De Pleegzoon

Chapter 16

Chapter 163,983 wordsPublic domain

Het koolveld, waarop zich de jongeling bevond, was van den weg door een smalle strook kreupelhout afgescheiden, hetwelk, schoon reeds aan 't verdorren, echter dicht genoeg was om het doorzien te beletten: hoewel Joan dus niet zag, wie zich op den weg bevond, kon hij echter duidelijk hooren, dat er eene stem, welke hem niet vreemd was, van die zijde kwam. Met jeugdige nieuwsgierigheid sloop hij dus van onder de galg naar het hakhout toe, haalde de berketakken op zijde, keek door de opening, en zag.... in 't eerst niets; want de rijmdroppelen, die van den tak vielen, hadden hem de oogen doen sluiten;--dan, zoodra hij die uitgewreven had, ontdekte hij, dat hij zich niet vergiste, en dat werkelijk de page der Gravin, in zijn paarsen mantel gewikkeld, midden op den weg stond, en iemand, die van den kant van Reenen aan kwam wandelen, aldus toeriep:

"Zoo! zijt gij daar eindelijk! ik heb al bijkans een uur op u staan wachten."

"Vergeef mij, Jonker!" antwoordde de nieuwgekomene, die door Joan voor Teun Wezer werd herkend: "moâr, op den weg ontmoette ik een poâr van mijn kennissen hier uit het dorp, die mij een kwoad hart toedragen uit uithoofde van een kip twee drie, die ik ereis onderweg evonden heb, en die ze zeggen dat hun toekomen: en om die knoâpen te mijden, heb ik de bijpoâdjes enomen, anders ware ik hier al eer eweest. Wat is er nou van 's Jonkers believen?"

"Hier zijn een paar brieven;..., maar eerst moet ik u nog een vraag doen: kent gij den Heer van Sonheuvel sedert lang?"

"Langer dan mij lief is, Sinjeur!" zeide Teun: "toen ik acht jaren oud was, heit hij me ereis laten afranselen, omdat ik valschelijk beticht was geworden van zijn eieren te hebben met enomen. Kon ik het gebeteren, dat zijn kippen niet leggen wolden?--En naderhand...."

"Goed! dan kunt gij mij wel verhalen wat u heugt van de geboorte des jonkers? Is daaromtrent niets opmerkelijks voorgevallen?" Hier werd Joan dubbel opmerkzaam.

"Om je de woârheid te vertellen heerschop!" antwoordde Teun Wezer, "heel veel weet ik er niet van. Moâr je mot weten, ik vrijd zoo wat noâr het nichtje van Bouke, den olden knecht op 't slot: en dat meiske heit me wel verteld, dat hoâr heugt, en ze was ook nog moâr een kind, dat het zeuntje van den Baron begraven werd, en dat deze Jonker, dien we nou hebben, op een blauw-maandag te Amsterdam is aangekomen, zonder dat iemand weet hoe of wanneer: en als ze haar oom er naar vroâgt, dan zeit deze, ze mot moâr zwijgen; moâr nou is er ook wel, die zeggen, dat het zoo'n stuk van een buitenbeentje is van den olden Heer, en dat de Barones er van hartzeer over ekrepeerd is; maar het fijne van de mis weet ik zoowoâr niet."

"Dan zal ik u ook niet meer vragen," hervatte de page: "hoor! hier hebt ge twee brieven, beide zonder opschrift: dezen, waar ik het kruis op gemaakt heb, om hem te onderscheiden, bezorgt gij te Tiel, ten huize van Klaas Meinertz den schrijnwerker. Gij behoeft niet te zeggen van wien hij komt, maar gij moet hem aan den man zelven overhandigen: hij zal u voor 't bestellen twee kronen geven, dat staat in den brief."

"Wat?" zeide Teun Wezer: "Klaas Meinertz! die ijzegrim, die femelaar, die den geheelen dag bidt en psalmen balkt, en mij al meer dan eens noâr de diepste diepte van de hel ewenscht heit, zal die mij twee kronen geven?.... Stichtelijke vloeken naar mijn kop, alsof ik...."

"Hij zal u twee kronen geven, als ik zeg," hernam Ludwig, droogjes.

"Nou! ik zal 't bezorgen," zeide Teun, grinnekende.

"En dezen brief," vervolgde Ludwig, "brengt gij aan den Ambtman Mom, die op dit oogenblik in Tiel is: mede eigenhandig. Zoo men u niet bij hem in wil laten, zegt gij maar, dat gij van de Gravin van Nassau komt."

"Ja moâr," zeide Teun, terwijl hij zijdelings naar de galg keek, die men over het hakhout heen kon zien: "ik ben juist niet zwoâr op een bezoek bij den Ambtman gesteld: ik tracht zoomin mogelijk met de heeren van den Gerechte in kennis te komen, want zij hebben allen, ik weet niet woârom, een hekel aan mij gekregen, en ik heb geen lust om dat gindsche veld met rooiekool eens uit de hoogte te bekijken." Hier maakte hij de beweging van hangen.

"De brief, dien gij brengen zult, zal uw beste aanbeveling bij den Ambtman zijn," hervatte Ludwig; "doch gij zult het diepste stilzwijgen omtrent de u toevertrouwde boodschappen in acht moeten nemen, of..., uw vrees zou verwezenlijkt kunnen worden!"

"Wees gerust! voor geld en kwaê woorden zwijg ik als een kikker bij winterdag: is er nog iets van je bevelen?"

"Niets meer! rep je en maak bijtijds in Tiel te wezen: hier hebt ge nog wat drinkgeld en iets om het veer te betalen."

"Duizendmoâl dank, heerschop!" zeide Teun: "nou snij ik dat zijpad moâr in; want het dorp ga ik liefst niet deur, om redenen mij bekend. Leef gezond Sinjeur!"--Met dit afscheid sloeg hij het zijpad in, liep Joan voorbij zonder hem te zien en verwijderde zich naar den kant der rivier.

Deze zonderlinge samenspraak had Joan zoodanig verbijsterd, dat hij zijn boog, de hoenders, ja de jacht zelve vergeten was, en nog luisterde toen de boerenknaap reeds lang uit het gezicht was.--Toen hij omtrent de echtheid zijner geboorte bedenkingen had hooren opperen, was hij in den wil geweest, zich aan den onbeschaamden lasteraar te vertoonen en hem eens heftig door te halen; doch de vrees had hem teruggehouden: schoon moeds genoeg bezittende, achtte hij het geen gelijk spel om zich te wagen tegen Teun Wezer, een forschen, ruwen knaap, die niets te verliezen had, dadelijk met het mes gereed was en hem bovendien een kwaad hart toedroeg; den page betrouwde hij zoo weinig, dat hij niet wist, of hij hem als vriend of vijand beschouwen moest, en van dezen kant wachtte hij dus geen bijstand. Voorzichtigheidshalve was hij daarom in zijn schuilhoek blijven zitten tot na den afloop van 't gesprek: over de boodschap der brieven had hij maar half nagedacht, meenende, dat de bezorging daarvan een geheim was, dat de Gravin raakte en naar 't welk hij zelfs niet gissen mocht; want van zijn jeugd af was hem ingeprent, dat het schandelijk is, te willen indringen in hetgeen iemand zoekt te bedekken. Ziende dat de page langs den rijweg weder naar het dorp ging, kroop hij het hakhout uit en volgde hem, met oogmerk om hem met een tik op de schouders en den gewonen morgengroet te verrassen; doch Veltman, die nu lang genoeg naar zijn zin aan de zijde zijns meesters had stilgezeten, snelde hem met drift vooruit en verraadde Joans nabijheid aan den page. Deze keek om en zag Joan achter hem, die hem een frisschen morgen toewenschte.

"Goeden morgen, Jonker!" zeide Ludwig, even den hoed aflichtende en vervolgens gelijken tred met Joan aannemende: "reeds zoo vroeg in 't veld?"

"Mij dunkt," zeide Joan, "ik moest u die vraag doen; doch zoo gaat elk voor zijn eigen aangelegenheid uit: ik voor mijn vermaak, gij om Mevrouw de Gravin te believen."

De page zweeg een oogenblik en hield zijn kleine gitzwarte oogen op Joan gevestigd, als wilde hij op het open gelaat des jongelings lezen, of zijn gezegde niet meer dan een loutere veronderstelling, dan wel of het een geheimen zin bevatte; vervolgens hernam hij:

"Wat doet u denken, Jonker! dat ik voor Mevrouw de Gravin ben uitgeweest?"

"Omdat ik niet geloof," gaf Joan ten antwoord, "dat gij voor uw eigen vermaak, na gisteren den ganschen dag gereisd te hebben, zoo vroeg het warme bed, voor de koude hei verlaten hebt; en dan die brieven, die gij aan Teun Wezer gegeven hebt en die ik vrees dat slecht bezorgd zullen worden: want hij is een groote schavuit....."

"Gij hebt ons dan gezien?" viel Ludwig haastig in.

"En gehoord," zei Joan.

Ludwig zweeg, zag somber voor zich heen, nam zijn slinkerhandschoen in de rechterhand en begon er op te knabbelen, totdat Joan hem glimlachende vroeg, wat de arme handschoen gedaan had, dat hij dien zoo slecht behandelde.

Na een poos gezwegen te hebben, zeide de page, met een ernstig gelaat: "Jonker! de boodschap, welke ik aan dien boerenknaap gegeven heb en waarvan zijn baatzucht mij de goede bestelling waarborgt, is van het hoogste belang, en Mevrouw de Gravin had mij op het hart gedrukt, dat ik er niemand iets van zoude laten blijken. Dewijl UEd. echter getuige geweest zijt van de uitvoering van den mij gegeven last, hoewel ik niet verwacht had, dat UEd. ons beluisteren zoude...."

"Geheel onwillekeurig," zeide Joan blozende: "ik dacht, dat uw ontmoeting met Teun Wezer toevallig was, en ik sloop naderbij uit loutere nieuwsgierigheid om te weten wat die schurk u vertellen ging:--wat die brieven betreft, daarvan zal nooit een woord over mijn lippen komen: nooit heb ik iemands geheimen verraden, of zij mij aangaan of niet;--doch ik wilde wel eens weten, hoe het te pas kwam, dat gij dat logenbeest van een Teun over mijn geboorte ondervraagdet, om zulke lastersprookjes uit te lokken als hij u op de mouw spelde."

"Jonker!" antwoordde de page met een nog ernstiger gelaat en op een langzamen toon: "ik wilde wel, dat gij mij deze vraag niet gedaan hadt: daar mijne handelwijs u echter met reden vreemd moet voorkomen, zal ik u openhartig zeggen, dat er zonderlinge geruchten omtrent uw geboorte loopen;.... geruchten, welke, wijd en zijd verspreid zijnde, mij ter ooren zijn gekomen.... hoewel ik er de zegsman niet van wezen wil.... waardoor de nieuwsgierigheid van Mevrouw de Gravin.... gij weet, dat vrouwen veeltijds nieuwsgierig vallen;.... doch ik zelf wist niets van dat geval af."

"Joost haal me, als ik iets uit geheel uw openhartig antwoord begrijp," hervatte Joan.

"Indien UEd," zeide Ludwig, "nader onderricht begeert, kan UEd. immers met den Heer Baron spreken? Die zal best weten, hoe het met uw geboorte zit," voegde hij er lachend bij.

Joan stond stil, knikte eenige reizen met het hoofd, loosde een diepen zucht, wenschte den page vaarwel en sloeg een zijweg in, die naar de heide bracht, terwijl Ludwig slotwaarts keerde.

In den morgen van dien dag viel er op het kasteel niets belangrijks voor: tegen den middag keerde Joan van de jacht, met de tijding uit het dorp, dat het rijtuig der Gravin weder in orde gebracht was en na den eten zou voorrijden. Aan tafel was hij, zoowel als zijn pleegvader, peinzend en stil: na den afloop van den maaltijd kwam de koetswagen de slotbrug oprijden: de Gravin nam beleefdelijk afscheid van den gastheer en zijn gezin, reed met haar gevolg af en kwam, zonder verdere tegenspoeden, twee dagen later, behouden in 's Hage.

"Een schoone vrouw!" zeide Geertrui tegen Bouke, die bezig was de valken te voederen: "en zoo minzaam jegens een iegelijk. Waarlijk, zij heeft veel van Mevrouw zaliger: even vriendelijk en voorkomend, als die was: en zij weet van het huishouden al vrij wat af voor zoo een groote Mevrouw! zij maakte zelfs de aanmerking, dat de kussens in de groote ridderzaal veel meer hun kleur verloren hebben dan de gordijnen, schoon ze van hetzelfde damast zijn. Ja! zei ik zoo, genadige vrouw Gravin! toen onze lieve Mevrouw zaliger nog leefde, was het niet geoorloofd op die kussens te gaan zitten: toen hielden zij beter hun kleur; maar zij zei, nu, ik heb toch liever de kussens om op te zitten, zei zij, dan alleen voor de pronk; en toen zei ik: ja Mevrouw! dat is ook waar, maar het is toch wat erg, dat nu die stinkende honden op die kussens gaan liggen; en toen lachte zij."

"Maar vertel mij liever eens, Geert," zeide Bouke, haar in de rede vallende: "wat heeft die lanterfant van een page je toch verteld? Je hadt het bijster druk met hem."

Op deze vraag hield de oude dienstmaagd eensklaps met lachen op en zette haar gelaat in een meer ernstige plooi.

"Zeker heeft hij je onderhouden over je blozende kleur," vervolgde Bouke, "en over je betooverende oogen, hoewel men die slechts vinden kan door den bril heen."

"Een bril! nu kijk!" hernam Geertrui, gebelgd: "en wanneer draag ik een bril? niet dan om in Gods woord te lezen en om kousen te mazen; en dan draag ik hem nog maar op de punt van mijn neus, zoodat ieder mijn oogen zien kan. Ja! ik wilde wel eens zien, dat iemand kousen maasde zonder bril. Daar was onze lieve Mevrouw zaliger, die droeg immers ook wel een bril."

"Alleen wanneer jij gebroddeld hadt, Geert! en zij de verloren steken moest opnemen."

"Wel heb je van je leven," riep Geertrui toornig uit: "Wat weet jij van verloren steken en van broddelen af?"

"Neen, daar versta jij je beter op, oudje!.... doch dat daargelaten:--Wat heeft je de page verteld? dat is maar het punt in quaestie; want dat hij jou zijn hof gemaakt heeft, is zeker."

"Ja!" zuchtte Geertrui: "ik vrees, dat ik te veel met hem gepraat heb."

"Te veel!" riep Bouke, schaterend van lachen, "te veel met hem gepraat?--De droes! heeft hij in ernst je hartje gestolen!"

"Och neen! malle gek! loop heen met je grollen! maar mijn rust heeft hij toch meegenomen," vervolgde zij, half huilende: "ik heb van dezen nacht geen oog toegedaan."

"Daar hebben wij 't al. Wat voert zoo een page niet al uit? Daar berooft hij de eerzame Geertrui Claassens, die in de eerste dertig jaren geen vrijer heeft willen hebben, en in de laatste drie kruisjes geen vrijer heeft kunnen hebben, zoo maar op eens van haar nachtrust."

"Spot maar niet," antwoordde Geertrui: "het is waarachtig geen ding om mee te spotten: hoor eens, Bouke! Het heugt je nog, toen Mevrouw zaliger nog leefde...."

"Als ik het vergeten was, zou jij het mij wel herinneren," viel Bouke haar in de rede.

"Neen, maar hoor!" vervolgde zij, "of ik spreek geen woord meer: toen Mevrouw zaliger nog leefde, en te Amsterdam was, en toen jij met Mijnheer van 't leger kwaamt met den kleinen Joan?"

"Ja gewis!" antwoordde Bouke, die nu op zijn beurt ook donker begon te kijken: "maar je weet ook wel, dat wij Mijnheer bij eede beloofd hebben, nooit aan iemand iets daarvan te zullen navertellen."

"Dat heb ik beloofd, Bouke! en het spijt mij genoeg; want het is de eenige reis in mijn leven, dat ik Gods naam zoo ijdellijk gebruikt heb."

"Foei!" zeide Bouke: "spijt het jou een eed gedaan te hebben, Geert? ben je menist geworden? Je weet, wat Dominee alle weken zeit: de wederdoopers, zeit hij, zijn Belialskinderen, vijanden van Z. Doorluchtigheid en van den lande, die niet zweren willen, noch de ronde doen, noch de wacht betrekken, noch de heilige predestinatie gelooven: en wat zegt het rijmpje?

Aenmerct wel hun begheeren breedt, Wat quaet bescheet--sy doch uitgheven, Als dat men niet mach sweeren eedt. Daert soo ghereet--doch staet beschreven: Ja van Godt end' Christo verheven, Van Paulo end' ander gheschiet. Ooc is den eedt hier in dit leven 't Eynde van allen twiste ziet.

Doch dat tusschen twee haakjes, Geert! wat doet dit tot uw gesprek met den page?"

"Dat doet er zooveel toe," zeide Geertrui, hem naar zich toetrekkende en zoo zacht mogelijk sprekende, "als dat die page evenzoo goed wist als jij en ik, dat Joan Mijnheers kind niet is."

"Bewaar ons," riep Bouke, achteruitspringende: "dan moet jij het hem verteld hebben."

"Hoor maar eens, of ik het helpen kan," zeide Geertrui; "de page begon met mij te vragen of ik hier lang in huis had gewoond: en toen sprak hij mij over Mijnheer en Mevrouw zaliger...."

"En toen was jij op je praatstoel!--Ja, hij is ook fijn, die page. Hij zal wel niet met de deur bij jou in huis zijn gevallen; want men vangt geen hazen met trommels, dat is klaar."

"Vervolgens vertelde ik hem onder anderen, dat ik baker geweest was van freule Ulrica, en daarop vroeg hij mij, of ik Jonker Joan ook gebakerd had."

"Zoo vraagt men den boeren de kunst af: en wat gaf je hem ten antwoord?"

"Ik zei: Mijnheers zoontje heb ik gebakerd, en dat is ook waar: het lieve kind is nog op mijn arm gestorven."

"Zoo!" zeide Bouke: "nogal fijn van jou bedacht: weet je wel, Geert! dat het erg met jou staat! dat was weer een Menist antwoord! Geert! Geert! doch verder!"

"Toen zei hij: ja maar dat zoontje is immers dood, daar je van spreekt?"

"Welnu," hernam Bouke: "al had je nu eens neen gezeid, een leugen om bestwil is geen zonde."

"Ja!" hervatte Geert, "ware ik maar zoo wijs geweest; maar ik dacht:

Dat ons ja, moet ja zijn waerachtigh En ons neen moet wesen neen:

en daarom zei ik eenvoudig van ja: en toen dacht ik, hij zou tevreden zijn; maar jawel! toen vroeg hij mij, of Mevrouw zaliger niet op een rare wijs aan Jonker Joan geraakt was, en of ik niet zoogoed wist als hij, dat de Jonker geen droppel Duitsch bloed in zijn aderen had? en toen werd ik zoo angstig, dat ik hem verzocht, er niet meer en met niemand over te spreken, en toen liep ik weg."

"Dat heb je al heel dom behandeld voor een verstandig mensch," bromde Bouke: "'t is met jou ook: hoe alder hoe malder. Ik zou het maar niet aan Mijnheer vertellen; want dan zag het er slecht met je uit."

"Ik heb mij toch niet versproken, zooveel ik weet," zeide Geertrui verlegen.

"Nu! gedane zaken hebben geen keer! en het best dat ik je raden kan, is dat je op een anderen tijd voorzichtiger zijt en altijd denkt: verzint eer je begint! vroeg gedaan en laat bedacht heeft menigeen ten val gebracht: heden doen, morgen bloên: vandaag de tong gevierd, morgen den rug gesmierd."

"Ja, als je mij geen beter troost weet te geven, dan je stomme spreekwoorden, Bouke! dan...."

"Nu! ga dan maar naar Ds. Raesfelt, en die zal je zeggen, dat je lezen moet den Brief van Jakobus cap. III vs. 3; doch het wordt tijd, weer aan 't werk te gaan en mijn valken zitten met open bekken! die stomme dieren kunnen het weinig helpen of jij al geklapt hebt, en zij moeten er niet door lijden.--Nu! zooals gezegd is, oudje! wees in 't vervolg voorzichtiger."

En hiermede liep dit merkwaardig gesprek tusschen Bouke Boukes en Geertrui Claassens ten einde.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Gommer en Armyn te hoof Twisten om het recht geloof.

_Vondel_.

Terwijl de gemoederen der ingezetenen van het slot door de plaats gehad hebbende omstandigheden alzoo verontrust werden, ging de Predikant Raesfelt mede onder zijn eigene, waarschijnlijk nog zwaardere bekommernissen gebukt. De kerkelijke twisten waren op het tijdstip, waarvan wij thans gewagen, binnen de Nederlanden ten top gestegen. De nimmer rustende tweedracht, die natuurlijke heerscheres overal waar menschen wonen, had nauwelijks den buitenlandschen krijg door een te langdurig bestand zien staken, of zij stookte die binnenlandsche twisten aan, die zoolang en met zooveel felheid gewoed hebben, ja, wier einde het verste nageslacht misschien niet aanschouwen zal. Twee der geleerdste mannen van Europa, de belezene, vernuftige, oordeelkundige Arminius en de groothartige, onverzettelijke, van ijver brandende Gomarus hadden zich aan de spits van twee partijen geplaatst, die, na hun naam genoemd, elkaar een onverzoenlijken haat hadden gezworen. In den beginne dolf Arminius met de zijnen het onderspit, althans bij de predikanten en gemeenten; want de meeste wethouders en zoogenaamde politieken hadden zijn zijde gekozen; na zijn dood echter wisten Vorstius en Episcopius, die hem in 't Hoogleeraarsambt te Leiden hadden opgevolgd, gesteund door de geleerdheid van De Groot, de welsprekendheid van Schryver en vooral den toen alvermogenden invloed van Oldenbarneveld, hun partij met een luister te bekleeden, waardoor de glans hunner tegenstanders een tijd lang verdonkerd werd. De jonge lieden, die te Leiden voor den kansel werden opgeleid, schaarden zich voor een groot gedeelte aan de zijde der bovendrijvende partij; anderen echter kleefden de oude leer aan, en stonden Gomarus of Polyander voor. Niet zelden gebeurde het, dat bij onderlinge, tot oefening begonnen _disputationes_ over punten van controvers, de argumentaties wederzijds op scheldwoorden en vervolgens op vechtpartijen uitliepen, waarbij de vuist vragen, den Godsdienst betreffende, beslissen moest.

Raesfelt had zijn beide oudste zonen, Koenraad en Hendrik, nadat zij de school verlaten hadden, naar Leiden gezonden, en, daar hij een echt voorstander was van de oude leerstelsels, hen ernstig aangemaand, de lessen van Episcopius te verzuimen, en zich zooveel mogelijk bij het onderwijs van diens ambtgenoot Polyander te bepalen.--Koenraad, wien de stoute en ridderlijke voordracht van laatstgemelden geleerde behaagde, gehoorzaamde zijn vader met nadruk en toonde zich, zoo in zijn brieven aan dezen, als op de Hoogeschool, een ijverig voorstander der Contra-Remonstranten. Zoo met woorden als met daden was hij overal de voornaamste onder de verdedigers van het ouderwetsch gevoelen: niet zelden had de kracht zijner sterkgespierde vuisten aan zijn tegenstrevers, zoo niet de menschelijke, althans hunne onmacht duidelijk doen gevoelen, en menigeen had zich overtuigd gevonden, dat hij gepraedestineerd was om van Koenraad Raesfelt te worden afgeklopt. Omtrent den stillen en zachtmoedigen Hendrik won vader min gunstige berichten in: deze was door de geleerdheid en smaakvolle onderwijzing der andersdenkenden ingenomen en stond aldra voor een Arminiaan te boek.--Koenraad, die bovendien nooit op den besten voet met zijn broeder geleefd had, was over deze zijn afdwaling sterk gebelgd, en al de brieven, die hij aan zijn vader schreef, schilderden Hendrik af als een verloren schaap, reeds met den wargeest niet alleen van Arminianismus, maar ook van Socianismus besmet. Diep hadden deze beschuldigingen den braven Predikant gegriefd, en zijn epistelen aan Hendrik droegen telkens hernieuwde bewijzen, hoezeer hem diens gedrag en meeningen tegen de borst stonden. De aangeklaagde zoon beantwoordde zijns vaders minzame verwijten meestal met bezadigdheid, doch tevens met vrijmoedigheid: hij beweerde, dat hij, naar Leiden gegaan zijnde om in de leerstukken van den godsdienst onderwijs te ontvangen, zijn meening van onderzoek en overtuiging wilde laten afhangen. Daar de jongeling door deze antwoorden blijken gaf, dat hij meer aan menschelijke rede en vrije beoordeeling, dan aan geloof en onderwerping hechtte, stelden zij zijn vader lang niet gerust. Echter, en door een in de menschelijke natuur niet ongewone tegenstrijdigheid, bleef het hart van Raesfelt, ondanks hem zelven, meer den in zijn oog verdoolden, dan den rechtzinnigen zoon genegen. De wijs, waarop Koenraad van zijn broeder sprak, de toon, waarin zijne beschuldigingen vervat waren, mishaagden den zachtmoedigen vader, schoon hij zulks zich zelven niet bekennen wilde, nog meer dan de beschuldigingen zelven.

Op den achtermiddag van den dag, dat de Gravin van Nassau Sonheuvel verlaten had, was de Predikant op zijn zolderkamertje in diep gepeins gezeten: de zwarte kalot was hem te warm geworden en lag voor hem op de tafel, terwijl de met konijnevellen gevoerde pij over den rug des leunstoels hing. Onbeweeglijk scheen Raesfelt op zijn plaats gespijkerd, terwijl zijn oogen strak en stijf op het voor hem liggend papier gevestigd bleven, zoodat hij veel geleek op een dier aangekleede gedaanten, welke in het Amsterdamsche doolhof voor den vanouds gestelden prijs van een stuiver zich _hedenmiddag te vier uren_ laten bezichtigen.

Eindelijk echter scheen de beweging bij den Predikant terug te keeren: hij beet zich op de lippen, zag opwaarts, zuchtte diep en zeide vervolgens hardop tegen zich zelven: "Neen! _zoo_ kan het niet langer gaan! er dient een kloek besluit genomen, of de knaap is onherstelbaar ongelukkig."

"Onherstelbaar ongelukkig!" herhaalde een stem achter hem: "denkt ge dat waarlijk, Dominee?"

Als door een donderslag getroffen, richtte de Predikant zich op en keerde zich naar de plaats, van waar de stem gekomen was, en waar hij niemand dacht te zien dan den Booze in persoon, die hem van zijn kloeke voornemens zoude pogen af te brengen: dan hij werd gerustgesteld bij het herkennen van zijn vriend, den niet min dan hij bezorgden Baron van Sonheuvel.