De Pleegzoon

Chapter 17

Chapter 174,020 wordsPublic domain

Deze, als wij verhaalden, besloten hebbende met den geestelijke te rade te gaan over de beste wijze hoe met Joan te handelen, had zich, na het vertrek zijner doorluchte gast, naar de pastorie begeven: de deur open gevonden hebbende, was hij, om niet door het gesnap der Pastoorsche verveeld te worden, de trap opgeloopen, nadat hij zijn laarzen in de gang had uitgedaan, eensdeels opdat Mejuffrouw Raesfelt bij het gezicht van vuile voetstappen niet naar boven zou komen hollen, anderdeels opdat zij, de laarzen des Barons herkennende, zich wachten zou, de samenspraak der beide heeren te storen. Aan het studeervertrek was geen deur: men besteeg het langs een trap, die midden in het kamertje uitkwam. Raesfelt had den Baron dus niet hooren inkomen: en deze, zijn raadsman zoo diep in gedachten vindende, had hem niet willen storen, maar zich naast den ingang op een boekentrapje nedergezet en was mede aan 't peinzen geraakt, hoe hij het gesprek zoude aanvangen, toen hem de uitroep van Raesfelt als uit een droom ontwaken deed. Deze uitroep kwam zoo volkomen met de gedachten overeen, welke hem op dit oogenblik vervulden, dat hij dien aanmerkte als tegen hem, of in zijnen geest gesproken, en, toen de Predikant hem aanzag, zijn gezegde herhaalde en nogmaals vroeg of hij het stellig meende.

"UEd. hier, heer Baron!" vroeg Raesfelt, vol verbazing, "wel wie kon UEd. hier verwachten! ei! wees zoo goed en neem uw gemak:--ja waarlijk!" vervolgde hij, rondziende: "ik geloof niet, dat er een stoel meer in de kamer is: wacht ik zal roepen, dat men den armstoel boven brenge."

"Doe geen moeite, Dominee!" zeide de Baron; "hier is immers een zitplaats."

De stoel, waarop hij doelde, kon waarlijk op den naam van zitplaats weinig aanspraak maken. Hij was oorspronkelijk van matwerk geweest met pooten en leuning van stevig grenenhout; doch Joan, die hem in zijn leeruren altijd gebruikte, en de slechte gewoonte had, van weinig stil te zitten, had den rug merkelijk doen uitwijken: met zijn snoeimes had hij, wanneer de les te lang viel, de kloeke pooten op de helft van haar dikte gebracht en zich ook met de _anatomie_ der matten zitting beziggehouden: zoodat de stoel in den volsten zin van 't woord een _chaise percée_ geworden was.

"Het is hier niet warm, Dominee!" zeide de Baron, toen hij zich voorzichtiglijk op den rand van den door ons beschreven zetel nederzette.

"Dunkt UEd. dat, heer Baron? Dan moest UEd. mijn pels aantrekken: ik heb het van 't peinzen en studeeren overvloedig warm gekregen."

"_Cedant arma togae_," [32] zeide Reede, aan dit voorstel gehoor gevende: "gij ziet Dominee! dat ik ook nog een mondje vol Latijn kan spreken.--Zoodat gij zegt," vervolgde hij, na zich in den pels gewikkeld en zijn plaats hernomen te hebben, "dat een kloek besluit alleen in staat is, het ongeluk van den armen jongen te voorkomen?"

"Ongetwijfeld, heer Baron! het vaderhart zal bloeden door de opoffering; doch het zal naderhand geruster slaan! en wat zegt de Psalmist? Welzalig hij,

In wiens geest niet woont eenige schalkheyt Noch geen bedrogh ofte geveynsdigheyt.

Want wat zou het baten, een jongeling tot een bestemming op te leiden, welke hij nimmer naar behooren vervullen kan?"

"Ach! gij spreekt wel als ik het verwachtte, Dominee! en toch is het een pijnlijk gevoel, om tegen hem, dien men tot nog toe als zoon bemind heeft, te moeten zeggen: knaap! ik ben uw vader niet meer."

"Het vaderhart zal daarom zijn rechten niet verliezen," antwoordde Raesfelt: "want als in den Honderdsten Psalm staat:

Gelijck een vader hem pleegh te erbarmen, enz.

De vurigste wensch van het hart zal er door teleurgesteld worden; doch het zal in zich zelf de belooner eener zoo groote opoffering vinden: ware er een andere weg mogelijk geweest, ik had dien gaarne ingeslagen, doch ik heb alles onderzocht en beproefd, vergeefs: niets blijft er over, dan ruiterlijk en moedig, gelijk het een Christen betaamt, de zegepraal te behalen op een aardsche en valsche liefde, en alleen op het geestelijk en waarachtig belang van den ongelukkige te zien."

"Zoo hebt gij er reeds lang over nagedacht, gelijk ik uit uw redenen bemerk. Ik was al verwonderd, dat gij juist bezig waart over dat onderwerp te peinzen, toen ik binnenkwam."

"Over nagedacht, heer Baron? slapelooze nachten, ledige uren, verlies van eetlust en genoegens heeft het mij gekost: het zoet mijns levens is er door verbitterd."

"Met mij gaat het ook zoo, lieve Dominee: ik heb van de enkele gedachte, dat de knaap misschien tegen zijn eigen gezin het harnas zoude aangespen, nog van dezen nacht schier geen oog toegedaan, en van middag geen mond aan de patrijzenpastij gezet, hoewel dat mijn geliefdste schotel is."

"Hebt gij heer Baron? daarvoor beloone u de Hemel; want uw deelneming

Is ganschelijk gelijck een balsem soet, Die op het hoofd Aärons was zeer claer, Uitgestortet in 't openbaar,

als David zegt. Och! UEd. is altijd zoo vriendelijk en goed geweest."

"Hm! hm! zoo heel goed niet; maar ik heb toch den knaap altijd wel behandeld en hartelijk liefgehad."

"Hij houdt ook veel van u, heer Baron: daar heb ik doorslaande bewijzen van."

"En van u niet minder, Dominee, schoon hij wel eens bij de _exegesen_ in slaap viel."

"De _exegesen_! helaas! die heeft hij maar al te veel bestudeerd voor zijne en mijne rust," hervatte Raesfelt zuchtende.

"Te veel! Dat had ik nooit gedacht, dat daar zijn liefhebberij op gevallen ware."

"Liefhebberij! een razende drift, heer Baron! _delectatio triumphans_ [33] als Augustinus zegt."

"In waarheid?--Nu! het is mij nooit voorgekomen. Toen ik hem vroeg, of Paulus ééne of twee reizen naar Rome gedaan had, waarover ik het met de oude Geert oneens was, zeide hij mij daarover nooit te hebben nagedacht, en toen hij het op mijn verzoek onderzocht had, was zijn uitkomst, dat hij het niet wist."

"Is het mogelijk?" zeide Raesfelt, de handen angstig wringende; "en ik heb een _disputanionem_ van hem liggen, juist over dat onderwerp, en waarin hij betoogt, dat de Apostel wel driemaal te Rome is geweest. Moet ik hem dan een huichelaar zien worden? Was het niet genoeg, dat hij een Sociniaan werd?"

"Wat!" riep Reede: "wat zegt gij, Dominee! een Sociniaan? Hij! Gij jaagt mij de koorts op 't lijf, Dominee! Dat hebt gij mij nog nooit verteld."

"Ach ja, ik had mij te voren gevleid, dat hij nog maar alleen de begrippen Arminii, Vorstii en Episcopii aankleefde, doch het is wel als in den Eersten Psalm gezegd wordt; welgelukzalig

Die op den wegh der sondaers niet en gaet En niet en sit by de spotters onreyne,

want, eens op dit pad gekomen, vordert men met reuzenschreden: ik heb de bewijzen zijner ketterij in handen: daar op de tafel liggen zij."

"Maar waarom hebt gij mij daar nooit iets van gezegd, Dominee? Dan had ik hem eens duchtig de ooren gewasschen."

"Wat zou dit gebaat hebben, heer Baron? daar ook mijne vermaning, nu vaderlijk, dan meesterachtig, nu gestreng, dan zachtelijk, den verdoolde niet op het rechte spoor heeft kunnen terugbrengen."

"Kijk Dominee! het is maar zooals de jongen zelf gezegd heeft: over zich heeft hij het oordeel geveld, zeggende, dat al wat van Spaansch bloed kwam, niet te vertrouwen was."

"Dat zegt hij!" zeide Raesfelt: "en daarom volgt hij den edelen Gomarum niet na, die van Spaansche afkomst is. Doch hoe velt hij zijn eigen oordeel hiermede, dit begrijp ik niet."

"O! ik begrijp mij zelven heel wel, Dominee! ik zal u dat alles uitleggen! die rekel! een nagel aan mijn doodkist! doch ik zal hem leeren! ik zal hem leeren!"

Met deze woorden sprong hij op en ging voort weder zitten, doch ongelukkig kwam hij midden op de zitting te land en wel met zulk een kracht, dat er hij doorheenzakte en met armen en beenen in de lucht, in den pels bedolven, tusschen de vier pooten steken bleef. Vergeefs zocht Raesfelt hem uit dien benauwden toestand te verlossen: de arme Baron zat zoo vast, dat hij zich roeren noch buigen kon, zoodat alle aangewende moeite slechts diende om hem nog erger in de klem te brengen. Op dit oogenblik werd het vertrek door drie nieuwe getuigen van zijn ongeluk bezocht. De eerste was Veltman, Joans jachthond, die met eene van de uitgetogen laarzen de trap op kwam snellen. Hij legde zijn vracht aan de voeten des Barons, of liever bij de pooten des stoels af, waarna hij zoowel tegen den predikant als op zijn beknelden Heer sprong; met groote teekenen van blijdschap. Kort op den hond volgde, als een razende furie, de zachtaardige wederhelft van den Predikant, met een kamerbezem gewapend, dien zij in een dreigende houding ophief. "Waar is dat stinkende dier?" riep zij met een verbolgen stem: "wat springt het daar tegen Dominees kostelijke pels op met zijn vuile klauwen? Waarom jaag je hem niet weg, Dominee? En wie zit daar in je pels? Hoe heb ik het met je? Leen je jou pels zoo maar aan iedereen, die je bezoeken komt? Toe, maak maar gauw dat je uit dien stoel komt, dien je aan stukken gebroken hebt! Bewaar ons! het is Mijnheer van Sonheuvel!"

"Ja Juffer!" zeide deze, het hoofd van onder den pels uitstekende: "ik ben het. Help mij hier toch uit, want ik breek mijn lenden nog."

Op dit oogenblik sprong Veltman op en liep, zoo spoedig als hij gekomen was, de trappen af.

"Joan zal waarschijnlijk in de buurt wezen," merkte Dominee aan: "Is dat uw laars, heer Baron! welke de hond u gebracht heeft?--dan hadt gij, vrouw liefste! het arme dier met geen straf voor zijn getrouwheid moeten dreigen."

"Ja! kon ik het weten?" zeide Barbara, terwijl zij mede hare krachten aanwendde om den Baron te verlossen: "die hond snuffelt altijd bij mij in de keuken. Laatst heeft hij een hoentje knap opgepeuzeld, dat ik in de soep wilde doen."

"Daarvoor zal het eerste haas, dat ik vang, voor u zijn, Juffrouw!" zeide Joan, binnenkomende: "bij voorraad heb ik Veltman aan de voordeur vastgelegd, maar hoe! is dat vader, die daar tusschen vier pooten vastzit? Wacht! ik zal u wel helpen. Het trekken baat niet, Dominee! wij zullen een anderen weg inslaan."--Dit zeggende wierp hij den stoel op zijde en sneed met zijn jachtmes het matwerk, dat den Baron als met weerhaken belette zich op te geven, rondom aan stukken; dit had de verlossing des gevangenen ten gevolge; doch, tot aller verbazing, was het eerste gebruik, dat de Baron van zijn herkregen vrijheid maakte, dat hij Joan een geduchten oorveeg gaf.

"Wat is dat, vader?" riep Joan, achteruitspringende met een kleur als bloed. "Waaraan heb ik dat verdiend?"

"Vraag je dat nog, onbeschaamde huichelaar?" snauwde hem de verstoorde Heer van Sonheuvel toe: "ik heb schoone berichten van u ontvangen, sinjeur!"

"Ik begrijp er niets van, vader!" zeide Joan; "ik weet niet, wat ik gedaan heb, om een dusdanige behandeling te veroorzaken."

"Niet, verstokte zondaar? vraag het dan maar aan Dominee: die zal jou de les anders leeren."

"Ik?" vroeg Raesfelt verwonderd: "ik weet van den Jonker hoegenaamd geen kwaad."

Reede, meenende dat de Predikant vrees koesterde voor Joan, werd nu even toornig op genen, als hij op dezen geweest was. "Hoe!" zeide hij: "past het een leeraar, menschenvrees te hebben, en te aarzelen, iemand in 't aangezicht zijn feilen en dwalingen aan te kondigen?"

"Heer Baron!" antwoordde Raesfelt, geraakt: "ik ken mijn plicht en zou niet schromen, voor koningen en keizers de waarheid te spreken, gelijk Nathan en Elias deden; maar ik weet niet, waaraan zich bepaaldelijk de Jonker heeft schuldig gemaakt, noch over welk feit ik hem zoude toeroepen, meer dan aan anderen: gij zijt die man!"

"Niet!" hervatte de Baron: "nu, dan weet ik het: gij zijt een Arminiaan, Joan!"

"Goede hemel!" riep Barbara, de handen boven 't hoofd ineenslaande; "een Arminiaan!"

"En wat nog erger is, een Sociniaan!" vervolgde Reede.

"Een Sociniaan! Dat verhoede de Heer!" zeide Mejuffrouw Raesfelt, met dezelfde gebaarden.

"En wat het ergst van alles is, een huichelaar."

"Een huichelaar ook al! bewaar ons!" herhaalde de Pastoorsche.

"En wie heeft u al dien zotteklap verteld, vader?" vroeg Joan met drift.

"Wat! zult gij het nog loochenen? doch zoo ge den zegsman weten wilt: daar staat hij: schaam u in zijn tegenwoordigheid te ontkennen, wat hij u bewijzen kan."

"Wien meent gij, vader?" vroeg Joan, meer en meer verwonderd.

"Wien? wel wien anders dan Dominee," antwoordde de Heer van Sonheuvel.

"Mij?" vroeg Raesfelt, ten toppunt van verbazing: "spot UEd. niet mij, heer Baron?"

"Het is of gij beiden gezworen hebt, mij dol te maken," riep de Baron stampvoetende: "wat duivel! Dominee, hebt gij mij niet zoo op het oogenblik gezegd, dat gij er de bewijzen van in handen hadt, zwart op wit?"

"O!" zeide Raesfelt, die lont begon te ruiken: "is het er zóó mede gelegen? Ja dat heb ik gezegd; maar...."

"Gij hoort het Joan!" viel Reede in.

"Maar ik sprak niet van den Jonker," vervolgde Raesfelt.

"Niet! en van wien dan?" vroeg de Baron, op zijne beurt verbaasd.

"Vergun mij, dat ik UEd. zulks onder vier oogen verklare, zonder getuigen."

"Toegestaan! Marsch Joan!"

Joan deed eenige stappen om zich te verwijderen; doch bleef vervolgens staan, den Baron aanziende.

"Hebt ge mij niet gehoord?" vroeg deze: "marsch! van hier!"

"Maar ben ik dan gerechtvaardigd in uwe oogen, vader?" vroeg Joan, op den toon der beleedigde onschuld.

"Daarover spreken wij nader," was het antwoord.

"Dat behoeft niet," merkte de Predikant aan: "UEd. kan uwen zoon gerustelijk een toestemmend antwoord geven; want hij is onschuldig, en uw gramschap op den jongeling is uit een misverstand voortgesproten."

Reede was ontevreden op zich zelven, dat hij zich zooverre door zijn driften had laten vermeesteren en zich daardoor jegens zijn zoon in 't ongelijk gesteld: hij aarzelde echter nog, uit valsche schaamte, om hem genoegdoening te geven; doch, toen hij den knaap in een smeekende houding naar zich toe zag treden, terwijl de tranen hem in de oogen stonden, verkreeg het gevoel van billijkheid de overhand boven zijn valsche schaamte, en hij omhelsde hem hartelijk, waarna Joan het vertrek verliet.

"Maar gij, liefste schat!" zeide de Predikant tot zijn huisvrouw, die nog vol nieuwsgierigheid boven om de trap stond te draaien: "gij moest ons ook alleen laten en aan Kaatje zeggen, dat zij den armstoel boven brenge. Ik heb met den Heer Baron iets af te handelen, dat...."

"Dat ik niet hooren mag," zeide zij spijtig: "nu 't is goed, Dominee! ik ga al: neem maar niet kwalijk, dat ik dit kostelijk vertrek door mijn tegenwoordigheid verontheiligd heb. 't Zal wel voor 't eerst en 't laatst zijn; doch zoo gij denkt, dat het u wel bekomen zal, mij buiten alles te houden, hebt gij het mis."--Met deze en dergelijke woorden trok zij grommende af en begaf zich op staanden voet naar de vrouw van den schout, waar zij nog drie of vier buurtklapsters vond, aan welke zij onder belofte van geheimhouding verhaalde, hoe Dominee ontdekt had, dat de Jonker een Sociniaan ware en het aan den Baron verteld had, doch het nu weder introk uit vrees voor Joan: hoe de Baron door een stoel gevallen was, en hoe de hond met zijn morsige pooten haar huis bevuild had, enz. welke stichtelijke praatjes den volgenden dag door het gansche dorp liepen.

"Wat heb je mij dan aan 't oor liggen reutelen, Dominee?" vroeg de Baron, zooras hij met den Predikant alleen was.

"Ik sprak UEd. van mijn zoon Hendrik," antwoordde deze, "die te Leiden studeert en mij, door zijn nieuwerwetsche begrippen omtrent den godsdienst, dwingen zal, hem van de Hoogeschool terug te nemen, eer hij onzer Gereformeerde Kerk, en mij, zijn vader en leermeester, tot schande verstrekke. Hoe UEd. dit alles op den Jonker hebt toegepast, verklaar ik niet te begrijpen."

"Is het er zoo mede gelegen?" hernam de Baron: "dan spijt het mij, dat ik den armen Joan zoo heb afgejakkerd, doch ik zal hem zeggen hoe de vork ik den steel zit."

"Ik bid u," smeekte Raesfelt, "laat mijns zoons gedrag tusschen ons blijven: mijn vrouw zelve weet nog niets van het geval af, en, zooals Salomo zegt:

"Een dwaze zoon is zijn moeders droefenis."

"Ik beklaag u van harte, Dominee," zeide Reede: "doch gij zijt de eenige niet, die zwaren strijd met zich zelven voert. De reden, waarom ik u verkeerd verstond, zal zich voor u ophelderen, wanneer ik u mijn tegenwoordig bezwaar ontdek. Gij herinnert u," vervolgde hij, zijn leunstoel, welken hem Kaatje intusschen gebracht had, dichter bij dien van Raesfelt aanschuivende, "dat Joan mijn zoon niet is."

"Met uw verlof!" zeide de Predikant, zich met den wijsvinger langs den neus strijkende: "Ja, waarlijk, nu gij het zegt, herinner ik mij dat; doch in ernst, ik was het vergeten."

"Welnu, de knaap heeft thans de jaren van onderscheid bereikt: tot heden toe heb ik altijd het onaangename denkbeeld van hem met zijn ware geboorte bekend te moeten maken, ver van mij afgeschoven: ik beminde hem als mijn zoon, en, zoo ik mijn genegenheid alleen moest volgen, zou ik hem als zoodanig blijven beschouwen; doch nu de tijd daar is, dat hij aan den naam van Reede eenigen luister zou kunnen bijzetten, begint mijn geweten tegen mijn teederheid op te komen. Ik begin te bedenken, dat ik mijn eenige dochter niet mag versteken van haar wettig erf (dat bovendien om redenen, welke ik thans niet melden zal, vrij schraler is, dan menigeen denken zou), dat ik bovendien geen vreemde plant op den stam der Sonheuvels enten mag. Hierbij komt de vrees, dat Joan, die zulk een onverzoenlijken haat tegen de Spanjaards heeft, veellicht, na het eindigen der _trêves_, de wapenen tegen zijn eigene betrekkingen, tegen zijn bloedverwanten zou voeren--en ik vraag mij zelven af, of ik Joan omtrent zijn geboorte de geheele waarheid moet openbaren. Gij herinnert u, Dominee! dat Velasco, Joans vader, door mijn ruiters wreed vermoord werd!"

Hier eindigde Reede. De Predikant zweeg, en lang zaten beiden over elkander in diep gepeins verzonken, bij hen zelven overleggende, op welke wijze de zwarigheden, die zoowel het verborgen houden als het ontdekken van het geheim met zich bracht, uit den weg zouden kunnen geruimd worden. Eindelijk verzocht de Predikant, dat de Baron hem den nacht ter overdenking zoude vergunnen, belovende hij aan Z. Edelheid den volgenden morgen een stellig antwoord te brengen. Reede willigde dit verzoek in, en de conferentie werd op _reces_ gescheiden.

Het was reeds duister, toen de Baron op het slot terugkwam. Het avondmaal werd opgedischt en was haastig afgeloopen: de Baron en Joan waren beiden vol gedachten en spraken weinig of niet. Ulrica daarentegen snapte onophoudelijk door over de schoone Gravin, haar page, haar koetsier met zijn groote knevels en de fraaie wapens op de koets. Toen de oude Geertrui haar, na het avondeten, was komen halen, stond haar vader insgelijks op, met oogmerk om naar zijn kamer te gaan; doch Joan sprong op, als uit een droom ontwakende en hield hem tegen.

"Vader!" riep hij: "kan ik nog een oogenblik met u spreken?"

"Heeft het zooveel haast, Joan?" vroeg de Baron: "ik heb thans het hoofd vol."

"Een oogenblik slechts, vader!" herhaalde Joan, en bleef toen een poos al weifelende staan.

"Nu! komt er wat?" vroeg Reede, ongeduldig.

"Ja vader! ik wilde u vragen.... ik wilde maar weten.... wie mijn moeder was."

Deze laatste woorden sprak hij zeer schielijk uit, als had hij gevreesd, dat ze hem in de keel zouden hebben blijven steken, indien hij nog een oogenblik gedraald had.

De Baron sprong achteruit, alsof de bliksem voor zijn voeten ware gevallen: "Jongen!" riep hij: "Zijt gij dol? hoe komt gij aan die vraag?"

De bleekheid, welke des Barons gelaat bedekt had bij de onverwachte vraag van zijn pleegzoon, ging over op de wangen van dezen, zooras hij, aan de uitwerking, die zijn woorden gemaakt hadden, bespeurde, dat alles niet geheel zuiver was met zijn geboorte. Nadat hij den Baron een tijdlang sprakeloos had aangezien, berstte hij in tranen uit en herhaalde met angst: "Vader! in Gods naam! zeg mij, wie was mijn moeder?"

"Ik weet het niet," zuchtte Reede en wierp zich in een stoel, het gelaat met de handen bedekt houdende.

"Gij weet het niet," herhaalde Joan, als versteend. "Ach vader!" kreet hij, zich voor den Baron nederwerpende en diens handen met kussen bedekkende: "zeg mij toch! wanneer, waar, hoe ik geboren ben, wie mijn moeder was: gij zult het immers weten. Och! ik vrees, dat het maar al te waar is, hetgeen ik van morgen gehoord heb."

"Wat hebt gij gehoord?" vroeg Reede, opziende.

"Dat ik een basterd ben," antwoordde Joan, zijn hoofd in den schoot des Barons verbergende. Een lange pauze volgde.

"Vader!" riep Joan eindelijk, onder herhaalde omhelzingen en tranen: "Vader! ik bid u, martel mij zoo niet! Spot niet met een ongelukkigen knaap. Zoo ik een basterd ben, heb ik toch een moeder gehad. O! leeft zij nog? wie was zij toch?"

"Ik weet het niet, waarachtig niet, lieve beste Joan!--Maar," vervolgde de Baron na eenige oogenblikken stilte, "van wien hebt gij toch gehoord, dat gij mijn zoon niet zijt?"

"God zegen mij!" gilde Joan opspringende: "zijt gij mijn vader niet? Heb ik dan noch vader noch moeder! O ik ongelukkige!"

"Geene anderen dan God in den Hemel, beste jongen!" zeide de Heer van Sonheuvel, snikkende.

"Maar ik heb toch ouders gehad," vervolgde hij, met een dringende stem.

"Hoor Joan! wees bedaard! ik zal u alles verhalen: alles.... wat ik u verhalen kan. Ga zitten en wees bedaard; ik zal u alles zeggen: drink een roemer wijn: gij zijt ongesteld."

De Baron vulde twee roemers, leegde den zijnen in één teug en schoof den anderen naar Joan, die hem met bevende lippen, bij tusschenpoozen uitdronk. Vervolgens plaatsten beiden zich dicht bij elkander; de Baron nam Joans hand tusschen de zijne, en ving aldus aan met spreken:

"Uw vraag, Joan! lokt een gesprek uit, dat wij toch vroeg of laat moesten hebben. Neen! gij zijt mijn zoon niet, noch die mijner zalige vrouw; doch eer ik u eenige inlichting geve omtrent het geheim uwer geboorte, wilde ik vernemen, wat tot den twijfel aan de echtheid daarvan aanleiding heeft gegeven."

Joan vertelde hem de ontmoeting met Teun Wezer en den page.

"Ik heb u nooit op leugens betrapt, Joan!" zeide de Baron, verwonderd over dat verhaal: "anders zou ik denken, dat gij door Bouke of Geert waart ingelicht, onder voorwaarde van hen niet te noemen, en dat gij daarom dat historietje bedacht hadt."--Joan bevestigde de waarheid van zijn verhaal met den meesten nadruk.

"Ik geloof u," hervatte Reede, "ofschoon ik er niets van begrijp: echter kan ik Bouke en Geert niet verdenken, dat zij zich zooverre versproken zouden hebben.... wel is waar, de oude vrouw valt wat praatziek, vooral omtrent den tijd van Mevrouw zaliger: doch gij ziet mij met ongeduld aan en ik begrijp u. Hoor toe: de geschiedenis zal ongelukkig kort genoeg zijn. In 1598 lichtte ik een Spaansch konvooi op: onder de lijken der gesneuvelde Spanjaarden vond ik een schreiend kind: dat waart gij; uit medelijden trok ik mij uwer aan en bracht u bij mijn brave vrouw: wij besloten u op te voeden, en zij deelde haar teederheid tusschen u en Ulrica, totdat zij ons, helaas te vroeg! ontviel. Sedert beminde ik u als zoon: dit hebt gij ondervonden: gij weet of ik ooit eenig onderscheid gemaakt heb tusschen u en Ulrica. Gij zwijgt?--Gij schudt het hoofd?--Is het om de oorveeg, die ik u straks gegeven heb? Ach! zoo ik geen vaderlijk hart voor u had, zou ik mij dan uw gewaande Arminianerij zoo sterk hebben aangetrokken?"

"Spreek daarvan toch niet langer, vader!" zeide Joan: "ik dacht in dit oogenblik alleen aan de goedheid, die gij mij bewezen hebt en aan mijn ongeluk, dat ik u niet langer den naam van vader geven mag."

"Dat moogt gij, zoolang ik leef, Joan, want mijn liefde voor u blijft altijd dezelfde."

"En hebt gij niets meer omtrent mijn geboorte kunnen ontdekken, dan hetgeen gij mij verhaald hebt?"

"Niets: al mijn nasporingen zijn vruchteloos afgeloopen. Ik betuig u, niets onbeproefd te hebben gelaten, om naar uw ouderen te vernemen; doch niemand buiten ons heeft zich uwer aan willen trekken."