Chapter 15
"Als Uwe Genade er even weinig van gedeerd is, als ik, zal het niet erg zijn," antwoordde Joan lachende: "doch waar is mijn matten fleschje gebleven?" vroeg hij, zich plotseling omwendende: "dat is zeker aan den boog blijven haken en zoo weggeraakt! Veltman! zoek! verloren!" en Veltman, zijn vermoeidheid vergetende, vloog over het dijkje terug.
Deze bekommernis van Joan over zijn matten fleschje was zeker niet naar de regels der strikte beleefdheid; doch hij was op 't land opgebracht, waar hij nooit dan met zijn minderen verkeerd had en nooit met lieden van hoogen rang, als deze Mevrouw scheen te zijn, in gezelschap geweest was; de vreemde Dame nam hem zijn vrijpostigheid ook niet kwalijk af; doch de page vond goed zich daarover gebelgd te toonen.
"Goede vriend," zeide hij, "gij stelt zeker veel belang in uw fleschje, dat gij er de tegenwoordigheid van Mevrouw de Gravin door vergeet: gij moest liever die brave lieden een handje helpen, om de paarden uit te spannen."
Dit gezegde veroorzaakte een verontwaardiging, die algemeen was en ook bijna gelijktijdig werd uitgedrukt door al de aanwezigen.
"Zwijg Ludwig!" zeide de Gravin, "en schaam u! zoo die knaap iets verloren heeft, was het, door dat hij ons hulp betoonde, en gij deedt beter hem in 't zoeken bij te staan, indien zulks uw fraaie broek niet sleet, dan hem onbeleefdheden te zeggen."
"De page mocht den bek wel halten," zeide de koetsier, terwijl hij Joan met hartelijkheid de hand schudde: "du bist bei meine seele ein gutter burst, en koen wie ein keporen Deutscher."
"Bewaar ons!" zeide de vrouw van den metselaar, Ludwig schuins aanziende: "hoe durft die bonte aap zoo tegen onzen Jonker spieken?"
"Wat jonker?" zeide Ludwig, zich tot haar keerende: "van welken jonker spreekt gij? en wat meent ge met uw bonten aap?"
"De bonte aap ben jij!" hervatte de vrouw, de armen in de zijde zettende: "en dat is onze Jonker, de Jonker van Sonheuvel, versta je, moesjanker? kijk maar zoo zuur niet: we geven hier niets om je moffegezwets."
De page zag haar een oogenblik als versteend aan, wendde vervolgens het oog op Joan, mat hem met een somberen blik van het hoofd tot de voeten, en vroeg daarna nogmaals zeer bedaard: "Is dat de Jonker van Sonheuvel?"
"En wie had je hier anders verwacht?" antwoordde de barbier.
"Zoo!" zeide Ludwig, en met dit woord trad hij terug en floot een deuntje tusschen de tanden.
De gravin, die, door het geraas en gepruttel der dorpelingen, van deze woordenwisseling niets verstaan had, trad weder naar Joan, en, terwijl zij met de eene hand Veltman streelde, bood zij hem met de andere eenig goud aan.
"Dat gij mijn hond streelt, Mevrouw, doet mij vermaak," zeide Joan, achteruittredende: "maar geld behoef ik niet. Mijn vader is rijk genoeg, om...."
Doch de Gravin liet hem geen tijd om uit te spreken. Den hond streelende, beschouwde zij het dier met meer opmerkzaamheid, en eensklaps riep zij, als door een pijlsnelle gedachte getroffen: "Mijn God! juist zulk een dier was onze Fenix! Knaap! vanwaar hebt gij dien hond?"
"Die hond," zeide Joan met eenige trotschheid, "is op mijns vaders slot geboren: hij is de jongste en eenig overgeblevene zoon van den ouden, getrouwen, die nu lang dood is en die in zijn tijd aan den Graaf van Falckestein had toebehoord, maar hem door de Spanjaards ontnomen was. Mijn vader heeft hem herwonnen."
"Uw vader?.... De Graaf van Falckestein.... Knaap! wie zijt gij?"
"Joan van Reede tot Sonheuvel, en mijn vader is Heer van dit dorp: ginds achter de boomen ziet gij ons kasteel. Vergun mij u daar te brengen: gij zult mijn vader veel genoegen doen.... en verder zult gij van avond toch niet willen reizen."
"Met blijdschap zal ik met u gaan, Jonker!" zeide de Gravin, op wier gelaat een diepe ontroering leesbaar was: "met onuitsprekelijk veel genoegen zal ik uw vader zien. Verschoon mij, indien ik u onbekend beleedigd heb, en laat deze kus u het vermaak uitdrukken, dat mij deze ontmoeting verschaft. Zooals mijn onvergetelijke Ulrich mij uw vader meermalen geschilderd heeft, evenzoo kloek en dienstvaardig vind ik thans zijn zoon.... Goede Fenix," vervolgde zij, Veltman nogmaals streelende, "gij zijt gelukkiger geweest dan uw meester. Uw kroost is gespaard gebleven, en het mijne...." hier stroomde een tranenvloed langs hare van hartzeer vermagerde wangen.
De paarden waren nu uitgespannen en de boeren stonden gereed om de koets naar den kort daarbij wonenden wagenmaker te brengen, toen zich de postiljon, met een half koppig, half beteuterd gezicht, bij de Gravin vervoegde.
"Met uw verlof, Mevrouw!" zeide hij, "en met dat van den Jonker, zou ik Uwe Genade wel willen verzoeken om eenige schadevergoeding voor mijn arme beesten. Zij willen wel, met verlof van den Jonker, al de schuld van het geval op mij schuiven, maar ik verklaar Uwe Genade, dat het alleen van dien d....schen steen komt, en dat ik er zoo onschuldig aan ben als een pasgeboren kind! Zoo Mevrouw dus zoo goed wilde zijn,... ik zelf heb een zwaren val van 't paard gedaan in dienst van Uwe Genade."
"Ja, in 't warme zand," zeide Joan, hem in de rede vallende: "dat zal u weinig letsel gedaan hebben. Het verwondert mij, dat gij nog zoo onbeschaamd zijt, u hier te vertoonen. Als mijn vader u zag, zoudt gij de knuppelslagen niet ontgaan, gij strooper!"
"Ik heb Mevrouw toch wel bediend," zeide Teun Wezer, het hoofd op den schouder leggende als een bok die stooten wil.
"Genoeg hiervan," sprak de Gravin: "Ludwig, betaal den man en laat hem in 's Hemels naam maar wegrijden."
Ludwig trok den postiljon ter zijde en betaalde hem. Vervolgens gaf hij hem nog een daalder boven zijn eisch en vroeg hem, of hij hem een dienst bewijzen wilde.
"Tien voor één, genadige Jonker Page!" was het antwoord.
"Stil! spreek zachter! zijt gij met de buurt sinds lang bekend?"
"Sedert mijn geboorte ken ik al den omtrek op mijn duim."
"Goed! rij dan weg; doch tracht u morgen te zeven uren weder hier ter plaatse te bevinden; dan zal er nog meer voor u te verdienen vallen. Voort hier vandaan." Hier keerde Ludwig zich om: de postiljon oogde hem verbaasd na en reed toen met vier losse paarden naar Reenen terug.
Terwijl voerde men het rijtuig naar het dorp en bood Joan zijn rechterarm aan de Gravin om haar slotwaarts te leiden.
"Verschoon mij, Jonker!" zeide deze, hem beleefdelijk afwijzende: "gij hebt genoeg te dragen, om met geen oude vrouw als ik belast te worden."
"Indien de Jonker het mij toestaat," zeide Ludwig, beleefdelijk toeschietende, "dan zal ik zijn jachtgereedschap gaarne dragen, en nog aangenamer zal het mij wezen, zoo de Jonker mij mijn onbescheidenheid van zooeven vergeeft."
"Die vergeef ik u gaarne", antwoordde Joan: "en zult gij dit jachtgerij voor uw rekening nemen? Daar is al de brui; doch pas op dat de hoenders niet uit de weitasch vliegen." Dit zeggende hing hij die om den hals van den page.
"En pas op," vervolgde de Gravin, spotachtig, "dat uwe fraaie kleeren niet bederven."
Al pratende trad zij met den Jonker het dorp in, en nu nam deze de vrijheid te vragen, wie hij aan zijn vader voor moest stellen.
"Helaas!" antwoordde de Gravin, "al mijn namen veroorzaken mij droevige herinneringen, zoo dikwijls ik die melden moet. Misschien heeft uw vader u wel eens gesproken van Anna van Manderscheid, laatstelijk weduwe van Graaf Lodewijk Gunther van Nassau, en vroeger van Graaf Ulrich von Daun?...."
"Is 't mogelijk.... naar wien mijn zuster Ulrica genoemd werd?"
"Werd zij waarlijk?.... Gaf uw vader haar den naam van mijn echtgenoot? Ach, hoe verlang ik dat meisje te zien en te omhelzen."
"Mijn vader heeft mij wel eens van uw ongelukken verhaald, Mevrouw! gij moet veel hebben doorgestaan."
"Meer dan iemand ooit mogelijk gedacht had te kunnen overleven. Mijn beide gemaals vielen door het staal: mijn jongste zoontje kwam met zijn vader om, en mijn oudste, mijn eenigst overgeblevene.... ook hij werd voor weinige jaren gruwzaam vermoord."
"Mijn vader hield veel van den Graaf van Falckestein: dikwijls spreekt hij van hem, en altijd geraakt hij in drift, als hij gewag maakt...."
"Van de rampzalige wijze waarop hij omkwam, nietwaar? Vrees niet, mij door te sterke uitdrukkingen zeer te doen: ik heb zooveel geleden, dat ik bijna verstompt ben voor aandoeningen. Helaas! al wat mij waard was, werd het slachtoffer van den Spaanschen haat: en allen zijn nog ongewroken. Slechts Velasco viel ten offer, en of deze de schuldige was, durf ik op goede gronden betwijfelen."
"Velasco! daarvan heeft mijn vader mij nooit verhaald."
"Niet? dit zal hem zijn zedigheid misschien belet hebben. Uw vader heeft in Velasco's bloed den dood van zijn vriend willen wreken: het was de eenige wraak, ik herhaal het! Toen die aartsdwingeland Mendoza in Den Haag gevangen zat, nu dertien jaren geleden, leverde ik een aanklacht tegen hem in: mijn verzoek werd van de hand gewezen, mijn brave echtgenoot nog door dien booswicht van verraad en eedbreuk beticht, terwijl hij.... doch genoeg hiervan: ik wil uw vader een vriendelijk gelaat toonen."
"Daar komt hij ons met Ulrica te gemoet," riep Joan verheugd uit, op het zien van den Baron, die, van de komst der Gravin verwittigd, met zijn dochter haar zijn diensten aan kwam bieden.
Onder wederzijdsche beleefdheden, welke de lezer zich gemakkelijk kan voorstellen, en nadat de Gravin Joans gedrag ten hoogste geprezen had, kwamen zij gezamenlijk binnen het kasteel, waar de Baron zijn adellijke gast met een handkus welkom heette, en bevelen gaf om een prachtigen avondmaaltijd aan te richten, aan welken echter, buiten Joan, door niemand veel eer gedaan werd. Op het nagerecht, toen Ulrica, in wier bevallig uiterlijke en minnelijke hoedanigheden de Gravin een groot welgevallen scheen te hebben, zich ter ruste had begeven, viel het gesprek wederom op de lotgevallen dezer laatste. Twee jaren na den dood van haar eersten man huwde zij den Graaf van Nassau, die het volgende jaar in den krijg sneuvelde; de Gravin, weder in 't bezit van haar goederen geraakt, dacht nu haar dagen zonder verdere rampen door te brengen; dan vergeefs: haar oudste en thans eenige zoon werd in de nabijheid van het slot Bruck, werwaarts hij met Ludwig en den ouden Beckman heenreisde, door Spanjaards overvallen en omgebracht. Een jaar later werd ook de broeder der Gravin door een doodelijk lood getroffen: en thans, nu Kleef en Berg haar hatelijk geworden waren, ging zij ver van het tooneel der geleden rampen in Den Haag haar woonplaats vestigen, alwaar zij hoopte, dat een spoedige dood een einde aan zoovele rampen maken zoude.
"Mevrouw!" riep Joan, na het aanhooren van dit alles, in geestdrift uit: "ik hoop dat ik eens in staat zal wezen, al uw ongelijk te wreken. Zoo ik ooit dien Mendoza, dien Lopez, dien Velasco, een van die schelmen, die uw ongelukken berokkend hebben, ontmoeten mocht, mijn zwaard zal...."
"Zwijg knaap!" viel Reede haastig in: "gij weet niet wat gij begeert."
"Laat hem spreken," zeide de Gravin: "het doet mij goed hem te hooren."
"En waarom mag ik dat niet zeggen, vader!" hervatte de knaap: "gij hebt zelf mij geleerd, dat een waar ridder, zooals er thans weinig meer te vinden zijn, aan zijn God, zijn vaderland en aan de verdrukte onschuld zijn degen moet wijden: en volg ik dus uw voorschrift niet, wanneer ik Mevrouw wil wreken, wier echtgenooten voor God en de goede zaak zijn gevallen?"
"Ja!" zeide de Gravin, ontroerd, terwijl zij den knaap met welgevallen beschouwde; "gij zult mijn wreker zijn, Joan! van nu af maak ik u tot ridder." Dit zeggende, maakte zij haar gouden halsketen los en sloeg die om den nek van den jongeling. Dankbaar en verlegen over zulk een fraai geschenk, wilde Joan hare hand kussen; doch hem oprichtende, kuste zij hem op het voorhoofd: "als mijn ridder kus ik u," vervolgde zij: "maak u meer en meer waardig dien naam te dragen, en, zoo gij de u ingeprente beginselen moedig vast blijft houden, zal hij meer dan een bloote titel zijn."
"Gij ziet het, vader!" riep Joan verheugd uit: "de Genadige Vrouw acht mijn woorden zoo gering niet."
Reede zweeg, schudde het hoofd en keek in 't vuur. Zwaar drukte hem het denkbeeld, door Joans uitroep in hem opgerezen, dat deze, eenmaal den wapenhandel kiezende, tegen zijn eigen landgenooten, ja tegen zijn hem onbekende naastbestaanden, de wapenen voeren zoude. "Mevrouw!" zeide hij, na lang zwijgen: "ik trachtte altijd aan Joan te leeren, dat het Christenplicht is, aan onze vijanden te vergeven: uwe goedheid jegens hem heeft mij diep getroffen: doch zoo hij eens de wapenen voert, waaraan ik nog twijfel, zal hij, hoop ik, voor de algemeene zaak, niet voor bijzondere wraak strijden."
De Gravin sloeg op hare beurt de oogen neder en beet zich op de lippen: de uitval des Barons mishaagde haar, en gaarne had zij dien beantwoord; doch zij had te veel gevoel van welvoeglijkheid, om zich een scherpe uitdrukking tegen een voor 't overige zoo vriendelijken gastheer te veroorloven. Nadat zij dus eenige oogenblikken met de franjes van het Atrechtsche tafelkleed gespeeld had, wendde zij zich tot den page, die achter haar stond, en gelastte zij hem, te gaan zien of haar bagage in orde was en of men het benoodigde voor haar nachtverblijf had ontpakt.
"Die knaap heeft een schrander uitzicht," zeide de Baron, toen Ludwig vertrokken was: "doch hij schijnt wat teer van maaksel en ongeschikt voor zware vermoeienis."
"Ik ben op een zonderlinge wijze aan hem gekomen," antwoordde de Gravin: "zijn moeder heeft mij het leven gered, toen ik uit Bruck vluchtte. Eenigen tijd na mijn tweede huwelijk, kwam zij weder tot mij en verzocht bescherming voor haar zoon. Zij was, zooals ik toen hoorde, een Geldersch meisje en door een Spanjaard verleid geworden. Den knaap liet ik opvoeden, en nam hem tot page, na den dood van Graaf Lodewijk. Hij beantwoordde mijn zorgen wel; want, ondanks een zekere poppigheid en keurigheid op uiterlijke vormen, die aan kleingeestigheid grenst, is hij getrouw, nauwgezet en uitmuntend geschikt om te volbrengen wat hem wordt opgedragen, ook hetgeen niet tot zijn vak behoort. Hij was getuige van den dood mijns zoons, ontkwam niet dan met moeite aan de handen der Spanjaards en kondigde mij de treurige tijding aan met een voorzichtigheid en gevoeligheid, die beide aan zijn verstand en hart eer deden."
"Als hij van Spaansch bloed is, zou ik hem toch maar half vertrouwen," zeide Joan halfluid: "onze Bouke zou zeggen: 't wil muizen wat van katten komt."
"Alweder!" zeide de Baron: "hebt gij niet gehoord, wat ik zooeven zeide, dat gij u van aanmerkingen te onthouden hebt?"
"Ik zal geen woord meer spreken," mompelde Joan: "doch ik houd niet van dien page."
"Niet? Gij zult van hem houden, als ik het verkies. Ik begeer, dat gij zeer vriendelijk tegen hem wezen zult en hem morgen, zoo hij het verlangt, het kasteel, de tuinen en de omstreek zien laten."
"Nu," viel de Gravin in: "het spijt mij, dat mijn page aanleiding geeft tot misnoegen van onzen waardigen gastheer op mijn braven ridder; doch ik moet den goeden Ludwig in zijn eer herstellen. Hij kent zijn Spaansche afkomst niet en legt in al zijn gesprekken en handelingen afkeer voor onze vijanden en een innige gehechtheid aan onzen landaard aan den dag."
Hier eindigde het gesprek, en weldra begaf men zich ter ruste; doch de Heer van Sonheuvel kon den slaap niet vatten: de gelijkheid, die tusschen het lot van Joan en dat van den page bestond, verbaasde en ontzette hem; en zijn eerlijk hart werd hoe langer hoe meer bedrukt door de gedachte dat zijn pleegzoon, zoolang hij van zijn afkomst niet vergewist ware, gevaar liep, onwetend zijn magen te haten, te vloeken, te bestrijden. Tot dezen tijd toe had de Baron er nooit bepaaldelijk over nagedacht, hoe en wanneer hij den jongeling het geheim zijner geboorte bekend zou maken: hij had gehoopt, dat de tijd en de omstandigheden hiertoe een gepaste aanleiding zouden geven, en zijn bekommering hieromtrent naar een verwijderde toekomst verschoven; doch thans was die verwachte aanleiding gekomen, en zij vervulde hem met angst en zorgen: een gezegde van Joan had het hem tot een plicht gemaakt, den jongeling alles te ontdekken: en die plicht scheen hem zijn krachten te boven te gaan. Zijn boezem schokte op het denkbeeld, dat hij den knaap, wien hij als zoon had aangenomen en opgevoed, op eenmaal zou moeten verloochenen: en wat kon niet bij den gevoeligen jongeling het gevolg zijn eener ontijdige bekentenis? Misschien radeloosheid, vertwijfeling of nog erger. Zou niet de ongelukkige, in Nederland om zijn afkomst over den nek aangezien, door de Spanjaards als een gelukzoeker verstooten worden? Wellicht ellendig en zonder troost de wereld moeten rondzwerven en zijn pleegvader verwenschen, die zijn kindsche jaren met ijdele begoochelingen gevleid had?--Als vreeselijke spoken drongen zich deze benauwende gedachten voor den geest des Barons, totdat hij eindelijk besloot, nog den volgenden morgen een einde aan alle onzekerheid te maken, door met den Predikant Raesfelt de middelen te beramen, geschikt om de zaak tot effenheid te brengen, en deze dan hoe eer hoe beter in 't werk te stellen.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Je suis, dit-on, un orphelin. Entres les bras de Dieu jeté dès ma naissance. Et qui de mes parents n'eus jamals connaissance.
_Racine_, Athalie.
Nauwlijks was de dageraad aangebroken, of Joan, verlangende nog voor het ontbijt eenige hoenders te schieten, maakte zijn jachtgeweer in gereedheid en begaf zich naar buiten. Aan de steenen poort gekomen, waar de oude portier zijn slaapplaats had (die hij niet zelden al grommende verliet, wanneer hem de Jonker zoo vroeg kwam wekken om de poort te ontsluiten), vond hij tot zijn verwondering, den grijsaard reeds geheel aangekleed in de opene poort gezeten, terwijl Bouke, die naast hem stond, zich met hem over vroegere krijgsbedrijven onderhield.
"Wel zoo Frans!" zeide Joan: "al zoo vroeg bij de werken?" "Ja Jonker! ditmaal heb ik het jou afgewonnen: en daarbij moet je niet eens denken, dat je de eerste man zijt, die de poort uitgaat: het is al een half uur geleden dat ik gewekt ben geweest: en raad ereis door wien? door dien mooien pop van de vreemde Mevrouw. Ja! hoe noemt men zoo'n lintejongen?"
"Door den page? wat had die zoo vroeg buiten te doen?" "Dat weet Joost--Gisteren was het met dat vreemde volk alles loât op stok. Ik was blij toen ik er om één oere in lag; want ik had op de lakeien moeten wachten, die nog na het avondeten naar het dorp waren gegaan en God beter ze, in de kroeg in sloap gevallen waren. Blij was ik, zooals ik zei, dat ik er om één oere in lag, en met de ongewoonte van zoo loat naar kooi te goan, kon ik den sloâp niet voor vijf oere vatten: dan kijk, pas sloâp ik een oer, of wie stoât doâr veur mien bed?--Die hansworst van een roodrok: en met een stem alsof hij zelf een prins of een groâf was, zeit hij tegen mij, die er nog nooit door groâf of heer of boer op zoo'n manier ben oetgeport: "Vrindje! stoâ op en moâk open." Vrindje! en dat tegen mij? Kon hij niet zeggen: Poortier! of: goede vriend! of Frans! zoo hij mijn noam anders kende. Moâr, om kort te goan: hê! zei ik, toen ik zoo half wakker was, jonker Melkmuil! is het nou tijd van oet te goân! Goâ nog wat noâr je bed: je zult moe wezen van je reis.--En wat denkje dat zoo'n vlegel me antwoordde? Joâ! zoo iets heb je nooit beleefd! "Kom," zei hij zoo: "stoâ op! anders goâ ik zelf de poort opensluiten:" en meteen greep hij moâr zoo familjoâr naar de sleutels, die noâst me lagen. Moâr ik zei: heb ik jou doâr? dat zal mis wezen: as je brutoâl wordt, komje der in 't geheel niet oet! Want ik werd driftig op mijn manier: moâr zoo'n moesjanker deed krek alsof hij er zich niet oan stoorde: hij vouwde de armen over mekoâr en keek mij heel bedoârd an: "kom," zei hij zoo: "doe moâr gauw open, anders goâ ik Mijnheer den Baron roepen en vroâg hem, of hij jou hieten wil; want ik heb last van Mevrouw de Gravin: en ik moet oet."--Hebje ooit zoo'n onbeschoâmden snotneus gezien? Ja! hij zou noâr je voâder goân? jawel mergen! Moâr ik dacht: de jongen spreekt zoo bout, wie weet of hij geen verlof heit van Mijnheer?--en zoo van 't ien op 't oâr komende, dacht ik zoo bij mijn aigen: joâ! het is toch de bediende van een groote Mevrouw en hij is zoo veul als kind in huis: ik zal moâr de minste wezen; en zoo stond ik op en liet hem oet, en toen zag ik dat hij twee brieven in de hand had."
"Gij hebt wel gedaan, Frans!" zeide Joan: "die page is een verwaande zotskap; doch de Gravin heeft veel met hem op: dus moeten wij hem maar wat toegeven, zoolang hij hier is. En gij ook al zoo vroeg op?" vervolgde hij, zich tot Bouke keerende.
"Ja!" zeide deze: "de page had mij gisteren bij 't naar bed gaan gevraagd of hij vroeg het kasteel uit kon: en daar ik weet, dat er van zulk volkje niet veel goeds te verwachten is, was ik eens opgestaan om te zien, wat hij voor dag en dauw doen moest; maar de vogel was al gevlogen. 't Is een rare snaak, de eigenste page: aan wie denk je, dat hij gisterenavond zijn hof maakte?"
"Wel aan Klaartje," antwoordde Joan: "dat is de mooiste meid uit de buurt, en men zeit dat de pages daar altijd op afgaan."
"Aan Klaartje?" Ja hij moest eens beginnen! al is hij nog zoo in dienst van een gravin, ik zou hem gravinnen: ik ben oom en voogd van Klaartje, en ik zal wel oppassen dat hij haar zelfs geen onnoozelen zoen geeft: ik denk altoos; met kleine lapjes leert de hond leêr eten: vuur en stroo dient niet alzoo: geef den duim, dan...."
"Nu, maar met wie vrijde hij dan?" vroeg Joan, dien vloed van spreekwoorden stuitende.
"Naar wie?--hij heeft twee uren lang in een hoekje van de keuken zitten flikvlooien met de oude Geert."
"Zijt gij dol, Bouke! Of verkoopt ge flausen? Wat zou hij aan die oude totebel verteld hebben?"
"Dat heb ik haar ook gevraagd: doch oele! ze was zoo dicht als een kruitvaatje en zoo geheim als een jonge meid, die voor 't eerst onder vier oogen met haar vrijer gezeten heeft: zij zei mij, ze kon er niets van oververtellen en ik mocht er aan geen sterveling van spreken, dat zij zoolang met den page geredeneerd had;--maar jawel! ik breek er mijn hoofd mee: ik ruilde toch mijn olde kruitdoos tegen een nieuwe, om te weten wat hij aan die babbelkous al zoo op de mouw heeft gespeld."
"De oude Geert en de jonge page!" hernam Joan: "dat zou al een fraai paar geven!"
"'t Zou nog de vraag wezen, wie van de twee 't eerst genoeg had an de andere," merkte Frans aan.
"Nu!" zeide Joan, "ik trek af: anders wordt het mij te laat. Goeden morgen samen!"
"Goê mergen en goê jacht, Jonker!" zeide de Portier: "zie den page maar voor geen fezantenhoân an: je mocht anders dien sinjeur kakelbont ereis een pijl bij vergissing in zijn dikste vleesch zenden."
Nog lachende over hetgeen Bouke hem verhaald had, was Joan alras, van Veltman vergezeld, op het pad gekomen, hetwelk aan den voet van het dorp, door moeslanden en boomgaarden, op de heide aanliep en gemeenschap had met den grooten weg, niet verre van de plaats, waar Joan 's avonds te voren zijn welberadenheid en moed getoond had. Reeds was de Jonker op de opene plaats gekomen, waar een groote houten galg (gelukkig in jaren niet gebruikt) midden tusschen de roodekoolstruiken oprees en des Barons hooge jurisdictie binnen de grenspalen van zijn heerlijkheid aantoonde, toen Veltman, die al snuffelende vooruit was geloopen, stokstijf staan bleef en op deze wijze de tegenwoordigheid van een koppel patrijzen verried, hetwelk inderdaad niet lang daarna klapwiekend opsteeg en vooruitvloog. Sneller echter vloog de pijl des Jonkers het achterna, en deed een der hoenders in het hakhout storten. Spoedig bracht Veltman het dier aan zijn meester, die, na het in zijn weitasch verborgen te hebben, zich aan den voet der galg plaatste om den boog opnieuw te wapenen.