: "ik beken, dat zijn ambtsgericht zich niet over de neigingen evenals over de bezittingen van anderen uitstrekt; maar ik dacht, dat hij als uw aanstaande echtgenoot ten minste eenige aanspraak mocht hebben op uw onverdeelde liefde."

"En wie zegt, dat hij mijn aanstaande echtgenoot is?" vroeg Ulrica.

"Wie?--de gansche wereld."

"Zoo!--ik dacht, dat ik de eenige persoon was, die hieromtrent beslissend spreken kon; doch het is hieromtrent als met meer dingen: elk weet, wat van de zaak is en spreekt er op stelligen toon over, behalve degene, wien zij aangaat."

Hier werd heur gesprek afgebroken, doordat zij aan het veer gekomen waren, alwaar de oude veerman haar reeds in zijn boot verbeidde, terwijl zijn knecht wat verder aan de groote veerschuit stond te wachten op eenige ruiters, die hij in de verte van de zijde van Tiel zag aankomen. Met kracht van riemen bracht de grijsaard de beide vrouwen naar de overzijde, en dankte zeer beleefdelijk de Freule (toen deze bij 't uitstappen hem een driedubbel veergeld betaalde) voor de eer, die zij aan zijn bootje had bewezen.

"Is het waar, wat ik gehoord heb, Freule?" vroeg, toen zij verder opwandelden, de kamenier, die het gesprek scheen te willen terugbrengen op het punt waar zij gebleven waren, "is het waar, dat de Koning van Bohemen hals over kop herwaarts komt?"

"Men zegt zoo."

"Dan zal misschien ook uw.... hoe zal ik hem noemen?.... uw vriend weldra terugkeeren.... maar wat praat ik?.... alsof hij UEd. niet zou geschreven hebben, wanneer hij weder hier dacht te wezen."--Hier zag zij haar meesteres vragend aan. Deze antwoordde op een onverschilligen toon:

"De laatste brief, dien mijn vader van hem ontvangen heeft, meldde, dat hij gezond en wel was: sedert zijn er, althans hier, geen boden uit het leger gekomen."

"Dan zal hij UEd. misschien zelf komen verrassen; ware het nu niet beter, Freule (verschoon mijn vrijpostigheid; maar ik heb meer jaren, en helaas! meer ondervinding dan UEd.) dat men hem vooreerst niet te lang op het slot vertoeven liet om de jaloezie van den Heer Ambtman niet op te wekken? want deze is jaloersch, gelijk iedereen die waarlijk verliefd is."

Ulrica zag, op het hooren van dezen zonderlingen en ongevergden raad, haar kamenier aan met een ontevreden en verwonderden blik, haalde de schouders op en vervolgde haar weg zonder een woord te spreken. Magdalena liet zich echter hierdoor niet afschrikken. "Verbeeld u, Freule!" ging zij voort: "dat die Spanjaard en de Heer Ambtman elkander bij uw vader aantroffen. Het kan niet missen, of de tegenwoordigheid van een jongeling, die vertrouwelijk, ja broederlijk, met u omgaat en aan wien UEd. wederkeerig blijken van genegenheid geeft, zal den naijverigen minnaar, die tot nog toe alleen de begunstigde was, grieven: onrust, nijd, twist en de hemel weet wat meer, kunnen hiervan de gevolgen wezen."

"Magdalena!" zeide de Freule, het hoofd met waardigheid opheffende: "gij kent mij. Ik ben niet trotsch, niet hoog jegens mijn minderen. Ik schuw geen gesprek ook met de dienstboden, en leg iemand noode het zwijgen op, hoeveel meer aan u, voor wie ik achting heb. Maar thans ben ik verplicht u te verbieden verder een woord te reppen over het onderwerp, dat gij zoo allerongelukkigst tot stof onzer samenspraak gekozen hebt. Het past u niet, zulks te behandelen; niet omdat gij mijn kamenier zijt; maar omdat het niemand, behalve mijn vader, voegt, mij op een dergelijke wijze over een zaak van zoo teederen aard te onderhouden."

"Verschoon mij, Freule!" hervatte Magdalena op een koelen toon, die van bitsheid niet vrij was: "verschoon mijn dwaasheid van te denken, dat de erfdochter van Sonheuvel boven haar gelijken verheven was, en dat zij somwijlen het oor aan goeden raad wilde leenen. Ik zie, dat ik mij bedrogen heb in deze omstandigheid; maar ik hoop slechts, dat UEd. nimmer mijn vrees bewaarheid moge zien."

Het verwijt trof Ulrica; doch zij hield zich overtuigd, welgedaan te hebben, en antwoordde dus niet. Ook zweeg Magdalena, 't zij dat zij geen trek had zich aan een nieuwe bestraffing te wagen, 't zij dat zij de uitwerking, welke haar gezegde gehad had, wel verwacht of zelfs verlangd had.

Nadat zij eenige schreden waren voortgetreden, deed een gerucht van naderende ruiters beiden omzien, en zij ontdekten den Ambtman met zijn _fidus Achates_, Elbert van Botbergen, benevens eenige dienaars, die heur op een goeden draf achterop kwamen rijden.

"Is 't mogelijk?" riep Mom, die, zooras hij Ulrica gewaarwerd, zijn paard intoomde, gelijk de overigen deden: "kan 't zijn, dat het eerste voorwerp, dat zich aan deze zijde des Rijns aan mijne oogen voordoet, onze bevallige gastvrouw zijn moet? Mag ik reeds zoo vroeg het doel mijner reis, het toppunt mijner wenschen bereiken?"

"Het voegt mij, UEd. om verschooning te vragen, dat UEd. mij hier nog ontmoet, daar ik reeds op het slot moest wezen om alles voor uw ontvangst in gereedheid te brengen."

"Ik voel dien zet," zeide de Ambtman met een buiging: "Ik kom te vroeg; doch het verlangen om u te zien, mijn waarde Freule!"....

"In 's Hemels naam, Heer Ambtman," zeide Ulrica lachende: "laat ons geen _euphuïsme_ beginnen in den smaak van sommige Haagsche hofheeren, die in Engeland fraaie manieren geleerd hebben. Wij zijn hier op het land: wij moesten de plichtplegingen daarlaten."

"Gewis!" zeide Botbergen, die van de gansche samenspraak niets gehoord had en alleen op de laatste woorden lette van Ulrica, die hem nog onbekend was: "al die snorrepijpen en tilerantijntjes dienen nergens toe: ik zeg daarom eenvoudig: goên dag, meiske! ik had niet gedacht, dat wij nog zoo een knappe deerne zouden zijn tegengekomen, na de varkens, die ons van morgen aan de poort ontmoet hebben, daar zulks anders zelden iets goeds beduidt. Nu, dit geeft weder goeden moed; doch laat ons wat voortjassen, Ambtman! anders komen wij te laat op het slot;.... maar pots honderd tausent slapferment!" riep hij uit, Magdalena herkennend: "Wie is daar?"

"Wat rammelt gij toch, Botbergen?" vroeg Mom: "merkt gij niet wie gij voorhebt? dit is de Freule van Sonheuvel, het pronkjuweel van 't Sticht. Freule! ik stel u den Heer van Botbergen voor, een Geldersch edelman, mijn bijzonderen vriend."

"Dat is zijn beste aanbeveling," zeide Ulrica, onder 't voortgaan een hoofdbuiging makende.

"Ik verzoek verschooning in dit geval," zeide Botbergen, "dat ik zoo wat ongepast gesproken heb. Ik kende de Jonkvrouw niet: ook had mijn bijzondere vriend, de Heer Ambtman, mij wel wat vroeger mogen waarschuwen. Geloof, lieve Freule, dat ik, toen ik daareven van varkens sprak, geen gedachten had met wie ik sprak:.... gelieft UEd. ook op te zitten? mijn paard is zeer mak en er is plaats genoeg achter mij! dan kan de Freule gemakkelijker en spoediger te huis zijn."

"Zijt gij dol, Elbert?" riepde Ambtman wrevelig uit: "is dat nu een voorstel? Wij zullen afstijgen en de Freule naar het slot begeleiden, indien zij ons zulk een groote eer vergunnen wil."

"De weg is vrij," zeide Ulrica: "doch het zou mij leed doen, indien de heeren om mijnentwil afstegen. De heeren zullen misschien verlangen spoedig op het slot te zijn en zich wat te ververschen."

"Is er een genoegen," zeide Mom, terwijl hij afsteeg, "dat bij het geluk mag halen, van u te vergezellen?" Dit zeggende, gaf hij de teugels van zijn paard aan een bediende over, veegde zich met den handschoen het stof van 't aangezicht af en kuste Ulrica beleefdelijk de hand.

"Ik verzoek nogmaals om verschooning," zeide hij, "indien ik zoo vroeg gekomen ben; doch UEd. begrijpt, dat, als men van zoo ver komt, men den tijd wat ruim neemt, vooral als het doel der reis zoo aangenaam is."

"Ik wist niet," zeide Ulrica, "dat UEd. zulk een liefhebber was van het kegelspel."

"UEd. begrijpt mij niet, of liever UEd. verkiest mij niet te begrijpen: het is geenszins het kegelspel, noch zelfs het altijd vleiend en gul onthaal van den Heer Baron, dat mij voor den dag van heden zulk een genoegen belooft. Het geluk dat ik verlangde, ben ik reeds machtig geworden sinds ik UEd. mocht ontmoeten: en het staat aan u, Freule! dat geluk nog boven verwachting en hoop te vermeerderen, door mij op heden de verzekering te schenken, dat mijn vurigste zielswensch u niet geheel ongevallig is."

"Waarlijk, Heer Ambtman! UEd. spreekt vandaag zoo hoofsch, dat een eenvoudig landmeisje als ik u niet verstaan kan."

"De Freule heeft wel deugdelijk gelijk," riep Botbergen uit, "de droes haal mij, als ik iets uit die opgesmukte woorden wijs kan worden. Waarom niet eenvoudig gezegd.

Dus eenigh Alleenigh Te zijn Is pijn. Dus laat ons beyd. O soete meyd! Versamen eens in vrolickheyd.

en 't geen er verder volgt, zooals de Dominees zeggen als zij den Psalm opgeven."

"Hoe weet gij wat de Dominees zeggen?" vroeg Mom, "gij, die nooit in kerk of kapel komt!"

"Uwe Hoogloffelijke Edelheid bedriegt zich," antwoordde Elbert met inzicht; "ik ben gisteravond nog in de oefening geweest: daar waren leeraars en geestelijke personen bij de vleet."

"Dan begrijp ik," zeide Magdalena, zonder op te zien, doch luid genoeg om van elk gehoord te worden, "dat het met de ware religie zoo slecht gesteld is, als zulk een slag van lieden de oefeningen bijwonen."

"Magdalena!" zeide op een bestraffenden toon de Jonkvrouw, die hoewel de geestigheden van den Gelderschman zeer ongepast oordeelende, het evenmin goedkeurde, dat haar kamenier zich in 't gesprek mengde: "het wordt u immers niet gevraagd!"

"Foei! foei! mijn waarde Freule!" riep Elbert: "frons dat lieve voorhoofdje zoo niet en trek die wenkbrauwen wat minder te zamen. Laat dat meiske dat bij u is, zeggen wat zij wil: mij deert het niet. en UEd. moet er niet boos om worden: of zoo UEd. zuur wil kijken, zie dan mijn vriend den Ambtman zuur aan, hê! hê! hê!"

"En waarom moet ik zuur aangezien worden?" vroeg Mom, bevreemd opziende: "ik, die mijn leven voor een vriendelijken lach van dien bevalligen mond zoude geven."

"Wel!" zeide Botbergen, "omdat

Ziet u een maeght Wat toornig an, Als gij haar vraegt, Denk dan, goê man! Dat g'haar behaegt: Hoe zuurder dat een meisje kijkt, Hoe meer dat uw gevrij haar lijckt."

"Ik moet bekennen, Mijnheer!" zeide Ulrica, glimlachende, "dat uw brein wel met rijmpjes gestoffeerd is. UEd. is zekerlijk lid van de eene of andere Rederijkerskamer?"

"Ik, Freule? de hemel beware mij! Neen! al wat ik in 't vak van liedekens weet, heb ik in 't leger geleerd. Doch ik zing nooit recht zuiver als ik nuchter ben. De stem en de maag staan bij mij in nauw verband, en dit is natuurlijk: de goede dingen, dat is bij voorbeeld de wijn, gaan mijn keelgat in en dan eerst komen de goede dingen, dat zijn de fraaie liedekens, mijn keelgat uit, zoodat...."

"Verwar u toch in geen redeneeringen, Elbert!" viel de Ambtman in: "daar komt ge nooit tot uw eer af."

"UEd. heeft dan in 't leger gediend?" vroeg de Freule.

"Dat heb ik," antwoordde Botbergen: "bij den Koning van Bohemen: en al zeg ik het zelf, niet zonder glorie en lof."

"Zijnde zijn grootste lof en glorie," merkte Mom aan, "dat hij een maagd met zich gevoerd heeft, welke hij ongerept en ongedeerd terug heeft gebracht in het vaderland."

"Waarlijk iets ongewoons," zeide Ulrica: "en wie was die gelukkige?"

"Zijn degen, Freule!" antwoordde de Ambtman.

"Pots honderd tausent slapferment!" riep Botbergen, de hand aan 't gevest slaande: "indien ik niet wist, dat UEd. spotswijze sprak en het beter meende, ik zou deze schande al dadelijk uitwisschen en...."

"En mijn bloed zou het eerste zijn, dat uw degen bevlekte, wilt gij zeggen, nietwaar?" vroeg Mom lachende.

"En ik zou u de punt van mijn staal doen voelen," vervolgde Botbergen, "gelijk ik dien jongen snoeshaan deed, die in 't leger...."

"Wel foei, Mijneheeren! gaat gij kijven in mijn tegenwoordigheid!" zeide Ulrica.

"Deze alleen ontwapent mijn rechtmatigen toorn," zeide Botbergen, op een kluchtige wijze zijn lemmer half uithalende en weder in de scheede latende vallen.

"En wat hebt gij dien jongen snoeshaan gedaan, van wien gij spreekt?" vroeg Mom. "Hebt gij hem doorregen als een hoentje aan 't spit of hem als een os den hals afgestoken?"

"Neen!" antwoordde de snorker: "neen, vriendje! het was maar bij manier van spreken, dat ik van de punt van 't staal sprak: mijn kling was veel te edel om die anders dan op het slagveld te gebruiken; doch wat den pochenden windbuil betreft, van wien gij gewaagt, zoo heb ik hem, daar hij mij op een onbeschaamde wijze dorst hoonen, het gewicht mijns rottings doen voelen, zoodat hij, gelijk een haan, wien de kam is afgebeten, zich wegpakte en nooit weder in het kamp verschijnen dorst."

"En hoe heette die windmaker?" vroeg Mom.

"Hij droeg een naam," antwoordde Elbert, terwijl hij de Jonkvrouw aanzag met denzelfden blik, dien de hardvochtige heelmeester werpt op den ongelukkige, wiens arm hij af komt zetten: "waarop hij waarschijnlijk geen recht had, vermits de heerlijkheid, waarvan hij zich den titel aanmatigde, aan onzen edelen gastheer behoort. Hij stond op de monsterrol ingeschreven als Jonker Joan van Craeihorst."

"Jonker Joan van Craeihorst!" herhaalde Ulrica, verbleekende.

"Is hij UEd. bekend?" vroeg Botbergen haastig, "dan spijt het mij iets te zijnen nadeele gezegd te hebben."

"Onvoorzichtige!" riep Mom, een ontevreden houding aannemende: "die heer van wien gij spreekt, is de voedsterbroeder van onze waardige Freule!"

"Och, dat spijt mij.... ik verzoek duizendmalen om verschooning, waarde Freule!" zeide Elbert: "had ik dat kunnen denken, ik had hem in der tijd wel gespaard en er nu althans niet van gesproken. Nogmaals! vergeef mij deze onbedachtzaamheid; maar waarlijk, ik was verre van te denken...."

"Indien het een onbedachtzaamheid was," zeide Ulrica, "waarom zou ik die dan niet vergeven?"

"UEd. denkt toch niet, dat ik het opzettelijk verhaalde?" vroeg Botbergen, door het gezegde der Jonkvrouw een weinig uit het veld geslagen.

Deze ontijdige en ongepaste verontschuldiging versterkte Ulrica in het vermoeden, dat zij reeds niet alleen omtrent het boosaardig opzet van Botbergen, maar ook omtrent de waarheid van zijn verhaal, had opgevat. "Mijnheer!" zeide zij tot den Gelderschman: "ik wist wel, dat men hem, die uit verre landen kwam, het voorrecht moest gunnen, zijn verhalen naar verkiezing op te sieren; doch die verzinselen moesten nimmer de eer gelden van iemand, die niets anders dan die eer bezit--en die telken dage wederom kan komen, om geleden hoon te wreken."

"Hoe Freule!" riep Botbergen, de handen als van verbaasdheid ineenslaande. "Ben ik ongelukkig genoeg om voor een logenaar te worden aangezien? Mijn vriend, de Ambtman, kent mij te wel om geen getuigenis voor mij af te leggen, dat ik niets zou aanvoeren, 't welk bezijden de waarheid was." Dit zeggende, zag hij Mom met een scheeven blik aan, als wilde hij zeggen: "ik ben er om uwentwil in geraakt: het is nu uw zaak, mij er weer uit te helpen."

Dan Mom had hier vooreerst geen zin in. Hij zag, dat de list, die Botbergen volgens een tusschen hen gemaakte afspraak in 't werk had gesteld, haar doel bij Ulrica miste, en hij vreesde, dat, indien hij de partij van Botbergen nam, de Jonkvrouw de volle waarheid gissen zou, het gemaakte plan doorzien en hem al haar achting ontnemen, waardoor hij de kans op haar hand verbeuren moest. Hij begreep dus, dat het zaak ware, van batterij geheel te veranderen en de partij van den afwezigen Joan te nemen: dit moest hem, naar zijn oordeel, bij Ulrica den naam van een grootmoedigen medeminnaar doen verwerven, haar vertrouwen in zijn betuigingen inboezemen en haar geloof doen hechten aan de lasteringen, die hij in later tijd tegen Joan, onder den schijn van welwillendheid, zou doen hooren.

"Kom! kom! Elbert," zeide hij: "gij zult u in den naam vergissen. Ik kan niet denken, dat een jongeling, die door den Heer Baron van Sonheuvel is opgevoed en wien de beminnelijke Freule met haar achting vereert, zulk een lafbek zoude zijn, dat hij zich door u zou laten af kloppen. Ik zou dat sprookje maar niet verder uitkramen; want het mocht u eens kwalijk bekomen, als de Jonker van Craeihorst terugkomt."

"Maar pots tausent!" riep Botbergen, die den Ambtman in den beginne met een oog vol verbazing had aangekeken, doch thans zijn doel begon te raden: "ik zweer u, dat ik geen woord terugneem van al wat ik gezegd heb: al wat ik tot verschooning van dien Jonker kan bijbrengen, is dat hij dronken was, toen hij mij beleedigde."

"Geen woord meer over de gansche geschiedenis," zeide Mom, op een gebiedenden toon: "ik kan niet verdragen dat men kwaad spreekt van een afwezige, die zich niet verdedigen kan. Ik begrijp het geval niet recht," vervolgde hij zacht tegen Ulrica, op een gullen toon: "Botbergen is een snorder, dat is waar, doch niet van moed ontbloot;--want dat ik hem zooeven wat plaagde, geschiedde slechts uit een oude gewoonte:--ik kan niet denken, dat hij het geheele verhaal opzettelijk verzonnen heeft. Misschien was het zoo erg niet: ik zal het eens trachten uit te vorschen; want op den voedsterbroeder mijner Ulrica mag geen smet blijven kleven."

"Gij zult mij vermaak doen," zeide Ulrica, met een minzame hoofdbuiging, terwijl dankbaarheid in haar oogen flonkerde; "doch wij zijn aan het achterhek: hier, Mijneheeren! zullen wij u verlaten."

Dit zeggende, trad zij, na een beleefde buiging voor den Ambtman, het bruggetje over, dat haar op het grondgebied des Barons bracht, en vervolgde haar weg met Magdalena door de tuinen van het slot, terwijl de edellieden, hun rossen weder bestegen hebbende, langs den zijweg voortstapten, om, verder op, de hoofdpoort in te gaan, inmiddels overleggende, hoe zij hun duistere voornemens tegen den goeden naam van Joan best zouden ten einde brengen.

De Jonkvrouw, op wier teeder gemoed de vergiftigde taal van Elbert meer indruk had gemaakt dan zij zich zelve wilde bekennen, gaf, zoodra een slingerboschje haar aan het gezicht van het waardig vriendenpaar onttrokken had, aan haar boezem lucht en stortte zulke bittere tranen, dat zelfs de arbeiders, die, met Bouke aan 't hoofd, bezig waren aan 't versieren der kegelbaan, het opmerkten toen zij er langs ging, en de oude dienaar haar naderde, om te vragen wat haar deerde.

"O! zijt gij het Bouke!" riep Ulrica: "u kan ik het zeggen; want Magdalena heeft het toch ook gehoord; het zal u bedroeven, gelijk het mij bedroeft. Men vertelt mij daar zooeven, dat Joan zich als een lafaard met stokslagen uit het leger had laten drijven."

"Dat is een verd...de leugen, met verlof gezegd," zeide Bouke: "wie zegt dat? ik zal hem zelven op zijn rug touwen, dat het hem jaar en dag heugen zal."

"St! Bouke! niet al te driftig! het is de heer van Botbergen, een edelman, die met hem gediend heeft; die heeft het, naar zijn zeggen, zelf gedaan."

"Hij liegt het, Freule! bij mijn ziel. Joan zich laten kloppen? 't kan niet wezen."

"Ik ken uw jonker niet," zeide Magdalena: "maar ik kan toch niet inzien welk belang de Heer van Botbergen er in hebben zou, hem te belasteren."

"Wat weet gij daarvan, Juffer Lena?" vroeg Joans oude krijgsmakker, driftig: "het spreekwoord zegt: alle koopers zijn geen kenners, en die haast koopt is haast bedrogen. Ge meugt dien Sinjeur van Boanberg zoo weinig belang toeschrijven als ge wilt: wanneer hij kwaad van onzen jonker spreekt, dan is hij geen knip voor zijn neus waard.--Wat hamer Sijmen!" riep hij, zich in de rede vallende om een der werklieden te recht te wijzen: "nu zet je de geut immers vlak verkeerd.... wacht ik zal bij je komen, als je 't niet beter weet!--nu, zooals gezegd is, Freule! stel je hartje maar gerust: ik heb te lang met den Jonker over land en zee gezwalkt en gezworven, om niet te weten, dat hij geen kat is, die men zonder handschoen aan kan vatten: hij zal zich niet op den rug laten trommelen, en wie daar tegen spreekt, dien draai ik den hals om, al was hij nog zoo een groot heer." Met deze woorden keerde hij weder naar de werklieden, die, nu geëindigd hebbende met het versieren der kegelbaan, bezig waren om die tot het spel behoorlijk in gereedheid te brengen. Ulrica begaf zich zuchtende naar het slot, alwaar zij, gevolgd door Magdalena, keuken en kelders bezocht, om, tot onthaal van haars vaders gasten de noodige voorzieningen te maken.

TWINGTIGSTE HOOFDSTUK.

Menigh wil by dranck en spijs Wesen wijs, Schoon hy is van wijn beschonken, Daar doch yeder kan bespiën, Dat dees liên Sijn van sotte grillen droncken.

_Pers_.

Inmiddels waren Mom en Botbergen op het slotplein verwelkomd geworden door den Baron van Sonheuvel, verzeld van den oude jachthond Veltman, die, nu blind en onbekwaam hem in 't veld te volgen, den Baron binnenshuis altijd ter zijde bleef. Nadat hij de beide heeren met de hem eigen gulhartigheid goeden morgen had gewenscht en last gegeven, dat de paarden wel verzorgd zouden worden, geleidde hij hen naar de benedenzaal, vermits de groote ridderzaal, waar men spijzen zoude, nog niet geheel in gereedheid was. Binnengekomen, wilde Mom nog eenige verontschuldigingen bijbrengen wegens zijn vroege komst; doch de Baron wilde daarvan geen woord meer hooren reppen, alvorens de heeren zich met een teug goeden wijn, die hun in groene fluiten op een zilveren schenkblad werd toegediend, ververscht hadden. Toen eerst was het, dat Elbert de gelegenheid vond, zich door zijn patroon aan den Baron te laten voorstellen en dezen te verzoeken, hem zijn vrijpostigheid te willen ten goede houden, dat hij, zonder den Heer van Sonheuvel te kennen, niet geaarzeld had zijn vriend Mom, op diens verzoek, bij deze gelegenheid te vergezellen.

"Een hupsch edelman, als UEd. schijnt, heeft op mijn slot geen aanbeveling noodig," zeide Reede: "en daarenboven! mag een vriend niet altijd een vriend medebrengen?"

"Ik hoop die spreuk dan ook op mij te mogen toepassen," zeide Mom tegen zijn gastheer: "want er is geen naam, waar ik meer prijs op stel, dan op dien van uw vriend."

"Zoo!" zeide Reede: "ik dacht dat er een andere titel ware, dien gij mij nog liever geven zoudt, hê! hê!" en hij begon hartelijk over zijn geestigheid te lachen.

"Gij hebt dubbel gelijk, Heer Baron!" antwoordde de Ambtman, met een bevallige buiging: "en hoewel het een het ander niet uitsluit, beken ik, dat ik mij kwalijk heb uitgedrukt, en dat mij in dit oogenblik de naam van uw schoonzoon boven alles dierbaar zou wezen;.... doch ziedaar een geluk, waarop ik niet hopen durf."

"En waarom niet, Heer Ambtman?" vroeg de Baron op een gulhartigen toon: "gij weet, dat ik u hartelijk genegen ben en u hooge achting toedraag."

"Ik ben u daarvoor hoogst dankbaar, Heer Baron! maar, daar is nog iemand, die in dit geval geraadpleegd dient te worden, en aan welke ik vrees, voor 't minst onverschillig te zijn."

"Mijn dochter meent gij?--Zij draagt u hoogachting toe: zij weet, dat haar huwelijk met u mij hoogst aangenaam zoude wezen; zij heeft nog geen vooringenomenheid voor eenig man: wat wilt gij meer? wat nog ontbreekt moet gij zelf zien te verkrijgen."

"Is UEd. wel zeker," vroeg Mom, zijn woorden wegende, "dat zij nog niemand met een meer bijzondere onderscheiding heeft gezien?"

"Wel ja! zoo zeker althans als men van de gevoelens van een twintigjarig meisje wezen kan."

"Dat zegt juist niet veel," merkte Botbergen lachende aan. "In een meisjeshart te willen lezen is evengoed, als bij nacht op zee uit het venster te willen kijken of het nog stormt. Men ziet niets en de wind blaast onze muts nog af op den koop toe."