Chapter 19
"Vergeef mij, vader! onder mijn valschen naam kan noch wil ik langer hier blijven: ik heb reeds lang genoeg rechten uitgeoefend, die mij niet toekomen, en mijn gevoel zou er tegen aandruischen om langer de Jonker van Sonheuvel genaamd te worden. En om als een gevonden kind, als een basterd, hier of te Leiden bekend te zijn, daartoe, vergeef het mij vader! ben ik te eergierig; misschien is dat dwaas van mij, en zal ik met de jaren mijn hoogmoed leeren onderdrukken; doch nu kan ik het denkbeeld niet verdragen, dat ik, die in geheel de omstreek altijd als de erfgenaam van Sonheuvel heb doorgegaan, opeens door den kleinsten boerenjongen met den vinger zou worden nagewezen. Ik moet onder een vreemden naam een vreemd land opzoeken, en dáár mijn bevordering aan mijzelven dank weten."
"De Dominee en Bouke hebben u recht beoordeeld, mijn zoon!" zeide de Baron: "ik zal over uwen voorslag nadenken; staken wij thans dit gesprek en laten wij ons niet als kinderen aan onze droefheid overgeven. De etensbel roept ons aan tafel. Kom! geef mij uw arm en verzetten wij ons leed met een goed stuk reevleesch en een roemer wijn."
Den volgenden morgen was Bouke in de diergaarde zijn gewoon werk gaan verrichten: reeds had hij aan de valken hun dagelijksch rantsoen toebedeeld en begaf zich naar de fazanten, die al klokkende naar hem toe kwamen om het brood op te pikken, dat hij uit zijn voorschoot schudde, toen Ulrica de omheining intrad, om, zooals zij dagelijks deed, deze verrichting met hem te deelen. Het meisje scheen geweend te hebben: althans haar oogen waren rood en haar lief rond gezichtje stond treurig.
"Helaas!" dacht Bouke, "men moet huilen met de wolven: die met pek omgaat wordt beklad: het arme kind schreit zeker uit gezelschap mee. Goemorgen Freule!" vervolgde hij overluid: "komt ge het jonge goedje eens bezien? Zie eens welk een honger die stomme dieren hebben! kijk hoe zij pikken: wacht! daar komen de _Joanna_ en _Ulrica_ aan: die zullen ook wel wat lusten."--_Joanna_ en _Ulrica_ waren twee kalkoentjes, die, alleen van een groot broedsel overgebleven, dat de prooi van een vos geworden was, door de twee kinderen aldus naar hun namen genoemd waren.
"Ach Bouke! geef mij uw mandje en laat ik die voeren," zeide Ulrica.
"Zeer gaarne!" zeide Bouke. "Maar wat zie ik," vervolgde hij. nadat hij het mandje aan het meisje overhandigd had, "gij geeft alles aan die schrokster van een _Joanna_, en uw naamgenootje krijgt bijna niets."
Weenend verbeterde Ulrica haar ongelijke toebedeeling, gaf het mandje aan Bouke terug en bedekte haar gezicht met een tip van haar voorschoot.
"Hoe heb ik het met u, Freule?" vroeg Bouke: "schort er wat aan? Is UEd. niet recht fiksch?"
"'t Is niets Bouke! ik dacht om dat kalkoentje, en...." hier begon zij weder te schreien.
"Welnu! dat kalkoentje wordt dik en vet, en ik zie geen reden om zoo bedroefd daarover te wezen."
"Ja maar, ik huil, omdat het Joans kalkoentje is en dat hij zich zulk een pret voorstelde, het eens groot te zien, en dat hij het nu niet zien zal als het groot is."
"O wee!" dacht Bouke: "Zij weet ook al van den moord af.--En waarom niet?" vroeg hij overluid.
"Vader heeft mij gezegd, dat Joan een reis zal gaan doen: en vader en Joan zijn er bedroefd om: en ik ben ook zoo bedroefd: want wie zal nu met hem spelen en hem oppassen als hij ziek wordt en hem gezelschap houden!"
"Ja!" zeide Bouke "dat weet ik niet. Mijnheer wenschte wel, dat ik met hem ging, maar dat gaat op mijn jaren zoo gemakkelijk niet meer."
Staroogend zag Ulrica hem aan, greep zijn breede hand tusschen haar kleine poezele handjes en sprak: "En waarom zoudt gij het niet doen? Ei toch, Bouke! gij moest meegaan: dan zal ik veel geruster wezen, en vader ook, dat verzeker ik u."
"Gij zijt een kleine vleister, Freule Ulrica!" zeide Bouke: "maar denk eens, of een oude sagrijn zou voegen bij een jongen bloed als Joan? dat ware immers lood bij kwikzilver: de uil is nog niet wijs genoeg om een hond zijn biecht te hooren. Doch, wat zei de Jonker er wel van? van zijn reis meen ik."
"Ja, ik vroeg hem waarom hij toch van hier moest? en toen schreide hij en zeide: "lieve Ulrica! dat kan nu niet anders," en zoende en streelde mij:--en anders zeide hij niets."
"Hm! hm!" dacht Bouke: "dan is 't misschien zoo kwaad niet. dat hij van hier gaat: want vuur en stroo dient niet alzoo, en de oude Heer zou misschien ongaarne zien...."
"Wat praat gij toch in u zelven, Bouke?--Denkt gij er over na of gij met Joan mede zult gaan of niet? Och! doe het toch, ik zal u ook liefhebben: en dan kunt gij hem helpen onthouden op toch dikwijls te schrijven: want als ik niets van hem hoor, ga ik vast en zeker dood."
"Nu Freule, wij zullen zien! Ik wil er wel over denken, maar...."
"Geen _maren_, Bouke! gij moet het vast doen; ik laat u niet los, voordat gij het mij beloofd hebt."
"Wie weet of hij wel eens vertrekt," zeide Bouke, en haar zachtjes van zich afzettende, ging hij slotwaarts. Aan de brug stond Joan en naast hem Veltman, die aanstonds op Bouke aansnelde en vroolijk blaffende tegen hem opsprong. "Terug! marsch!" zeide Bouke op een verdrietigen toon: "ik heb vandaag geen spelenstrek."
"Waarom zijt gij boos op mijn hond?" vroeg Joan, naderende: "ik dacht dat gij beste maats waart."
"Dat zijn wij ook," zeide Bouke: "maar sinds gisteren is mij alles onaangenaam en ik heb nergens trek in: evenwel zoo het u leed doet, dat ik Veltman niet vriendelijk behandelde, wil ik het goede dier wel om verschooning vragen en den ganschen dag met hem spelen."
"Dat behoeft niet, Bouke! gij zult genoeg tijd daartoe hebben als ik weg ben."
"Is het dan vast besloten, Jonker? Denkt gij stellig van hier te gaan?"
"Oordeel zelf, Bouke! of het mijn plicht niet is?"
Bouke zweeg en streelde zuchtend de lange haren van den jachthond.
"Arm dier!" hervatte Joan: "van morgen had hij geen lucht, maar liep gestadig aan mijn zijde, als had hij een voorgevoel, dat ik hem verlaten moest."
"En waarom neemt gij hem niet mede? Er valt overal in de wereld te jagen."
"Wat zou ik meenemen?" vroeg Joan: "heb ik iets, dat ik het mijne noemen kan?"
"Kom kom! Jonker. Veltman is uw eigendom. De Baron had hem u al beloofd eer hij geboren was, en gij hebt de eer, er een goeden jachthond van gemaakt te hebben. Ik althans zou er mijn leven geen beteren begeeren."
"Nu Bouke: bewaar hem dan als een aandenken van mij; doch gij moet hem wel behandelen."
"Is het u ernst, Jonker!" zeide Bouke, wien de tranen in de oogen schoten: "men mag zijn hemd niet weggeven als men van zijn rok niet zeker is, zegt het spreekwoord."
"Ik zal u een beter spreekwoord leeren," zeide Joan: "die geeft van wat hij heeft is waard dat hij leeft."
"Maar bedenk toch, Jonker! die hond is veertig kronen waard, als gij hem verkoopen wilt."
"Des te meer eer zal hij u doen, Bouke! doch gij moet om mij denken als gij met hem jaagt."
Nu kon Bouke het niet langer uithouden: "neen Jonker," riep hij: "ik wil den hond niet hebben en ik wil niet met hem jagen! ik ga met u waarheen gij trekt: nu mag ik het u zeggen: ik kan u niet verlaten."
"O dat is goed!" riep Ulrica, die inmiddels genaderd was: "dat is goed! daarvoor moet ik u kussen. Wacht! dat loop ik gauw aan vader vertellen." En zij snelde het slot in. Met warmte drukte Joan Bouke de handen, hem zijn erkentenis over zijn hartelijk aanbod betuigende. Echter stelde hij hem eenige zwarigheden voor, hem vragende of hij die wel overwogen had; doch Bouke, die, nu eens het ijs gebroken was, hoe langer hoe meer smaak in het reisplan kreeg, versterkte zich met al de gronden, die hem de Baron had voorgelegd om hem over te halen, en die hij eerst zoo krachtig bestreden had, terwijl hij aan diezelfde gronden thans door het aanwenden van toepasselijke spreekwoorden een dubbel gewicht bijzette.
Onder een drok gesprek traden zij het slot binnen. In de ondergang ontmoette hen de oude Frans, die van den Baron kwam, en hun verzocht dadelijk binnen te gaan, vermits Zijn Edelheid hen spreken moest.
"Wij komen al," zeide Joan: "wacht ik zal even Veltman gaan vastleggen."
"Heden neen!" zeide Bouke: "Veltman moet medegaan en aan Mijnheer vertellen, dat hij de oorzaak is dat ik met u op reis ga."
"Dunkt u dat, Bouke?" zeide Joan, lachende: "welnu dan Veltman! de trap op!"
Onbesuisd snelde de hond naar boven en liep de oude Geertrui, die hem tegen kwam, bijna omver.
"Help! Bouke! help!" riep deze: "de hond is los!"
"Welnu! wat is daaraan verbeurd?" vroegen Joan en Bouke, de trap opkomende.
"Wat daaraan verbeurd is? Wel! dat het stinkende beest met zijn vuile pooten tegen mijn schoone bouwen is opgesprongen: is dat manier van doen? waarom ligt het niet aan den ketting, zoo als Diaan en Juno en de Hemel weet hoe die heidensche dieren meer heeten. Ja! dat zou bij het leven van Mevrouw zaliger niet gebeurd zijn. Toen mocht geen hond...."
"Knor maar niet, Geert," zeide Bouke: "gij zult heel spoedig van den hond ontslagen wezen."
"Ja! alsof er niet een ander in de plaats zou komen?.... En jij hadt ook je voeten wel mogen vegen, Bouke! eer je de marmeren trappen bevuilde."
"Erm daar ook maar niet over! binnen veertien dagen ben ik op reis en weg."
"Op reis? en waarheen dat?"
"Met den Jonker, naar Amerika, naar Turkije of de Noordpool; weet ik het? waar maar te vechten valt."
"Is het gekscheren?" vroeg Geert, bleek wordende.
"In allen ernst meent hij het," hervatte Joan: "maar ik beloof je een goede welkomthuis als ik weerkom."
"Ik ook," zeide Bouke: "ik zal je een knipje meebrengen of een gouden slootje: dat kunt ge altijd voor uw mond doen, als je 't niet beter gebruiken kunt."
"Och kom! loop heen met je gekheid! Alsof ik een babbelkous ware!--Maar toch: dat moet ik aan de vrouw van Dominee eens gaan vertellen, dat jijlui reizen gaat."
"Zou het slootje nu niet goed te pas komen?" vroeg Bouke: "dadelijk weer oververtellen; maar 't zal oele zijn. Dominee en zijn vrouw en 't gansche dorp weten het al."
"Weten het al! En ik niet?" hernam de oude vrouw, hoogstens gebelgd: "en ik niet, aan wie Mevrouw zaliger al haar vertrouwen schonk: ik, die altijd de nieuwtjes wist, zelfs vóór Mijnheer."
"Ja! als jij thuis waart en Mijnheer in 't leger, dan wist jij de nieuwtjes van de binnenplaats en de bierhuizen 't eerst; doch praat maar niet te veel van het vertrouwen, dat men u schonk: vooral niet," fluisterde Bouke, haar op den schouder kloppende, "als er een jonge knaap met gouden lussen in 't spel komt. Een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg, nietwaar?--Nu, tot weerziens Geert!"
Geertrui zuchtte, maar antwoordde op deze schampere aanmerking niet.
Nu traden Joan, Bouke en Veltman de eetzaal binnen, waar de Baron naast een helderbrandend vuur onder den breeden schoorsteenmantel nederzat. Voor hem stonden twee flesschen Rijnschen wijn met de noodige roemers op tafel. Ulrica zat op een der vensterbanken te borduren en zag Bouke bij zijn binnenkomen met kinderlijke erkentenis aan: de Baron liep naar zijn dienaar toe, schudde hem met hartelijkheid de hand en zeide:
"Dat was zooals ik het van u verwachtte, Bouke! nu een vollen roemer op uw voorspoedige reis geledigd."
Dit gezegd en gedaan zijnde, plaatste de Baron zich weder in zijn armstoel en gaf nu zijn meening te kennen, dat, nu men het over de groote zaak toch eens was, het van belang ware, spoedig te beslissen onder welk legerhoofd Joan zijn krijgskundige opvoeding zoude erlangen. "Er waren er geen," zeide Reede, "die op éénen dag met Zijn Hoogheid of met Broos Spinola te noemen waren: doch deze of gene zijner Haagsche vrienden zou hem wel een goeden raad geven. Intusschen," vervolgde hij, "een aanstaand krijgsman moet zich een rusting aanschaffen: daartoe is geld benoodigd. Ziedaar!" Hier wierp hij een beurs met pistoletten wel voorzien op de tafel.
"Maar vader!" zeide Joan: "al dat geld zal ik u immers nooit terug kunnen geven."
"Wie drommel spreekt er van teruggeven? Ik schenk het u, en het zal er niet bij blijven. Denk dat Ulrica in de kamer is," voegde de Baron er zachtjes bij.
"Palm maar in, Jonker!" zeide Bouke: "met ijle handen is 't kwaad haviken lokken: en 't is zwaar kammen waar geen haar is. De ruimte schaadt nooit, al is 't maar in geld."
"Ik zou het veel liever eerst verdiend hebben," antwoordde Joan, de beurs langzaam opstekende.
In dit oogenblik werd de Predikant, die door Reede ontboden was, aangediend: hij trad binnen met een gelaat, dat zoo treurig en strak stond, als had hij de mis in zijn kerk hooren lezen: hij boog, zonder een trek van zijn aangezicht te verroeren, voor den Baron, knikte even stemmig Joan en de Freule toe en zette zich onder het loozen van diepe zuchten in den stoel neder, welken Bouke hem bijschoof.
"Ik heb u laten ontbieden, Dominee!" zeide de Baron, "om u een tijding mede te deelen, die uw belangstelling wekken zal. Het besluit is genomen! de kogel is door de kerk."
"Is het waarlijk zooverre gekomen?" vroeg Raesfelt, angstig rondziende: vervolgens trok hij de voeten onder den stoel bijeen, legde de platte handen op de ver van één verwijderde knieën en keek strak voor zich, het hoofd langzaam schuddende.
"Ja 't is er door!" hervatte de Baron: "'t zal zeker in den beginne oorzaak tot vele droefenis geven; doch beter een mannelijk besluit dan in 't geheel geen."
"Jawel zal het droefenis geven," antwoordde Raesfelt, zonder van houding te veranderen: "droefenis bij allen, die voor de waarheid streden. Ik had het al gevreesd: sinds onze brave Prins (God zegene Zijn Hoogheid) aan die listige hofslang, dien Uittenbogaert, zijn vertrouwen ontzeide, heeft al wat der goede zaak vijandig is, zich tot Sint-Jan [34] gewend, en van dien tijd af is hun invloed al hooger en hooger gestegen: vooral nadat hun vice-patroon, Huig de Groot, Sint-Jans handlanger, zich aan het hoofd der Rotterdamsche inquisitie gesteld heeft."
"Maar voor Sint-Felten, Dominee!" barstte Reede uit, nadat hij een geruimen tijd den Predikant en al de aanwezigen met verbazing had aangekeken, en eindelijk in een schaterend gelach was uitgebarsten: "wat brust ons Sint-Jan of de Inquisitie? waar dolen uw zinnen, man? Is het weer de eigenste malerij van eergisteren, die u in den bol zit? En begrijpt gij niet, waarom ik u heb doen roepen?"
"Ik dacht," zeide Raesfelt eenigszins verlegen, "dat UEd. mij verhalen wilde, dat er reeds antwoord van de Staten van Holland gekomen is op het laatste vertoog Hugonis Grotii, hetwelk al de vorige in onbeschaamdheid en listigheid voorbijstreeft, ja zelfs nog erger is dan het boekske, hetwelk hij getiteld heeft: "de godsdienstigheid der Staten van Holland en West-Friesland," en 't welk gericht is tegen mijn vriend en medearbeider in 's Heeren wijngaard, den door en door geleerden Sibrandum Lubbertum, _Franekero s. s. Theologiae antecessorem_, welke gemelde Sibrandus Lubbertus echter, in een voortreffelijk werkje, ten titel voerende...."
"Neen Dominee, honderdmaal neen! Denkt gij dat wij u zouden laten roepen, om u kerknieuws te vertellen? Als ik dat weten wil, kom ik het bij u hooren."
"Elk moet zijn eigen beesten weiden," merkte Bouke als in _parenthesi_ aan.
"Juist," hernam de Leeraar: "_navita de ventis, de tauris narrat orator_; [35] doch ik luister aandachtig naar hetgeen ik van Ed. te vernemen heb."
"Mij dunkt, dat dit nogal klaar is: wat was het onderwerp van ons laatste gesprek? waarover hebben wij dezen nacht gepeinsd en nagedacht? wat is hier gaande?"
"'t Is waar ook," zeide Raesfelt, zich langzaam opheffende en de beenen voor zich uitstekende; "doch dat werkje Lubberti heeft mij alle wereldsche zaken doen vergeten, om alleen te denken aan het dierbaar belang onzer waarde en zwaar bedreigde Kerk; welk belang ook wel hooger zijn moet dan al onze aardsche aangelegenheden, weshalve ik...."
"Gij raakt weder van 't pad, Dominee! kort en goed, gij moet weten, dat ik zoo spoedig mogelijk naar Den Haag ga, om met mijn vrienden te raadplegen, waar ik dezen knaap zal laten dienen."
"Dienen! en zoo ik vragen mag, met welke wapenen? religieuze, politieke of militaire?
"Dat zal Dominee spoedig begrijpen," viel Bouke in, "als Uw Weleer waarde weet, dat de Jonker onder mijn protectie heengaat: want ik deug tot weinig anders als tot een krijgsmakker; ofschoon ik zorgen zal, dat de Jonker geen Arminiaansche begrippen....."'
"Arminiaansche begrippen zijn nog niet in andere landen doorgedrongen, Bouke!" zeide de Predikant; "doch men heeft er ketters van allerlei aard; als daar zijn in Engeland de Bisschopsgezinden, in Hongarije de Brandradisten, in Polen de Gentilisten, in Italië, Spanje en Frankrijk de Papisten, en verder overal verspreid de Socinianen, Pelagianen, Arianen, Macedonianen...."
Hier viel Reede den Predikant in de rede en verzocht hem, eindelijk eens te willen luisteren naar 't geen hij hem te vertellen had: de Predikant verleende nu ten minste een schijnbare aandacht aan zijn redenen, en de Baron droeg zijn voornemens ongestoord voor; doch toen de Baron zijn reisplan naar Den Haag wederom vermeldde, gaf de Predikant, die nu geheel bij de zaak was, hem zijn verlangen te kennen, om mede van den tocht te zijn. Hij had onder de Haagsche Predikanten verscheidene kennissen, die hij gaarne eens zien zou: hij wenschte met een boekverkooper te spreken, over de uitgave van zijn boekske over Psalm CXLIV. en ten derde verlangde hij de gelegenheid waar te nemen om naar Leiden te gaan en aldaar te zien, hoe het met zijn zoons geschapen stond.
Dit verzoek werd door den Baron gretig toegestaan, en onder een vroolijk onderhoud over het aanstaand reistochtje liep het middagmaal, waar de Predikant bleef aanzitten, ten einde.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Il dit fort posément ce dont on n'a que faire Et court le grand galop quand il est à son fait.
_Racine_, Les plaideurs.
De reis naar Den Haag liep ten genoegen van de belanghebbende partijen af. De Baron verkreeg door middel van zijn vrienden, brieven van aanbeveling voor den beroemden Krijgsoverste Bethlem Gabor, den bevrijder van Transilvanië, wiens heldhaftige daden de aandacht van Europa trokken en onderscheidene jongelingen van edelen huize uit de Protestantsche landen uitlokten om onder zulk een wakker Overste de oorlogskunst te leeren.--Raesfelt had het geluk, op den eersten Zondagmorgen na zijn komst in Den Haag, een beurt in de Groote Kerk te mogen waarnemen, welke hem zijn geleerde vriend Ds. Lamotius had afgestaan: en bij die gelegenheid genoot de Leeraar van Sonheuvel de zonderlinge eer, Prins Maurits zelf onder zijn toehoorders te tellen. Van Den Haag keerde de Predikant over Leiden terug, bevond dat zijn zoon Hendrik een onverbeterlijke, verstokte Arminiaan geworden was, nam hem van de Hoogeschool af en bezorgde hem bij een koopman in edelgesteenten te Amsterdam, ten einde aldaar de negotie te leeren.
Zoodra de winter geweken was en de eerste lentedagen het reizen, vooral naar een warmer luchtstreek, niet meer tot een lastige of moeilijke, maar veeleer tot een aangename zaak gemaakt hadden, vertrokken onze twee krijgsmakkers. Het afscheid was aandoenlijk, gelijk de lezer beseffen zal, aan wiens verbeeldingskracht wij overlaten, zich voor te stellen, hoe de Baron en Joan zich vruchteloos poogden goed te houden, hoe Ulrica in tranen wegsmolt en duizend kussen aan haar broeder medegaf, hoe Raesfelt en Geertrui een schat van zedenlessen aan den jongen knaap schonken, hoe Bouke zich maar op een afstand hield en nu en dan met den handschoen een traan uit de oogen wipte, al mompelend in zich zelven: men scheurt geen oud papier en geen oude vrienden vanéén zonder geluid te geven.
De tocht der wapenbroeders was voorspoedig; de onderscheidene brieven, welke Joan, zoo regelmatig als mogelijk was, aan zijn achtergebleven vrienden schreef, en waarvan wij er tot ons leedwezen geen hebben kunnen terugvinden, getuigden van zijn voortdurende gezondheid, van zijn smaak in 't leven dat hij leidde, van zijn tevredenheid over zijn overste en over zijn waarden krijgsmakker, van zijn gehechtheid vooral en gestadig denken aan de opgezetenen van Sonheuvel. Dezen, van hunnen kant, gevoelden diep het verlies van twee leden van het huisgezin, die zooveel tot het genot der samenleving medegewerkt hadden. Ulrica was in 't eerst als troosteloos: haar smart werd door den tijd en het ontvangen van goede berichten wel eenigszins gelenigd; doch met het vorderen der jaren groeide ook het besef van het eenige, het ledige van haar toestand.
De Baron verveelde zich doodelijk en wist met de lange dagen hoegenaamd geen weg meer, sedert hij van het gezelschap, waaraan hij zoo gewoon was geworden, verstoken was. Te voren, als de stem van Bouke hem uit den slaap gewekt had, vond hij zijn kleederen, netjes naar zijn zin opgeschuierd, op den armstoel naast zijn bed liggen; tegenwoordig moest hij drie a vier keeren fluiten, eer hem zijn ochtendgewaad was bovengebracht. Bouke wist altijd welken morgenwijn Mijnheer bij het ontbijt nam: zijn nieuwe dienaar bracht hem altijd van het verkeerde merk. Met Bouke praatte hij onder 't aankleeden en ontbijten over vroegere heldenfeiten: zijn tegenwoordige dienaar wist op zijn best een paar bekkesnijdershistorietjes.--Ging hij te voren wandelen, bezocht hij zijn diergaarde, wilde hij visschen of jagen, altijd vond hij alles naar behooren: de beesten gevoederd, de netten gemaasd, de jachtsprieten gladgewreven:--thans moest hij een paar dagen vooraf bepalen waar hij trek in zou hebben, anders waren de valken onklaar, de netten gescheurd, de wapenen verroest. Bouke en Joan wisten overal waar het wild lag, op welk veld de meeste hoenders gespeurd waren, tegen welke boomen het hert zijn hoornen gewet had; zijn nieuwe jachtgezellen waren der streek onkundig. Aan tafel strekten voorheen de vroolijke scherts en vernuftige invallen van Joan tot een saus bij het maal: thans was ook de geestige kout en het meer en meer belangrijk onderhoud van Ulrica niet in staat den Baron uit zijn gemelijke, verdrietige luim te krijgen.
Het gevolg van dit alles was, dat Reede, om hetgeen hij verloren had te vergoeden, nieuw gezelschap zocht en met verscheidene naburen, meest onbesuisde drinkers en jagers, die hij te voren nauwelijks zou hebben willen aanzien, en althans niet op zijn slot verzocht, betrekkingen aanknoopte. Van toen werd het kasteel van Sonheuvel, waar tot dien tijd altijd geschiktheid en orde hadden plaats gevonden, niet zelden een tooneel van woeste brasserijen, die meermalen tot laat in den nacht werden voortgezet, zoodat Reede veel van de hooge achting verloor, die hij tot dien tijd bij alle fatsoenlijke en beschaafde lieden genoten had. Dit was echter jammer, want, ofschoon hij nu en dan de waarheid ondervond van de spreuk, dat kwaad gezelschap dolen doet, en zich wel eens te verre aan drank te buiten ging, zoo bleef hij echter zijn maatschappelijken zoowel als zijn vaderplicht indachtig, en behield hij oordeel genoeg om de verstrooiingen, die hij zich verschafte, verre beneden de onschuldiger genietingen van vroeger tijden te stellen. Hij luisterde zelfs bereidwillig naar de vermaningen, die de Predikant Raesfelt zich somtijds verplicht vond hem in gemoede te maken, en antwoordde dan maar meteen: "Ja Dominee! maar ik kan mijn leven toch niet moêrziel alleen doorbrengen. Als Bouke en Joan maar weerom zijn, dan zal alles wel weer te recht komen." Wanneer echter de oude Geert somtijds haar klaagliederen aanhief, en vroeg wat Mevrouw zaliger wel gezegd zou hebben van het leven, dat nu op het slot gevoerd werd, maakte hij zich driftig, en dreigde haar, dat hij, zoo zij zich niet van aanmerkingen onthield, wel eens een andere huishoudster zou kunnen nemen, die wat minder praats had.