Chapter 14
Joan, die in het kasteel zijns vaders voor niemand vreesde, daar hij zeer wel wist, dat geen mensch er ongestraft eenig geweld zou mogen uitoefenen, zag den wachtmeester spotachtig aan, maakte een diepe buiging en liep de zaal uit.
"Dat 's een satansche gauwdief!" riep de wachtmeester: "naar boven mannen! het slot doorzocht! de paap zit zeker hier of daar verscholen." Dit zeggende, liep hij, gevolgd van zijn twee handlangers, de trappen op, vermoedende, dat de vluchteling in een der bovenvertrekken zoude wezen. In de eerste kamer, die hij opensloot, zag hij een kruik, nog half vol water, een brok brood en de lekkernijen, die Ulrica 's avonds te voren aan Joan gebracht had, en waar hij niet aan geraakt had, gelijk men zich herinneren zal.
"Hier zal hij wezen!" riep de wachtmeester, "binnen mannen! en draagt zorg, dat niemand er uitkome."
"Dat zal ik," riep Joan, die hen stil gevolgd was, en smeet meteen de deur achter hen toe. "Veel pleizier, vriendjes! slaap daar nu maar wat uit." Dit gezegd hebbende, snelde hij onder een schaterend gelach de trappen af, riep den Bottelier, den Palfrenier, den Tuinier, de oude Geert en al de zoo mannelijke als vrouwelijke dienst- en werkboden bijeen, en vertelde hun, dat hij drie gevangenen gemaakt had, over wier lot de Baron zoude beschikken. Dan, terwijl hij nog sprak, en de oude Geertrui al gedurig uitriep, wat Mevrouw zaliger wel van zulk een geval gezegd zou hebben, hoorde men zulk een geweld aan de voorpoort, dat allen naar buiten stoven.
Dit rumoer had een zeer natuurlijke reden. De Baron kwam met Ulrica en Bouke in het wagentje van zijn reis naar Tiel terug en vond zich nu voor de brug van zijn eigen slot den ingang ontzegd door de drie aldaar geposteerde ruiters, die hem niet verstonden of niet wilden verstaan.
"Ik ben de Baron van Sonheuvel," schreeuwde hij.
"Ick kenne kein Baron," zeide Karl Blutzaufer: "potstauzend, du sollst nicht drinn kommen!"
De Baron lichtte de zweep op, om hem een duchtigen slag om de ooren te geven, en er ware veellicht een vechtpartij ontstaan, indien niet Ulrica, vol angst en ontsteltenis, haar vader weerhouden had, door zich zoo vast aan hem te klemmen, dat hij zich bijna niet verroeren kon. Intusschen was Bouke, die meer bedaardheid van geest bezat dan zijn Heer, uit den wagen geklommen en naar de ruiters toegestapt, aan welke hij vroeg, wie en waar hun hoofdman was, daar het toch billijk scheen te zijn, dat men aan den heer des huizes reden gaf, waarom hem de toegang tot zijn eigen slot ontzegd werd, althans in vredestijd en door soldaten in dienst van den lande. Na eenige woordenwisselingen begrepen de schildwachten, dat zij aan het verzoek van Bouke voldoen moesten, en ging Melis Pif-paf naar binnen om den wachtmeester te halen. Op het voorplein ontmoetten hem de bedienden, allen welgewapend.
"Waar ist der Wachtmeister?" vroeg Melis: "ik muss hem sogleich spreken!"
"Dat weet ik niet," antwoordde de Bottelier; "ik heb geen wachtmeester gezien noch geroken; maar dat weet ik, dat jijlui je biezen moeten pakken en Zijne Edelheid ongemoeid laten oprijden, of dat het slecht met je zal afloopen." Terwijl hij sprak, grepen eenige tuinlieden den ruiter aan en ontwapenden hem.
"Hilf! Jost! Karl! Hilf! Staôt bi kerlen!" riep Melis, zich vruchteloos verzettende. Dan Jost noch Karl konden hem te hulp komen: want verscheidene dorpelingen, waaraan Juffrouw Raesfelt verhaald had, dat er ruiters op het kasteel gekomen waren, hadden zich inmiddels aan den buitensten ingang vertoond en hielden er de twee ruiters in bedwang; de drie anderen, die aan het achterhek post gevat hadden, kwamen op het gerucht aanrijden, om hun makkers bij te springen; en het ware tot een algemeen gevecht gekomen, bijaldien niet de Baron op de bank van zijn rijtuig geklommen was en van daar uit de hoogte een algemeene stilte geboden had.
"Staat, menschen! ik ben hier op mijn grond alleen heer en meester, en verlang te weten, wat aanleiding tot deze malle historie gegeven heeft. Is er een onder die knapen, die verstaanbaar Neerduitsch spreken kan, zoo ben ik bereid te hooren, op wat grond men zich verstout, in mijn afwezigheid mijn slot te bezetten."
Roelof Sla-der-op reed tot naast den wagen, nam den hoed in de hand en sprak:
"Wij volgen slechts onzen last, Heer Ritmeester! U WelEd. is zelf soldaat geweest en weet dus, dat wij gehoorzamen moeten aan hen, die boven ons gesteld zijn."
"Recht zoo," antwoordde de Baron: "maar wie gaf u dan last?"
"De wachtmeester, heer Ritmeester, die binnen het kasteel is."
"Laat hem dan hier komen," riep Reede, ongeduldig wordende: "waar zit hij?"
"Ik heb hem op den toren gevangengezet," zeide Joan, die met zijn kruisboog op schouder, uit den hoop hervoor stapte: "hem en zijn makkers!"
"Geen gekscheren, Joan!" zeide de Baron, gramstorig: "zulke malligheden komen nu niet te pas. En breng dat geweer weg. Als er uilen geschoten moeten worden, zal ik u roepen."
"De Jonker heeft gelijk," zeide de Bottelier: "hij heeft drie ruiters in de steenenkamer opgesloten."
"Ja! hier zitten wij!" riep een stem, die uit de lucht scheen te komen. Allen keken naar boven en zagen aan een klein venstertje het hoofd van den wachtmeester, die op de schouders zijner twee kameraden geklommen was om het te bereiken en hulp te vragen. Op dit gezicht berstte iedereen uit in een schaterend gelach; zelfs de ruiters, die beneden stonden, moesten glimlachen op het denkbeeld van de poets, door een knaapje als Joan aan hun sluwen hoofdman en zijn makkers gespeeld.
"Zoo!" zeide de Baron, toen het gejuich een weinig bedaard was: "zitten die vogels zoo hoog in de kooi? Hoort eens mannen," vervolgde hij tegen de ruiters, die beneden waren, en die thans wat minder hoog spraken, sedert dat de Schout met een nieuwen troep gewapende boerenknapen den stoet vergroot had, "zit af en geeft de wapens ordentelijk over, terwijl ik uw wachtmeester ga onderhouden. Heer Schout! wees zoo goed, mij te volgen." Dit geschiedde.
De Baron reed nu onverlet zijn kasteel in, vertrouwde Ulrica aan de zorgen van Geertrui, en begaf zich met den Schout naar de groote benedenzaal, terwijl Bouke met eenige dienaars de gevangenen ging verlossen en vervolgens den nu ontwapenden wachtmeester binnenbracht.
"Wat is uw last, wachtmeester?" vroeg Reede: "en hoe durft gij zoo onbeschaamd in mijn kasteel den baas komen spelen? Spreek de waarheid, of ik laat u ophangen."
"Dat zoude UEd. moeten verantwoorden," antwoordde de wachtmeester, op vrij hoogen toon: "wat mij betreft, hier is mijne verantwoording" en hij reikte den Baron zijn lastbrief over.
Deze was geteekend en uitgevaardigd door de Staten van Gelderland en bevatte een bevel aan Peter Maanvreter, Wachtmeester, om op te sporen en te vatten den persoon van Ambrosio, Priester, zich bevorens genoemd hebbende Godard van Reede tot Sonheuvel (hier volgde de aanduiding) en aan alle overheden, schouten en magistraten om gemelden Peter Maanvreter de noodige hulp en assistentie te verleenen enz. enz., alles ingevolge de in den jare 1598 uitgeschreven en later hernieuwde plakkaten.
"Ik zal hierop slechts ééne aanmerking maken," zeide de Baron, nadat hij de lezing van het stuk in stilte had volbracht: "gij zijt hier niet in Gelderland, maar op Stichtschen grond: en uw lastbrief heeft hier zijn kracht verloren. Hadt gij onderzoek willen doen, gij hadt u bij den Schout moeten vervoegen, maar geenszins op eigen gezag hier moeten komen."
"De Jonker heeft ons zelf hier gebracht," antwoordde de wachtmeester.
"Gij zijt een te oude roofvogel om u door zulk een jong spreeuwtje van den rechten weg te laten afbrengen.--Doch heeft de Jonker die buitenposten uitgezet, die mij den toegang hebben afgesneden?"
"Het spreekt van zelf, dat mijn last UEd. niet gold; en UEd. ware niet opgehouden geweest, indien men mij niet had opgesloten; doch ik had stellig naricht, dat de man, dien wij zochten, zich hier bevond, en nam daarom de noodige voorzorg, dat hij niet ontsnapte. Mag ik UEd. wel een woordje in 't vertrouwen onder vier oogen mededeelen!"
"'t Is wel: doch maak het kort. Heer Schout, met uw verlof! Bouke, verlaat de kamer met uw volk.--Nu zijn wij alleen: wat hebt gij nu te zeggen?"
"Heer Baron," zeide de wachtmeester: "wees zoo goed en zie dit papiertje eens in." Meteen toonde hij het aan Reede, terwijl hij het zorgvuldig met de beide handen onder en boven bleef vasthouden uit vrees dat het hem ontscheurd zoude worden. Het was een blaadje uit een getijboek, en wel het eerste: bovenop stond geschreven: _hic liber est Fr. Ambrosii, abb. Dom._ [31].
"Welnu! wat zal dit?" vroeg Reede, nadat hij het aandachtig beschouwd had.
"Dit blaadje vond ik in mijn gevangenis. Het bewijst ten duidelijkste, dat daar vóór ons nog iemand geweest was, en dat de abt, uw oom, daar òf gescholen heeft òf nog in de een of anderen hoek schuilt.--Wat dunkt UEd.? Zouden de Staten het met welgevallen zien, dat UEd. een man, wien de justitie opspoort, schuilplaats verleent?"
Van Reede zweeg en streek zich over 't gezicht.
"Mij dunkt, Uwe Edelheid!" vervolgde de wachtmeester, ziende dat zijn gezegden niet geheel zonder uitwerking bleven, "mij dunkt, wij moesten de geheele geschiedenis maar blauw blauw laten. Want, zoo UEd. over mij klaagt, zal ik, ja, misschien gestraft worden; doch ik heb altijd een middel om UEd. een poets te bakken, die UEd. waarschijnlijk hoogst onaangenaam zijn zoude."
"Gij hebt gelijk, schurk!" zeide de Baron, "gelukkig, dat alles zich nog zoo schikken kan: want de man, dien gij zoekt, is reeds in veiligheid. Inderdaad, het zal best zijn, dat wij de zaak schikken. Heer Schout! gij kunt weer binnenkomen."
De Schout kwam terug met de overigen. "Ik ben over de inlichtingen voldaan, mij door den wachtmeester gegeven," zeide Reede, "en hij kan in vrede met zijn volk vertrekken, mits zulks dadelijk geschiede. Bouke! roep Joan! want ik moet eens hooren, hoe hij het toch geklaard heeft, om die knapen boven op dat kamertje te krijgen. Tot wederziens, Heer Schout."--Men gaf den ruiters hun wapenen terug, waarop zij vertrokken. Ondanks de vermaningen van den Schout konden zij het dorp niet verlaten, zonder een menigte scheldwoorden en uitjouwingen van de goede gemeente, die hen gevolgd was, te moeten verduwen: dit getroostten zij zich totdat zij buiten het dorp gekomen waren: toen gelastte Maanvreter aan zijn onderhoorigen rechts-om-keert te maken, en meteen zwoer hij, dat de eerste, die zich verstouten dorst, hem verder lastig te wezen, kennis zoude maken met zijn ijzeren kling. Deze bedreiging, de vaste toon, waarop zij was uitgesproken, en het barsche uitzicht van den wachtmeester maakten indruk op den hoop, en de ruiters mochten ongestoord hun weg naar Gelderland vervolgen.
Aldus liep deze geschiedenis ten einde, waarvan eigenlijk niemand met eer was afgekomen, dan Joan, wiens verhaal door zijn pleegvader onder een aanhoudend gelach werd aangehoord en wiens gedrag door Bouke ten hemel werd verheven.
ELFDE HOOFDSTUK.
Van mijne bruiloft af, van dat ik zat verlooft, Wat stormen waeiden my niet sedert over 't hooft: Wat toren is zoo hoog, van waer mijn oogh de baren Der zee kan overzien van al mijn wedervaeren.
_Vondel_, Gysbrecht van Aemstel.
Wij springen thans, volgens het voorrecht van romanschrijvers en nieuwerwetsche Fransche _vaudevillisten_, wederom eenige onbeduidende jaren stilzwijgend over, om tot een voorval te komen, hetgeen plaats greep, toen Joan zestien jaren bereikt had, en dat op zijn volgende loopbaan meer invloed had, dan men er in het eerst van had kunnen verwachten.
Schoon Joan op dien leeftijd een geoefend ruiter was, en den fraaien vos, hem door zijn pleegvader geschonken, met zwier bereed, wanneer hij met vlugge hazenwinden den reebok of de hazen op het uitgestrekte heideveld najoeg, kende hij echter geen grooter genoegen, dan om alleen, zonder gezelschap buiten zijn trouwen hond Veltman, met het jachtmes op zijde en den kruisboog in de hand, de omliggende velden te doorkruisen: dan trok hij, in 't eenvoudigste gewaad, tegen weer en wind gehard, bij zonsopgang met vollen knapzak en ledige weitasch het slot uit om er niet zelden eerst tegen het vallen van den avond met ledigen knapzak en volle weitasch terug te keeren. Rusteloos en onvermoeid zette hij zich alleen uit vriendschap voor zijn viervoetigen tochtgenoot somtijds neder, om de boterhammen, welke de zorgvolle Ulrica 's avonds te voren had toebereid en in papier gewikkeld, met den edelen hond te deelen, en aan dezen de verkwikking te doen erlangen, die hij benoodigd had om met nieuwe krachten de wandeling voort te zetten.
Eens keerde hij, met wild beladen en vroolijk neuriënde onder 't gaan over de breede heiden, die zich ten noordoosten van het dorp Sonheuvel bevinden, met zijn trouwen Veltman weder huiswaarts. Het was een dier schoone herfstavonden, waarin de hemel met zulke heerlijke schakeeringen van goud en purperrood ontgloeid is: liefelijk werden de dampen, die over de vochtige velden gleden, door de breede zonnestralen verlicht; in vollen bloei stonden de ontelbare erica's en bedekten het grauwe mostapijt als met purperen vlekken: van alle kanten stegen de geuren van thym en rosemarijn naar boven en verspreidden zich heinde en ver op den adem van het suisend avondwindje. Blakend van den schemerenden gloed der ondergaande zon, lagen Sonheuvel en de omliggende dorpen aan den voet des heuvels, midden tusschen het donkere groen te prijken: trotsch en statig verhieven zich de hooge kerkspits, en daarachter, de daken van het vaderlijk slot: linksaf stak, in 't verschiet, de dom van Reenen somber af tegen het heldere zwerk, en aan de rechterzijde rezen de torens van twintig adellijke huizen uit de donkere bosschages. Voor hem rolde de Rijn met effen, stillen stroom, door vette weiden of geurige boomgaarden, en kaatste als een spiegel den blozenden hemel terug. Hoe vaak Joan dit prachtige natuurtooneel aanschouwd had, telkens deed het nieuwe en streelender gewaarwordingen bij hem oprijzen: want dit voorrecht bezit de natuur, dat hare schoonheid nimmer den gevoeligen toeschouwer vermoeien noch verzadigen kan, en dat de indrukselen, welke zij teweegbrengt, met de jaren eer versterkt dan verzwakt worden. Onwillekeurig bleef Joan op de helling des heuvels staan, niet ver van de plaats, waar het pad, dat hij volgde, zich met den bovenweg vereenigde, om zijn oogen aan een treffend en bevallig schouwspel te verlustigen. Daar stond hij, als ware hij alleen in de natuur. Slechts de rook, die uit het dorp in dunne wolkkolommen opsteeg, het verwijderd geloei der runderen, die naar de stallen keerden, en het eentonig geluid der klinkende schelletjes van de witgewolde kudden kondigden hem de nabijheid van menschen aan. Verzonken in aandacht en verrukking, gevoelde hij zich, zonder zelf de reden te kunnen bevroeden, diep bewogen en wischte een traan uit het oog, toen de onverwachte verschijning van een naderend rijtuig aan zijn gedachten een afleiding bezorgde, door zijn nieuwsgierigheid gaande te maken.
Langs den bovenweg, den eenigen, die in dit jaargetijde berijdbaar was, kwam van den kant van Reenen, een zware koets aanrollen, door vier stevige paarden getrokken. Een fraai uitgedoste koerier ging het rijtuig voor, gaf, zoodra hij ter plaatse gekomen was, waar de weg nederwaarts op het dorp aanliep, zijn paard de sporen en reed op een vluggen draf de straat van Sonheuvel in. Met snelle schreden aanstappende, bereikte Joan nu spoedig den landweg en zette zich op een dijkje van plaggen neder, om het rijtuig, dat langzaam den heuvel afkwam, te zien voorbijrijden. Het was een prachtige koetswagen, met wapens en blazoenen beschilderd. De hemel, op vier stijlen rustend, was met gordijnen behangen van oranje laken, met blauw en zilver geborduurd. Op de trede zat een page, tegen de avondlucht gewapend met een paarsen mantel, waarin hij zich geheel had gewikkeld. Achterop bungelden drie lange slungels van lakeien, sierlijk uitgedost en met vuurroeren gewapend. De koetsier, die de strengen der achterpaarden hield, was een lang, deftig man, met een hoogen, breedgeranden hoed, een kastanjebruinen rok vol linten en strikken, hooge laarzen met zilveren franjes en bijzonder net geplooiden kraag. Deze keurige kleeding stak bijster af tegen het gewaad des postiljons, die op het bijdehandsche voorpaard gezeten was, zijnde een Geldersche boer, met ongedekten hoofde, aschgrauw, ongekamd en stijf afhangend haar, linnen pij en holsblokken aan de bloote voeten.
Langen tijd bleef de wagen even langzaam voortrollen, en Joan werd ongeduldig, toen hij op eens verwarring om het rijtuig zag ontstaan, terwijl de paarden hollende op hem afkwamen.
Het linkerachterwiel had een zwaren steen ontmoet, die, onder 't zand begraven, en door een vooruitschietenden denneboomswortel gesteund, het voortgaan van het rijtuig verhinderde. Driemalen klapte de lange zweep des koetsiers door de lucht: driemalen voelden de voorpaarden het touw met de dikke knoopen der postiljons, zonder dat de koets verwikte: eindelijk deed het bijdehandsche voorpaard zulk een geweldigen ruk, dat een der touwen, waaraan het gebonden was, in stukken sprong: dit was oorzaak, dat het dier op zijn nevenman aandrong: het geheele span ontving een zijdelingschen schok, waardoor het rijtuig met zooveel geweld over den steen gehaald werd, dat het wiel omhoog en tegen den bak aansnorde; de postiljon verloor zijn tegenwoordigheid van geest, en in plaats van zijn paarden des te steviger vast te houden, poogde hij af te klimmen en tuimelde hals over kop in 't zand: de paarden, schichtig geworden, sloegen aan 't hollen en waren niet door de inmiddels afgestegen dienaars te wederhouden. De page, die mede van het rijtuig gesprongen was, lag midden in een doornstruik te spartelen, en een in 't zwart gekleede vrouw, die de gordijnen had opengeschoven, (want men wist toen nog van geen portieren) en al gillende hulp vroeg, scheen in beraad om ook den sprong te wagen, toen er hulp verschaft werd.
Zooras Joan het ongeval ontdekt had, begreep hij, dat de paarden gestuit dienden te worden, eer zij in het bestraatte dorp aankwamen, alwaar zij het rijtuig gemakkelijk tegen een huis of stoep zouden kunnen verbrijzelen: haastig zag hij om zich heen, hoe er hulp kon bewezen worden, en wierp inmiddels boog en weitasch van zich af. Aan den weg lag een hoop afgehouwen dennestammen: een daarvan tilde hij op, stak dien dwars over den weg, met de punt in het dijkje en ging zelf aan de andere zijde van het spoor staan, het dikke einde van den boom vasthoudende, en op die wijze een slagboom improviseerende. Bijna op hetzelfde oogenblik waren de voorpaarden bij hem: zij struikelden over den hinderpaal en stortten neder, waarop het den koetsier niet moeilijk viel, de achterpaarden op te houden en het rijtuig te doen stilstaan. Men begrijpt, dat dit alles in minderen tijd geschiedde, dan ik noodig heb om het te verhalen.
Een der dienaars naderde het rijtuig en hielp er zijn meesteres uit, benevens hare twee verschrikte kamerjuffers. Zonder een woord te spreken, en met een gelaat, waar de uitgestane angst nog duidelijk op te lezen was, wandelde de deftige vrouw den weg af, toen haar page, een knaap, die tusschen de twintig en vijf en twintig jaren oud scheen en wiens kleeding en gelaat deerlijk van de doornen gehavend waren, met honderd buigingen haar op zijde kwam snellen, en met tallooze dienstbetooning vroeg, of Mevrouw ook eenig letsel bekomen had. Zijn meesteres vergenoegde zich met van neen te schudden en wendde zich vervolgens tot den koetsier, die van den bok geklommen was en de paarden ophielp, en wien zij vroeg of hij alleen, dan wel met behulp van anderen, de paarden had kunnen stuiten.--"Ich? Genädige Frau!" antwoordde de koetsier: "nein waaraftig nicht: das ware onmöglich; want ich hold allein die afterste knollen: ohne ein jungen jäger, die mit eine kantsch prave tegenwortigkeid von keist die dennetak for die perten kehalt had, ware euer Gnäde er so gefällig niet afjekomen: er ware ein hupscher knabe, und Ludwig (vervolgde hij, den page schuins aanziende) mag ein beispiel aan ihm nemen, wie sich te ketraken in eine sortkelike kelekenheid."
"Ik zou hetzelfde gedaan hebben," antwoordde de page: "kan ik het helpen, dat ik in die hatelijke doornen te land kwam?"
"Neen," zeide de vreemde Dame, op een gestrengen toon: "doch gij kunt het wel helpen, dat gij de gordijnen niet losmaaktet, toen ik zulks verzocht: wel is waar, elk is zich zelf het naast, en de vrees, die u beving, is uw beste verschooning."
Het gelaat van den page, dat op het verwijt van den koetsier rood van toorn geworden was, werd op de beschuldiging zijner meesteres bleek van spijt: hij wilde antwoorden, doch wederhield zich intijds, beet op de lippen, wendde zich af en ging naar de paarden, als om te helpen; doch de koetsier stootte hem eenigszins ruw van zich af met de verklaring, dat hij hem hinderde.
Nog maar half van haar schrik bekomen, plaatste zich de adellijke vrouw op den stapel boomstammen, en vroeg aan de landlieden en dorpelingen, die in menigte, door de nieuwsgierigheid gelokt, waren toegeschoten, wie hunner den kloeken jongeling kende, die zich zoo moedig en behendig voor haar behoud geweerd had.
"Er was ein jongen jäger," zeide de koetsier: "ein hupscher borst."
"Een jonge jager", zeiden de boeren, de schouders ophalende: "wie kan dat zijn? hier jaagt niemand dan de Jonker."
"Of het moest Teun Wezer zijn," mompelde de vrouw van den metselaar tegen den barbier.
"Die zal zoo mal niet wezen om zich hier te vertoonen," zeide de barbier, sedert Bouke hem rottingolie heeft toebedeeld, omdat hij zijn nichtje Klaartje zocht te verleiden."
"Wat praat jelui van Teun Wezer?" liet zich een stem achter de koets hooren: "bemoei je met je eigen duiveljagerijen."
Hij, die deze woorden uitte, was dezelfde boerenknaap, die als postiljon de koets gemend had en bij Reenen te huis behoorde: hij stond in den geheelen omtrek in slechten reuk, wegens gepleegde strooperijen en boevenstukken; doch omdat hij een vrij goed ruiter was, werd hij wel eens door den boerenstalmeester als postiljon aan reizenden medegegeven.
"Zie je nou, buurman?" hernam de metselaarsvrouw: "daar is hij al zelf: ja, ik had zoo mis niet gezien. Het spijt mij maar, dat ik kwaad van hem gesproken heb: als hij het gehoord heeft, zou hij wel eens uit wraak mijn kippen stelen."
Inmiddels naderde de postiljon en bezichtigde de paarden: waarna hij met een zwaren vloek verzekerde, dat het eene in de borst gewond, en het andere aan 't been gekneusd was, een schade, welke de genadige vrouw, al ware zij nog zoo genadig, hem betalen zou.
"Spreek maar zoo bout niet, Teun!" sprak iemand achter hem: "het geheele geval is uw eigen schuld en zou niet gebeurd zijn, indien gij, in plaats van af te springen, waart blijven zitten: gij verdient smeer in stede van betaling."
Teun Wezer zag vloekend om, doch zweeg op het gezicht van den Jonker van Sonheuvel, die, met zijn hond aan zijn zijde, bedaard naar hem toekwam.
Joan had, als wij verhaald hebben, op het zien van het dreigend ongeval, boog en weitasch weggeworpen: de boog was aan de andere zijde van het dijkje in een greppel neergevallen: de weitasch was nog verder heengevlogen: de hazen en patrijzen, daaruit gerold, lagen op de heide verspreid. Zoodra hij de paarden gestuit had, was zijn eerste werk geweest, om de gansche rommelzooi weder bijeen te gaan zoeken, 't geen hij met behulp van Veltman ten uitvoer bracht. Daar dit bukkende geschiedde, was hij tot nu toe door het dijkje aan aller oogen onttrokken gebleven.
"Ziedaêr, Genädige Frau," zeide de koetsier, "ziedaêr den knabe, die ons keret heeft."
Met een vriendelijken, dankbaren blik keerde zich de genadige Vrouw naar Joan, die met de muts in de hand voor haar stond: "Ik bedank u, knaap!" zeide zij: "gij hebt u, naar ik hoor, niet alleen met kloekheid, maar ook met gevaar van uw leven, gedragen; u is immers geen letsel overkomen?"