De Pleegzoon

Chapter 2

Chapter 23,296 wordsPublic domain

"Indertijd, toen ik Curator van 't Gymnasium was, had _Hofdijk_ ook zoo'n boekje geschreven.... doch ik zei, dat hij aangesteld was, om aan de jongelui de Hollandsche taal te leeren en niet het Middel-Nederlandsche _patois_ en ik verbood het gebruik van dat boekske. Die studiën van Gothisch, Angel-Saksisch, Middel-Nederlandsch enz. mogen zeer goed zijn voor filologen, maar zij kunnen er niet toe strekken om onzen stijl of onzen smaak te vormen, en die zoogenaamde naïveteit er van--'t eenige wat dan nog 't gebrek aan vorm, rhythmus, kadans, maat, rijm, enz. vergoeden moet, geef ik graag present en.... lees liever Fransch.

"Verder is er, althans in de eerste helft van uw boek bijna geen bladzijde, waarover ik geen lust zou hebben met u te twisten. 't Schijnt, dat bij u, even als bij velen, heden ten dage de _vorm_, de _dictie_, niets is en alles zich moet bepalen tot de gedachte. Maar _poëtische_ gedachten heeft bijna iedereen, dunkt mij, en de kunst bestaat juist daarin, dat men ze in een cierlijken, welluidenden, bevalligen vorm giet, die door het oor het hart treft en den geest bevredigt. En daarom, hoe groot en verbazend een genie Shakespere geweest is, ik mis herhaaldelijk bij hem die harmonie, die eenheid, die zuiverheid van vorm, die samen moesten werken om een wezenlijk schoon geheel te verkrijgen. Dat ik hoog met hem loop, blijkt wel daaruit, dat ik zoowel op mijn tiende, als op mijn 50ste en 60ste jaar stukken van hem vertaald heb, maar hoe meer ik hem vereerde en bewonderde in zijn reusachtige grootheid, hoe meer het mij hinderde, als ik zoovele euphuïsmen, platheden en laffe aardigheden naast de verhevenste brokken vond. Ik houd machtig veel van Jan Steen en ik bewonder Rubens; maar het zou mij stuiten, als ik op den achtergrond eener schilderij, die Christus met de Apostelen voorstelde, een boeren bruiloft zag. 't Moge het menschelijk leven zijn naar waarheid geschetst, maar "bloemen"--als _Bredero_ zegt--is ook menschelijk; en toch hoort het op het tooneel niet thuis. En daarom al mocht ik eens toegeven, dat de stukken van Shakespere meer schoons bevatten dan eenig ander stuk, zoo is er niet een onder zijne treurspelen, hetwelk door harmonische eenheid voldoet aan 't geen ik in een treurspel vorder en b. v. terugvind in den Edipus van Sofokles, in den Cid, in de Iphigénie en de Athalie, in den Lucifer en in den Jozef in Dothan. Ik laat natuurlijk ieder vrij anders te denken: _hanc veniam damus, petimusque vicissim_; maar ik kan niet goedkeuren, dat gij zoo bepaald als lofredenaar van Shakespere optreedt. Onze voorouders zondigden in een tegenovergesteld uiterste en bij hen was Shakespere een barbaar. Nu liggen de groote schrijvers van de eeuw van Lodewijk XIV achter de bank, en mogen alleen Shakespere en Goethe bewierookt worden. Ik heb voor een paar jaar diens "Egmond" zien vertoonen. "'t Moet mooi zijn," dacht ik, "omdat het van Goethe is; was 't van een onbekende, ik zou zeggen, wat een godsjammerlijk prul is dit." Er is een mode in alles; maar omdat men nu een voorstander is van de italiaansche muziek, moet men daarom de Euryanthe leelijk vinden."

Ik behoef der schim van mijn vaderlijken vriend en beschermer geen vergiffenis te vragen voor de vrijmoedigheid, waarmeê ik hem na zijn dood nog eens het woord geef.

In 1867 sprak _Van Lennep_ aldus met volle overtuiging. Uiterst merkwaardig schijnt het mij het contrast te bestudeeren tusschen den als hoofd der Romantische School gehuldigden auteur van "_Ferdinand Huyck_" en zijn eigene zuiver classieke, zuiver achttiende eeuwsche, zuiver Fransche aesthetiek.

Hadde _Van Lennep_ tot in onzen tijd kunnen leven, hij zou zich verheugd hebben in de zich langzaam ontwikkelende nieuwe _Renaissance_, die nog nauwelijks wordt opgemerkt, maar toch eene schoone toekomst te gemoet gaat. _Van Lennep_, schrander en helder ziende in de toekomst, zou begrepen hebben, dat de Nederlandsche Letteren haar voordeel zouden kunnen doen met het Fransche Naturalisme, maar dat zij nimmer tot eene slaafsche navolging dezer school zouden kunnen afdalen. Hij zou tevens begrepen hebben, dat de afgoderij met sonnetten en raadselachtige verstandspoëzie evenmin tot het gewenschte doel: verjonging onzer nationale muzen, zou kunnen leiden. Zijn eigen standpunt moge dan voor ouderwetsch doorgaan, hij vertegenwoordigt in elk geval de classieke, smaakvolle denkwijze, door zijn vader _David Jacobus_ zoo welsprekend verdedigd. Hij moge reeds in zijne jongensjaren _Shakespere_ vertalen, wetgevers op kunstgebied blijven voor hem alleen _Boileau_ en _Horatius_. Ademend in de classieke atmosfeer zijns vaders, van zijne vroegste jeugd met Latijnsche verzen begroet, zou hij de overwinnende Romantiek alleen onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarden. De algemeene geestdrift voor _Walter Scott_ en _Byron_ bracht hem tot zijne "_Legenden_" en zijne _historische romans_. De bijval, hem geschonken, stuwde hem verder voort, dan hij misschien wel wilde, naar de kusten der Romantiek, immer vasthoudend aan de classieke beginselen, die hem als knaap en student waren ingeprent.

De "groote schrijvers" der eeuw van _Louis XIV_ lagen hem na aan het hart. Hij begreep de schoonheden van _Shakespere_ en Goethe, maar was in den grond der zaak geen voorstander der Romantische School van 1830. Dit bleek mij uit den reeds aangehaalden brief van 1867, waarin hij mij berispte, omdat ik mij veroorloofd had met zekere koelheid over het _Leerdicht_ te spreken.

"Ik zie niet in"--schreef hij mij--"waarom het _Leerdicht_ een banvloek verdient, als gij er over uitspreekt. _Bone Deus_, de [Greek: Erga chai êrerai], de _Georgica_, de _Ars poetica_ ('t zij van Horatius, 't zij van Boileau), de _Ziekte der geleerden_, zooveel heerlijks en liefelijks, met een pennestreek weggecijferd: wel, mij dunkt, zoo als Bilderdijk zeer te recht zegt:

"Geen veld is dor, waar dichtkunst zich vertreedt!"

"en juist dit is haar privilegie, om uit den schijnbaar dorren bodem de heerlijkste vruchten te doen uitspruiten. Ook hier wederom zeg ik:

"Tous les genres sont bons, hors le genre ennuyeux."

Vader _Van Lennep_ maakte zich hier wat al te snel van de zaak af. Maar zijn gevoel brengt hem niet op een dwaalweg. De didactische poëzie heeft haar voor en tegen. Juist in deze laatste jaren zijn vele hoeden en mutsen afgenomen voor de Muze der Didactiek. De roman, afhankelijk gesteld van grondige studie der anthropologie, psychologie en sociologie; de lyrische poëzie in dienst van alle wetenschappen en elke wijsbegeerte--mij dunkt deze teekenen der tijden zouden _Van Lennep_ niet al te zeer hebben mishaagd.

Nog een kenmerkend hoofdstuk zijner aesthetische wereldbeschouwing, draagt tot opschrift: "Verdiensten der achttiende eeuw." Aan het slot van den zooeven aangehaalden brief, vermaant hij mij nogmaals:

"Het gerijmel der 18de eeuw vindt geen genade in uw oogen. 't Spijt mij, want ik ken een menigte brokken van buiten uit Poot, uit den _Achilles_, uit den _Monzongo_, uit het _Beleg van Haarlem_, uit den _Agon Sultan van Bantam_, uit de vertalingen door Doornik en door Nomsz gemaakt, en ik zet het onzen hedendaagschen poëten--ten Kate uitgezonderd--om zulke vaerzen te schrijven. 't Is net hier als in Frankrijk, waar men zich--een Victor Hugo aan 't hoofd--volstrekt niet meer stoort aan censuur of kadans. Ik las dezer dagen....... van onzen vriend H. Lieve Hemel, bijna geen bladzijde, waar ik niet een vers aantref, dat een voet te veel of te weinig heeft. Bij S. ad idem. Als er dat nu niet op aankomt, 't is mij wel; maar voor mij is het niet genoeg, dat een lied muzikale gedachten bevat; om mij te behagen moet het speeltuig behoorlijk gestemd en de zangstem zuiver zijn, anders verscheuren zij mij de ooren...."

Uit het graf klinke deze vermaning vrij in onze woelige letterkundige wereld van 1886. Slechts oppervlakkigheid en verwaandheid, vruchten van halve wetenschap en geheele zelfmisleiding, zullen den fijngevoelenden _Van Lennep_ een antwoord onwaardig keuren.

IV.

De auteur van "_Ferdinand Huyck_" dankt zijne populariteit niet uitsluitend aan zijne romans.

Behalve dezen deed hij zich als echt _Nederlandsch dichter_ kennen. Heel zijn leven lang zorgde hij er voor, dat bij elke plechtige gelegenheid eenige toepasselijke regelen van zijne hand voor zijne vrienden het licht zagen. In den huiselijken kring of in het maatschappelijk leven werd elke belangrijke gebeurtenis door hem met hartelijke woorden herdacht. Van zijne "_Academische Idyllen_" (1826) tot aan zijne "_Vermakelijke Spraakkunst_" (1865) bleek hij zoo niet de geestigste, dan toch zeker de opgeruimdste en levenslustigste zanger, die onder ons, deftige lieden, te vinden was. Een snaaksche glimlach was om zijne lippen als bestorven, zoodat, toen hij de koddige grappen van zijn vriend _Gerrit van de Linde_ in zijn almanak "_Holland_" deed afdrukken, ieder geloofde, dat hij zelf ze geschreven had.

Er is in de laatste vijfentwintig jaren geene bloemlezing onzer hedendaagsche dichters, waarin niet op de eereplaats aangetroffen wordt _Van Lennep's_:

"Mijn waarde Neef! ik durf het wagen U twee kommissies op te dragen: 't Is, in 't Verkoophuis, voor Papa, Vier doosjes Lucifers te koopen, En op de Bloemmarkt voor Mama, Wat lentebloemzaad op te loopen: Dan voor broêr Kees, een nieuwen tol. Voorts zendt Gij mij, 'k durf daarop reeknen, Een boek papier om op te teekenen, En ook vier strengen zwarte wol.

"Wil voorts een kistjen Rencurrellen, Bij Reynvaan, voor oom Piet bestellen; En wip dan bij Verschuur eens aan, Om Lizes bracelet te halen; Van daar kunt gij bij Holters gaan, En onze rekening betalen. Voorts wacht ons Mietje een trommelvol Met biesjensdeeg en drabbelkoeken: Zend mij wat nieuwe Fransche boeken, En dan, vooral, vier strengen wol.

"Laat Sacher, met den beurtman, morgen, Wat versche bloemen ons bezorgen, En koop meteen, op 't Muiderplein, Voor tante Saar wat Lange-Lijzen: Gij kent haar smaak voor porcelein; Zend voorts een kooitjen voor haar sijzen, Een aanzetleder voor Oom Nol, Een verschen pot met tamarinden, Die gij bij Gerber wel zult vinden, En dan, voor mij, wat zwarte wol."

Voorts het gedicht aan een zijner kleinzoons:

"Teeder en aanvallig wichtjen, Dat zoo geestig om u heen kijkt Uit uw (niet meer schom'lend) wiegjen: (Schomlende zijn uit de mode)!

"Dat nog van de tegenspoeden, Die ons hier beneden kwellen, Geen ervaring hebt verkregen --Dan door 't steken van de muggen!--

"Dat, nog zuiver van de driften, Die op rijper leeftijd woelen, Nimmer boos wordt--dan alleen maar Als men niet terstond uw zin doet!

"Dat, nog vrij van dwaze wenschen Vrij van zondige aardsche lusten, Uw begeerten blijft beperken Tot een trek naar soep of bloemkool!

"Dierbaar kind! gij zijt onkundig Van uw laatre lotsbestemming, Ik, in spijt van grijze ervaring, Weet daarvan zooveel als gij weet.

"Maar, zoo gij nog naar de toekomst Geen vermeetle blikken heenwendt, Of althans niet verder uitziet Dan naar 't heerlijk etens-uurtjen;

"Ik--en 'k durf geenszins bepalen, Of het dwaas is dan verstandig-- Ik, ik kan mij niet weêrhouden, Naar die toekomst vaak te gissen.

"Zult ge een pleitbezorger worden? In den handel u begeven? Of, uw ooms tot voorbeeld kiezend, Uw fortuin in de Oost gaan zoeken?

"Zult gij in de koffijhuizen Aan 't biljard uw dagen slijten, Altijd wachten op een postjen, Dat u nimmer wordt gegeven?

"Of zult gij den krijgsdienst kiezen, En u krijgstrofeën vormen Van sjakoos, nog voor 't verslijten Door een nieuw model vervangen?

"'t Is mij, in den grond, om 't even; Want men kan in elken werkkring, Al naar 't valt, carrière maken Of een bittre sukkel blijven.

"Maar, lief kind, wat hier beneden Ooit het doel zij van uw streven, Tracht toch--wat ik u mag bidden-- Nimmer naar den naam van dichter...."

Dan zijne "_Lente-Mijmeringen_, 21 Juni 1855,"

"Mij heugt, toen ik een knaapjen was, En Mei in 't land gekomen, Wij zaten 's avonds op 't terras In schaaûw der lindeboomen,

"Dan sprong ik als een jonge ree En plukte mij een ruiker, De Gouvernante schonk ons thee Ik kreeg dien zonder suiker.

"O, 't blijkt uit alles zonneklaar, Men mocht in vroeger dagen Op Lente reeknen ieder jaar; Wat kon haar toch verjagen?

"Hoe meenge winter ging voorbij, Dat wij begeerig smachtten Naar 't lieve Lentejaargetij, En vruchtloos bleven wachten.

"Met ieder jaar bleef 't winterijs Wat langer in het water, En bleef de lucht wat langer grijs, En kwam de zomer later.

"En nu--'t is reeds de langste dag: Reeds moest de zomer komen; En 'k heb in Neêrland, waar ik zag, Geen voorjaar nog vernomen."

Eindelijk zoo menig lied vol prettigen kortswijl uit zijn Almanak "_Holland_," of uit zijne "_Zeemansliedjes_," alles zuiver Hollandsch veldgebloemte, nederig, eenvoudig, gezond.

Critiek, die gaarne overvraagt, heeft _Van Lennep_ verweten, dat zijne scherts te weinig fierheid bezat, dat hij met zijne anecdoten en kwinkslagen, ook in het dagelijksch gesprek, tot lager kringen afdaalde, dan tot welke hij zelf behoorde. Zijne snakerijen met de geschiedenis des Vaderlands berokkenden hem zelfs dichterlijke boetpredikatiën van verontwaardigde, maar minder geestige kunstvrienden. Het is mogelijk, dat hij het soms wat bont maakte, maar ontkend mag het niet worden, dat juist deze trek van zijn karakter, deze zijde van zijn talent hem tot den meest Nederlandschen, tot den populairsten dichter en romanschrijver van zijn tijd gemaakt hebben.

In de geschiedenis der Letterkunde van een klein volk is het niet zoo gemakkelijk de eigenaardige trekken van het nationale karakter terug te vinden. De classieke en moderne Letteren oefenen grooteren invloed, omdat kleine volken, wier taal niet algemeen gesproken wordt, zich letterkundig minder zelfstandig ontwikkelen kunnen. Trots deze beletselen zal het den historieschrijver onzer litteratuur toch mogelijk blijken het _nationaal-Nederlandsche_ op het spoor te komen. _Van Lennep_ drukte in zijn persoon en in zijn werk dat nationaal-Nederlandsche voortreffelijk uit.

Kwinkslagen, scherts en kortswijl; een goed oog op het comische in het leven en in de kunst; belangstelling in het blijspel, soms dalend tot de platte klucht, soms stijgend tot vlijmende satire of teederen humor--zie daar de meest in het oogvallenden karaktertrekken onzer letterkundige kunst, die tevens worden teruggevonden in de geschiedenis onzer schilderschool. In de middeleeuwen, in de XVI en XVII eeuwen valt het niet moeilijk dit telkens met luidsprekende feiten te staven. Het is onnoodig op den _Reinaert_, op de "schoone boerden," op de "sotternien," op de volksliederen en volksromans te wijzen; overbodig te herinneren aan den gullen lach van den ronden _Roemer_, aan de vroolijkheid van _Jan van Hout_, aan de drink- en minneliederen van _Bredero_ en _Starter_, aan _Hooft's_ "_Warenar_," aan _Vondels_ "_Rommelpot_," aan de maaltijden van _Jan Steen_, de boerenkermissen van _Ostade_, de _Teniersen_ en _Rubens_, aan de kroegen van _Adriaen de Brouwer_, aan de schaterlachende zangers, drinkers en vischwijven van _Frans Hals_--dit alles is meermalen uitdrukkelijk in het licht gesteld.

Mocht ook in latere tijden de goedronde lach onzer vaderen verstommen, mocht het kille Calvinisme zich paren aan het practisch streven naar Nuttige, Voordeelige, Bruikbare dingen, toch ging de overlevering van onze nationale luim in de geschiedenis onzer letteren niet verloren. _Langendijk_, _Troost_, _Asselijn_ en _Bernagie_ bleven onzen ouden volksaard getrouw; aan het slot der vorige eeuw triomfeerden twee geniale vrouwen in "_Sara Burgerhart_" en "_Willem Leevend_" op al de booze geesten, die der Nederlandsche Muzen onverzoenlijken haat hadden gezworen. _Van Lennep_ was inzonderheid een echt Nederlander door zijne kunst. Zijne patricische Amsterdamsche stemming, zijne bewonderenswaardige wetenschappelijke vlijt in de uitgave van _Vondel's_ werken gebleken, zijne veelzijdige letterkundige en historische kennis, werden altijd verhelderd door eene zonnestraal van vriendelijke geestigheid; zijne deftige betoogen afgewisseld door een vroolijken zet, zijne ernstige buien opgehelderd door eene grappige anecdote.

Bij _Sijthoff's_ nieuwe uitgaaf van _Van Lennep's_ romantische werken een hartelijk woord te voegen, was het doel van dit eenvoudig opstel. _Van Lennep's_ leven is het best en uitvoerigst beschreven door _A. J. de Bull_ in de "_Levensberichten_" der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Daarbij is eene lijst van geschriften gevoegd, die de wenschen van den lastigsten bibliograaf overtreft. Verschillende mannen van naam: _Jonckbleet_, _Réville_, _Busken Huet_, _Schimmel_ en _Nicolaas Beets_ hebben hunne meening over _Van Lennep_ gezegd; toch ontbreekt nog de monographie, die zijne geheele persoonlijkheid, zijne veelzijdige werkzaamheid, zijne beteekenis voor de geschiedenis onzer Letteren te zaam vat, en met wetenschappelijke nauwkeurigheid beschrijft. Eene nieuwe uitgaaf zijner romantische werken kan misschien aanleiding worden tot vervulling dezer behoefte, althans de gedachte verlevendigen, dat een dergelijk boek nog altijd moet geschreven worden.

Dr. Jan ten Brink.

DE PLEEGZOON.

EERSTE HOOFDSTUK.

Ghy die by vreemde lieden koomt, Het is u nut te sijn beschroomt.

Cats.

Het was op den vier-en-twintigsten van Bloeimaand des jaren 1598, dat de beroemde Filips van Marnix, Heer van Sint-Aldegonde, een zijner dochteren aan den Vrijheer van Asperen uithuwelijkte. Het hooge aanzien, waarin 's bruids Vader ten hove stond, de welverdiende roem, welken hem zijn uitmuntende bedrijven zoo in vredes- als in oorlogstijden verworven hadden, de hartelijke genegenheid en ongeveinsde achting, hem door de hoofden van 's Lands bestuur niet alleen, maar ook door de lagere standen toegedragen, hadden de plechtigheid, die zijn geslacht aan een der edelste huizen van den lande verbond, tot een bijna nationaal vreugdefeest verheven. Menschen van allen rang, staat en beroep stroomden naar Leiden, waar de inzegening der verloofden in de Waalsche kerk zoude plaats hebben: men vleide zich daarenboven, de plechtigheid te zien opgeluisterd door de tegenwoordigheid van Graaf Maurits, die, zoo als het gerucht liep, bereids zijn woord aan den Heer van Aldegonde gegeven had, om met geheel zijn hof het trouwfeest te zullen bijwonen.

Was de menigte groot, die, alleen uit nieuwsgierigheid, en zonder nog te weten, hoe daaraan best voldaan zou worden, naar de Academiestad gelokt werd, menigvuldig waren ook de opzettelijk genoodigden, ten wier gevalle men voor geschikte plaatsen in de kerk de vereischte zorg had gedragen en al de tuinen, die men reeds rondom Leiden begon aan te leggen, van bloemen beroofd, om hun ten blijke hunner hoedanigheid van speelnooten, fraaie ruikers, met kleurige linten versierd, te overhandigen.

Onder die genoodigden bevonden zich twee edellieden van voornamen huize, door de banden eener langdurige en trouwe vriendschap verbonden, met namen Ulrich von Daun, Graaf van Falckestein, en Hendrik van Reede, Heer van Sonheuvel. De eerste, een vreemdeling in deze oorden, had zijn goederen in Bergsland gelegen, alwaar hij op het slot van Bruck, aan de oevers der Roer, zijn gewoon verblijf hield. Hij was thans vanwege de Hertogelijke Raden van Kleef aan de Staten-Generaal der Vereenigde Provinciën gezonden, om voor het door de Spaansche legers bedreigde Kleefsland hun beschermende hulp in te roepen. Hij was een kloek, manhaftig Ridder, wiens gelaat en houding rustige dapperheid teekenden: zijn gestalte was rijzig en vol majesteit: zijn opslag kalm en onversaagd: zijn bewegingen gemakkelijk en zwierig: in één woord, men kon in hem, bij het eerste aanschouwen, den man van geboorte en opvoeding herkennen, wien zoowel in het kabinet als in het heir een der voornaamste plaatsen wettig toebehoorde. Sinds eenige jaren met Anna Margareta, Gravinne van Manderscheid, gehuwd, zag hij zijn echt gezegend met twee knaapjes, waarvan het oudste bij den aanvang dezer geschiedenis zeven en het jongste ongeveer twee jaren bereikt had.

Een geheel anderen aard als de Bergsche Graaf bezat de Heer van Sonheuvel. Zoo voorzichtig en bedaard als zich Falckestein betoonde, zoo haastig en driftig was zijn vriend; niet minder dapper dan Ulrich, bedierf Hendrik meestal zijn zaak door al te grooten spoed en overijling: in den strijd had hij meer dan eens zijn moed op een schitterende wijze doen blijken; doch ook niet zelden, de bevelen zijns opperhoofds niet inwachtende, zich onnoodig in gevaar begeven en daardoor ondank, ja bestraffing, in stede van roem en prijs behaald. Zijn postuur was eerder klein dan middelmatig: zijn grijze, doch levendige oogen waren altijd in beweging: stil te staan, lang dezelfde houding te bewaren, waren bij hem onmogelijke dingen: voor geheime diplomatieke onderhandelingen was hij ten eenenmale ongeschikt; doch zijn onwederstaanbare ijver, zijn gulhartigheid en welwillendheid jegens een iegelijk, zijn onverschilligheid voor het gevaar hadden hem in waarde doen houden bij zijne oversten, vooral wanneer het op de uitvoering aankwam eener gewaagde krijgsverrichting. Dan ook, als anderen voor het gevaar terugdeinsden, nam hij de hem opgedragen taak blijmoedig aan, ontzag zijn leven niet, trotseerde kogels en speren, en keerde, altijd met nieuwe wonden, doch ook veeltijds met de zege, terug. Indien men den Graaf van Falckestein bij den edelmoedigen, fieren en onversaagden leeuw konde vergelijken, de heer van Sonheuvel was evenals de trouwe wachthond, die, altijd gereed op de wenken zijns meesters, ter nakoming van het gegeven bevel volvaardig heensnelt en ter verdediging van het hem aanvertrouwde pand geen ongemak, geen dood zelfs ontziet. Thans bekleedde hij den rang van Ritmeester en diende onder de bevelen van Graaf Hendrik van Nassau. Ook hij was gehuwd en had zijn vrouw, die zich voor de tweede reize zwanger bevond, te Amsterdam, waar hij tijdelijk verblijf hield, in ziekelijken toestand achtergelaten.