De Pleegzoon

Chapter 18

Chapter 184,071 wordsPublic domain

Lang nog zaten zij over elkanderen, schoon zij weinig of niets meer spraken. Joan scheen het beeld der droefheid: hij bleef in gepeinzen verdiept, en dacht meer na, wat hij vragen wilde, dan hij werkelijk vroeg. Met den Baron had het tegenovergestelde plaats. Deze scheen beducht voor vragen en trachtte die zooveel mogelijk te ontwijken: het voorgevallene bij de overrompeling van 't Spaansche konvooi stond hem nu weder zoo levendig voor den geest, als op 't oogenblik, toen het werkelijk voorviel, en gedurig zweefde hem de stervende Velasco voor oogen. Met opzet had hij diens dood, ja diens naam in zijn verhaal niet gemeld, en wist niet hoe hij het klaren zou om hem maar geheel buiten 't spel te laten. Eindelijk stond hij op, drukte Joan aan zijn hart, beval hem aan, bedaard te zijn en van al wat hij gehoord had aan niemand, vooral aan Ulrica, geen woord te reppen, wenschte hem een goede nachtrust en begaf zich naar zijn slaapvertrek, waar Bouke, die reeds lang het laat opblijven zijns meesters verwenscht had, half slapende binnentrad. Zonder een woord te zeggen liet de Baron zich ontkleeden, trok naar bed, bleef nog lang peinzen en malen en geraakte niet dan met den nanacht in slaap.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Het kiezen en verkiezen is een groot verscheel.

_Spieghel_.

"Wel Mijnheer!" zeide Bouke, toen hij den volgenden morgen het slaapvertrek des Barons voor de derde maal binnentrad; "UEd. schijnt het spreekwoord vergeten te hebben: ""beslapen is uw morgenwerk, bedorven is uw dagwerk.""

"Hoe laat is het dan?" vroeg de Baron, het hoofd oprichtende.

"Maar effentjes negen uren, als 't UEd. blieft, en ik ben reeds twee keeren hier geweest."

"Is 't mogelijk? Ja ik ben eerst laat in slaap geraakt."

"Waarachtig, Mijnheer! het huishouden is in de war: het was geloof ik halféén, eer de Jonker in bed lag: hij, die daarenboven met den jachttijd zoo vroeg bij de werken is."

"Hoe heeft Joan geslapen?" vroeg Reede, terwijl hij zijn kousen opbond.

"Ja! dat durf ik niet beloven dat goed geweest is: UEd. moet hem dan gisteravond geweldig onderhanden gehad hebben. Van morgen te zeven uren ging hij op de jacht en had oogen als potten zoo dik en als aalbessen zoo rood. Schort er wat aan, Jonker! zeide ik--neen! zeide hij en drukte mij de hand; maar de tranen rolden hem als dikke Meiregendruppelen langs de wangen. Toen draaide hij mij opeens den rug toe en liep met groote stappen het slot uit."

"Die arme jongen!" zuchtte Reede: "doch het heeft zoo moeten wezen!"

"Is het dan wezenlijk waar, heer Baron! dat hij een Arminiaan geworden is!"

"Droom je? wie heeft dat zotte praatje in de wereld gebracht?"

"Dat weet ik niet, maar gisteravond was het heele dorp er vol van."

"Men deed beter den bek te houden, dan zulke grollen te vertellen," zeide de Baron met bitsheid, vergetende, hoe hij zelf den vorigen dag wegens dezelfde aantijging tegen Joan was uitgevaren.

"Maar Bouke!" vervolgde hij: "ik wilde wel eens weten, wie van u beiden, Geert of gij, uit de school geklapt heeft en aan Joan het, geheim zijner geboorte ontdekt?"

"Weet hij er iets van?" vroeg Bouke, verbaasd een stap terugtredende: "ik althans heb gezwegen als een mof."

"Heeft Geert dan gebabbeld? want dat sprookje wegens den page is te gek."

"Daar hebben wij 't al," zeide Bouke: "ja die page is een duivel van een vent. Heeft hij niet eergisteravond zijn hof aan de oude Geert gemaakt, alsof zij een jonge deern ware?"

"En heeft zij den lafbek onze geheimen overgebriefd?" vroeg Reede met drift.

"Geert is oud en wijs genoeg, om voor haar zelve te antwoorden," zeide Bouke, zich buigende.

"Dat is een Menist antwoord, Bouke! zeg mij spoedig wat gij van de zaak af weet."

"Met UEds. verlof, dat kan ik niet. Elk weet waar hem de hoos schuurt, en op alle reên eigent geen antwoord. Zoo UEd. liever over dat onderwerp met Geertrui zelve geliefde te redekavelen;.... maar ik heb vergeten UEd. te zeggen, dat Dominee al sedert een uur in de benedenzaal zit en verlangt UEd. te spreken."

"De Dominee beneden? Dat hadt gij mij wel eerder mogen zeggen. En waarmede heeft die goede man al den tijd zoek gebracht?"

"O! op een zeer aangename wijze: hij heeft met de freule over de opvoeding van haar kippen en met de oude Geert over de zedelijke verbastering der eeuw gepraat. Het was stichtelijk om aan te hooren."

"Hij had Geert liever over haar babbelen moeten onderhouden."

"Met UEds. verlof, Mijnheer! UEd. heeft van mij niet gehoord, dat Geert gebabbeld heeft: onder dienstboden is men niet gaarne de zegsman van dergelijke praatjes: wat er van de zaak is, weet ik niet precies; doch met den Jonker heeft zij er niet over gesproken, daarop kan UEd. gerust zijn."

"Nu! wij zullen zien. Breng het ontbijt maar boven en verzoek Dominee hier te komen. Gij moet aan Ulrica maar zeggen, dat ik niet afkom, dat ik wat pijn in 't hoofd heb.... of dat ik wat jichtig ben."

"Pijn in 't hoofd! Dat zal immers niemand gelooven! UEd. is immers altijd gezond.--Jichtig! daar geeft UEd. ook wat om! Als ik zoo iets verhaalde, dan ging van avond het praatje door 't dorp, dat UEd. ('t geen God verhoede) op sterven ligt."

"Bedenk dan wat anders! doch breng Dominee en het ontbijt hierboven: of liever, breng maar geen ontbijt: ik heb geen honger en zal wel fluiten als ik iets noodig heb."

"Geen honger!" herhaalde Bouke: "nu begin ik waarlijk te gelooven dat UEd. niet wel is!"

"Doe wat ik u heet, Bouke! en haast u. Ik begeer geen woord meer," zeide Reede wrevelig. Bouke haalde de schouders op en vertrok.

"Wat duivel is dat?" mompelde hij tegen zich zelven: "gisteren avond over twaalven naar bed gegaan? een gat in den dag geslapen! geen honger! mij ouden dienstknecht een grauw te geven alsof ik een losse jongen ware van een braspenning in de week! de oude Heer zeker is niet wel."

Het leed niet lang, eer de Predikant boven kwam: hij trad met een ongemeene plechtigheid de slaapkamer in: een nieuwe kalot bedekte zijn hoofd, en de Zondagsche rok versierde zijn leden: met den grootsten ernst sloot hij de deur achter zich toe, klemde den hoed met den linker-elleboog stijf tegen de borst aan, liep recht op den Baron toe, leunde de twee duimen op de tafel, zag den Heer van Sonheuvel vlak in 't gezicht en zeide vervolgens: "gij zijt als een Christen verplicht, Joan alles te zeggen."

"Dat behoeft niet Dominee," was het antwoord: "want ik heb hem reeds alles gezegd."

"Alles? is het mogelijk?"

"Alles! dat is te zeggen, op eenige uitzonderingen na. Doch neem een stoel Dominee: ik zal u mijn onderhoud met den knaap verhalen. Ga gerust zitten. Door dien stoel zult gij zoo licht niet heen zakken, als ik gisteren door den uwen."

Hierin had de Baron gelijk: want de stoelen, die op zijn kamer stonden, waren van zwaar eikenhout, met groote beelden en loofwerk versierd. De zware armleunsels pronkten met bruine hertenkoppen en stonden wijd genoeg van elkander om een verliefd paar te omvatten: de zitting en de rug waren met tapijtwerk bekleed, waarop een jachtpartij was afgebeeld: hetzelfde patroon werd op de drie-dubbele kussens, op het behangsel der wanden en op de sprei van het bed teruggevonden.--De overige meubelen hadden minder overeenstemming. Vlak over het onmetelijke ledikant, 't geen in eene naar evenredigheid vrij nauwe alkoof stond, hing een rek, met armbussen, bogen, pijlen, zinkroeren, hartsvangers, pistolen enz. beladen: daarnaast het afbeeldsel der Barones, ten voeten uit in haar trouwgewaad voorgesteld; want de mode om zich in een _allegorisch_ of herderlijk gewaad te laten portretteeren was toen nog niet in zwang gekomen. Aan weerszijden der kamer was een raam met kleine beschilderde ruiten, waardoor de zon slechts flauwe stralen schoot. Onder een dier ramen stond een zware tafel, waarop een bijbel lag, benevens een psalmboek, een exemplaar van de Utrechtsche Unie, keurig ingebonden, het jachtrecht van Gelderland, de kroniek van Gheraert Leeuw, eenige vlugschriften en een paar godvruchtige boekskens, uitmakende de gansche lectuur van den Baron. De andere tafel, waaraan hij met den Predikant gezeten was, was ledig. Over de deur stond een vervaarlijk groot kabinet, waarop eenige zeer kleine wassenbeeldjes onder glazenstolpen: daarnaast hingen de kleederen des Barons en een fraai schoonschrift van omstreeks een voet in 't vierkant, met houten lijst en snijwerk van anderhalf voet breedte en dikte; welk schoonschrift den naam des Barons voorstelde in figuren, alsmede het wapen van Sonheuvel, zijnde een zilveren balk met zes dergelijke leliën op een rood veld: alles fraai met kleuren afgezet. Onder dit kunststuk stond een tafeltje met glazen deuren, dat gevuld was met roemers, bokalen, fluiten en kroezen van onderscheidene grootten en vormen. Wanneer de teekenaar of graveur, die in later tijden zijn talenten aan een prachtuitgave dezer geschiedenis zal ten koste leggen, zich hierbij den Baron voorstelt, gezeten in een zorgstoel, die al de overige stoelen in omvang overtreft, en gekleed in een zwart fluweelen tabberd met afhangende open mouwen, waaronder een geelzijden overrok met zwarte bloemen, een broek van zwarte zijde, roode kousen en pantoffels met zwart fluweel, dan zal hij bouwstoffen genoeg hebben tot het vervaardigen van een aangenaam _vignet_, het gesprek van den Baron met den Predikant voorstellende: en hij zal daarentegen, als _pendant_, het bezoek van Reede bij Raesfelt, door ons in 't vorige hoofdstuk verhaald, kunnen overstellen. Dan, 't is tijd, dat wij opgeven, wat in deze tweede samenkomst verhandeld werd.

Nadat door Reede aan den Predikant vrij omstandig het onderhoud verhaald was, dat hij 's avonds te voren met Joan had gehad, en dat Raesfelt, die opmerkzaam luisterde en voor 't eerst de kerkelijke zaken ten gevalle van dit belangrijk punt scheen uit het hoofd te hebben gezet, het door den Baron gehouden gedrag volkomen had goedgekeurd, ontstond het zwaarwichtig vraagpunt, wat er nu met den jongeling ware aan te vangen. Nadere pogingen bij zijn vermoedelijk gezin te doen, scheen nutteloos en ongeraden; hem zelven derwaarts te zenden, nog dwazer en onvoegzamer: daarenboven kon de Baron (als reeds gezegd is) er niet toe besluiten, om den knaap zijn betrekking tot Velasco mede te deelen; terwijl Raesfelt begreep, dat een jong mensch, door hem in de echte gereformeerde religie, en door den Baron van Sonheuvel in de liefde voor het Gemeenebest opgevoed, nimmer onder de Spanjaards zou kunnen aarden, ook al wilde Don Louis de Velasco hem als neef erkennen. Joan daarentegen een rang bij het leger, de vloot, het hof of zelfs de Compagnie te doen bekleeden, was aan even groote, zoo niet grootere zwarigheden onderhevig. De Baron wilde het niet op zijn rekening hebben, dat hij hem tegen vijanden zenden zou, die met hem van ééne afkomst en met zijn vader van één geloove waren, terwijl Raesfelt aanmerkte, dat men zich alsdan in de verlegenheid zou bevinden, waarin David zich bevond, toen hij aan het hof van Koning Achis leefde en door dezen tegen zijn eigen landgenooten gezonden werd.

"Ik zoek raad bij u, Dominee!" zeide eindelijk de Baron: "en gij brengt mij hoe langer hoe meer in de war. Ik weet waarlijk niet, wat met hem aan te vangen."

"Is er geen mogelijkheid, hem ergens heen te sturen, waar hij zich een vast bestaan kan maken?" vroeg Raesfelt: "zou hij niet in Engeland of in Duitschland zijn geluk kunnen beproeven, tot hij rijper jaren en oordeel heeft. Dan kan hij naderhand zelf kiezen."

"Hem wegsturen?" riep Reede met droefheid: "hem naar vreemde landen sturen? Dominee! welk een wreeden raad geeft gij mij daar! Ik zou hem niet meer onder mijn leiding hebben! Hij zoude uw goede lessen missen, onder vreemd krijgsvolk vreemde zeden en gevoelens aannemen! Neen dat nooit, Dominee!"

"Ik geef raad naar mijn beste weten," zeide de Predikant, de schouders ophalende.

"Weet gij niets anders?" vroeg de Baron.

"Neen!" zeide Raesfelt, zuchtende en het hoofd droevig schuddende, terwijl hij de handen voor de borst vouwde en zijn knokkels bekeek: "denk er eens over na, heer Baron!" vervolgde hij, na een oogenblik zwijgens. Een wijl daarna hief Raesfelt weder het hoofd op en vroeg, eenigszins schroomvallig, of Joan ook naar Leiden zou gaan en in de rechten studeeren.

"Is de jongen dan voor advocaat in de wieg gelegd?" hernam de Baron: "hij heeft een edelmansopvoeding genoten: rijden, rossen, jagen, met den dag in 't veld zijn, de paarden temmen en de honden bekwaam maken, dat kan hij; maar op zijn kamer te zitten blokken, daartoe is hij niet opgevoed."

"De _humaniora_, dat zijn de beginselen der taal, verstaat hij echter door Gods zegen," zeide Raesfelt: "en wat het blokken betreft, heeft hij niet, meer dan eens, uren achtereen op mijn kamer doorgebracht?"

"Ja, dat geloof ik, Dominee," zeide de Baron, lachende: "in dien stoel zonder zitting: dat is ook een gevangenis, waar men niet uitkomt, als men er zich eens heeft ingewerkt. Doch wij zullen zien: ik zal er den knaap over spreken en hem tusschen twee voorstellen laten kiezen, zoolang er zich geen derde opdoet."

"God geve, dat het tot zijn tijdelijken en eeuwigen voorspoed gedije," zeide Raesfelt.

"Amen!" zuchtte de Baron hem na, de muts afnemende. "Maar," vervolgde hij, van toon veranderende: "zullen wij niets gebruiken? Hebt gij reeds iets genuttigd, Dominee?" Dit zeggende nam hij een zilveren fluitje, dat naast hem aan den wand hing, en floot twee reizen achtereen.

"Ik dank UEd. vriendelijk," antwoordde de Predikant: "ik ben reeds lang verzadigd."

"Maar ik niet, Dominee; en daarenboven, gij moet een glas Rijnschen wijn met mij drinken op den goeden uitslag onzer pogingen. Bouke!" vervolgde hij tegen zijn ouden dienaar, die de kamer binnentrad: "breng een kan wijn binnen en zet twee roemers op tafel."

"Welken wijn zal UEd. drinken?" vroeg Bouke, met een stemmig gelaat: "waarschijnlijk van dien zoeten wijn, welken UEd. van den koopman Knipvisch uit Rotterdam hebt ontvangen."

"Droom je, Bouke? Drink ik ooit van dat laffe goed? Dat heeft hij immers gestuurd voor zwakke en zieke menschen. Haal van dien ouden Hochheimer van het vat aan de linkerhand!"

"Maar durft UEd. daar wel van te drinken? Ik dacht...."

"Gij dacht als een gek!--En breng toch wat ontbijt: ik rammel van den honger."

"Ik zal zien wat er is," hernam Bouke, altijd even stemmig van wezen: "belieft UEd. een paar sneden wittebrood en een hoendervlerk?"

"Welzeker niet," antwoordde de Baron, driftig: "weg met die liflaffen. Breng een paar hompen ham of een worst, zooals gewoonlijk."

"Zoo!" zeide Bouke, die er een schalksch vermaak in schepte, zijn Heer een weinig te plagen: "ik dacht anders dat UEd. niet wel waart en hoofdpijn hadt."

"Hoofdpijn? Heb ik dat gezegd? heb ik ooit hoofdpijn? Is de kerel dol?"

"Of jichtig? weet ik het? voor de jicht althans deugt de ham niet-met-al."

"Jichtig! geef ik daar wat om? Haal wat ik zeg en reutel niet meer."

"Ik meende, dat UEd. straks anders gesproken had; maar Bouke zal het wel missen: het past mij niet, UEd. tegen te spreken; want wiens brood ik eet, diens woord ik spreek;.... dan ik ga al, ik ga al." Dit zeggende, vertrok hij en kwam spoedig terug met den wijn. De Predikant moest tegen wil en dank een paar roemers ledigen en nam vervolgens zijn afscheid: de Baron bleef zitten peinzen, totdat de kan ledig was.

"Zal ik U een andere brengen?" vroeg Bouke: "op één been kan niemand staan."

"Dat behoeft niet: ik heb voor ditmaal genoeg. Zeg eens, Bouke! gij kunt mij misschien goeden raad geven. Wat zal ik van Joan maken? een officier of een advocaat?"

Bouke schoot luidkeels in een lach: "een advocaat," riep hij: "UEd. schertst er mede."

"Volstrekt niet: ik ben in lang zoo ernstig niet geweest."

"Een advocaat! is de Jonker van het deeg, daar men advocaten van kneedt? zulk een knap, fiksch jonkman! Kom dat kan UEd. niet meenen."

"Hij zal toch iets dergelijks moeten worden," hernam de Baron: "zoo hij niet liever verkiest in vreemde landen te gaan dienen."

"Welnu! laat hij dat doen," zeide Bouke: "dan kan er iets grootsch van hem groeien: zoo de mensch hem zet, waait hij in zijn net, en die 't hoofd te beurt valt, die scheert den baard: wie weet het? Misschien wordt hij met den tijd kolonel of nog meer en draagt een sjerp en een halsberg: dat zal hem anders staan dan een bef of mantel."

"Maar bedenk toch, Bouke! een knaap van zijne jaren zoo maar zonder leiding naar een vreemd land te sturen! Wat moet er van hem worden?"

"Alleen kan hij niet gaan," hernam Bouke: "kalfvleis, halfvleis: jongelui, domme lui. UEd. moet naar een geschikt persoon omzien, die hem op reis verzellen kan."

"En wien zal ik met de zorg van zulk een wildebras belasten? Hij moet iemand bij zich hebben, die niet van hem afwijkt, hem vermaant en leidt en onderricht."

"Zoodanig een zal UEd. moeilijk vinden, of UEd. moest zelf medegaan."

"Daarom juist wil ik hem niet van de hand sturen: en echter geloof ik, dat Dominee in den grond gelijk heeft, en dat er weinig anders opzit."

"Dominee! heeft Dominee dat aangeraden? en is het UEd. die er, niet aan wil? Ik had eer gedacht dat Zijn Weleerwaarde nog een preeker van den jongen had willen maken of ten minste een geleerde; want ieder zot zijn marot, elk meent zijn uil een valk te zijn, en de koekoek en sijs zingen twee wijs: doch hier is het andersom;.... maar, in 't voorbijgaan gezegd: de oude Geert heeft mij verzocht UEd. te zeggen, dat de page van het geheim wegens Joan onderricht scheen en haar eenige vragen gedaan heeft, die zij met behoedzaamheid beantwoord heeft: zij verzoekt UEd. haar deswege niet hard te vallen, vermits zij over het weinige, dat zij gezeid heeft, zooveel berouw heeft als haren op haar hoofd."

"Nu, dan zal het berouw niet groot zijn," viel Reede lachend in: "want haar kapsel is grootendeels uitgevallen."

"In één woord, het spijt haar zeer," vervolgde Bouke, "en het zou haar innig grieven, indien UEd. haar, die bij Mevrouw zaliger zoo in achting was...."

"Ik weet al genoeg, Bouke! het is de oude Geert of zij sprak: nu, laat zij in 't vervolg voorzichtiger zijn; dan zullen wij hierover niet verder spreken. Dan, om weer tot de zaak te komen: gij zeidet, ik zou naar een vertrouwd mensch uitzien, om Joan naar den oorlog te vergezellen, nietwaar?"

"Om UEd. te dienen, ja! dat zeg ik nog."

"Welnu! ik bedenk daar wat: ik ken maar één man, van wiens geschiktheid tot zulk een post de ondervinding mij overtuigd heeft en die man zijt gij."

"Ik Mijnheer!" zeide Bouke, verbaasd terugtredende; "UEd. zou toch niet verlangen...."

"Dat gij en niemand anders den Jonker op reis vergezeldet, als kamerdienaar, onderwijzer, schildknaap, paedagoog, zedenmeester, raadsman, vriend, in één woord, met volmacht om hem door de wereld te krijgen, zoodat hij naar lichaam en ziel even gezond en braaf terugkeere als hij heen zal gaan."

"En zou UEd.," hernam Bouke, het hoofd schuddende en zich een traan uit de oogen vegende, "uwen ouden getrouwen Bouke, die u nooit een dag verlaten heeft, zoo maar op een bof heenzenden? Hoe zal Bouke het zonder UEd., en UEd. het zonder Bouke maken?--Wie zal uw paarden knap houden, uw honden probeeren, uw valken africhten, uw kleeren afschuieren, uw kerse-, vinke- en snippenetten breien, uw geweren schoonmaken, uw...."

"Ik weet het allemaal wel, Bouke! maar denk eens om den armen Joan. Gij houdt immers veel van hem?"

"Dat doe ik: ik liep voor hem door een vuur: doch UEd. kan niet buiten mij, en ik niet...."

"Denk eens na, Bouke! Hier muft gij uw tijd weg. Gij wordt voorzeker tien jaren jonger als gij in 't leger komt."

"Nu! nu! daar is wel wat aan! doch het bestand zal niet eeuwig duren en op de Spanjaards klop ik nog liever dan op anderen, die mij niet raken."

"Tegen het einde van het bestand keert gij terug: dan is Joan in staat zelf een keus te doen, wat hij verder uit wil voeren."

"Verbeeld u eens, Mijnheer! Ik, die oud en stram word, zou zulk een wildzang onder mijn appèl moeten houden. Ongelijke schotelen maakten slinksche oogen: de ezel en de drijver denken niet ééns: dan zou hij een jonge deern, dan een half vendel musketiers, dan een fraai rijpaard, dan een reebok nazitten, en eer ik met mijn oude beenen een tiende gedeelte van den weg had afgeleid, zou hij er al wezen: en dan ware het: fluit maar! neen, dat gaat nooit."

"Gij spreekt er met zooveel vuur over, Bouke! dat ik in mijn meening versterkt word: ik verzeker u, het zal u beter bevallen dan gij denkt: en gij, die altijd met uw spreekwoorden in de weer zijt, moest ook eens bedenken, dat een oude voerman gaarne het klappen van de zweep hoort. Doch ik wil u niet op 't lijf vallen: ook weten wij nog niet, waar Joan zelf zin in heeft: denk er intusschen eens over na: morgen zal ik uw besluit vernemen.--Geef mij nu mijn hengel: het is te laat om te gaan jagen: ik zal zien of er nog karpers in den vijver zijn. Zoodra Joan van de jacht komt, moet ik hem spreken."

De Baron ging uit, zette zich op een groote tuinbank aan den vijver neder en wierp den hengel in 't water. Zijn bekommeringen beletteden hem echter, eenige aandacht aan zijn verrichting te schenken: achteloos hield hij den rietstok vast en liet de karpers ongestoord het aas van den angel halen. Nadat hij een uur ongeveer aldus gezeten had, kwam Bouke hem zeggen, dat Joan terug was en verzocht, Zijn Edelheid te mogen spreken.

Hoezeer de Baron zelf dit onderhoud verlangd had, zag hij er nu tegen op en duwde Bouke toe, dat hij thans aan 't visschen was en dat Joan een gelegener tijdstip moest afwachten.

"Ik zal zeggen dat UEd. den hengel in handen heeft," zeide Bouke, "want visschen mag het niet heeten."

"Ei, en waarom niet?"

"Ziet UEd. niet, dat de lijn om den dobber is geslagen en in een waterlelie verward zit? Wat drommel is dat?" vervolgde hij, de lijn uithalende, "de hoek is geheel kaalgegeten. Op zulk een wijze zal UEd. niet veel vangen."

"Ik heb nergens trek in," zeide Reede, de angelroede verstoord tegen den grond werpende.

"Daar komt de Jonker zelf aan. Wil ik den hengel maar naar huis brengen?"

"Neen! ja, ja toch, en laat Joan maar komen: ik zal hem toch moeten spreken," zeide de Baron, half beschaamd over zijn onzekerheden.

Bouke vertrok en de Baron zette zich onrustig neder en zag voor zich; nu en dan echter keek hij steelsgewijze naar Joan, die eerst wankelende, vervolgens met een vasten stap op hem afkwam. "Waarlijk," dacht Reede: "hij is toch een knappe jongen: het zou jammer zijn, indien er niets beter dan een geleerde van worden moest."

"Vader!" zeide Joan, toen hij den Baron genaderd was: "ons gesprek van gisteren heeft mij stof gegeven tot velerlei overdenkingen. De slotsom daarvan is geweest, dat ik, eenmaal mijn waren toestand kennende, geen recht heb, hier langer een onnutte kostganger te wezen: ik heb geen ouders, geen betrekkingen, geen vaderland, niets dat ik mijn kan noemen...." hier stroomden heete tranen uit zijn oogen: "vergun, o vergun mij die te gaan verwerven. In verscheidene landen wordt er gestreden. Sta mij toe, dat ik bij deze of gene vreemde Mogendheid dienst neme en mijn fortuin beproeve: geef mij uw vaderlijken zegen op reis mede en wees verzekerd, dat mijn gedrag dien nimmer onteeren zal."

Bij het uiten dezer woorden knielde hij voor zijn pleegvader neder. Tot in de ziel geroerd over het edel gedrag des jongelings, sloeg Reede met luide snikken de armen om diens hals en drukte hem in vervoering tegen zijn hart. Te aangenamer was de Baron aangedaan, omdat hij, nu Joan zelf gesproken had van dienst te nemen, ontslagen was van den last om hem daartoe het voorstel te doen. "Mijn zegen en mijn beste wenschen," zeide hij, "zullen u altijd vergezellen, mijn zoon! waar gij u moogt begeven: ik ben zeker, dat ik mij uwer nimmer zal behoeven te schamen. Doch," vervolgde hij, geen misbruik willende maken van Joans grootmoedige opwelling: "waarom zoudt gij ons nu verlaten? Kunt gij niet blijven, tot gij ouder van jaren zijt en een keuze doen kunt: of zoudt gij ook willen studeeren?.... zeg openhartig uw zin."