De Pleegzoon

Chapter 24

Chapter 244,003 wordsPublic domain

"Hartelijk dank!" zeide de vreemdeling, met het hoofd op de hand leunende: "gij zijt al te vriendelijk! maar ik zou nu op 't oogenblik niet in staat zijn, een brok eten door de keel te krijgen. Het best zal wezen, dat ik, zoodra mijn kleeren wat gedroogd zijn, mij maar weer op reis begeef."--Met deze woorden rees hij op en poogde een paar stappen te doen; doch zijn knieën knikten hem onder het lijf, en hij viel weer op zijn bankje neder.

"Droomt oe man?" zeide Gheryt: "oe zult van dezen nacht geen stap verder doen, hoor!--Ik loof waarachtig, dat oe niet vrij van koorts is: blijf oe van dezen nacht maôr hier: wij zullen het wel schikken, dat oe het warmpjes enoeg zult hebben: en dan kan oe morgen zoo vroeg en laôt weder heentrekken als oe wilt."

"Ik hier blijven?" vroeg de reiziger: "dat zal u immers hinderen?"

"Niet het minst! niet het minst! breek daôr oe hoofd maôr niet met. Wat zegt oe moeder? er kunnen immers schoone laôkens in de bedstee van het opkaômerke worden ebracht, en dan, klaar is Kees!"

"De sloopen van de kussens liggen op het rechtsche plankje in het kabinet," zeide de zieke vrouw, welke uit hare bedstede het gesprek gehoord had.

Nu haastte zich de moeder, het noodige bijeen te zoeken en begaf zich vervolgens naar het opkamertje, alwaar zij het nachtverblijf van den vreemdeling gereed maakte. Onderwijl stonden de kinderen, met de vertraging, welke dit oponthoud in hun avondeten bracht, weinig tevreden, om de tafel te nagelbijten, hun oogen strak gevestigd houdende op den rijstebrijschotel.

"Het doet mij van harte leed," zeide de vreemdeling tegen Gheryt, "dat uw moeder zich om mijnentwille zooveel moeite geeft.... waarom niet gewacht tot na den eten? Uw kinderen zullen kwaad op mij wezen, dat ik hen in die verrichting storen kom."

"Bekommer oe niet," riep de vrouw des huizes uit hare bedstede: "'t spijt mij maôr, dat ik oe niet helpen kan en dat ik juist op mijn bed moet liggen: nu, als oe op een aôre keer wederom komt...."

"Dan hoop ik u fiks en gezond te vinden," zeide de reiziger, haar volzin voleindigende; "maar daar komt moeder al weder terug; houdt u toch niet langer om mijnentwille op, goede vrienden! Ik zal verder wel alleen klaarkomen."

De oude vrouw meldde nu, dat alles op het bovenkamertje in orde was; waarop Gheryt, de lamp uit haar hand nemende, zijn gast voorlichtte, en naar het slaapvertrek geleidde, waar hij, na stellig bescheid ontvangen te hebben dat de reiziger niets meer noodig had en het verder wel alleen zou klaren, hem onder het toewenschen eener aangename nachtrust alleenliet.

"Het was toch wat ewaôgd van oe, Gheryt!" zeide de moeder, toen het gansche huisgezin aan den disch was nedergezeten: "het was toch ewaôgd, dien vreemden man zoo maôr bij ons te noodigen. Ik loof toch, dat hum een hupsche borst is; maôr hum kon toch ook wel een dief of een moordenaar zijn: hoe kwam hum zoo nat? dat heit hum niet iens willen vertellen!"

"Ja moeder!" zeide Grheryt: "dat weet ik niet recht: genoeg was het voor mij, dat de man nat was en ook niet sprak als een schelm of vagebond. Had de man kwaôd in 't zin ehad, dan had hum mij immers kunnen doorsteken met 't braôdmes, dat hum op zijde heeft, en mij mijn hammen afnemen eer ik er om dacht. En dan, heit oe niet ezien wat een kostelijke goldene keten hum onder zijn wammes droeg en watte schoone goldene ringen hum aan de hand had?"

"God geve," zeide de meer ergdenkende oude vrouw, "dat hum daôr eerlijk is an ekomen. Doch we meugen onzen naôsten niet oordeelen: ik wil gaôrne het beste van hum elooven."

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Het zwoegende ingewant, ontstoken als een oven, Dreef met benaeuden damp de vlammen op naar boven, En schilderde averechts met een verward penseel Gemengde vormen en de deelen voor 't geheel. Gelijk het kunstglas, naar zijne eigenschap geslepen En in een werktuig, naar den eisch van 't ligt, begrepen, In eene donkere zaal, op 't wit paneel der want Ons beelden maelt, maar alle in omgekeerden stant.

_Antonides_.

Terwijl de gulle en eerlijke landbewoners hun eenvoudig avondmaal nuttigden en Gheryt zijn wedervaren te Tiel aan het naar hem luisterend gezin verhaalde, had zich de vreemdeling in het klein, maar zindelijk opkamertje, dat hem tot nachtverblijf was aangewezen, geheel ontkleed. Het was geen gemakkelijke zaak, de bedstede te genaken, welke hem tot rustplaats verstrekken moest; zij was ruim zes voet boven den grond verheven en kon niet dan door middel van een ladder bereikt worden. Aan onzen reiziger echter, die meermalen welverdedigde vestingen bestormd had, viel deze beklimming niet zwaar, en weldra zag hij zich in de legerstede als een arend in zijn nest verheven. Hij vleide zich nu met het aangename vooruitzicht van een goede nachtrust te genieten, sloeg zich de dekens dubbel om 't lijf en rolde zich zelven als een kluwen ineen, om des te eerder warm te worden: dan, ondanks zijn vermoeienis, ondanks het hagelwitte beddegoed, ondanks de gemakkelijke ligging, welke hij gekozen had, hij zag zich in zijn hoop teleurgesteld. De overmaat der afgematheid zelve, de koortsachtige aandoening, welke hij gevoelde en de invloed, welken de gebeurtenissen van den dag op zijn hersenen en zenuwgestel maakten, beletteden zulks. Hierbij kwam, dat het opkamertje lang was gesloten gebleven, waardoor de lucht verdikt en bedorven was, vooral in de hooge en bijna aan den zolder reikende bedstede. Uren verliepen er, en het gansche huisgezin des landbewoners was reeds in een diepen slaap gedompeld, toen de vreemdeling nog in zijn lakens lag te woelen. Eerst met het aanbreken van den dag gelukte het hem, in te sluimeren: doch de pijnlijke en benauwde droomen, welke hem overvielen maakten dat de slaap, wel verre van eenige verkwikking aan te brengen, het brandend hoofd en de tintelende leden nog meer vermoeiden dan het waken zelf.

Een droom vooral, welke hem later, in den morgenstond overviel op dat tijdstip, waarin, gelijk men beweert, de droomen een meer stellige beduidenis hebben en meer dadelijke gevolgen zijn van de werking onzer verbeeldingskracht op onze gedachten, verdient om zijn zonderlingen aard een meer bijzondere vermelding. De jongeling verbeeldde zich, dat hij op den Rijndijk was neergezeten, bij het pad, dat hij den avond te voren was langs gekomen om des huismans woning te bereiken. De verbeelding zet bij al wat zij ons schildert nog sterkere kleuren bij dan de waarheid geven kan: zoo was ook het maangezicht, waarop onze reiziger in zijn droom bleef staren, nog heerlijker dan de wezenlijkheid zelve. Terwijl hij nu in gepeins aan den oever der rivier gezeten was, bezag hij zijn gewaad en bevond tot zijn verbazing, dat hij een geestelijk kleed aanhad, en wel dat van den Prior, van wiens wondere heiligheid hem door Gheryt was verhaald geworden. Dan, opziende, zag hij nu met geen mindere bevreemding, het duiveltje met de kaars in de hand naast hem zitten, en wel zoo dicht, dat het schijnsel der vlam hem belette de overzijde te zien. Dat duiveltje had volkomen de gelaatstrekken van den zoo raadselachtigen Van Dyk, of hoe hij heeten mocht. Terwijl hij er over peinsde, hoe zich best van het bijzijn eens zoo zonderlingen lichtblakers te ontslaan, ontdekte hij een jonkvrouw, welke in een fraaie zeeschelp gezeten en omstuwd door een drom van monniken, predikanten en edellieden, waaronder zich Mom en Groenhof bevonden, de rivier kwam afvaren en recht op hem aanhield. Zonder dat hij het gelaat der jonkvrouw onderscheiden kon, herkende hij haar (gelijk zulks in droomen meer geschiedt) aan een zekere ingeving, voor de Freule van Sonheuvel. Dadelijk stond hij op om haar te gemoet te gaan; doch ook het duiveltje stond te gelijk op en bleef hem de kaars voor de oogen zwaaien als met oogmerk om hem het gezicht der aankomenden te ontnemen. Woedend wilde de officier zijn degen trekken om het lastige nikkertje te doorboren; doch in de plaats van een lemmer haalde hij niets dan een lange haneveder uit de scheede en bleef verbijsterd staan. Het satannetje sprong nu, luidkeels lachende, van zijn zijde weg en op de schelp, welke, zich uit het water opheffende, met de jonkvrouw en het duiveltje verdween, terwijl de gansche hoop, die de schoone verzeld had, op den ongewapenden reiziger aanviel. Tegen de menigte niet bestand, vluchtte hij, kwam weder binnen het klooster der heilige Cecilia, doorkruiste het in alle richtingen, altijd op de hielen door de op hem verbitterde vijanden nagezeten, en ontmoette eindelijk een page, die hem beleefdelijk bij de hand nam en in een zijvertrek geleidde, alwaar hij een bejaarde, deftige dame vond, welke hem zoo teeder omarmde, dat hij, van aandoening overstelpt, in tranen uitbarstte en op dat tijdstip ontwaakte.

Spoedig echter sliep hij weder in, en de nachtmerrie, welke hem nu plaagde, was van nog erger natuur dan de vorige. Thans lag hij achterover in de breede gracht der stad Tiel, en op zijn borst zat de eerzame Klaas Meinertz te paard, die hem met de knieën de ademhaling belette, terwijl Teun Wezer, de veerman aan de Waal, den armen lijder met een schuitriem op het hoofd sloeg. Hij wist echter tusschen de beenen van den ouden schrijnwerker door te kruipen en wilde tegen een muur opklauteren, toen de hem onbekende Abdis van Sinte Cecilia toetrad en hem achteroversmeet, zoodat hij tuimelde en van een vrij aanmerkelijke hoogte nederviel; want bij het ontwaken bevond hij zich op den vloer van het vertrek aan den voet der bedstede liggen, en de pijn, welke hij in de lenden gevoelde, belette hem wel, ook dit voor een droom aan te zien.

Hij stond op en wierp het venster open. De zuivere en aangename morgenlucht, die hem tegenkwam en het vertrek vervulde, bracht hem de verfrissching aan, welke hij vruchteloos in den slaap gezocht had. Nadat hij een lange wijl de oogen had doen weiden over het bevallige landtooneel, dat zich voor hem opdeed, en hetwelk reeds gestoffeerd werd door onderscheidene arbeiders, die hun dagwerk verrichten gingen, begon zijn hoofd weder te hangen en zijn oogen sloten zich. Overtuigd, dat vooral de bedomptheid van het vertrek zijn droomen zoo zwaarmoedig gemaakt had, besloot hij het raam open te laten, en zich weder in het bed te begeven. Nu eindelijk genoot hij een rustige, verkwikkende sluimering, en, bij zijn ontwaken, gevoelde hij zich weder een geheel ander mensch, in staat om nieuwe vermoeienissen te doorstaan.

Opgerezen, schoot hij de kleeren van Gheryt Maessen weder aan, daar zijn eigene bij den haard in het benedenvertrek waren gebleven, en maakte hij zich gereed derwaarts te gaan, toen hij uit dat benedenvertrek een vrouwenstem hoorde komen, welke hem bekend voorkwam, ofschoon zij aan geen der inwoners van de boerderij behoorde. Hij plaatste, om zich van de waarheid zijner opmerking te overtuigen, het oog voor het sleutelgat, en werd het volgende tooneel gewaar.

Naast de bedstede, waarin de zieke vrouw gezeten was, bevond zich een jonge, welgekleede juffer, die de eene hand der lijderesse in de hare hield, en, op een deelnemenden toon, naar den staat van haar gezondheid vroeg. Bevalliger voorwerp dan deze jeugdige schoonheid was ongetwijfeld zelden in hut of hof gezien geweest. Over haar sprekende, groote blauwe oogen, wier gewone majesteit in dit oogenblik door den zachten invloed van medelijden en deelneming getemperd werd, vertoonden zich twee gitzwarte wenkbrauwen, sierlijk afgeteekend op het spierwit, met blauwe adertjes doorkronkeld voorhoofd. Twee golvende haarvlechten vielen naar de toenmaals heerschende manier langs den blanken hals op den zwellenden boezem af, wiens heerlijke vormen zich slechts gissen lieten onder het hooge ochtendkleed en den breeden kraag, welke de jonkvrouw tegen de morgenlucht beveiligden. Het rozerood mondje, ten halve tot een vriendelijk lachje geopend, vertoonde twee rijen van hagelwitte en in grootte volkomen gelijke tandjes: het eirond kinnetje en de anders misschien wat al te bleeke, doch thans door de beweging met een frissche kleur geverfde wangen, waren met kuiltjes voorzien, die de droefgeestige tint, welke op het gelaat verspreid was, op een bevallige wijze afbraken: in 't kort, het geheel leverde een alleraanminnigst voorkomen op, waarin ernst en minzaamheid, droefheid om eigen leed en belangstelling in den toestand van anderen zoo duidelijk te lezen waren, dat de Freule (want dit was de rang der schoone) ongetwijfeld ware gekozen geweest, indien men een natuurlijk afbeeldsel der Christelijke hoofddeugd, de liefdadigheid, had willen daarstellen.

Naast de Jonkvrouw stond Gheryt Maessen, die reeds zijn vroege ochtendwerk verricht had en voor het ontbijt was teruggekeerd: hij staarde, terwijl hij over een stoel leunde, de weldoenster van zijn huisgezin met een open mond en een gullen blik aan. De oude vrouw was bezig het ochtendeten te bereiden, waar de kinderen reeds naar hunkerden, en inmiddels was zij in een druk gesprek gewikkeld met de kamenier der Jonkvrouw, welke bij haar stond, en waarvan wij onzen lezer niets zullen zeggen, vermits hij reeds lang met haar bekend is.

"Zoodat gij u, over 't geheel, beter bevindt dan laatst," zeide de Jonkvrouw met een zachte en vriendelijke stem tegen de bedlegerige vrouw.

"Ongelijk beter, Freule!" was het antwoord: "en ik mag het wel voornamelijk dankweten aan oe vriendelijkheid. Ik hoop morgen op te komen, zoo alles welgaôt: en dan, met Gods hulp, aanstaônden Zundag mijn iersten kerkgang te doen."

"Wij zijn zooveel in oe schuld, mijn lieve Freule!" zeide Gheryt, terwijl hij zich een traan uit het oog wischte, "dat wij oe nooit zullen kunnen vergelden."

"Spreek daar niet van," hernam de Freule, "voor eenige nietige drankjes, die ik u heb laten klaarmaken."

"Neen, Freule!" zeide Gheryt met warmte: "het is niet alleen voor die drankskes, dat ik oe dankbaôr ben: 't is voor oe vriendelijkheid, om mijn goede vrouw van het eerste oogenblik van heur ziekte zoo trouw te komen bezoeken, alsof ze oe maôgschap waôre; 't is voor oe dienstigheid en zorg, om alles wat heur laven en helpen kost, oet te denken en heur te doen eworden: 't is voor de eer, die oe aan mijn nederige woning hebt edaôn, dat ik oe dankbaôr ben. Vaôder moge zooveel hum wil, spreken van zijn ongelijkelijke Mevrouw van Nassau, ik zeg maôr, dat onze lieve Freule van Sonheuvel gaôr zoo goed is."

"Woont uw vader bij de Gravin van Nassau?" vroeg de jonkvrouw met eenige bevreemding: "dat heb ik nooit geweten."

"Dat is te zeggen, Elskes vaôder, Feurich, die dient er als koetsier."

"Feurich!" herhaalde Ulrica: "o! dien ken ik zeer goed: hij heeft mij dikwijls in 't bosch rond laten rijden. Een goede, brave, ronde Bergsman! En is hij uw vader, Elske?"

"Jaô, lieve Freule!" gaf deze ten antwoord: "en hum heit in zijn leven ook ander werk edaôn dan paôrden mennen. Hum was in zijn tijd, toen de olde Graôf van Falckestein nog leefde, de aanvoerder van zijn Haôneveeren en een wakker ruiter, dat beloof ik oe. Daôr op den schoorsteenmantel in die porseleinen pot staôt nog de haôneveer, die hum op zijn helm droeg en die hum mij egeven heit om an de kinderen te wijzen en hun te zeggen, dat zij altijd braôf en trouw zijn moeten als hun grootvaôder."

Hier wendde de officier het oog, dat tot nog toe op de Freule was gevestigd geweest, naar den schoorsteenmantel, en nu herinnerde hij zich die haneveder ook den vorigen avond opgemerkt te hebben, waaruit hij de omstandigheid verklaarde, dat hij juist van een dergelijke veder gedroomd had.

"En waar hebt gij dan kennis met de dochter van Feurich gemaakt?" vroeg de Freule, zich weder tot Gheryt keerende.

"Jaô, dat is nu tien, twaôlf jaôren eleden, of daaromtrent," zeide Gheryt: "toen was ik bij Duisburg boerewerk gaôn doen, want mijn vaôder woonde tusschen Maôs en Waôl; Mevrouw van Nassau was ook weer op heur slot te Bruck ekomen en zoo maôkte ik door de nabuurschap kennis met Elske. Na ons trouwen kwam ik, omdat vaôder estorven was en ik moeder niet alleen kon laôten zitten, weer bij haôr en werd al spoedig tot veerman anësteld: maôr oe weet, dat die vreugd kort eduurd heeft."

"Jaô," zeide de oude vrouw: "Gheryt heeft al wat ezien in zijn leven, en wat met moeder moeten optrekken en rondzwerven. Had hum mij niet ehad als een blok aan 't been, hum had wel verder voortkomen: maôr hij is altijd een vrome zoon eweest en heit zijn moeder niet willen alleen laôten zitten."

"Zoo ik moeder had laôten zitten," hernam Gheryt, "dan ware ik immers geen knip voor den neus waôrdig eweest. Heit moeder mij laôten zitten, toen ik een klein en hulpeloos knaôpje was? Ik kan heur immers niets doen, dan 't geen zij mij duizendmaôlen edaôn heeft."

"Kom! kom!" zeide de oude vrouw: "ik mag oe wel prijzen: er zijn zooveel zoons, die nooit naôr heur moeder omzien; maôr oe zult er oe loon voor hebben: oe zoons zollen oe ook wel behandelen als zij groot zijn, althans ik hoop het: en oe ook, Freule! wensch ik, als oe eens trouwen meugt, zoo'n braôven zoon als mijn Gheryt."

"Wel, moeder!" hervatte Gheryt: "oe zoudt mij konfuis maôken. En wat zoude de Freule met zoo'n lomperd van een zoon maôken?"

"Nu! ik meen, wat de getrouwigheid en dankbaôrheid betreft," zei de moeder: "wat denkt er de Freule van?"

"Een brave zoon als de uwe zou alle moeders gelukkig maken," antwoordde de Freule: "maar daar denken wij nog niet aan: eerst moet ik zoo een braven man hebben zooals hij is, en komen die tijden, dan komen die plagen."

"Nu, die tijd is misschien zoover niet af," hernam de oude vrouw: "ik heb al zoo wat hooren mompelen. Kleur maôr niet, Freule! Ik hoop de goede God zal alles ten beste keeren."

"Amen!" zeide de Freule zuchtende.

"Draagt gij die kleeren 's Zondags, Gheryt?" vroeg de kamenier, met een schamperen lach op het lederen buis en de hozen des vreemdelings wijzende, die nog voor het vuur te drogen hingen.

"Die kleeren daôr?--neen, die zijn van een reiziger, die den nacht bij mij is over ebleven: hum leit daôr nog op dat bovenkaômerke te snorken."

"Dan zullen wij maken weg te komen, eer hij wakker wordt en ons hier vindt," zeide de Freule: "kom, Magdalena!"

"Tot uw dienst, Freule!" zeide deze: "het zal onze tijd ook worden: de bloemvazen moeten nog opgesierd worden eer de gasten komen, die Mijnheer van morgen verwacht."

"Nu! dat is voor u het werk van een oogenblik, Leentje!" zeide de jonkvrouw: "er is niemand die zich op het bloemenschikken zoo verstaat als gij."

"Ook heb ik het veel gedaan in mijn jeugd," hervatte Magdalena: "maar," voegde zij er zachtkens bij, terwijl zij ten hemel opzag, en zuchtte: "voor wie?"

"Gaôt gij al heen, Freule?" vroeg Gheryt: "en dat zonder mijn verken te zien!"

"Uw varken!" zeide Ulrica lachende: "mijn goede Gheryt, ik heb zooveel varkens in mijn leven gezien, dat ik naar het uwe niet nieuwsgierig ben."

"Jaô maôr, Freule!" hernam Gheryt, op een toon, die aanwees hoeveel prijs hij er op stelde, dat zijn verzoek hem werd toegestaan: "ons verken is geen verken als een aôr: weet oe wel, dat het 560 pond weegt: en dan.... als oe het gezien had, zoude oe er met eigen oogen van ewagen kunnen;--want ik had nogal hoop om.... ik zoude gaôrne.... weet oe?...."

"Ik begrijp er niets van," hernam Ulrica: "of gij moest verlangen het mij te verkoopen?"

"Neen, dat is het niet, Freule!.... alleen maôr.... oe weet, dat de Utrechtschen binnenkort een hofbeer naôr Den Haôg sturen: als ik nu zoo gelukkig mocht zijn, dat mijn verken daôrtoe ekozen werd, en oe wolde mijn voorspraôk zijn; want de verkooper van het verken mag het naôr Den Haôg brengen en wordt kost- en schadeloos esteld."

"Aha! nu begrijp ik, waarom ik het varken moest zien, doch waarlijk mijn krediet is zeer gering, en althans in zulke omstandigheden ben ik geen zaakkundige."

"O!" vervolgde Gheryt: "ik heb juist hammen ekocht om niet aan mijn fraaien hof beer te raken: en als oe er maôr een woord met den heer Ambtman van sprak, dan ben ik overtuigd, dat....."

"Op een anderen tijd, Gheryt!" zeide de Jonkvrouw, zich omdraaiende, om de kleur te verbergen, welke haar gelaat bedekte. Door deze lichaamswending vielen haar oogen op de kleeren des reizigers en voornaamlijk op den groenen bandelier die, van nabij beschouwd, zeer aardig geborduurd bleek te zijn met tien verschillende kleuren van groen. "Ja, Freule:" zeide Magdalena, het in de hand nemende: "dat werk is zoo net en keurig gedaan of het uw eigen ware."

De Jonkvrouw naderde en beschouwde den bandelier eerst met onverschilligheid, vervolgens met aandacht, eindelijk, als uit haar geheele houding bleek, met ontsteltenis. Haar kleur verschoot, zij kneep Magdalena bevend in de hand, keerde zich om, wenschte den huisgenooten vaarwel en spoedde zich, zonder naar hun herhaalde dankbetuiging en heilwenschen te hooren, de deur uit met een zoo overhaasten stap, dat Magdalena haar nauwelijks volgen kon.

"Mijn hemel, Freule!" zeide deze, terwijl zij zich, den dijk langs, naar het veer begaven: "wat schort u? Gij zijt ontsteld! gij beeft! welke plotselinge schrik heeft u bevangen?"

"'t Is niets, Leentje! 't is niets!" antwoordde Ulrica, stilstaande en op Magdalena's arm leunende: "'t gaat alweder over: 't was de benauwdheid: er was wat rook in mijn keel geslagen....." en zij berstte in tranen uit.

"Ik heb wel gehoord, dat men schreit, als er rook in de oogen komt," merkte de deftige kamenier aan: "maar niet dat men in tranen uitberst, althans niet als de rook enkel in den mond komt. Daarenboven brandde, zooveel ik gezien heb, het vuur zeer helder, en steeg de rook zeer goed naar boven."

"Ik ben kinderachtig," zeide de Jonkvrouw, haar tranen afwisschende, doch met snikken voortgaande: "ik ben kinderachtig: doch waarlijk, ik kon het niet helpen: ik gevoelde mij opeens zoo zonderling te moede.... misschien heeft het bezoek mijn zenuwen aangedaan."

"Willen wij niet terugkeeren en u een glas water geven?" vroeg Magdalena.

"O neen! voor geen geld van de wereld," zeide Ulrica haastig: "ik zou mij dood schamen: het wandelen zal mij goeddoen. Geef mij uwen arm en laat ons wat aanstappen: ik zal spoedig weder beter zijn."

"Was het ook," zeide de kamenier, nadat zij een poosje zonder te spreken waren voortgewandeld en de Jonkvrouw eenigszins bedaarder scheen: "was de rook, die u hinderde, ook bijgeval de wasem, die uit den groenen bandelier opsteeg? Gij zucht, Freule! Zou ik het waarlijk geraden hebben? Ik begrijp niet...."

"Ja, Leentje!" antwoordde Ulrica, beschaamd de oogen nederslaande: "het was die groene bandelier: ik moet het u wel bekennen, omdat gij het zoo dadelijk raadt, en omdat ik het voel, dat mijn kleur mij verraden heeft. Ach! die bandelier herinnert mij een soortgelijken, dien ik, toen mijn neef.... weet gij, Leentje! die wees, die met mij opgevoed is.... die...."

"Ik weet al wie UEd. bedoelt: dien Spaanschen voedsterling van Mijnheer, die naar Bohemen vertrokken is, eenige jaren nu geleden."

"Dezelfde!--Bij dat vertrek vervaardigde ik voor hem een degenhanger, juist gelijk aan dengenen, dien wij daar zagen en ik kon niet nalaten, mij zulks te herinneren, en daarbij al de genoegens, die ik met dien besten jongen gesmaakt heb.... en de hartelijkste vriendschap, die ik hem toedr....oeg.... toen wij kinderen waren...."

"UEd. heeft gelijk er dit laatste bij te voegen," zeide Magdalena: "het zou thans weinig passen hem genegen te zijn, nadat UEd. de overtuiging heeft, dat hij een Spanjaard, althans van Spaansch ras is."

"Kan hij het helpen, Magdalena? Heeft hij zich zelven zijn ouders kunnen kiezen? O! zoo gij hem gekend hadt, gij ook hadt hem liefgehad. Iedereen op het slot, in het dorp, in het leger, had hem lief. Zingen onze goede Dominee, de oude Geert en Bouke niet om strijd zijn lof? Bemint mijn vader hem niet alsof hij zijn eigen zoon ware? en kan mij iemand ten kwade duiden, dat ik hem met zuster-teerheid bemin?"

"Ik weet niet, Freule!" merkte de kamenier met nadruk aan: "of die zusterlijke liefde den Heer Ambtman erg aan zou staan!"