Chapter 22
"Hoe!" vroeg de Jezuïet: "vertrekt gij naar uw vader? Ik dacht, dat hij u niet meer voor zijn zoon erkennen wilde."
"Dat kan hij ook niet," hernam de reiziger: "dat verbieden de omstandigheden."
"Zeer natuurlijk!" merkte Eugenio aan: "wanneer men geheel andere grondbeginselen heeft:--daarenboven, wat zegt de Schrift: _si quis non odit_...." [40]
"Wie haalt daar de Paapsche overzetting aan?" vroeg Groenhof uit de sluimering opschietende, waarin hij geraakt was.
"Ik!" antwoordde Eugenio bedaard: "gij weet, ik ben een Bosschenaar, en daar hoort men zelden anders als uit de _Vulgata_ praten:--daar is nimmer gelegenheid om een geestelijk woord te hooren, tenzij van papen en paapsgelijken. Hoe velen smachten aldaar met mij naar het waarachtige manna van geestelijk onderricht, met een dauw der geleerdheid doorvoed en gestoofd in de zon der gezonde rede.... daarvan gesproken, Dominee! ik hoop dat UEerwaarde morgen in staat zal zijn, voor de dierbare kudde, welke zich hier verzamelen zal, een predikatie te houden.--Of anders, uw jonge ambtgenoot misschien...."
"Ik?" riep de jongeling, die de vreemde redenen van den gewaanden Bosschenaar met verwondering had aangehoord: "en voor wien ziet UEd. mij aan?"
"Zoo!" zeide Groenhof: "is mijn jonge reismakker ook een Nazireër! _en collega_? waarlijk _valdegaudeo_, een geleerde, een broeder, een medeverdrukte, een medearbeider in 's Heeren wijngaard in hem te ontmoeten. Ik dacht aan zijn kleeding eerder, dat hij een _miles gloriosus, de quo Plautus_, dan een _miles Christianus, de quo Paulus habet_, ware."
"Wat collega! wat verdrukte!" riep de vreemdeling uit, terwijl hij rood werd van drift: "ik heb Plautus ook gelezen, en ik ben niet op de malle vergelijking tusschen mij en zijn Thraso gesteld.--Hoe is het? een misverstand? of scheren wij elkaar?"
"Ik prijs de achterhoudendheid," zeide Eugenio: "doch hier is zij althans overbodig. Bij ons behoeft gij uw naam en bediening niet te verbloemen, daar uw komst te dezer plaats genoegzaam bewijst, welk vertrouwen gij in mij gesteld hebt: en de zegepraal der goede zaak, de val onzer hoogmoedige verdrukkers, de vrijheid der kerk zullen tot zoovele bewijzen strekken, dat dit vertrouwen aan geen onwaardige geschonken werd."
"Ik u vertrouwen geschonken?" vroeg de onbekende, hoe langer hoe meer verwonderd: "en door wien dan ben ik hier ontboden?"
"Door wien?--Door mij, door Van Dyk," antwoordde Eugenio: "ik ben degeen, die u te Mulheim schreef en u verzocht, dadelijk herwaarts te spoeden, om de middelen te beramen, ter uitvoering van dat groote en godzalige voornemen, waartoe wij...."
"Ik ben te Mulheim niet geweest," viel hem de jongeling in: "ik heb geen brief van Van Dyk noch van iemand anders ontvangen: ik weet van uw voornemen niets, en ik zou niet in dit huis gekomen zijn, ware ik niet door den Ambtman ontboden geweest."
Eugenio zweeg, zijn trekken bleven onbeweeglijk en zijn oog stond strak op den vreemdeling gevestigd; zijn hand alleen scheen, door een werktuiglijke, krampachtige beweging het moordtuig te zoeken, dat onder zijn kleed verborgen en reeds meer zijn antwoord geweest was. De vreemdeling scheen het oogmerk dier beweging te raden: althans, hij zette zich schrap en sloeg de hand aan 't gevest van zijn hartsvanger. Doch de Jezuïet liet na een oogenblik zwijgen den arm weder zakken en vroeg zeer bedaard: "zoo, is UEd. dan niet de persoon van Hendrik Raesfelt, proponent?"
"Hendrik Raesfelt?--neen;.... doch! wat is er, wat weet gij van Hendrik Raesfelt?" vroeg de jongeling met levendige deelneming.
"Niets! UEd. schijnt hem te kennen?" hernam Eugenio, volgens zijn gewoonte een vraag met een andere beantwoordende.
"Of ik hem ken?--Wij waren speelkameraads, en ik heb altijd veel belang in hem gesteld."
"Zoo!--Welnu, zoo gij hem nader wilt zien, hij komt eerstdaags hier;.... UEd. is dus vreemdeling hier en weet waarschijnlijk niet, dat er maatregelen worden in 't werk gesteld om de gebannen predikanten, die onderwerping beloven, weder te herstellen in hun bedieningen: hierover wilde men ook met Raesfelt spreken, wiens dwalingen zijn jeugd en de verleiding van anderen verschoonlijk maakten; doch daar UEd. die persoon niet zijt...."
"Kan ik weder vertrekken, is het niet zoo?" viel de reiziger in: "ik moet u echter bekennen," vervolgde hij, "dat, bijaldien de tegenwoordigheid van den Heer Ambtman in dit huis, en uw betuiging, dat er een misverstand plaats heeft gehad, mij niet tevreden moesten stellen, ik niet zoo lichtelijk genoegen zou nemen met een oponthoud, dat mij misschien beletten zal, heden nog de stad te verlaten; want naar allen schijn zullen de poorten reeds gesloten zijn."
"Gij ons verlaten!" riep Groenhof uit, terwijl hij eensklaps weder toetrad en met uitgebreide armen den jongeling omvatte. "Wilt gij mij verlaten, gelijk Demas Paulum verliet? Gij, die een medestrijder zijt voor de goede zaak, gij moet blijven en met ons strijden of afwachten de groote dingen, die er geschieden zullen. _Manendum est et fortiter pugnandum!_" [41]
"Stil!" zeide Eugenio, die bevreesd werd, dat de onvoorzichtige toespraak van Groenhof de ware redenen der bijeenkomst aan den jongeling zou bekend maken: "stil Dominee! het is noodeloos hierover met dien heer te spreken."
"Ja, mijn waarde vriend en reisgenoot," zeide Groenhof, die, zonder acht te geven op de onverduldige wenken van Eugenio, den jongen vreemdeling bij de hand bleef houden: "ja, mijn broeder! hij zal vallen, die Achab, die vervolger van Gods heilige profeten...."
"Wilt gij zoo goed zijn, mij te volgen?" vroeg Eugenio aan den onbekende, hem haastig uit de omhelzingen van Groenhof losrukkende. Doch de jongeling had te veel gehoord en werd nu door de nieuwsgierigheid aangezet om te blijven waar hij was.
"Het is alles gereed, _omnia parata sunt_," [42] vervolgde de Predikant: "de dwingeland kan den strik niet ontkomen."
"Van welken dwingeland spreekt gij toch?" vroeg de onbekende, haastig.
Op dit oogenblik sloeg de torenklok acht uren.
"Het is te laat!" zeide Eugenio; en opeens den jongeling loslatende, verliet hij met spoed het vertrek en draaide het slot achter zich toe.
"Om 's Hemels naam, wien bedoelt gij?" herhaalde de vreemdeling, zonder op het vertrek van den Jezuïet bijzondere aandacht te slaan.
"Wien ik bedoel?" herhaalde Groenhof, die nog even nuchter genoeg was om uit deze vraag te bemerken, dat hij zich deerlijk versproken had: "ik bedoel den Koning van Spanje, _Hispanarum regem, inimicum nostrum communem_." [43]
"Zoo!" zeide zijn metgezel, het hoofd met een schijn van ongeloovigheid schuddende: "doch waar is onze gastheer? of hoe moet ik den man noemen, die ons hier ontvangen heeft?--hij zou mij uitbrengen, en hij verlaat ons."
"Hij zal wel zoo terugkomen," zeide Groenhof, die inmiddels weder was gaan zitten. "Wacht maar een oogenblikje; het is toch te laat om de poort uit te komen."
"Er zal wel niet veel anders opzitten, dan geduldig af te wachten, wat hierop volgen zal," zeide zijn makker, zich verdrietig in een stoel werpende.
Toen hij echter een groot kwartieruurs gezeten had over den Predikant, die inmiddels weder in een diepen slaap gevallen was, begon het toeven hem hartelijk te vervelen. "'t Is recht vermakelijk om hier voor gek te blijven zitten," riep hij uit, terwijl hij wrevelig opstond en zijn stoel van zich afstootte: "en wat het fraaist is," mompelde hij er op zachteren toon bij: "alles is mijn eigen schuld. Wat behoefde ik zulk een dronken Arminiaanschen weetniet te vergunnen, onder mijn geleide naar Tiel te reizen? mijn oude vriend zou zeggen: met wie je verkeert wordje geëerd. Wist ik maar hoe er uit te komen!"
"Mij dunkt, de Heer Van Dyk blijft lang weg," zeide Groenhof, ontwakende en zich de oogen uitwrijvende: "en de kastelein of de baas van 't huis, wie hij wezen moog', schijnt het zoopje ook te vergeten, dat hij mij beloofd had.... juist, ik heb geen haast."
"Maar ik wel," viel zijn min geduldige reisgenoot hem in de rede: "en, zoo men mij niet spoedig de deur komt openen, zal ik zien, of ik mij zelven geen uitgang kan verschaffen."
Deze woorden geuit hebbende, begon hij op de deur te bonzen met al de krachten, die de natuur hem gegeven had; doch de dikke eiken planken stelden zijn pogingen teleur en de Predikant, die, nu redelijk ontnuchterd zijnde, het belang besefte, dat er voor zijn oogmerken in gelegen was, geen noodelooze opschudding te maken, stond op en weerhield hem, toen hij, zijn mes trekkende, zich gereedmaakte, de deur met geweld open te breken.
"Bedaar! bedaar! mijn waarde reismakker!" zeide hij: "men zal wel dadelijk hier komen: de Heer Ambtman zit nog ongetwijfeld in groote besognes. _Paululum exspecta_. [44]
"'t Is een verbruid werk," riep de jongeling, "ik zit hier als een muis in de val. Ware het niet om voor geen dief te worden aangezien, zoo sprong ik het venster uit." Dit zeggende keerde hij zich om, met oogmerk om het raam, dat vrij hoog was, te openen, toen zijn voet een ijzeren ring ontmoette, welke diende om een valluik open te maken. "Aha!" zeide hij, "die gelegenheid had ik nog niet opgemerkt. Die uitgang zal mij althans ergens heen brengen."
"Ja! naar den een of anderen wijnkelder," zeide Groenhof.
"Zoo dat het geval is," hernam de vreemdeling, "zult gij er mij zonder weerzin volgen willen."
"_Bone Deus!_ wat doet gij!" vroeg de Predikant, ziende dat hij het valluik, 't welk van onderen gesloten was, met geweld openrukte.
"Ik baan mij een doortocht," antwoordde zijn makker: "ik heb altijd geleerd, dat een waarlijk bekwaam krijgsman zich zoowel op het retireeren, als op het attakeeren verstaan moest. Voelt gij u genegen mij te volgen, 't is mij wel: ik ga u voor." Dit zeggende, klom hij het trapje af, dat naar beneden geleidde.
"Ik moet toch zien, waar die vent belandt." dacht Groenhof: "hij mocht ons eens gaan verklikken, zoo hij ontsnapte." Met dit oogmerk volgde hij zijn reisgenoot in een klein, donker vertrekje, 't welk op het eerste oog geen anderen toegang scheen te hebben, dan langs de opening, waardoor zij gekomen waren. Het ontving ook van dien kant al zijn licht, en de flauwe schemering, die er in doordrong, veroorloofde nauwelijks aan het meest geoefend oog, eenige kleine vaatjes te zien, welke tegen de naakte wanden waren opgestapeld.
"Het gelijkt hier wel een kruitmagazijn," merkte de jongeling aan.
"De Hemel zij ons genadig!" zeide Groenhof: "zouden wij dan niet liever terugkeeren en het luik weder in orde brengen zoo goed wij kunnen? Er is hier toch geen andere uitgang."
"Dat zegt gij," hervatte de andere gevangene: "doch ik stel vast dat er een andere uitgang wezen moet. Het valluik was van binnen gesloten: die het gesloten heeft, moet dus een ander heenkomen gehad hebben: want hier is hij niet meer: indien het slechts zoo verbruid donker niet ware!.... wacht! ik weet al, welken weg wij uit moeten." Dit zeggende, wees hij op een reet in een hoek van het kamertje, en zich op zijn knieën latende vallen, beschouwde hij den wand met een opmerkzaam oog. Spoedig ontdekte hij een kleine vierkante opening, met een luikje van buiten gesloten, welke opening waarschijnlijk dienen moest om de vaatjes uit te werken. Door zijn vingers met kracht tusschen het houtwerk en den muur in te brengen, deed hij het luikje wijken en weldra aan stukken splijten. De opening kwam op een gewelfde gang uit en was ruim zes voet boven den grond verheven, zoodat men die niet dan met een ladder of trap beklimmen kon.
"Goddank!" zeide hij, zich bukkende en met gretige oogen door het gat kijkende: "hebt ge nu lust mij te volgen, Dominee? dan zullen wij wel ergens te land komen."
"_An stultus es?_" [45] vroeg de Predikant, toen ook hij de hoogte gezien had, vanwaar zij af moesten glijden. "Het is me _hercule_! halsbrekens werk, om zich daar af te laten vallen."
"Zooals gij wilt," hernam zijn reisgezel: "ik waag den sprong!" en meteen zijn makker van de opening aftrekkende, gespte hij zijn hartsvanger los, stak de beenen door het gat en liet er zich ter halverlijve doorheen zakken. Dan, tot zijn groote teleurstelling, was de opening niet ruim genoeg om het bovenlijf door te laten, zoodat hij steken bleef en er zich weldra door vruchtelooze pogingen zoo vastwerkte, dat hij noch voor- noch achteruit kon. Weldra werd de benauwde toestand, waarin hij zich bevond, nog vergroot, doordien hij de deur van het vertrek, waarin hij zich kort te voren bevonden had, boven zijn hoofd hoorde opengaan en aan het verwarde geluid en geroep van "waar steekt de guit? waar zit de spion?" ontdekte, dat verscheidene personen de bovenkamer waren binnengetreden, en althans geen zeer vriendelijke oogmerken jegens hem koesterden.
"Dominee!" zeide hij met een gesmoorde stem; "maak dat onderste plankje los."
"Ik bedank u," zeide Groenhof: "hier!" vervolgde hij, zijn stem verheffende tot die, welke boven waren: "hier moet gij wezen."
"Schurk!" riep de jongeling en gaf met zijn hartsvanger den Predikant een geduchten slag voor de schenen, zoodat de waardige man schreeuwende terugstoof.
De angst verdubbelde nu de krachten van den jongeling, en het geluk diende hem. Het luik, dat de opening gesloten had, bestond uit twee deelen: het bovenste, dat het grootste was, was uitgeweken en aan stukken gesprongen: het onderste, een plankje van twee duim breedte, dat het luik van den vloer scheidde en met twee knippen aan weerszijden gesloten werd, was blijven zitten. Door de geweldige pogingen, die hij in dit oogenblik van benauwdheid in 't werk stelde, gelukte het den gevangene, dit plankje te doen losbersten, waardoor de opening ruim genoeg werd en hij in de gang viel. Ongedeerd sprong de vlugge jongeling op en snelde, zonder om te zien, de gang af, terwijl hij in de eene hand zijn blooten hartsvanger zwaaide en met de andere de scheede weder vasthechtte.--Aan het einde van de gang gekomen, sloeg hij rechtsaf een andere gaanderij in en stuitte aldaar tegen een ijzeren deur, met de noodige grendels dichtgesloten. Vol spijt deed hij een paar stappen terug en bemerkte toen, dat hij in de verwarring van het oogenblik en ook wegens de duisternis, die in de gang heerschte, een ander deurtje was voorbijgeloopen, hetwelk onder een zwaar gewelfden, met Gothisch snij- en loofwerk voorzienen boog was verborgen. Dit deurtje stond aan, en onze vluchteling aarzelde niet het binnen te treden. Dan, nauwelijks had hij een blik inwaarts geworpen, of hij bleef bewusteloos staan, in de onzekerheid, of hij niet, door Scylla te vermijden, op Charybdis gestrand ware: dermate verbaasde hem de onverwachte vertooning, welke bij het binnentreden zijn oogen trof.
Hij bevond zich namelijk in een vrij ruime zaal, die haar licht ontving uit in de zoldering geplaatste ramen, met geschilderde ruitjes voorzien, en met zware zonder smaak gevormde pilasters omzet was, welke een gewelfd dak onderschraagden. Tusschen de pilasters bevonden zich nissen, die, voormaals, naar 't scheen, tot plaatsing van beelden der heiligen gediend hadden: althans de uitgerukte stukken kalk en metselwerk, zoowel als de overgebleven ijzeren bouten toonden aan, dat men de oorspronkelijke bewoners dier nissen met geweld had weggenomen. Aan de beide einden der zaal waren twee hooge dubbele deuren, met breede posten en Gothisch snijwerk, welke sedert lang ongebruikt schenen te zijn; want de zware grendels waren geheel verroest en de sloten met spinrag bedekt. Behalve deze hoofduitgangen was het vertrek voorzien van vier zijdeurtjes, door een van welke onze onbekende vriend was binnengekomen. Midden in de zaal, welke overigens geen meubelen bezat, stond een zware, langwerpig vierkante tafel, met een oud, verschoten, doch voorheen kostbaar tapijt overdekt. Aan het einde dier tafel was op een ouderwetschen zetel met hoogen rug en snijwerk, een deftig man gezeten; zijn vierkant mutsje en witte onderkleederen, zijn manteltje en gouden halskruis duidden een Roomsch-Katholieken geestelijke, en wel van geen geringe waardigheid, aan. Voor hem stond een ebbenhouten kruis, waar een zilveren christusbeeld aan vastgehecht was en aan welks voet een doodshoofd lag van hetzelfde metaal. Aan elke zijde van den voorzitter zaten op houten schabellen vier, en over hem twee personen, deels in geestelijk, deels in wereldlijk gewaad. De tafel was overdekt met papier en schrijfgereedschappen, en al de aanwezigen schenen aandachtig te luisteren naar hetgeen een jong geestelijke, die naast den voorzitter stond, hun voorlas uit een brief, op perkament geschreven en met drie zegels van groen was voorzien. Bij het gerucht, dat de deur maakte, toen zij krakende openging voor den binnentredenden vreemdeling, werd de lezing gestaakt, en al de aanwezigen wendden het hoofd naar den onverwachten en onwelkomen stoorder hunner samenkomst. Toen zij den gewapende ontdekten (want de vreemdeling hield den hartsvanger nog stijf in de vuist gekneld) stoven allen gelijkelijk op: sommigen grepen hun schabellen, om zich desnoods daarmede te verdedigen, en anderen zochten onder hun opperkleed naar gevaarlijker wapenen. De voorzitter alleen bleef bedaard; met een majestueuse beweging gebood hij stilte en trad vervolgens den jongeling te gemoet, wien hij aldus, op een vriendelijken toon, aansprak:
"Wie zijt ge, mijn zoon? en wat is de oorzaak van uw onverwachte komst?"
"Verschoon mij," antwoordde de vreemdeling, eenigszins verlegen zijn geweer opstekende: "ik ben verdwaald in dit gebouw, ik weet zelf niet hoe, en gaarne wenschte ik een deur te vinden, die mij op straat bracht."
De aanwezigen mompelden onderling, en de meesten schudden het hoofd.
"Het komt mij vreemd voor," zeide de voorzitter, "dat gij, alleen omdat gij een uitgang zoekt, met het bloot rapier als een dolleman hier binnen komt stuiven,"
"Ik beken," was het antwoord, "dat de schijn tegen mij is; doch openhartig zal ik u mijn geval verhalen. Ik kom van Nijmegen: een zekere Predikant, die, op een vrij slechten knol gezeten, denzelfden dijk volgde als ik, hield mij gezelschap. Aan den _Gouden Ooievaar_ stapten wij af: vandaar liet de heer Ambtman ons ontbieden; men bracht ons in de woning van een schrijnwerker, welke woning, naar ik zie, al vrij ruim is en toen ontdekte zekere Heer Van Dyk, dat ik niet diegene ben, dien hij te wachten was;.... maar daar zit hij zelf: laat hij het ontkennen, zoo hij goedvindt."
Hier vestigden zich al de oogen op Eugenio, die, in zijn mantel gewikkeld, alleen, met zijn gewone bedaardheid, aan de tafel was blijven zitten.
"Ik ontken niets," zeide hij, opstaande: "het geheele voorval berust op een misverstand."
"Zulke misverstanden moesten geen plaats hebben, en wij hadden die althans van u niet verwacht, Pater!" bromde een der aanwezigen.
"Dwaas!" antwoordde Eugenio halfluid: "is de vogel niet in de knip, en staat het niet aan ons, hem naar bevind van zaken de wieken te korten of den hals om te draaien?"
"Stil!" zeide de voorzitter: "wat aanleiding tot de komst van dezen jongeling heeft gegeven, is noodeloos op dit oogenblik te onderzoeken: daartoe is onze tijd te kostbaar. Jonkman! antwoord mij openhartig; dit alleen zal mij doen zien, of gij waardig zijt de vrijheid weder te erlangen."
"Ik wist niet, dat ik gevangen ware," antwoordde de vreemdeling met fierheid de hand op het gevest van het geweer slaande.
"Spaar die snorkerijen," hernam de deftige grijsaard: "ik zie gaarne, dat een jonkman als zoodanig spreekt; doch hij moet het op gepaste tijden doen. Antwoord mij, hoe is uw naam?"
"Sta ik hier voor een rechtbank?" vroeg op zijn beurt de jongeling "Ik ben een Protestant, en erken op dit oogenblik geen heer noch meester op deze aarde. Gij derhalve hebt geen recht hoe ook genaamd, mij in 't gehoor te nemen.... of sedert wanneer is Tiel aan een papenrecht onderworpen?"
"Wij zullen u ons gezag wel doen erkennen," zeide een der aanwezigen, die, ongemerkt vertrokken zijnde, nu met twee welgewapende lieden terugkeerde.
De vreemdeling antwoordde niet; maar, zijn degen trekkende, stelde hij zich in staat van verdediging.
"Hoogwaardigste!" zeide nu Eugenio tegen den voorzitter: "het komt mij voor, dat deze dolleman ongenegen is, om eenig verder bescheid te geven. Het ware misschien best, indien hij werkelijk een man van eer is, zooals zijn voorkomen aanduidt, hem vrij en onverhinderd te laten vertrekken, onder beding en belofte, dat hij, niets van al wat hem is overkomen sedert hij de herberg van den _Gouden Ooievaar_ verlaten heeft tot zijn terugkomst in die plaats, aan niemand, wie hij ook zijn moge, immer met een woord gewag make."
De gansche vergadering zweeg op dit voorstel, en de jongeling zag den Jezuïet met scherpe blikken aan, als wilde hij diens geheime oogmerken doorgronden; want hij stelde weinig vertrouwen in den zonderlingen man, die zich eerst bij hem voor een Remonstrant had uitgegeven en zich nu in 't gezelschap van Roomsche geestelijken bevond.
Nadat de voorzitter een tijdlang het voorstel van Eugenio scheen overwogen te hebben, wendde hij zich tot den reiziger en vroeg hem, of hij in zoodanige voorwaarden, als de geachte spreker had opgenoemd, genoegen zoude nemen, bijaldien zij hem werden opgelegd. De jongeling antwoordde, bereid te zijn zich te verbinden, dat hij niets van al hetgeen hij gezien of gehoord had, zou verhalen, tenware zijn plicht, of de wettige Landsoverheid hem daartoe last gaven.
"Die uitdrukkingen omvatten wat veel," merkte de voorzitter aan; "want hoe kunnen wij de grenslijnen kennen, welke uw plichtgevoel beperken? en welke nadeelige gevolgtrekkingen zou niet de overheid uit uw verhaal kunnen trekken? Door u op zulke losse gronden vrij te laten, zouden wij ons geheel aan uw bescheidenheid moeten overgeven, en gij gevoelt wel, dat dit wat veel van ons gevergd ware."
"Het doet mij leed," hernam de reiziger; "doch ik kan geen andere voorwaarden aannemen."
"Dan zult gij u moeten getroosten, onze gevangene te blijven," zeide de grijsaard, een wenk gevende aan de omstanders en in 't bijzonder aan de twee gewapende dienaars, om den stoutmoedigen vreemdeling in verzekerde bewaring te nemen. Deze echter was er geenszins op gesteld, om zich te laten knippen: hij had zich steeds in de nabijheid gehouden van de deur, door welke hij was binnengekomen, met oogmerk om zich een vrijen terugtocht voor te behouden. Zooras derhalve de aanwezigen op hem aftraden, deed hij een stap rugwaarts, beschreef een halven cirkel in de lucht met zijn hartsvanger, om zijn vijanden op den noodigen afstand te houden, maakte eensklaps rechts-om-keert, wierp een der gewapenden, die hem den weg wilde afsnijden, met een vuistslag op den grond, stoof de deur uit, trok die zoo geweldig achter zich toe, dat het slot dichtsprong en ijlde vervolgens weder terug langs den weg dien hij gekomen was, de gewelfde gang weder door en het vierkante gat van het kruitkamertje voorbij. Aan het einde van die gang gekomen, stootte hij een ongesloten deur open en bevond zich nu tot zijn groote vreugd in de open lucht.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Gy meught van nacht by ons wel blyven rusten Wy hebben t'huis rype app'len, zoo ze u lusten, De nieuwe vrucht, kastanje en stremsel.
_Virgilius_, Ecl. I. Vert. van Vondel.