Chapter 12
De Predikant Raesfelt (want wij moeten den man nader leeren kennen) was, gelijk de meeste godgeleerden van dien tijd, een man vol groote bekwaamheden, en met enkele lichte gebreken, doch die niet zelden beletteden, dat hij op zijn waren prijs geschat werd. Koelheid, lauwheid in de zaak van den godsdienst was toenmaals onbekend: men was gedwongen, zoo niet uit overtuiging, althans uit noodzakelijkheid, voor deze of gene gevoelens partij te trekken, Raesfelt, met hart en ziel gehecht aan de leerwijze, die Bogerman, Gomarus, Lubbertus en hun medestanders predikten, paarde aan de denkbeelden van dezen ook hun staatkundige beginsels. Evenals de genoemde schrijvers was hij een door en door geleerd man, doorvoed met de lezing der oude, vooral der godgeleerde schrijvers. De zucht tot onderzoek en kennis wies gestadig bij hem aan, en het stille studeervertrek was voor hem het meest geliefkoosd verblijf. Aldaar arbeidde hij onvermoeid en onafgebroken aan de voortzetting zijner studiën, terwijl oprechte waarheidsbegeerte en zucht om veel goeds en nuttigs te stichten, niet minder dan een brandende weetgierigheid, de spoorslagen waren, die hem het werken zoo gemakkelijk, ja tot zijn dagelijksch brood maakten. Zijns ondanks echter en niettegenstaande deze drijfveeren leidde de bij den mensch ingeschapen lust om hetgeen hij eens voor goed en waar heeft gehouden te blijven aankleven, hem steeds daartoe, dat al zijn oefeningen de strekking hadden om het godsdienstig stelsel, dat hij zich eenmaal gevormd had, te versterken: al de schriftuurplaatsen, al de bewijzen en verklaringen, die aan zijne denkwijze kracht bijzetteden, verkregen in zijn oog een dubbel gewicht; en al de uitleggingen of vertalingen, die niet met zijne meeningen strookten, werden door hem veel spoediger dan hij zelf dacht, voor valsch, of ten minste voor dom verklaard: zoodat hij, hoe onpartijdig hij meende en wenschte te zijn, dikwijls en zonder het te weten tot sterke partijdigheid verleid werd.
Schoon zijn verstand dus somtijds dwalen mocht, zijn edel en oprecht hart dwaalde niet. Zijn wandel was onergerlijk voor God en voor de menschen: zijn gedrag een voorbeeld van Christelijke liefde en zachtmoedigheid. Liefde tot den naaste was bij hem geen theorie, maar een deugd, die hij, waar en wanneer hij kon, in praktijk bracht, en zoo zijn verstand hem somtijds verleidde om den andersdenkende te beschouwen als iemand, wien men, naar het voorschrift des Apostels, niet in zijn huis mocht ontvangen, noch tot hem zeggen: "wees gegroet," zijn hart bleef ook voor den in zijn oog verdoolden broeder nimmer gesloten. Zijn huisvrouw had hij, ondanks haar weinig aangenamen aard, van harte lief, en met zijn kinderen was hij recht mal, gelijk men zegt. Ook de inwoners van het slot en het dorp Sonheuvel waren aan hun Herder bij uitstek gehecht, want zij vonden in hem altijd een oprechten, deelnemenden, getrouwen vriend en somtijds voortreffelijken raadsman.
De zorg voor zijn huishouden en voor zijn gezin, dat langzamerhand vrij talrijk was geworden, liet hij geheel aan zijn wederhelft over: hem vonden de eerste ochtendstralen reeds in zijn studeervertrek, 't welk hij alleen om te middagmalen verliet en waar hij, na een korte wandeling door het dorp, het overige van den dag in doorbracht. De Zondag alleen bracht in deze levenswijze eenige verandering teweeg: dan ontbeet hij met zijn gezin, verruilde den huispels tegen den zwarten rok, ging, na de predikatie, doorgaans op het kasteel het middagmaal gebruiken en deed, als de namiddagdienst was afgeloopen, met Joan en zijn zoons een wandeling in den omtrek: terwijl hij den avond, wel niet met studeeren, doch met het lezen van de nieuw uitgekomen werken over controverse punten, ten einde bracht.
Ondanks zijn zittend leven had hij een zeer rechte gestalte: zijn gelaat had de zoogenaamde kamerkleur verkregen en getuigde van onthouding en inspanning. Zijn neus was ver vooruitgebogen, als ware die bij de wording bestemd geworden tot het snuffelen in boeken en papieren. Van onder zijn zwarte kalot slipten eenige weinige lichtblonde haren uit, terwijl zijn ooren als de vleugels van een Cherubijntje zich van het hoofd verwijderden. Zijn blauwe oogen blikten doorgaans strak en afgetrokken voor zich uit; doch hun gewone dofheid werd verlevendigd, wanneer de aard van het onderhoud de deelneming van den Predikant gaande maakte, of wanneer zijn gemoed door het vernemen van iets belangrijks, zijn geliefde studiën betreffende, bijzonder was aangedaan.
Zijn huisvrouw verschilde aanmerkelijk in verstand en karakter met haar echtgenoot. Deze had haar gehuwd, omdat een Predikant in dien tijd trouwen moest, wilde hij niet voor een Roomschgezinde aangezien worden, en omdat zij een ordentlijken stuiver bezat; doch hij had gewis een betere keuze kunnen doen. Behalve dat zij scheel zag, dat haar gelaat met sproeten en puisten, met een rooden neus, scherpe kin en vale kleur versierd was, bezat zij een inborst, niet ongelijk aan die der beminnelijke echtgenoote van den vlijtigen Trommius, welke, (zoo men verhaalt) het handschrift van het ontzettend werk der Concordantiën, toen het ter helft door haar man voleindigd was, op het vuur smeet, en het zoo bont maakte, dat de arme leeraar, die geduldig zijn arbeid van nieuws af aan weder begonnen was, bij haar overlijden uitriep: "God zij geloofd! nu heb ik rust en kan mijn werk ten einde brengen!"--Ook Mejuffrouw Raesfelt was een soortgelijke heks; doch haar man had minder van haar boozen aard te lijden dan eenig ander, ja zelfs had hij het zoover weten te brengen, dat hij met haar leefde als hij met de zachtzinnigste vrouw in de wereld zou gedaan hebben. Dit geluk was het gevolg zijner levens wijze. Hij zag haar nooit dan aan het middagmaal, waar hij den mond alleen opende tot bidden en eten; zijnde hij voor 't overige zoozeer in gedachten verdiept, dat hij niets vernam van 't geen om hem gebeurde--en in bed, waar het vroege opstaan van den man en de drukke vermoeienissen, welke de vrouw zich door loopen en praten, en kijven veroorzaakte, beiden alras deden inslapen. Daarenboven was, bij hun huwelijk, als een plechtige voorwaarde door den Predikant bepaald, dat Barbara nooit in de studeerkamer zou verschijnen, noch er eenig gezag uitoefenen, 't zij in eigen persoon, 't zij door middel van meid of kinderen. Alleen de oudste dochter, Kaatje, bracht 's morgens aan haar vader een kan bier en een snede brood met kaas voor zijn ontbijt boven; doch dit verrichtte zij met inachtneming der uiterste stilte; niet zelden vond zij des avonds, als zij het bord kwam afhalen om er het avondeten op te plaatsen, het ontbijt nog onaangeroerd staan: eens zelfs was het niet te vinden; en geen wonder! Dominee had het in gedachten met papieren en boeken in zijn schrijflade gesloten, waaruit het na verloop van ettelijke dagen weder te voorschijn kwam.
De zoons van den Predikant, althans toen zij tot die jaren gevorderd waren, waarop de onderwijzing van hun vader hun van dienst kon zijn, hadden, als vanzelf spreekt, hoewel op gezette uren, den toegang tot het _Sanctum Sanctorum_, alwaar zij in die wetenschappen onderwezen werden, welke hun noodig waren te kennen om de Academische lessen eenmaal te kunnen bijwonen. Koenraad en Hendrik (dus waren de beide oudsten genoemd) beantwoordden de moeite, die hun vader zich gaf, met aanmerkelijke vorderingen in de oude talen, zoowel als in de eerste gronden der theologische studiën, en met vreugde herhaalde de Predikant dikwijls de woorden van den Psalmist, uit Psalm negentig:
Laet over ons' kinderen schijnen uwe eere,
wanneer hij zich voorstelde, dat zij eenmaal tot steunpilaren van de Vaderlandsche Kerk zouden opgroeien en deze tegen de aanvallen van Paapsgezinden, Socinianen, Arrianen, Pelagianen of Arminianen zouden verdedigen.
Behalve deze twee, genoot ook Joan welhaast het voorrecht om de lessen des leeraars te hooren. Viermalen 's weeks wandelde hij naar de Pastorie, om er in 't Latijn, het Grieksch en de Godgeleerdheid onderwezen te worden: deze lessen duurden doorgaans drie uren achtereen en verveelden hem veelal doodelijk: dan bestond het eenig genoegen van den knaap, uit het zoldervenster (want het studeervertrek was onder de dakpannen) de kraaien, die om den kerktoren fladderden, met het oog te volgen, of met een snoeimes zijn naam op de tafel te snijden, iets dat Raesfelt òf niet bemerkte, òf door de vingeren zag. Ook gebeurde het wel, wanneer de Predikant in diepe bespiegelingen omtrent het een of ander moeielijk vraagpunt verdiept was, en tekst op tekst aanhaalde, zonder het voorgestelde bevattelijker te maken, dat Joan al een groot uur zat te slapen, eer Dominee, die nog altijd de oogen op zijn bestoven en met geschreven aanteekeningen zwart gekrabbeld Grieksch Testament gevestigd hield, er iets van gewaar was geworden.
Een leermeester, wiens lessen den knaap beter aanstonden, en wien hij meer eer aandeed, was Bouke, die voorheen den Baron als lijfknecht gediend had, en thans, nu de Heer van Sonheuvel sedert het sluiten van het twaalfjarig bestand zijn tijd onafgebroken op zijn kasteel doorbracht, de ambten van kamerdienaar, jager, visscher, valkenier en nog eenige andere _cumuleerde_. Van dezen leerde Joan al spoedig de bekwaamheden, welke den toenmaligen adel kenschetsten. Weldra overtrof hij hem in al die oefeningen, waartoe lichaamskracht en behendigheid vereischt werden: hij kon lang, zonder vermoeid te worden, tegen den stroom op zwemmen, wipte de breedste slooten vaardig over, bracht zooveel hoenders van de jacht terug als men begeerde, verstond de kunst om valken en honden af te richten en zag met een oogopslag aan welken kant van 't water de meeste visch te vinden zou wezen.
Men wane echter niet, dat hij van het onderwijs des Predikants niets mededroeg: daartoe was hij te vlug van vernuft en bevatting; en ofschoon hij niet leerde, wat hij bij meerderen ijver en leerlust zich had kunnen eigen maken, zoo onthield hij ten minste zooveel van het geleerde, dat hij op zijn zeventiende jaar in het vak der letterkunde althans zoover gevorderd was als eenig jonker in den omtrek, en dat hij de godsdienststelsels genoegzaam kende, om bij de droevige scheuringen, die toen het vaderland verdeelden, gesprekken, over dat onderwerp gevoerd, met belangstelling te kunnen hooren.
Van zijn pleegvader leerde Joan den wapenhandel en de wiskunst, ja zelfs de voorbereidende kundigheden tot den vestingbouw, in welke vakken Reede geheel niet onbedreven was:--ook het paardrijden, zoowel in theorie als in praktijk, zoodat hij mede over den toomprang kon spreken en de lengte der stangen naar 't maaksel van 't gebit wist te berekenen. Hartelijk beminde hem de Baron, die geen onderscheid maakte tusschen hem en de kleine Ulrica. Ook de huisgenooten van Joan zoowel als de dorpsbewoners hadden hem lief: want hij was beleefd, gul en dienstvaardig jegens allen. Ja zelfs had hij, 't geen iets ongehoords scheen, de gunst der schrikkelijke Predikantsvrouw verworven, door haar nu en dan wildbraad te schenken en een bunsingfamilie uit te roeien, die zich kort achter de Pastorie genesteld had en een vernielingsoorlog aan de kippen van Mejuffrouw Raesfelt had verklaard.
Doch niemand was zoo sterk aan Joan gehecht, als de zachtzinnige en lieftallige Ulrica. Hij had zijn kleine zusje van harte lief; doch zij verafgoodde hem. Zijn karakter, hoe beminnelijk ook, was opvliegend en hooghartig, hetgeen de Baron aan het Spaansche bloed toeschreef; deed hij eens kattekwaad en was hij te trotsch om verschooning te vragen, dan sprak zij hem voor: werd hij gestraft, zij leed er meer onder dan hij. Verrichtte hij iets goeds, hemelhoog werd het door haar geprezen, en zij vertelde het aan al wie er naar luisteren wilde. Nooit was zij gelukkiger dan in zijn gezelschap, nooit droevig dan wanneer hij wat langer dan naar gewoonte was uitgebleven. In één woord, haar genegenheid te hemwaart had zoo diep wortels gevat en was met de jaren zoo sterk aangegroeid, dat de oude Geertrui niet nalaten kon, dikwijls aan te merken: "ja! zoo Mevrouw zaliger dat moest beleven, dat haar dochter dat Spanjoolsche kind zoo lief zou hebben! wat zoude het mensch er wel van zeggen!"--Het was alleen tegen Bouke, dat zij op deze wijze van tijd tot tijd haar hart lucht durfde te geven; doch dan legde haar deze altijd de breede hand op den mond, zeggende: "Stil Geert! die veel kalt veel ontvalt! beter gezwegen dan van veel spreken hinder gekregen: noem dat woord van Spanjool toch nooit; want men wordt voor mondhouên gevangen, voor praten gehangen!"--"Ja! ja:" zuchtte Geert: "ik zal wel zwijgen, maar, om ook eens spreekwoorden te gebruiken, het einde zal den last dragen en de laatste loodjes wegen 't zwaarst."
Een hoofdtrek in Joans karakter was, al van zijn kindsheid af; een hevige afkeer van alle onrechtvaardigheid geweest. Deze was zoo sterk, dat hij zijn toorn of wrevel niet bedwingen kon, ook jegens menschen van meer gevorderden leeftijd, wanneer hun handelingen hem onbillijk toeschenen. Wij zullen hiervan een voorbeeld bijbrengen, hetwelk meteen zal kunnen strekken om de karakters der in dit verhaal betrokkene personen nader te ontwikkelen.
Op een zomerschen morgen (Joan was toen een twaalfjarige knaap) kwam hij van den Predikant, bij wien hij het gewone onderwijs genoten had, en wandelde langs de heining van diens tuin terug. In dien tuin stond een fraaie abrikozeboom op stam, wiens blozende vruchten reeds dikwijls, bij 't voorbijgaan, zijn lust hadden opgewekt. De kinderen van Raesfelt hadden met niet minder verlangen het ooft zien rijpen; doch vooral had de oudste, Koenraad, er zijn zinnen op gezet, om daarvan eens recht op zijn gemak te snoepen, en hij zat, op het oogenblik dat Joan den tuin langs ging, in den boom, waar hij bezig was, de rijpste vruchten van wespen te zuiveren, zooals hij het noemde, doch eigenlijk, die voor zich zelven te bewaren. Dit bemerkende, hield Joan stil en riep den snoeper toe: "zoo Koen! als moeder op het mat komt, zal je er slecht afkomen."
"Dat heb ik ook al gezeid," zeide Koenraads broeder Hendrik, die in een hoek des tuins zat te lezen, "maar hij wil het maar niet laten."
"Wel dan moet jij het hem beletten," hernam Joan.
"Jawél! om slaag te krijgen! hij is grooter en sterker dan ik."
"Hij moest ereis komen," zeide Koenraad, spottende, terwijl hij een abrikoos in den mond stak: "dat zou hem geraden wezen; daar Hein! dat 's voor jou!" en hij wierp hem den steen toe.
Hierover verontwaardigd, sprong Joan over de heining, liep op Koenraad af, en greep hem bij het been. "Je meugt niet stelen!" riep hij, "en veel minder Hein uitlachen, die veel beter is dan gij. Kom Hein! help mij eens, dan zullen wij hem daar afhalen."
Hendrik, toegeschoten zijnde, vereenigde zijn krachten met die van Joan, om Koenraad naar omlaag te trekken: deze begroette hen met eenige schoppen en trappen, en klemde zich zoo vast om den boom, dat, toen het aan de beide kinderen eindelijk gelukte, hem op den grond te krijgen, hij een gansche tak met zich medenam. Aanstonds krabbelde hij op en pakte zich weg, terwijl de beide knapen verbaasd bleven staan en den tak opnamen. Dan, op dit oogenblik was de Pastoorsche den tuin ingekomen. Spoedig zag zij wat er aan de hand was, en als een razende heks liep zij op Hendrik aan, wien zij hare vuisten voelen deed, terwijl zij Joan zoowel als hem met de namen van snoepers, vernielers, dieven enz. begroette.
Huilend zocht Hendrik zich te verontschuldigen en Joan riep. herhaalde reizen: "Juffrouw! je moet Hein niet straffen. Hij heeft niet meegesnoept."
"Wat! ik hem niet straffen!" riep de vertoornde vrouw, den armen knaap des te feller slaande en knijpende: "en zou jij me dat beletten, jou snotneus? Ga maar naar 't kasteel, ik zal er je vader over spreken, dat zal ik!"
Woedend over deze, in zijne oogen althans hoogst onrechtvaardige handelwijs, wierp Joan zich tusschen moeder en zoon, zocht dezen laatsten uit hare handen te scheuren en deed zijn pogingen met krabben en beten verzeld gaan; doch Barbara greep hem in den halskraag, gaf hem een duchtige oorvijg, en zette hem vrij onzacht de heining over op den weg, waarna zij, onder vele scheldwoorden tegen de beide knapen, Hendrik met eenige schoppen in huis joeg.
Bleek van toorn bleef Joan eenige minuten voor de heining staan nagelbijten; vervolgens veegde hij zich de tranen van spijt van de wangen en keerde met fonkelende oogen naar het kasteel.
Het slot te Sonheuvel (want wij moeten onzen lezer bij deze gelegenheid en tot beter verstand van hetgeen later volgen zal, met de localiteiten bekend maken) was een eind wegs buiten het dorp van dien naam, niet verre van de grenzen van Gelderland gelegen. Een rijweg, die zich met den gemeenen landweg van Arnhem naar Utrecht in het dorp vereenigde, liep langs den slottuin zuidwaarts af naar het veer, waar men den Rijn overstak. Het kasteel, met den daarbij behoorenden moeshof, pleinen, boomgaarden en wandelperken, had een omtrek van tien of twaalf morgen, door een tamelijk breede sloot omringd. Men genaakte het van den binnenweg door twee ingangen: de eene was de hoofdpoort en bevatte de woning van den portier: de andere was een hek met een smal bruggetje voor voetgangers bestemd, en naar de zuidzijde gelegen. Het slot zelf stond midden op het grondgebied, en was insgelijks door een tweede gracht omringd. Een steenen brug, die naar het voorplein geleidde, vertoonde, aan zijn vier hoeken, de wapenen der Heeren van Sonheuvel, in witten steen uitgehouwen. Het gebouw was ruim en naar den tijd vrij modern, daar het door den grootvader van den tegenwoordigen Heer was gesticht. Het bevatte een fraai heerenhuis, met een prachtige stoep, mede van wapens voorzien: voorts stallen voor paarden en honden, kleinere woningen voor den tuinman en de dienstboden en eenige schuren of bergplaatsen. Het heerenhuis had verscheidene fraaie vertrekken: vooral waren de benedenzaal, waarin de afbeeldsels der Heeren en Vrouwen van Sonheuvel prijkten, en de groote zoogenaamde ridderzaal in een goeden smaak gebouwd en wel bezienswaardig. Een lommerrijke laan, met zware beukeboomen beplant, geleidde van de hoofdpoort naar het slot. In deze ontmoette Joan, toen hij na de slechte ontmoeting, waarvan wij gesproken hebben, van de pastorie terugkeerde, de kleine Ulrica, die hem, met een vischnetje in de hand, vroolijk tegenhuppelde.
"Goeden morgen, lieve Joan!" riep zij, zoo ras zij hem ontwaard had: "zie eens! terwijl gij bij Dominee waart, heb ik uw vischnetje afgemaasd: nu zullen de snoeken er niet meer doorheenspringen, zooals laatst. Maar wat scheelt er aan? heb je gehuild? uw oogen zijn zoo rood als vuur."
"Huil ik ooit, Ulrica! weet je niet? toen ik laatst uit den boom sloeg, waar ik dat vogelnestje voor u krijgen zou, toen deed ik mij braaf zeer: maar ik huilde toch niet."
"Neen! lieve Joan! als je je zeer doet, huil je niet: dat mogen alleen de meisjes doen; doch toen vader u laatst beknorde, omdat je het achterhek hadt opengelaten, toen huilde je wel."
"Ja! dat was ook onbillijk van vader; want het was de schuld van Frans den Portier: en als ik nu gehuild heb, is het om een soortgelijke reden geweest;" en hierop vertelde hij haar wat er had plaats gehad.
Ulrica troostte hem met woorden en kusjes, bracht hem in haar tuintje, achter het slot bij den moeshof gelegen en wees hem hare besseboompjes. Weldra had hij, met haar spelende, de abrikozen, den armen Hendrik, ja den toorn der ruwe Pastoorsche, geheel vergeten.
Dan deze had onze knaap geenszins vergeten. Na verloop van een uur kwam Bouke Joan roepen: de Baron moest hem noodzakelijk spreken: "daar zal wat voor je opzitten, jongelief!" zeide hij: "ja, kijk maar zoo onnoozel niet: borgen is geen kwijtschelden, en wat men dronken doet, moet men nuchteren ontgelden. De Pastoorsche staat al op je te wachten, en die is zoo mak als een bunsing, waar men het hol van uitdelft."
Nu herinnerde zich Joan de bedreiging van Mejuffrouw Raesfelt, en schoorvoetende begaf hij zich naar het slot. Hij trad de voorzaal in, waar hij den Baron in zijn leunstoel als rechter gezeten vond, met een gerimpeld voorhoofd en strakke oogen, die weinig goeds beloofden. Midden in het vertrek stond de Predikantsvrouw, met de armen in de zijden, terwijl zij, ongeduldig met het bovenlijf waggelende, op de lippen beet en stijf op den grond keek als iemand, die, van den uitslag eener zaak onzeker, zich niet op zijn gemak bevindt. Aan de deur gekomen, bevond zich Joan niet minder dan zij met de houding verlegen, die hij aan moest nemen. Hij meende dat het zaak was, zich zeer opgeruimd en luchthartig te veinzen: hij huppelde dus naar binnen, terwijl hij zich de vuisten tegen elkander wreef en zijn vader aanzag met een gelaat, waarop wezenlijke angst en voorgewende vroolijkheid kamp voerden.
"Wees maar zoo dartel niet, sinjeur!" zeide de Baron: "het kon wel eens slecht met u afloopen: nu kijk maar niet naar den zolder: zie mij in de oogen: de Juffer klaagt over u: zij zegt, dat gij haar gebeten en gekrabt hebt: (hier stroopte de Pastoorsche haar mouwen op, ter bevestiging van dit punt der beschuldiging) en dat gij haar vruchten snoept en haar eigen kinderen tegen haar opruit. Fraaie zaken! en wat hebt ge nu daartegen in te brengen?"
Op het hooren dezer aantijgingen voelde Joan, dat zijn drift wederkeerde. "Zij liegt het allemaal, vader!" antwoordde hij: "behalve van het bijten en krabben; maar dat was omdat zij Hein sloeg!"
"Wel heb je van je leven! Mag ik dan mijn eigen kinderen niet slaan als ik verkies, en zal zoo'n snotjongen mij dat beletten?" "Een snotjongen ben ik niet, leelijke feeks!" riep Joan, huilende en met de voeten stampende.
"Nu hoort UEd. het zelf, hoe hij mij behandelt."
"Joan!" zeide Reede op een gestrengen toon: "wilt gij op staanden voet de Juffrouw om vergeving vragen?"
"Neen, vader! want ik heb gelijk en zij ongelijk."
"Niet," riep de Baron, hem in drift aangrijpende en voor Barbara op de knieën werpende: "vraag terstond om verschooning of ik zal er op ranselen, dat...." Joan wentelde zich op den grond om en om, al roepende, dat hij het niet deed.
"Hei Bouke!" riep de Baron: "breng mij de hondenzweep eens hier.... of neen! Neem den knaap op, en sluit hem in den toren op water en brood: daar kan hij blijven totdat hij zijne stijfhoofdigheid aflegt."
"Maar mijnheer," zeide Bouke: "UEd. weet, dat op den toren...."
"Doe wat ik u zeg!" herhaalde de Baron, zonder naar iets te luisteren. Bouke nam den knaap op, zonder dat deze eenige beweging maakte.
"Hoe is 't, stijfkop?" vervolgde de Baron: "zult gij om vergeving bidden?--Niet?--Welnu Bouke, breng hem dan maar weg, waar ik gezegd heb."
Zonder te kikken liet Joan zich naar boven brengen en in een kamertje sluiten, 't welk zich onder 't torentje bevond, dat uit het dak oprees. Eerst toen hij alleen was gelaten, wierp hij zich met het gezicht plat op den vloer en snikte luid.
Een uur daarna keerde Bouke terug met een kom water en een stuk brood. Joan lag nog in dezelfde houding.
"Jonker! jonker Joan!--Slaap je?"--Geen antwoord.--"Jonker, je vader laat vragen of je gehoorzamen zult."--Geen antwoord.--
"Het spijt me van u, jonker! denk toch dat het plicht is, je vader te gehoorzamen. Wacht niet, tot het te laat is: 't beste berouw is het vroegste: narouw is wijvenrouw. Wil je niet? nu, dan moèt je hier den nacht doorbrengen. Nog geen antwoord?--Ja, als 't kalf verdronken is, zal je den put dempen. Zie mij zulk een stijfkop eens aan...." en hij vertrok.
De krachten van Joan waren thans uitgeput; zonder aan de hem gebrachte spijzen geraakt te hebben, viel hij in een diepen slaap: tegen den avond wekte hem de honger, en hij was bezig zijn eenvoudig maal te nuttigen, toen de deur, die slechts van buiten met een grendel gesloten was, zachtjes openging en Ulrica binnentrad.