De Pleegzoon

Chapter 23

Chapter 233,971 wordsPublic domain

De blijdschap van onzen reiziger verminderde spoedig, toen hij bemerkte, dat hij er nog weinig bij gewonnen had, met zich buitenshuis te bevinden, daar de deur, welke hij uitgetreden was en dadelijk achter zich had dichtgetrokken, nergens anders heenbracht dan op een steigertje, dat tusschen hooge muren aan den kant der stadsgracht gebouwd was. Hoewel de vluchteling weinig trek gevoelde om, zoo gekleed als hij was, te water te gaan, begreep hij, na een kort beraad, dat er toch voor hem niets beter opzat dan een spoedige vlucht. Het was reeds donker geworden, en de duisternis belette de schildwachten, die ver van daar op de stadswallen geplaatst waren, hem gewaar te worden bij zijn overtocht. Hij liet zich dus zachtjes in 't water glijden en zwom, met zoo weinig gerucht mogelijk, naar de overzijde. Daar gekomen, kroop hij op handen en voeten de buitenwerken der stad langs en over, en kwam eindelijk behouden op een voetpad aan, dat hem, achter de voorstad om, op den weg naar den Rijn bracht. Het was omstreeks negen uren en dus zoogoed als duister, toen hij zich, nu buiten het gezicht van iedereen, aan den voet van een wilgeboom nederzette om zich, zoogoed hij kon af te drogen en tevens eens te overleggen, wat hem te doen stond. Dat hij door een misverstand in het huis van Klaas Meinertz geraakt was, scheen hem duidelijk genoeg toe; doch dat de woning eens eerwaardigen schrijnwerkers vol zou wezen van lieden van dat slag als hij er in gevonden had, dit kwam hem zonderling voor. Spoedig echter hielp hem zijn plaatselijke kennis, om dat raadsel gedeeltelijk op te lossen. Aan den stadswal, dat wist hij, stonden nog onderscheidene gebouwen, welke eertijds tot mannen- en vrouwenkloosters gediend hadden, doch bij de Hervorming meerendeels door 't gemeen vernield of althans uitgeplunderd waren: en het was wellicht met een van die gestichten, dat het huis van Meinertz gemeenschap had. Doch, dat zulk een gebouw nog bewoond zou wezen, dat er menschen van zoo verschillende geloofsbelijdenis in vergaderden en vooral dat er zich een kruitkamer in bevond, dit kwam hem onverklaarbaar voor en wekte in hem vermoedens op, dat er verraad achter school. De voorzitter vooral dier geheime vergadering herinnerde hem iemand, dien hij in lang verloopen jaren nogmaals ontmoet had, waar en wanneer wist hij niet; doch het kwam hem voor, alsof die man ook toen in een zaak van hoogverraad betrokken ware geweest en zijn hulp had ingeroepen. Doch, aan wien zoude hij al wat hij gezien had, gaan verklaren? De Ambtman zelf scheen dan toch in het geheim te wezen; daarenboven, waren zijn vermoedens wel gegrond?--hij was zoolang in vreemde landen geweest, en in zijn afwezigheid kon er zooveel in zijn vaderland gebeurd zijn. En toch! het geheimzinnige, waarmede zich al de personen, die hij aangetroffen had, omhulden!....

Hij begreep eindelijk, dat het in allen gevalle geen zaak was, terug te keeren, wijl men niemand, na zonsondergang, de poort meer inliet: en daar hij om zijn doornatte kleederen niet langer stil kon blijven, vervolgde hij zijn voetreis, hoewel hij in Tiel paard en mantelzak achterliet; doch daarvoor zou, naar zijn meening, de waard in den _Gouden Ooievaar_ de noodige zorg dragen. Zijn besluit dus genomen hebbende, wandelde hij langs den zwaren zandweg noordwaarts op. De lucht was helder en gebalsemd door den geur van duizenden welriekende kruiden, als de kamille, het pijpenkruid en dergelijke, die tusschen het wilgenhout in aan de slootkanten groeiden. Vriendelijk zag de opkomende maan in vollen luister neder over de wijduitgestrekte weilanden, of over de heerlijke boomgaarden, die met millioenen ontlokene bloesems als met een sneeuwwit laken schenen overdekt te wezen. Van verre hoorde men, schoon verflauwd door den afstand, de zuivere tonen der nachtegalen uit de omliggende boschjes weerklinken. Dichterbij werd het oor min aangenaam getroffen door het, ja buitenachtig, doch niet vermakelijk gerikkik der vorschen. Dan ook de muziek van deze poelbewoners, het eentonige _brekkekekez coax coax_, was den reiziger welkom; het had iets nationaals, iets harmonisch voor zijn gehoor.

Omtrent een uur had hij met een stevigen tred doorgestapt, toen hij op een kleinen afstand een vroolijk liedje door een heldere stem hoorde opzingen, en kort daarna een landbouwer voor zich gaan zag, onder de vracht van eenige hammen gebukt, welke hij aan een stok gebonden op den schouder droeg. Het viel onzen reiziger niet moeilijk, den veldeling eerlang op zijde te komen, en de woorden van het liedje van Starter te onderkennen, welke aldus luidden:

Wy syn in 't soetste van ons jeught, In 't allerschoonste van ons tijt, En dat wy die niet sonder vreught Dus klackloos worden quijt. Wanneer den grijsen ouderdom De groente van ons jeught verdort, Dan komen all' ons lusten om De vreught wordt opgeschort.

Dus wel an. Laat ons dan, Wijl men magh En de tijt Sullix lijdt Met verdrag Recht lustigh wesen, Vreught wort gepresen, En lachen in 't gelach.

"Gij schijnt vroolijk, landman!" zeide de reiziger, nadat de dorpeling zijn lied geëindigd en zijn groet met een wederkeerig _gen avond_ beantwoord had.

"Dat ben ik ook, koopman!" was het antwoord: "en wie zou ook niet vroolijk wezen op zoo een schoonen avond? en althans as men zoo een goede welkomt'huis met brengt, alhoewel de vracht zwaôr enoeg is."

"Het lijken wel hammen, die gij daar in uw mars hebt," merkte de reiziger aan.

"Dat raodt ge de koekoek, koopman!" hervatte de dorpsbewoner: "het zijn Westfaolingers en dus zullen ze er wel op lijkenen. Ik heb ze bij occasie ekregen, en blij toe! want ze zeggen het zal haast weer oorlog wezen en dan: hadie vreemde producten.... is 't nietwaôr, koopman?"

"Maar ziet ge dan niet, vriendlief," zeide zijn reisgenoot, "dat ik geen koopman ben?" Hier wees hij op zijn degen.

"Dat oe de pikken!.... wat zijt ge dan? toch geen soldaôt, hoop ik: want dan zeg ik: _beso los manos. Bonsoer mon frinte, adiu!_ en gaat oe rechts, ik slaô linksom; want de soldaôten zijn maôr boerenplaôgen. Hoe zeit het liedeken?

_Tire le vin!_ 't sa spoelt de glazen! _Faictes grand chère_, laet droefheyt staen En laet ons roepen, tieren, rasen, _Vive la guerre!_ de krijg gaet aen.

't Sa lustigh! 't sa, laet het glas omgaen. Ick moet nu pooien, want ick sal weer De boeren plagen, 't kan nu niet dragen, Of ick een daeldertje meer verteer."

"Ik ben een afgedankt krijgsman," zeide de officier, lachende: "ge hebt dus van mij niets te vreezen, noch voor u noch voor uw hammen."

"Warentig! nou, dan is 't alles zeven," zeide de boer, zijn reisgenoot op den schouder kloppende: "maôr wat pots honderd tausent slapferment is dat? oe kleeren zijn zoo nat as er an toe! waôr het oe gezeten? het oe in de sloot elegen?"

"Zoo half en half," was het antwoord van zijn reisgenoot.

"Wel me dunkt wel hiel ende al," hernam de landman, hem van top tot teen in oogenschouw nemende: "en mot je nog ver loopen, eer je oe voor een viertje drogen kunt?"

"Nog een goede stond. Ik ga naar Sonheuvel."

"En zal oe met dat natte pak den Rijn overvaren? Dat zal _pardienne_ niet beuren. Eerst kan je in onze keuken oe wat wermen, man!"

"Van harte gaarne: en dan wil ik de onkosten van een flesch wijn dragen om samen uit te drinken," zeide de officier.

"Jij bent een nobele baôs!" hernam de boer: "maôr niemand zal van Gheryt Maessen ooit zeggen, dat ie zich in zijn eigen woning heeft laten trakteeren: wijn zal ik oe geven, zonder dat hij oe een duit kost; want de mensch moet zich zoowel van binnen als van buiten verwermen."

"Daar zegt ge wel an, landman!--en om u te toonen, dat ik ook liedekens weet, zoowel als gij:

Is 't weer te guur, By Knelisbuur Daar stookt men 't vuur En warmt men sich de leden. Vat kou ons bij 't lijf, Dan stelt zijn wijf Tot ons gerijf Met lekkeren wijn ons tevreden. En wie dan met tang en met glazen kan schermen, Die kan zich van buite en van binne verwermen."

"Een klettig lied, en wel ezongen," zeide de landman: "ik loof warentig, als je niet zoo nat waôrt, oe zoude zingen as onze dorpszanger, en die is bylo gien prul!"

"Wat is uw dorp?" vroeg de reiziger.

"Ik woon te Rijming," antwoordde de boer: "even oet het dorp en krek aan de rivier. 't Is wel te zien, dat oe een vreemdeling zijt, anders zoude oe Gheryt Maessen wel kennen, den vroolijksten knaap van de hiele waard."

"Ik ben verscheidene jaren buitenslands geweest," zeide de officier: "doch gij moet in dien tusschentijd hier zijn komen wonen; want te voren kende ik al de landluiden uit den omtrek zoogoed als mij zelven."

"Dat ben ik," hernam Gheryt Maessen: "van te voren woonde ik aan gene zijde van Tiel en was veerman over de Waal; een goede bediening en een gemakkelijk postje; maôr ik ben om de religie vervolgd eworden."

"Om de religie?" vroeg de officier verbaasd.

"Jaô! jaô! mag een gemeen niet evengoed om de religie vervolgd worden as een edelman?" vroeg de landbewoner, eenigszins gebelgd: "ik zeg oe man, ik werd van Arminianerij beschuldigd en te gelijk met de schepens Tymen Tymenz en Leendert Leendertz van mijn post afgezet, en die werd aan Teun Wezer egeven, dat een vent is, die boven Arminiaansch boven al in 't geheel maôr van geen godsdienst afweet. Ja, zoo gaôt het al in de wereld. Wat zal men doen? Patientie is goed kruid."

"Teun Wezer!" herhaalde de jongeling: "die placht een groote strooper te zijn, zoo ik mij wel herinner."

"Dat heit oe recht, sinjeur! en dat was zoo wat zijn eenige treftigheid. Maôr wat was het? de vent had veul voorspraak bij de groote lui: men zeit wel, dat hum nou en dan wel ereis boodschappen liep naôr den overkant, die zoo maôr half in den haôk waren; maôr wie kan 't bewijzen? 't is maôr, die 't laôst verteld heit, leeft nog."

"Zoo gij te Tiel zoo welbekend zijt, weet ge voorzeker ook, wie Klaas Meinertz is?" vroeg de vreemdeling.

"Of ik Klaas Meinertz ken," antwoordde Gheryt: "pots dit en dat, wie kent hem niet? of liever, wie kent hum?--Ik kom zoo van den vent vandaôn: hum heit mij bij occasie die hammen bezorgd; want hum doet negotie in allerlei...."

"Zoo! komt ge van hem vandaan?" vroeg de officier, wiens nieuwsgierigheid door deze omstandigheid werd gaande gemaakt: "het was vol tot zijnent, niet?"

"Vol! met kisten en kasten, in 't voorhuis, ja, dat gaôt wel an."

"Maar met menschen?" vervolgde de reiziger.

"Met menschen!" herhaalde zijn reismakker: "dat kan ik juist niet zeggen. Ik heb niemand buiten hem in 't voorhuis ezien."

"Nu ja, in 't voorhuis; maar zijn woning is groot."

"Zijn woning groot! dat kan ik ook alweder niet gaôf toestemmen: want behalve den winkel is er niets dan een opkamertje: en zijn werkplaots is nog aôn de overzijde van de straôt."

"Ik meende echter vernomen te hebben," hervatte de officier, "dat zijn huis gemeenschap had met het oude konvent van.... van...." Hier poosde hij om zijn reisgenoot het slot van zijn rede te doen aanvullen.

"Van Sinte-Cecilja, meent oe?--Ja, dat was zoo in vroegeren tijd: maôr die is al lang toeëstopt."

"Van Sinte-Cecilia, juist! zoo ik mij wel herinner was er een vrouwenklooster van dien naam, waarvan de nonnen nog niet uitgestorven zijn zullen, sedert zij her- en derwaarts verhuisd zijn;--en woonden naast dat klooster geen Dominicaner monniken?"

"Dat heit oe recht. De laatste Prior van de Dominicaners was, gelijk men mij wel verteld heit, van de namaôgschap van den Heer van Sonheuvel."

"Van den heer van Sonheuvel?.... zou het mogelijk wezen, dat.... maar neen!...." en de reiziger verzonk in diep gepeins.

"Jaô," vervolgde zijn makker, zonder daarop acht te geven: "hum was ien vroom man of is het nog, want ik weet niet of hum nog leeft, althans naar 't zeggen van de Paôpschen: ze vertellen al raôre historietjes van hum."

"Zoo!" zeide de officier, wiens nieuwsgierigheid door dit gezegde werd opgewekt: "en wat zegt men dan van dien vromen Prior?"

"Jaô," antwoordde Gheryt Maessen: "voor de waôrheid van het geval staô ik niet in, dat riekt mij zoo paôpsch; maar mijn grootje heit het mij meermalen verteld. Eens zei een klein onnoozel duvelken tegen ien grooten leepen duvel: kent oe den Prior van Sint-Dominicus te Tiel?--"jaô, zei de groote duvel weer; nou, zei het duvelken, ik verwed er vijfhonderd stokslagen onder, dat ik hum van puren schrik zijn stoedeerkamer oetdrijf. Top! zeide daarop de groote duvel: zoo ezeid zoo edaôn: het duvelken springt in een wip voor den Prior op de tafel, waôrvoor hum bij de keerse te lezen zat, en maôkt honderd kromme sprongen vlak voor zijn neus; maôr het raôkte den Prior niet eenemaôl aan zijn kouwe kleeren: het duvelken weêr van voren of an: maôr wat zeit toen de Prior? Duvelken! zeit hum: ik beveel oe, houdy mijn keerse vast:--en het duvelken was zoo veraltereerd en perflext, dat hum de keerse oet den kandelaôr nam en den Prior lichtte. Nu liep de keerse sterk of en het smeer droop het duvelken op de vingers, zoodat hum wel ebulkt en ekreten zoude hebben, maar hum dorst niet om den Prior. Eindelijk brandde de keerse hiel en al weg, en duvelkenmaôt kreeg van den Prior verlof om heen te gaôn; maôr zijn poot was deerlijk verbrand en daôr hum de weddingschap verloren had, kreeg hum nog vijfhonderd stokslaôgen toe."

"Ik heb die klucht meer gehoord," zeide de vreemdeling: "doch zij is mij altijd van een veel ouderen Heer van Sonheuvel verhaald geweest, die lang voor de Reformatie leefde;.... doch dat daargelaten! Kent gij den Heer van Sonheuvel?"

"Of ik hum ken?--dat geloof ik! een nobel heer, bij mijn zolen, en zijn dochter is een pronte meid en een goede buur, dat moet ik zeggen: sinds mijn wijf laôst een kwaôde kraôm ehad heit, komt ze om den aôren dag naar heur kijken en brengt altijd zoo wat een liflafje met, als kostelijken zoeten wijn en aftreksel van lindebloeisels met een mengsel er bij, dat zij zelvers maakt, en zoo voort: ik hoop maôr, dat we heur niet kwijtraôken; want zij zeggen, ze gaôt trouwen met den Ambtman Mom, en misselijken pottentaôt, die heur vaôder wel wezen kon: ik mag hum niet best zetten: misschien wel omdat hum mij mijn post van veerman het afënomen."

"En denkt men," vroeg de officier op een toon van stem, dien hij luchtig zocht te maken, "dat zij zin in hem heeft?"

"Of zij zin in hem heeft?" herhaalde Gheryt Maessen, een stemmig gelaat trekkende: "nu vraôgt oe mij ook meer dan ik oe antwoorden kan. Wat zegt het lied:

Wie weet ooit, wat een meisken wil? Nooit zeit ze, hoe ze 't mient. Dan heeft ze deuzen tot heur vriend, Dan heeft ze weer een aôren gril: 't Valt zwaôr, in 't stuk der min, Te weten wat een vrijster dient, Te kennen heuren zin.

En daôr heeft de maôker van dit referijnken wel deugdelijk elijk in."

"Nu ja, dat is zoo," zeide de reiziger: "doch wat denkt men in 't algemeen? Zou de Ambtman nogal kans hebhen om te slagen in zijn vrijage?"

"Kans?" hernam Maessen, verbaasd opziende: "wel man, hoe kan oe zoo iets onnoozels vraôgen? Als men een schoonen naam, een goed fortuin en een hoogen post heeft, en als men daarbij dan niet oetermate leelijk, niet oetermate dom, niet oetermate old, niet oetermate boos is, wel dan heeft men, naôr mijn slechte verstand, alle kansen voor zich en maôr een kleintje tegen: wel is waôr, dat iene kleintje doet de schaôl wel iens overslaôn."

"En wat is dat eene kleintje?" vroeg de officier, op een toon, die te kennen gaf, dat hij het antwoord op zijn vraag zeer wel voorzag, doch aan Gheryt Maessen het genoegen niet ontnemen wilde van het te geven.

"Dat is," zeide de boer, "wanneer een klein, klein kuipedootje zich in de aôre schaôl plaatst."

De vreemdeling antwoordde niet op deze grap. Een gedachte, wij kunnen voor 't oogenblik niet beslissen welke, had hem geheel vermeesterd, en met een diep stilzwijgen verzelde hij den eerlijken Gheryt, totdat deze, op een linksafslaand paadje wijzende, hem uit zijn mijmering riep met deze woorden: "hier langs gaôn wij naôr mijn woning."

De reiziger zag op en trad zijn vroolijken makker na langs het zandige voetpad. Slechts eenige minuten gaans hadden zij afgelegd. toen zij, een dijk opkomende, die den vrijen uitkijk belemmerd had. de zilveren stroomen van den Rijn aan hun zijde vloeien zagen: slechts even bewoog een zachte wind het langzaam vlietend water, en niet meer dan genoeg om op elk golfje den zuiveren schijn der maan te doen glinsteren. Aan de overzijde der rivier vertoonde zich de lachende oever, met boomgaarden en boomen en bosschages dicht beplant, welke in de verte zich verbindende en tegen den rijzenden grond oploopende, bij avond de gedaante van een dicht en majestueus bosch opleverden. Prachtig blakend van den helderen glans der maan, rees de kerktoren van Sonheuvel uit het geboomte, en daarnevens blonken de leien daken van het slot tusschen de kruinen der lindeboomen. De goede Maessen, die den rook van zijn schoorsteen voor zich uit zag omhoogstijgen, verwaardigde het hier beschreven schouwspel met geen enkelen blik, en stapte, nu hij, zoo hij meende, de keuken reeds begon te ruiken en den welkomstgroet van zijn hofhond hoorde, met verdubbelden spoed vooruit. Zijn reisgenoot scheen meer gevoel voor de schoone natuur te bezitten; althans hij volgde met trager schreden en hield het oog onafgebroken op de overzijde der rivier gevestigd, zoolang totdat het pad weder nederwaarts afliep en de dijk hem opnieuw belette, zich in de beschouwing van dat prachtig natuurtooneel te verlustigen. En, zonderlinge wisseling der menschelijke gedachten!--nauwelijks was de in hooggestemde mijmeringen verdiepte jongeling verplicht geweest, den dijk voor het lagere pad te verlaten, of de sombere denkbeelden, die zijn ziel vervulden, verlieten hem: het ideale maakte plaats voor het wezenlijke, en, met een genoegen, bijna gelijk aan dat van zijn boerschen reisgenoot, zag hij de woning voor zich staan, welke het doel van hun tocht was: ook hij begon zich in de gedachte te verlustigen, van welhaast bij een warm vuur, onder het gebruik van een goed glas wijn, zijn zorgen te kunnen verzetten, en zoowel den innerlijken als den uiterlijken mensch te verwarmen. Met deze aangename gewaarwordingen doordrongen, stapten beiden lustig verder en bevonden zich weldra aan het hek van des huismans nederige, doch niet geheel onaanzienlijke hoeve.

Hartelijk was de verwelkomst, die Gheryt Maessen van zijn gezin ontving, toen hij, met een vroolijk: "gen avond samen!" zijn woning binnentrad. Zijn bejaarde moeder stond van achter de tafel op, waaraan zij gezeten was, sloeg den huisbijbel, die voor haar lag, toe, na alvorens haar bril te hebben afgezet en bij de plaats gelegd waar zij gebleven was, en maakte zich gereed haar zoon te omhelzen. Een eenigszins vermagerde arm richtte het gordijn op eener in den hoek der kamer aanwezige bedstede, waaruit op een flauwen, doch niet minder hartelijken toon, een: "gen avond vader!" zich liet hooren. Drie kloeke, wel doorvoede kinderen, waren hun vader reeds in 't gemoet geschoten en de jongste hing hem om den hals; doch de twee anderen, den vreemdeling nu bemerkende, die aan vaders zijde binnenkwam, traden beteuterd achteruit en bleven, den wijsvinger der linkerhand over de benedentanden gekromd houdende, op een afstand staan, van waar zij nu en dan het waagden, de oogen op te slaan, om den vreemdeling van ter zijde te bekijken. Een keffertje, dat eerst met een geweldige drift op den reiziger was aangetogen en vervolgens al grommend en knorrend tusschen diens beenen gesnuffeld had, als wilde hij aan de kuiten de plaats uitzoeken, waar het beste vleesch te happen ware, scheen over zijn onderzoek voldaan: althans het keerde terug en vlijde zich weder bedaard op de warme plaat ter ruste.

"Gen avond, Gheryt!" zeide moeder: "kom, Klaôske! zet een bank voor vaôder als een man. Nu! hoe staôt oe zoo te lanterfanten?--Maôr kijk, daôr het onze Gheryt nog iemand bij hum, dien ik niet eens ezien had."

"Gen avond vader! gen avond Gherytman!" herhaalde de vrouw des huizes, haar bedgordijn al verder opschuivende en zich half oprichtende: "komt oe mij niet eens een toet geven?"

"Hier ben ik al, vrouwke!" zeide Gheryt, na zijn moeder gekust te hebben: "hier ben ik: hoe staôt het er met sinds van mergen?" En meteen trad hij toe en drukte zijn vrouw hartelijk in zijn armen.

"Dat's maôr zoo passelijk met onze Els," zeide moeder: "ze heit weer wat koorts ehad, maôr het eten lijkt er toch nogal esmaôkt te hebben, nietwaôr ook, Elske?"

"Nu, zoolang de appetijt er maôr is, zal het zoo spaôk niet loopen," merkte de luchthartige Gheryt aan: "ik heb teugen dat oe weer trek in stevigen kost krijgt, een viertal kostelijke hammen met ebracht: zij zijn puik puik, vrouwke! daar kan oe staôt op maôken. Maôr kom, Klaôske! zet me fluks eens als een man een bankje an den haôrd en leg mij wat takkebossen op het vuur: want hier heb ik een wilden vogel bij mij, die aôrs licht verkouen zou raken, nietwaôr ook, man?" Hier klopte hij zijn gast vriendelijk op den schouder.

"En wie heit oe dan met ebracht?" vroeg de moeder, terwijl zij haar bril weer voor den dag haalde en opzette, om den vreemdeling beter te kunnen zien: "wie is dat heerschop?"

"Dat heb ik hum nog niet evraôgd," antwoordde de zoon met een gullen lach: "de man is doornat, en ik wil hum niet toelaten, den Rijn over te vaôren eer hum zich eerst wat ewarmd heit."

"Ik hoop niet, moeder!" zeide de vreemdeling, toetredende, "dat ik u eenig ongerijf zal veroorzaken: ik heb mijn gezelschap uw zoon niet opgedrongen; maar hij heeft mij gulhartig verzocht en even gulhartig heb ik zijn aanbod aangenomen."

"Oe is welkom, heerschop!" zeide de oude vrouw: "men zeun doet wel: want wat zeit de schrift: _ik was vreemdeling en ghij hebt mij geherbergd_."

"Bewaôr ons!" riep Gheryt uit, toen de reiziger zich op een houten drievoet naast het nu helder brandend vuur had nedergezet: "man! wat is oe nat! waôr drommel heit oe ezeten?"

"'t Ware best," zeide de oude vrouw, "dat het heerschop zijn natte kleeren ging uittrekken en een wammes en broek van oe antrok, Gheryt! want zoo kan de man niet blijven."

"Jaô waôrlijk moeder, dat eloof ik ook;--ei Klaôske! haôl iens ezwind mijn fluweelen wammes en mijn fulpen broek oet de kleêrkas: en oe Sijmen, krijg eens de brandewijnflesch! een hartversterking zal den man goeddoen!"

De reiziger bracht tegen de vriendelijke en zoo wel gemeende verplegingen van zijn gastheer geen bedenkingen in: alleen zeide hij zoo wat binnensmonds, dat het hem speet, dat men om zijnentwil zooveel omslag maakte; het was echter geen gebrek aan hoffelijkheid, dat hem belette, iets meer tegen die verzorging in te brengen, maar hij gevoelde zich, door de uitgestane vermoeienis, schrik en koude, zoodanig verward en versoezeld, dat het hem moeite kostte menige woorden geregeld uit te brengen. Zoolang hij geloopen en gepraat had, was hij in een staat van overspanning gebleven, die hem nu des te duurder te staan kwam. Trillend en bevend, en als geheel zonder besef van hetgeen er gebeurde, liet hij zich door den braven huisman en den oudsten zoon den natten overrok van 't lijf, en de niet minder natte laarzen en broek van de beenen halen, welke kleedingstukken vervolgens plaats maakten voor het zondagsgewaad van Gheryt, waarin de vreemdeling een vrij zonderling voorkomen had.

"Zal oe nu niet wat met eten?" vroeg hem zijn gastheer, nadat beiden zich met een goede teug brandewijn verfrischt hadden. "Kijk, dat lacht oe toe!" en hier wees hij op een grooten schotel rijstebrij, dien de oude vrouw had opgebracht.