De Pleegzoon

Chapter 20

Chapter 203,901 wordsPublic domain

Intusschen zag hij duidelijk in, dat de levenswijze, welke Ulrica thans leidde, weinig geschikt was om een aankomend meisje die genoegens te verschaffen, welke haar leeftijd voegen, noch die kundigheden, welke eener fatsoenlijke jonkvrouw betamen. Hij zelf bedankte er voor, om nog op zijn leeftijd zich in de hofplaats te gaan nederzetten en aldaar zeden en gewoonten aan te nemen, die hij lang verleerd was. Hij zag dus om naar een gelegenheid om haar in staat te stellen meer overeenkomstig haar stand en jaren te leven; en hierover begreep hij niemand beter te kunnen raadplegen dan Mevrouw de Douairière L. G. van Nassau, aan welke hij zich bij zijn reize naar Den Haag weder had doen voorstellen (en bij die gelegenheid zijdelings naar Ludwig, haar page gevraagd, doch vernomen had, dat deze met een gezantschap als klerk of schrijver naar Engeland was vertrokken). De Gravin bood hem haar diensten aan en verzocht Ulrica voorloopig eenigen tijd bij zich te hebben. Gaarne voldeed de Baron aan dit verlangen, en nu verliet het lieve meisje voor de eerste reize, en niet zonder hartkloppingen en angsten, het stille, eenvoudige land voor de deftige, woelige, schitterende hofplaats. Spoedig echter ontving Reede bericht van de Douairière, dat het weinig moeite zou kosten, om aan Ulrica de laatste hand te leggen en haar tot eene in allen deele volmaakte jonkvrouw te maken, daar de natuur haar niet alleen wat vernuft, karakter en schoonheid betrof, moederlijk bedeeld had, maar haar bovendien een zeker iets geschonken had, hetwelk anderen niet dan na jaren oefening verkrijgen kunnen; een zeker aangeboren gevoel, dat op zijn pas zwijgen en spreken doet, dat over alle daden en gezegden een fijn waas van bevalligheid, van smaak, van welvoeglijkheid weet te verspreiden, dat de houding gemakkelijk en los zonder wildheid, zedig en bescheiden zonder stijfheid maakt: een zeker iets, een _ick en weet niet wat_, hetgeen behaaglijk en beminnelijk maakt en het eenige is dat ook nu nog, in onze eeuw van gelijkheid, een kennelijk en onoverkomelijk onderscheid maakt tusschen de wel_geboren_ en wel_opgevoede_ vrouw.

In denzelfden brief meldde de Gravin aan den Heer van Sonheuvel, dat zijn dochter reeds de keuze had, tusschen verscheidene partijen, die zich opdeden, door haar schoonheid, door haar verstand of door haar middelen uitgelokt. Geen echter dier minnaars had zich nog durven verklaren, zoodat de Baron aan Ulrica bij voorraad alleen voorzichtigheid behoefde aan te bevelen, schoon zij (de Gravin) overtuigd was, dat het daaraan bij het jonge meisje niet zou mangelen. Onder de _pretendenten_ noemde Mevrouw van Nassau voornamelijk den Heer Mom, Ambtman van 't land tusschen Maas en Waal, een welgezeten, bemiddeld ridder, van middelbare jaren en in groot aanzien ten hove staande.

Kort na de ontvangst van dezen brief, die den goeden Baron in allerlei verlegenheden stortte, kwam er een onzer oude bekenden op 't onverwachts op Sonheuvel aan. Deze was niemand anders dan de strooper en kippendief Teun Wezer; _sed quantum mutatus ab illo_ [36]. Het voorheen nederhangend haar was sierlijk opgekruld en met een vederhoed bedekt: de boerenpij was tegen een fraai groen lakensch buis verwisseld, vol koorden en lussen: hij droeg een degen op zijde, had halve laarsjes aan, en reed op een fraai paard, dat kostelijk was opgetoomd. Alleen het fonkelend oog van Klaartje, Boukes nicht, herkende haar voormaligen vrijer: en het nieuwe gewaad, waarin zij hem weder zag, strekte niet weinig om haar achting voor zijn persoon te vermeerderen: ja zij werd grootsch op haar eigen doorzicht: want reeds lang geleden, toen iedereen zeide, dat Teun Wezer voor de galg opgroeide, had zij alleen staande gehouden, dat men hem onrecht aandeed en dat hij in tegendeel zeer wel zou voortkomen.

Hij werd dan nu ook niet weggejaagd, maar zeer vriendelijk ontvangen, vooral toen men zijn boodschap vernam. Hij kwam dan van den Ambtman Mom (in wiens dienst hij getreden was ten gevolge van, of na de boodschap, die Ludwig hem aan dezen had gegeven) en verzocht voor zijn Heer de eer van een bijzonder onderhoud met den heer Baron.

De Baron haastte zich hiertoe zijn bereidwilligheid te kennen te geven, en weldra verscheen de Ambtman bij hem en vroeg hem zonder veel omwegen om de hand van zijn dochter. Zijn gesprek, zijn toon, zijn ronde en te gelijk hoffelijke manieren behaagden den Heer van Sonheuvel evenzeer als het voorstel dat hij deed, hetwelk ook vele schoone zijden had, en zoover men gissen of nagaan kon, niet ééne slechte. Hij ontweek echter, vooralsnog het geven van een stellig antwoord, zeide dat zijn dochter nog te jong was om aan een huwelijk te denken, dat hij zelf niets tegen den Ambtman had, maar zich integendeel door diens aanbod vereerd vond, doch dat hij haar in geen geval buiten haar volkomene toestemming zou uittrouwen.

De Ambtman nam genoegen in dit antwoord: althans hij betuigde er geen gunstiger te hebben kunnen verwachten; en dit was inderdaad waar. Hij vertrok, verlof vragende om spoedig terug te komen, hetwelk hem beleefdelijk werd toegestaan. Hiervan kwam echter vooreerst niets, omdat hij wegens politieke aangelegenheden genoodzaakt werd een geruimen tijd in Oost-Friesland door te brengen.

Intusschen was de beminnelijke Ulrica bij haar vader teruggekomen; beiden hadden reeds een geruimen tijd sterk naar elkander verlangd en waren recht verheugd en gelukkig van zich weder te zamen te vinden. Hun blijdschap was niet weinig vermeerderd, toen eerlang onze beide reizigers van hunne lange tochten in 't vaderland terugkwamen. Was het afscheid aandoenlijk geweest, het wederzien was hartelijk en roerend, echter minder dan men, uit hetgeen tot nog toe van de hoofdpersonen dezer geschiedenis verhaald is, zou kunnen opmaken. Er waren jaren verloopen. Joan en Ulrica waren geen kinderen meer: de betrekking, die tusschen hen bestaan had, en die nu ook Ulrica wist dat op een valschen grond gesteund had, was verbroken. Ook de Baron, en dit bemerkte zijn pleegzoon al spoedig, was dezelfde niet meer: hij was nog altijd hartelijk, welmeenend en goed; doch hij had een zekere ongedurigheid, een zekere kregelheid aangenomen, die hem te voren minder eigen was. Hij scheen thans een al te groote gemeenzaamheid tusschen de beide jonge lieden te schromen: hij bracht Joan veel op groote partijen, gaf zelf feest op feest en liet Ulrica zoomin mogelijk met haar gewezen broeder alléén. "Bouke!" zeide de jongeling meermalen tegen zijn wapenbroeder: "de oude Heer is niet meer wat hij geweest is. Gij moet hem vooral niet weer verlaten: er zal kunst noodig zijn om hem weer tot de oude bedaardheid en gemakkelijkheid terug te brengen."

Bouke was ook niet erg tevreden: eensdeels omdat hij zijn Heer zoo veranderd zag sinds hij hem niet meer onder handen gehad had: anderdeels omdat hij zich verveelde, daar de meeste bedieningen, die hij te voren vervulde, op anderen waren overgegaan en ten derde, omdat Teun Wezer, (die nu een post van den Ambtman gekregen had) zijn nicht Klaartje staande zijn afwezigheid getrouwd had. Hij begreep echter, dat Joan gelijk had en, toen deze na verloop van eenigen tijd, weder naar het leger, dat hij slechts als verlofganger verlaten had, terugkeerde, bleef Bouke zijn ouden Heer gezelschap houden.

Wellicht zal de lezer zich te dezer plaatse verwonderen, dat ik, die in de laatste hoofdstukken met een langzamen tred ben voortgegaan, en schijnbaar min belangrijke gebeurtenissen tot in de kleinste bijzonderheden toe verhaald heb, over voorvallen van meer aangelegenheden, als b. v. de vrijage van den Heer Mom en de terugkomst van Joan, zoo los heenloop: ja vreeze ik dat men de woorden, die ik als motto voor dit hoofdstuk gebruikt heb, op mij zal toepassen, en mij teffens de reden van mijn vreemd gedrag te dezen opzichte vragen. Ik zal antwoorden, dat het, in 't algemeen, niet van een schrijver afhangt lang of kort te zijn naar behooren: dat een schijnbaar min geschikt onderwerp hem een wijdloopige behandeling noodzakelijk maken zal: terwijl hij zich buiten staat zal bevinden, de gewichtigste zaken en de belangrijkste stoffe met gepaste woorden uiteen te zetten en in de noodige orde te verhalen:--terwijl ik tevens zal aanmerken, dat hetgeen ik hier heb overgeslagen, alleen is geschied om niet genoodzaakt te worden van tweemalen hetzelfde te zeggen, vermits het in het vervolg dezer geschiedenis te zijner gelegenheid, nader opgehaald zal worden. Wij zullen dus de jaren, die er verliepen tot aan den tijd, waarop wij den draad van het verhaal weder opvatten, om dien onafgebroken tot aan het slot vast te houden, zonder verdere beschouwing overslaan, alleen verzoekende, dat de lezer, tot beter verstand van het vervolg, met ons een oog gelieve te slaan op den staat der Nederlanden, tegen het einde van het twaalfjarig Bestand.

Prins Maurits had, sedert dat de zege der zich rechtzinnig noemende Kerk op de Remonstranten beslist was, het zenith zijner macht en grootheid bereikt. Zijn diepe ervarenis, zijn onverzettelijke vastheid, zijn nooit verkloekt beleid en zijn onvergelijkbare kunde als legerhoofd, hadden hem voorlang de schrik zijner vijanden, de roem der zijnen, het wonder van Europa en de spiegel aller krijgslieden doen worden. Misschien had men hem als staatsman niet minder groot geacht, ware niet Willem de Eerste zijn vader geweest. Dan ondanks de vergelijking, die men zich somtijds gedrongen gevoelde ten voordeele des laatsten te maken, gaf de invloed, welken de aanwassende rijkdom en macht der Vereenigde Gewesten op den politieken toestand van Europa verkregen, aan Maurits eene ruime gelegenheid om te toonen, hoe hoog een rang hij ook ten dezen opzichte bekleedde. En, was tot voor weinige jaren het pad, dat zijn staatkunde hem voorschreef, oneffen gemaakt door de hinderpalen, die hem de bekwame, doch onbuigzame Oldenbarneveldt had in den weg gelegd, de val van dezen en zijn aanhang had den Stadhouder in zijn bestiering over de Zeven Gewesten een bijna onbepaald gezag gelaten. Het behoort niet tot onze taak, over de maatregelen, door hem gebezigd tot bereiking van dat gezag, eenig oordeel te vellen. Wij moeten echter aanmerken, en het zal uit het vervolg dezer geschiedenis blijken, dat de triomfeerende Contra-Remonstranten de terging en onderdrukking, welke zij te voren ondervonden hadden, op een geduchte en zeker weinig Christelijke wijze aan hun tegenpartij betaald zetteden. Door het geheele grondgebied der Nederlanden was al, wat maar Remonstrantsch scheen, aan de hardste en grievendste behandelingen onderworpen. De hoofden der onderliggende partij waren gebannen, gevangengezet of in zware boeten beslagen: de kerkedienaren afgezet en tot armoede gebracht, de leeken uit alle posten en bedieningen gestooten.

Niet vreemd was het dus, dat velen hunner, door deze vervolging verbitterd en in hun begrippen versterkt, zich tegen de in hun oog onrechtmatige overheden niet zelden poogden te verzetten, en alle, ook de minst geoorloofde middelen bij de hand namen om hun verdrukte, doch talrijke medebroeders aan te zetten tot afschudding van het juk der synodale dwingelandij; ja zelfs het goud van Spanje en Frankrijk en de hulp der Roomschgezinden tot schraging hunner oogmerken verzochten.

Het bestand met Spanje stond ondertusschen te eindigen, en, hoe wel die Mogendheid de hoop had verloren, om de Nederlanden te runnen aanvallen op een tijdstip, dat de beide partijen nog even machtig en ongeneigd tot vereeniging waren, bleef zij echter het vuur van tweedracht en muiterij aanstoken en liet zij niet na, al wat bedektelijk Remonstrantschgezind bleef, door beloften en geschenken uit te lokken om zich tegen des Prinsen bestier te verzetten. Gelukkig echter voor Nederland en tot eer der natie waren er slechts weinigen, zelfs onder de verdrukte partij, die aan de uitlokselen gehoor verleenden en den naam van landverraders verdienden.

Wij laten na deze korte beschouwing aan den lezer over te beslissen, tot welke klasse de beide nieuwe sprekers behoorden, welke wij met den aanvang van het volgende hoofdstuk ten tooneele voeren.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Der papen kist is leegh. Sijn krijgs-volck blijft verswackt: sijn wissel achterweegh.

Terwijl was Spinola om gelt belaân te hoof: Hy leende hier op borgh en daar op goet geloof.

_Vondel_.

Buiten het bevallig gelegen Tiel strekt zich, langs den oever van de sombere Waal, een vroolijk bosschage uit, dat onderscheidene, alle zeer schilderachtige uitzichten oplevert. Het genieten der aangename natuur scheen echter de drijfveer niet te wezen, welke de twee personen, die het bezochten op den fraaien Meiavond, waarmede wij onze geschiedenis hervatten, derwaarts gelokt had. Noch de lentezang van het kwinkeleerend gevogelte, noch het bekoorlijk schouwspel der lieflijk bloeiende boomgaarden, noch zelfs de majestueuze vloed, die zijn wateren voortrolde aan den voet van den zwaren dijk, waarover het boschje zich uitstrekte, schenen hun aandacht bezig te houden. Van de bank, op welke zij onder het lommer eener zware linde gezeten waren, staroogden zij onophoudelijk op een veerschuit, die tegen wind en stroom van de overzijde langzaam aan kwam stevenen.

"Ik weet niet," zeide de een, "of het door de spiegeling der zon in 't water komt of door den verren afstand, of dat mijn oogen er schuld aan hebben; maar ik kan nog niemand van de opvarenden herkennen."

Die deze woorden sprak was een man van middelbare jaren, gezet van gelaat en lichaam, hoog van rug en met grijsachtig haar en baard. Hij droeg een nieuw zijden manteltje over een jachtgewaad, waarvan de oorspronkelijk groene kleur verschoten en de eens gouden passementen zwart geworden waren. Zijn metgezel was kleiner doch netter van postuur en eenvoudig, doch sierlijk in 't zwart gekleed. Zijn geestige oogopslag, de bevallige en wakkere levendigheid zijner bewegingen, en de zorg, waarmede haar en baard gekamd en gebalsemd waren, gaven hem een nog jeugdig voorkomen; doch eenige rimpels, die zich aan de slapen van het hoofd vertoonden, deden bij den opmerkzamen beschouwer het vermoeden ontstaan, dat de Ambtman van 't Land tusschen Maas en Waal (deze was het) zijn eerste jeugd had zien voorbijgaan.

"Het is zeker onaangenaam," zeide hij, "te moeten wachten, wanneer men zooals wij, in pijnlijke onzekerheid den tijd doorbrengt."

"Kom! kom!" hernam degene die eerst gesproken had: "zoo gij den moed laat zakken, weet ik niet wat UEd. dienstwillige dienaar wel doen zal; want ik ben er toch in allen gevalle de ergste aan toe."

"Den moed zult gij althans nimmer verliezen, mijn waarde Botbergen!" zeide Mom.

"Neen," hervatte deze, "maar wat helpt deze, wanneer...."

"Zoo meen ik het niet," viel hem de Ambtman in de rede:--"men kan niet verliezen wat men nooit gehad heeft."

"_Was zum henker_!" riep Botbergen uit, de hand aan het gevest van den degen slaande, "indien een ander dan Jakobus Mom mij zulk een beleediging zeide."

"Maar gelukkig voor u is het Jakobus Mom en geen ander," zeide deze: "nu, kijk mij maar zoo grimmig niet aan; gij weet immers, dat uw fratsen bij mij geen opgeld doen. Zeg mij liever eens, waarom gij begrijpt er erger aan toe te zijn dan ik."

"Ei hoe dom, dat gij dat niet beseft. Jakobus Mom, over Maas en Waal machtig en gezien, en die op trouwen staat met het schoonste en rijkste meisje van den omtrek: die, zoo de aanslag lukt, misschien Stadhouder van de geheele Provincie wordt, en zoo die mislukt, zich wel zal weten te dekken, zou die een ongerustheid kunnen voeden, gelijk aan die van Elbert van Botbergen, die zich in geval van een goeden uitslag, met een schraal ambtje, misschien wel met een "God loone u" zal zien betalen, en zoo de boel in de war loopt, een kop korter gemaakt wordt."

"Dwaas!" zeide Mom: "juist daarom zou uw lot gunstiger staan dan het mijne, omdat gij niets te verliezen hebt, terwijl ik veel op het spel zet;--echter is het met mijn huwelijk nog lang zoo zeker niet; mijn krediet is sedert eenigen tijd aanmerkelijk gedaald, en zoo er heden geen geld van Grobbendonck komt, laat ik den aanslag varen;.... doch zie eens toe, Elbert! heeft Teun Wezer niet twee vreemde passagiers aan boord?"

"Gij hebt scherper gezicht dan ik," antwoordde Botbergen: "mijn oog is niet genoeg geoefend om op zulk een afstand inlanders van vreemden te onderkennen."

"'t Is waar, ik herinner mij gehoord te hebben, dat gij in den krijg nooit een vijand zijt aangevallen, uit vrees van door misverstand een vriend te deren."

"Gij schijnt er heden smaak in te vinden om mij zotheden te zeggen," antwoordde Botbergen, de borst opzettende: "doch ik denk er niet op te antwoorden."

"Niet? Gij waart anders altijd beroemd wegens uw vlugge antwoorden.... met den mond namelijk.... Doch nu herken ik dien éénen passagier: het is Gerard Preys, en die andere is Leendert Leendertz: maar wie is die derde, die naast den veerman zit?"

"Ja!" zeide Botbergen: "hoe wil men een vent herkennen, die een hoed met breede randen draagt en in een mantel gebakerd zit? Kijk, daar staat hij op. Wie duivel mag die lange spergie wezen. Hij lijkt wel den koning uit het kegelspel.

"Wij zullen nu ten minste vernemen hoe de vork in den steel zit," zeide Mom, oprijzende. "Doch laten wij stadwaarts gaan en de aankomenden verbeiden. Ik weet waarlijk niet, welke tijding ik liever had, dat zij mij aanbrachten."

"Foei!" zeide Botbergen: "zult ge achteruitkrabben, nu wij zooverre gevorderd zijn? Doch ik gis de reden al: gij zult uw jonge vrouw geen droefheid willen veroorzaken, door den vijand uit te noodigen om uw wittebroodsdagen te helpen vieren."

"Dat ware het minste," antwoordde Mom: "doch mijn huwelijk moet voltrokken zijn, eer de vijandelijkheden beginnen; anders komt er, gelijk vanzelf spreekt, niets van."

"Dan zult ge u zeker moeten haasten."

"Ja! en het ergste is, dat de Freule, gelijk ik uit alles bespeur, een tegenzin in mij heeft opgevat, waarvan ik de oorzaak niet weet, doch daarin meen te vinden, dat een zekere knaap, een frissche jongen, die met haar is opgevoed, waarschijnlijk het hartje van dat bloemzoete maagdeke met zich genomen heeft naar de Palts, waar hij zich, geloof ik, thans bevindt."

"Zoo! en hoelang is het wel geleden, dat zij den knaap gezien heeft?"

"Dat zal nu ongeveer twee jaren zijn" antwoordde Mom: "hij is, meen ik, in 19 van hier vertrokken."

"Zoo! dan vat ik de kneep! en ik geloof inderdaad, dat een vergelijking tusschen een frisschen speelmakker en een deftigen heer als de Ambtman Mom, nooit gunstig uit kan vallen voor den laatste. Doch misschien is het meisje wel van haar liefde te genezen! vooreerst, wij hebben de afwezigheid van den minnaar in ons voordeel, en dat zegt veel: en, dan in de tweede plaats.... hoe heet die knaap? ik zal hem waarschijnlijk wel kennen; want ik heb een blauwen Maandag onder dien Spotkoning Frederik gestreden."

"De wapens gevoerd, meent gij; want gestreden, dat kan ik van u niet gelooven.--Des jongelings ware naam is mij nog onbekend; want zoo ik wel onderricht ben, is hij van Spaansche afkomst. Doch de Heer van Sonheuvel heeft hem onder den naam van Joan van Craeihorst laten inschrijven op de krijgsrollen, en ik geloof dat zijn oogmerk is, hem dat landgoed, 't welk onder Sonheuvel ligt, bij zijn afsterven te legateeren."

"Joan van Craeihorst! o! dien heb ik zeer goed gekend, en waarlijk, dan besef ik uw vrees: want het is een jongen als een kool.... wat opvliegend en driftig; ik heb eens een hevigen twist met hem gehad; want wij dienden onder één vaandel."

"Zoo! dat zal dan misschien de reden geweest zijn, dat gij zoo spoedig het leger verlaten hebt om uw haardsteden weder op te zoeken?" zeide Mom, spottende.

"Juist! ik had hem gewond, en zoo ik meende doodelijk: en om die reden ontvlood ik de straf, op het tweegevecht gesteld; doch dat blijft onder ons."

"Natuurlijk!" zeide Mom: "ik zou u zelfs raden het voor u te houden, eer men u in 't aangezicht logenstrafte!.... doch dat is om 't even: gij hebt dus nog een oude veete tegen dien Jonker?"

"Ongetwijfeld," antwoordde Botbergen: "en zoo ik hem kwaad kan doen, zal ik het niet nalaten."

"Voortreffelijk! dus zoude het voorvalletje, betreffende uw krakeel, behendiglijk en op zijn plaats verhaald...."

"Dat was net wat ik in de tweede plaats wilde aanvoeren," zeide Botbergen: "een beetje kwaadsprekendheid en de belasterde wijd van hier.... daarmede komen wij ver, geloof dat vrij."

Onder dit gesprek hadden zij het boschje verlaten en waren, binnen de stad, aan de deur eener burgerwoning gekomen, van welke zij het woonhuis binnentraden. In den winkel bevond zich een bejaard man, met een klein knipbrilletje op de punt van den neus, een grijze kalot op het hoofd, een stemmig gelaat en een bijbeltje naast hem. Deze man was een schrijnwerker, gelijk de meubelen, die hem omringden, aanduidden. Hij was bezig met het afschaven van een kabinet, welke bezigheid hij verlichtte door met een holle stem psalmen te zingen. Toen de beide heeren binnenkwamen, lichtte hij den bril af, zag hen even aan, zonder zijn werk noch zijn gezang te staken, en wendde terstond weder zijn oogen op de nooteboom-houten plank, die hij voor zich had.

"Is de achterkamer ledig, Klaas Meinertz?"--was de vraag, welke hem de Ambtman deed.

De oude man knikte toestemmend, zonder op te zien.

"En heeft men u gewaarschuwd, dat ik eenige kennissen spreken moet? En weet ge het woord?"

De schrijnwerker beantwoordde deze vragen op dezelfde wijze, zonder zijn arbeid te staken.

"Zou men niet zeggen," merkte Mom aan, zooras hij zich in het achterkamertje met Botbergen alleen bevond: "dat diezelfde Klaas Meinertz de botste, eenvoudigste ezel ware, dien men ooit gezien had? En echter is er misschien niemand, die er zich beter op verstaat een komplot aan den gang te houden. Het is nu zestien jaren dat hij de Spanjaards als spion dient, en altijd ongemoeid en zonder ontdekt te worden."

"Dat geloof ik wel," zeide Botbergen: "daar de Ambtman van Maas en Waal in 't geheim was, die hem ongestoord zijn weggetje gaan liet. Doch men zal op dien Meinertz een wakend oog dienen te houden: hij dient de Spaansche zijde, ja; doch alleen voor geld: en voor geld zou hij die even gereedelijk verraden."

"Men moet op hem evengoed letten als op Teun Wezer, op Daen Duyfs, op Eyndhouts, ja--op u zelven, Elbert! Is niet die verbetering uwer middelen het eenige doel, waarom gij den Staatschen afbreuk doen wilt?"

"UEd. wordt al te scherp," zeide Botbergen: "indien, hetgeen gij zegt, waar is, mocht gij wat meer zorg dragen, iemand, die, zooals ik, u om hals kan brengen, door dergelijke aanmerkingen niet te kwetsen."

Mom gevoelde de kracht van dit argument, en ten einde zijn vorige uitvallen weder goed te maken, nam hij een vriendelijker toon aan. "Nu, Elbert," zeide hij: "maak u niet boos. Wij hebben elkaar niet veel te verwijten. Ik zelf, ik wil u gaarne bekennen, dat ik, zoo er kans voor mij overbleef om mijn verwarde fortuin in den dienst mijns vaderlands weder goed te maken, geen Spanjaards zou inroepen."

Nauwelijks had hij deze woorden geëindigd, of de schrijnwerker trad binnen en gaf op zijn gewone geheimzinnige wijze te kennen, dat er iemand aan de deur was, die Zijn Edelheid wenschte te spreken.

"Is hij van die wij verwachten?" vroeg Mom.

"Hij weet het wachtwoord," antwoordde Meinertz, de schouders ophalende.

"Dan zal het Preys wezen of Leendertz. Laat maar binnenkomen."

De grijsaard vertrok: doch scheen niet terug te komen.

"Wat dralen zij nu?" riep Mom, ongeduldig het vertrek op en neder gaande. "Elbert! ga eens zien waar zij blijven."--Botbergen opende de deur.

"_Pax vobiscum_!" [37] zeide een lange zwarte gedaante, die juist binnentrad.

"Wie duivel?" riepen de beide edellieden, verbaasd terugtredende en de hand aan hun degens slaande.

"Eilaas! Sint-Jan is dood," zeide de onbekende, zacht.

"Maar alle hoop nog niet ontvlood," antwoordde Mom op denzelfden toon. "Dat is nu volkomen goed en wel; maar met wien spreken wij?"