De Pleegzoon

Chapter 21

Chapter 213,846 wordsPublic domain

"Heb ik de eer den aanstaanden Stedehouder van Gelderland voor mij te zien?" vroeg de vreemdeling, met eene nederige buiging.

"Dat zal veel afhangen van de tijdingen, welke ik heden ontvang," antwoordde de Ambtman: "kort en goed, wie zijt gij?"

"Zijne Hoogheid de Prins Kardinaal zendt mij tot UEdele, om over belangrijke onderwerpen met UEdele te spreken. Ik ben zijn vertrouweling, zijn biechtheer."

"Zijn Hoogheid doet ons veel eer aan," hervatte Mom: "neem plaats, eerwaarde Pater, UEd. zal hoogstwaarschijnlijk vermoeid wezen van de reis. Waarmede kan men u gerieven?--Meinertz!"

"Meinertz is uitgegaan," zeide de biechtvader: "ik heb hem eenige boodschappen gegeven; doch hij zal zoo straks terugkomen. Bekommer u inmiddels niet over mij. _Panis meus est ut faciam voluntatem eius qui me misit._" [38]

"Ja maar!" zeide Mom, zich eenigszins verwonderd tot Botbergen wendende: "als nu Preys en Leendertz komen...."

"Die zullen vooreerst niet komen," hernam de geestelijke heer: "die heb ik ook van de hand gezonden; Mijnheer van Botbergen zal wel zoo goed zijn, beneden in het voorhuis te gaan zorgen, dat niemand het gesprek kome storen, 't welk ik met Zijne Edelheid hebben moet."

Verwonderd over den meesterachtigen toon, dien de vreemdeling zich aanmatigde, zagen Botbergen en de Ambtman elkander besluiteloos aan.

"Mij dunkt," zeide de laatste, na eenig stilzwijgen: "dat de Heer van Botbergen wel hier zou kunnen blijven. Voor hem heb ik althans geen geheimen...."

"Maar ik wel," zeide de onbekende, "ik vertrouw nooit iemand, dan dengene, wien ik door de omstandigheden genoodzaakt ben, dat vertrouwen te moeten schenken; en, zoo ik de moeite neem, van Brussel te komen om den Heer Mom alleen te spreken, dan kan deze, dunkt mij, de moeite op zich nemen van te zorgen, dat ons gesprek ongestoord blijve. Met dit al," (voegde hij er bij, daar Elbert nogal staan bleef) "ik kan den Heer van Botbergen beloven, dat zoo mijn onderhandeling met den Heer Mom naar wensch uitvalt, wij den uitslag onzer beraadslagingen aan hem, zoowel als aan al de vrome dienaars zijner Katholieke Majesteit, die zich hier bevinden, zoo spoedig mogelijk zullen bekend maken."

"Nu ga dan, Botbergen!" zeide Mom, "en laat mij met den Eerwaarden Pater alleen."

Botbergen gehoorzaamde. "Waar blijft nu," dacht hij bij zich zelven: "onze arme Ambtman? Hij dacht eerst de beleider van 't gansche spel te wezen, en daar komt een Spaansche Monnik aanwaaien, die ons allen naar zijn pijpen zal laten dansen."

"Zal ik," zeide Mom, zoodra zijn handlanger het vertrek verlaten had: "thans de redenen vernemen, Pater! welke mij de eer van uw bezoek verschaffen?"

"Mij dunkt," antwoordde de Monnik: "dat die nogal licht te raden zijn. UEd. zond Preys en Leendertz aan Grobbendonck: deze, geen volmacht hebbende om met hen te handelen, verwees hen tot den Aartshertog: en daar Zijne Hoogheid zich zeer ongesteld gevoelde, werd ik gelast, uw zendelingen te onderhouden. Uit hetgeen ik van hen vernam, begreep ik, dat het voor de belangen van de goede zaak, zoowel als voor de uwe, noodzakelijk was, dat ik zelf mij herwaarts begave: en daarom ziet gij mij hier, gereed al uw bedenkingen of zwarigheden op te lossen."

"Ik heb u slechts ééne vraag te doen," zeide Mom, "brengt gij geld mede?"

"De kinderen der Heilige Kerk," antwoordde de biechtvader, zijn armen deemoedig over de borst kruisende, "zijn niet gewoon, zich met de schatten dezer wereld te beladen, gedachtig aan het voorschrift: "_nolite possidere aurum neque argentum neque pecuniam in zonis vestris_." [39]

"Dan behoef ik u niet langer aan te hooren," zeide Mom, hem in drift den rug toekeerende.

"UEd. spot er mede," hervatte de vreemdeling: "maar...."

"Vaarwel Pater! Goede reis naar Brussel! en mijn gebiedenis aan den Aartshertog," zeide de Ambtman, willende heengaan.

"Sta! gij dwaas!" zeide de Pater, hem met een forsche vuist terughoudende: "gij zijt immers te ver gegaan om terug te krabben. Welke andere keus is u gelaten, dan die tusschen het Stedehouderschap in Gelderland en een schavot in Den Haag?"

"Dreigt gij mij?" vroeg Mom, toornig: "keer tot hem, die u afzond, of ik laat u als een staatsvijand opknoopen, eer het jaar een dag ouder is."

"Gaat dat hier zoo vlug in zijn werk?" vroeg de Monnik, lachende: "dan beschaamt men waarlijk de vierschaar der Heilige Inquisitie. Kom, kom, Heer Ambtman! tot zulke uitersten zal UEd. niet komen: er wordt immers maar één woord van mij vereischt, en gij komt met mij op de gerichtsplaats: wel is waar, ik word opgehangen, en UEd. onthoofd: dat is niet meer dan billijk en een privilege, dat u rechtmatig toekomt. En wat zal uw aanstaande bruid dan wel zeggen?" voegde hij er bij, hem met een doordringenden, scherpen blik aanziende.

"Er zijn geen bewijzen voorhanden van mijn voornemens," zeide Mom, zich wrevelig nederzettende.

"Niet?--En uw briefwisseling met Grobbendonck en Ludwig, welke gedurende zoovele jaren volgehouden werd en waarvan ik al de materialen kan aanwijzen. En de bekentenissen, welke de vrome Klaas Meinertz en de eerlijke Teun Wezer en de achtenswaardige Elbert van Botbergen en zooveel anderen meer, wanneer zulks door mij gerequireerd mocht worden, buiten pijn en banden zouden afleggen? Telt gij die voor niets?--Al ware het alleen het onderhoud, dat gij op dit oogenblik met mij voert, en wel in een plaats, waar gij zelfs de gevaren niet van kent. Uw lot is in mijn handen, edele Heer, en Pater Eugenio, van de Orde Jesu, komt niet geheel uit Brussel herwaarts, om met de kous op 't hoofd weder huiswaarts te keeren, of--'t geen nog erger zou wezen--om de markt van Tiel uit de hoogte te bekijken."

Deze woorden sprak de Jezuïet, wien mijn lezers reeds voorlang herkend zullen hebben, op een langzamen, vasten toon, van tijd tot tijd ophoudende en den edelman met een snellen blik aanziende, om gade te slaan, welken indruk zijn redeneering op hem teweegbracht. De Ambtman scheen door de meerdere zielskracht van den afgezondene geheel verplet; zonder antwoord te geven bleef hij zitten en keek ontevreden voor zich. De Jezuïet nam plaats aan zijn zijde, greep op een vriendelijke wijze zijn hand, welke Mom noch gaf noch terugtrok, en vervolgde in voege:

"Kom, edele Heer! wees goedsmoeds! ik zie u nog liever verstoord en opvliegend, gelijk zooeven, dan bedrukt en uit het veld geslagen, zooals thans. Laten wij een dwazen twist--of hoe zal ik het noemen, 't geen tusschen ons voorviel?--vergeten, en woorden van gezonden zin tot elkander spreken. Zoude UEd., na zoolang voor Zijn Hoogloffelijke Katholieke Majesteit geijverd te hebben, de goede zaak, zonder eenige billijke reden, op eenmaal verlaten?"

"Ik ben het niet, die haar verlaat," antwoordde Mom: "het zijn de Aartshertog en Spinola, die mij laten zitten. Wat kan ik, al wilde ik ook, zonder geld, ten dienste Zijner Majesteit uitrichten?"

"Het zal hier geld en ambten regenen," zeide Eugenio, "als maar eerst de zaak haar beslag heeft."

"Ja, als wij het eerst aan Spanje brengen, zal Spanje er ons naderhand mede beschenken," zeide Mom, met bitterheid: "Is het zoo niet? Ik weet den toestand, waarin gij verkeert: uw krijgskas is uitgeput, Spinola berooid en de geestelijke orden zijn, zooals altijd, niet scheutig."

"Daar is misschien wat van aan," antwoordde de Jezuïet, altijd met dezelfde koelbloedigheid; "doch weet ge wat de voornaamste reden is, waarom men u thans geen geld zendt?--Men vertrouwt u maar half."

Mom schoof zijn stoel een eind achteruit en zag den Jezuïet met een oog van verbazing aan: "nu geloof ik, Pater!" zeide hij, "dat gij voor de eerste maal in uw leven oprecht zijt."

"Dat ben ik, want, gelijk de waardige Fonseca zeer juist aanmerkt: men moet altijd oprecht zijn wanneer men geen belang bij een logen heeft.--Zooals ik zeide, Don Ambrosio Spinola en Don Louis de Velasco, twee ruwe en ronde krijgslieden, die van al wat de staatkunde betreft hoegenaamd geen verstand hebben, mistrouwen u en denken, dat gij, omdat gij de Staatschen misleidt, ook de Spaanschen zoudt kunnen misleiden. Eenvoudiglijk daarom wil men u geen geld sturen."

"En daarom eenvoudiglijk wil ik u ook niet helpen! Ik herhaal het: zonder geld kan ik de eedgenooten niet tevreden stellen.... en voorschotten doe ik niet."

"UEd. heeft volmaakt gelijk," hernam de zoon van Lojola; "doch van wat anders gesproken: mag ik UEd. dit geschrift ter hand stellen?"

Bij het uiten dezer woorden haalde hij een perkament uit zijn boezem en bood het den Ambtman aan, die het met een koele onverschilligheid opende en doorlas. Het behelsde een aanstelling van Jacobus Mom enz. tot Stedehouder van Gelderland in naam des Aartshertogen, en was door Albertus onderteekend en met diens zegel bekrachtigd.

"Welnu!" zeide de Jezuïet, "dit is meer dan een belofte, nietwaar?"

"Het is nog veel minder," antwoordde Mom, droogjes: "de Aartshertog verdeelt de berenhuid, voordat de beer dood is; hij wil niet eens geld verschaffen tot den aankoop van wapens om het beest te vellen."

"Wapens zullen u overvloedig verschaft worden," hervatte Eugenio: "daarvoor sta ik u borg."

"Maar bekwame medehelpers, waar ik op rekenen kan," vervolgde Mom: "want alleen...."

"Preys, Leendertz en Eyndhouts zijn door aanzienlijke toezeggingen van geld en ambten bereid alles voor de goede zaak te wagen. Botbergen hangt slechts van u af. Slatius, Groenhovius en hun Arminianen zijn, uit wraakzucht en haat alleen, volkomen bereid zich bij ons te voegen. De wederdoopers, die niet vechten mogen, hebben ons van geldelijken onderstand verzekerd. De Kornetten van Grobbendonck hebben last gekregen, om, dadelijk bij het einde van het Bestand, vaardig te wezen tot de ondersteuning uwer pogingen. En," voegde hij er zacht en langzaam bij, "Graaf Hendrik Frederik...."

"Is toch niet op onze zijde?" vroeg de Ambtman, hem haastig in de rede vallende.

"Dat juist niet," antwoordde Eugenio met een spotachtigen glimlach: "maar hij werkt ons volkomen in de hand. Door de gunst, welke hij tot nog toe aan de verdrukte Remonstranten betoond heeft, door de verkeerde wijze, waarop Ludwig, die hem met open oogen bedriegt, hem de zaken beschouwen laat, door de verwijdering, die tusschen hem en zijn broeder ontstaan is, zijn de oogen van alle misnoegden in Holland op hem gevestigd. Maurits is van dit laatste bewust: en het oogenblik is daar, dat broedertwist en binnenlandsche tweespalt, de ontwerpen van Spanje in de hand werkende, ons in staat zullen stellen over al de nog overig zijnde zwarigheden te zegevieren."

"Gij leert mij veel en merkwaardig nieuws," zeide Mom; "doch gij neemt mijn voorname zwarigheid niet volkomen weg. Hoe kan ik hier mijn plannen tot rijpheid brengen, zonder...."

"Daarom juist kom ik hier," hervatte Eugenio: "Ik, die vijf en twintig jaren lang geen moeite, geen opofferingen heb ontzien, om het heerlijk doel te bevorderen, dat ik eenmaal zwoer te zullen bereiken: ik, die gedurende al dien tijd, met raad en daad, met pen en zwaard, met goud en list, de goede zaak heb gediend: ik, die al de hier ontbrande twisten heb gesticht, onderhouden of aangeblazen: ik, zonder wien geen samenzweringen, aanslagen noch eedverbonden zijn uitgedacht, verlevendigd of voortgezet: ik, die den arm wapende van Panne en Micault, die den Graaf van Falckestein en zijn beide kinderen om hals liet brengen, die Ludwig, ten dienste van Spanje, in alle staatsgeheimen dringen deed, die waardgelders, predikanten en aristocraten tot muiterij en tweedracht aanzette, die, in één woord alles aanwendde, om dit land het onderstboven te keeren,--ik zal ook in dit geval het door u zoo heerlijk aangegeven ontwerp besturen en tot rijpheid brengen. Nog dezen nacht (want andere bezigheden vereischen mij voor het einde van 't Bestand in 's-Bosch en in 's-Hage), nog dezen nacht zal een aanzienlijk getal eedgenooten, door mij intijds verwittigd en bijeengeroepen, in dit huis vergaderen. Hier zult gij Spaanschgezinden, Roomschen, Arminianen, Menisten, ja orthodoxe Protestanten bijeen zien. De middelen zullen hier beraamd worden om tot ons doel te geraken: en van de uitvoering zal ik al de moeite, gij al de eer hebben.--Ik heb gezegd! en thans staat het aan u te beoordeelen, of gij u aan 't hoofd dier schaar plaatsen wilt, dan of gij hen allen, maar ook u zelven nevens hen, aan het zwaard des beuls ter prooi wilt geven."

Meer overreed dan overtuigd door de woorden van den Jezuïet, begreep de Ambtman niettemin, dat er wel niets anders voor hem opzat, dat het voorstel aan te nemen. "In Gods naam," zeide hij, hem de hand toereikende: "de teerling is geworpen, en ik geef mij aan uw leiding over."

"Gij doet wel," zeide Eugenio: "en uw keuze zal u niet berouwen;--intusschen, wat ik vooreerst van u te vragen heb, is dat gij ons gesprek geheim houdt: alleen Preys en Leendertz, met wie ik herwaarts gekomen ben, benevens Botbergen, kennen mijn betrekkingen: ook Klaas Meinertz: doch die is een oude kennis en het kanaal, waardoor ik altijd kondschap ontving; voor de overigen ben ik Van Dijk, inwoner van 's-Hertogenbosch, en...."

Op dit oogenblik stoof Botbergen de kamer in.

"Daar is de kamenier van de Freule van Sonheuvel," zeide hij, "die den Heer Mom verlangt te spreken."

"De kamenier van de Freule;" riep Mom verwonderd uit; "en hoe wist zij dat ik hier was?"

"Zij wist meer dan dat," antwoordde Botbergen: "want toen ik haar vroeg, wat zij hier deed, antwoordde zij: de wind loopt zuidwest."

"Daar schuilt verraad onder," riep Mom; "doch wij zullen dadelijk...."

"Bedaar!" zeide de Jezuïet, hem terughoudende: "Magdalena is van de onzen!"

"Zij van de onzen?" herhaalde de Ambtman, verbaasd: "hoe langer hoe vreemder! Ik bemerk wel, dat ik, schoon de hoofdaanlegger, niet meer doe dan de kaarten te geven, die een ander geschud heeft." Hier zag hij Eugenio veelbeduidend aan.

"Nu, als zij van de onzen is," hervatte Botbergen: "moet zij dan maar hier komen?"

"Ongetwijfeld," zeide Mom: "zij heeft misschien een boodschap van haar meesteres."

"Die is althans niet van de onzen," zeide Elbert, meesmuilende: "als zij maar de uwe wordt, dan zult gij wel tevreden zijn?" Dit zeggende verliet hij het vertrek.

Hij keerde na eenige oogenblikken terug met de kamenier der Freule van Sonheuvel, een rijzige, deftig doch eenvoudig gekleede vrouw, wier gelaat, hoe vervallen ook, bewees, dat zij in haar jeugd ongemeen bevallig geweest moest zijn. Sedert de gebreken van een vergevorderden leeftijd de oude Geertrui beletteden, haar bediening op het slot langer waar te nemen, was Magdalena, door de voorspraak van Klaas Meinertz, die den Baron van Sonheuvel onder zijn klanten telde, haar plaats op het slot komen vervullen en had zij zich, door haar bekwaamheid in 't bestieren van de huishouding en door haar geschikt en ordelijk gedrag, de achting van den Baron en het vertrouwen zijner dochter weten te verwerven.

"Goeden morgen, Magdalena!" sprak Mom, zoodra zij binnentrad. "Gij brengt, hoop ik, goede tijding. Is alles wel op het slot? uw Heer?.... en de Freule?"

"Beiden zijn in goeden welstand, mijnheer!" antwoordde de kamenier. "De Freule heeft mij verlof gegeven om mijn oom Klaas Meinertz te komen bezoeken, daar de hovenier juist naar Tiel moest om gereedschappen te koopen: en de Heer Baron gelastte mij eens naar den welstand Uwer Edelheid te gaan vernemen en meteen te vragen of UEd. ook genegen zijt, morgen na den middag op het slot te komen. Er zal een groote kegelpartij wezen."

"Mijn onderdanige groete aan den waarden Heer Baron, en wees zoo goed aan ZEd. te zeggen, dat er op Sonheuvel geen kegelpartij behoeft te wezen, om mij daarheen te lokken. En," vervolgde hij, haar een stuk goud aanbiedende, "vergeet ook vooral niet, lieve Magdalena! mij in de gunst uwer engelachtige meesteresse aan te bevelen."

"Ik dank u," zeide de kamenier: "de Baron van Sonheuvel alleen heeft het recht, mijn diensten te betalen: aan anderen bewijs ik die zonder loon." Dit zeggende wees zij het geld met een trotsche wending af, doch op datzelfde oogenblik ontdekte zij den Jezuïet, die zich bij haar komst achterwaarts begeven had, en gaf een gil.

"Wat schort er aan? wat deert u?" riepen Mom en Botbergen, als uit één mond.

"Gij waart misschien niet van mijn tegenwoordigheid in deze woning verwittigd?" vroeg Eugenio, vooruittredende.

"Neen!" antwoordde Magdalena, met een onzekere stem: "mijn oom, wien ik op straat ontmoette, had mij alleen gezegd, dat ik den Heer Mom hier zou vinden en mij het wachtwoord gegeven, maar...."

"Een wachtwoord!" viel de Ambtman in, die toch nieuwsgierig was, in hoeverre de kamenier van Ulrica tot het eedgespan in betrekking stond. "En hoe kondt gij op de gedachte komen, dat er een wachtwoord noodig ware, om mij te spreken?"

"Omdat ik u ken, Stedehouder van Gelderland!" antwoordde Magdalena, het hoofd met fierheid oprichtende: "omdat uw bedoelingen en aanslagen mij bekend zijn, en omdat ik overtuigd ben, dat de eerwaarde Pater Eugenio zich aan geen gevaren zou blootstellen zonder de noodige voorzorgen te hebben genomen. Vrees intusschen van mij niets," vervolgde zij, de hand aan den van verbazing sprakeloozen Ambtman toereikende: "waar ik kan en vermag, zal ik u tot een vriendin en helpster verstrekken, en u allen, die voor onze Heilige Moederkerk goed en bloed in de waagschaal stellen. Ik groet u, Mijneheeren! en u ook, Pater! gij hebt mij waarschijnlijk geen bevelen te geven?" vroeg zij, dezen laatste met een trotschen, eenigszins verachtelijken blik aanziende.

"Magdalena!" zeide de Jezuïet, terwijl een waas van weemoed of aandoening zijn gestrenge, gele gelaatstrekken overdekte: "moeten wij, na een afwezigheid van vijf en twintig jaren...., doch, gij hebt gelijk, het is hier de geschikte plaats niet...."

"Vaarwel, Pater Eugenio!" herhaalde Magdalena en verliet het vertrek.

"Joost haal mij, zoo ik er iets van begrijp," zeide Elbert, zooras zij weg was.

"Ik sta als versteend," zeide Mom: "zult gij ons ook van dit raadsel de oplossing verkiezen te geven, Pater?"

"Ik heet Van Dyk," zeide Eugenio koeltjes, "en ben een verjaagde Remonstrant, die in Den Bosch woont; want, zoo mijn gezicht mij niet bedriegt, zie ik aan het eind der straat Klaas Meinertz met twee Arminianen komen."

"Juist," zeide Botbergen, zich naast hem aan het raam begevende, "dat zijn twee vreemdelingen, die in den _Gouden Ooievaar_ zoo straks zijn gekomen, maar ik wist niet, dat het Arminianen waren."

"Alles loopt naar wensch," hervatte de Jezuïet, en, Elbert zachtjes naar zich toetrekkende, fluisterde hij hem in 't oor: "De Aartshertog heeft u een compagnie toegezegd en tweehonderd guldens tot een geschenk;.... maar blijf u thans maar beneden ophouden en zorg dat Preys en Leendertz ons niet komen storen, terwijl wij met dit paar ketters bezig zijn. Klaas Meindertz zal u wel wat Rijnschen wijn schenken. De man heeft een goeden kelder."

"Tot uw dienst Pater.... Van Dyk," zeide Botbergen en vertrok. "En wat moet er nu gedaan worden?" vroeg Mom, die zich, maar half tevreden en met blijkbare ongerustheid, in een stoel had nedergeworpen.

"Laat mij maar begaan, Heer Stedehouder! en bevestig mijn gezegden. Wij moeten thans twee hoofden der misnoegden tot onze zijde overhalen. Een hunner zult gij, bij name althans, kennen. Hij is de zoon van den Predikant te Sonheuvel.... Hendrik Raesfelt.

"Ik heb van hem hooren spreken," zeide Mom; "maar zorg toch, mij niet bloot te stellen aan de onaangename gevolgen, welke eene herkenning zou kunnen hebben."

"Hier zijn de twee heeren uit den Gouden Ooievaar," zeide Klaas Meinertz, zijn neus door de even geopende deur stekende.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Maar gij, die hier het woord voert in 't gezantschap, Wie zijt ge?

_Bilderdijk_, Floris de Vijfde.

De twee nieuwe personages, die nu op vergunning van den Ambtman het vertrek binnenkwamen, leverden in hun uiterlijk voorkomen een paar volkomen tegenbeelden op. De een was een log, dik mensch, met een gemeen, dom en leelijk gelaat, een grooten rooden neus, die, van menigvuldige uitwassen en puisten voorzien, getuigde, dat de brandewijn niet zelden den vromen man te stade kwam, als hij zijn zorgen begeerde te verzetten. Zijn gewaad was versleten en armoedig, en men kon zien, dat het niet voor zijn lijf gemaakt was. Zijn lompe, grove handen en voeten schenen eer geschikt om de zware klei te bewerken of turf te trappen, dan om geschikte gebaarden van den kansel te maken. Zijn heesche, wanluidende stem duidde meer den oproerkraaier dan den leeraar aan, en zijn waggelende gang verraadde eer den Bachusdienaar dan den zedenpreker. Of de waard in den _Gouden Ooievaar_ hem bij deze gelegenheid zijn wijn te veel had aangeprezen, is ons onbewust: zeker is het, dat hij het vertrek, waar Meinertz hem binnenleidde, waggelend inschoof en zijn morgengroet stotterende uitbracht.

Zijn metgezel was een schoon rijzig jonkman, met fraaie blonde haren, zwarte sprekende oogen, en mannelijke, door de zon eenigszins verbrande gelaatstrekken. Hij had een geel lederen reiskolder aan, met koperen knoopjes vastgehecht, en een hartsvanger op zijde, in een breeden groenen bandelier hangende. Een hoed zonder pluimage, een paar bestoven halve laarsjes met groote sporen en breede ruitershandschoenen kondigden in hem veeleer een ruiter dan een predikant aan. Met een open gelaat en een ongedwongen houding trad hij binnen, half voortgetrokken door zijn ouderen reismakker, die hem met de volgende bewoordingen aan Van Dyk (want onder dien naam alleen kende hij Eugenio) voorstelde: "_Eruditissime vir! Dominé_ Van Dyk, _vel melius Ab Aggere!_ Ik ben uw onderdanige Dienaar, _humillimus servus!_ Groote dingen zullen door UEd. in Israël uitgericht worden. Ik heb de eer UEd. hiernevens aan te bieden.... _virum juvenem egregium, magno ingenio vel magni ingenii_, want beide zegt men, _teste Gerardo Joanne, viro celeberrimo_.... een voortreffelijk jong mensch, den Heer.... ja hoe heet hij,.... Van der Hummes of zoo een naam, _sed nominum vana curiositas_.--_Sufficiat_, dat hij de feniks van alle reisgezellen is, _nec minus bonus potator_.... he! he! kastelein! een glas karnemelk met een scheutje brandewijn er in."

Na deze fraaie proeve van welsprekendheid liet Groenhovius (zoo heette de leeraar) zijn reisgenoot los, knikte nogmaals Meinertz toe, dat hij hem het gevraagde brengen zou, zette zich in een armstoel neder, vouwde de handen over den buik ineen, en zag het gezelschap met een wijdopgesparden mond aan.

"Wat moeten wij met dien dronken gek beginnen?" vroeg Mom halfluid aan Eugenio.

"Hem laten slapen tot hij nuchter wordt," antwoordde deze op denzelfden toon: "hier althans kan hij hoegenaamd geen kwaad uitrichten, al verspreekt hij zich."

"Is U Eerwaarde reeds lang met dien dronkaard opgescheept geweest?" vroeg Mom, zich beleefdelijk tot den jongeling wendende, die met een verlegene houding zijn reisgenoot beschouwde.

"Hedenmorgen ben ik hem, van Nijmegen aankomende, achteropgereden. Hij heeft mij verzocht, onder mijn geleide te mogen voortreizen, en heeft niet losgelaten, of ik moest nog in den _Gouden Ooievaar_ een tijdlang vertoeven om een glaasje van afscheid te drinken; UEd. is, naar ik vermoede, de Ambtman Mom, op wiens last ik hier geroepen ben."

"Dat is te zeggen," zeide Mom, Eugenio zijdelings aanziende: "op mijn last.... ja, in een zekeren zin. Eigenlijk heeft mijn vriend Van Dijk het een en ander met UEd. te overleggen. Wat mij betreft, ik ben uw dienaar tot hedenavond: dan hoop ik u weder te zien."

"Met uw verlof," hernam de jongeling: "hedenavond was het mijn voornemen, om...."

"Tot straks," hernam de Ambtman, hem beschermenderwijze met de hand groetende en zich vervolgens tot den Jezuïet wendende: "ik ga naar Preys en Leendertz," zeide hij: "gij zult het noodige met deze Heeren wel afhandelen."--Dit gezegd hebbende vertrok hij.

"Maar!" vervolgde de vreemdeling, zich naar Eugenio keerende "ik moet hedenavond naar Sonheuvel, en ik zie niet, welke redenen men hebben kan, mij hier op te houden."