De Pleegzoon

Chapter 10

Chapter 103,904 wordsPublic domain

"Ik ken die stem, dunkt mij," dacht Bouke: en nogmaals toeziende, overtuigde hij zich, dat de spreker niemand anders was dan de Jezuïet, dien hij met zijn meester op den weg naar Leiden eens had ontmoet en met wien hij slaags geweest was.

"Stil!" vervolgde de vrouw: "Velasco ontwaakt!--en zoo hij u hier vond...."

"Welnu!" zeide Eugenio met een schamperen lach: "welk kwaad kon hij er in vinden, dat, in een huis, als dit, waarin wij als haring in een ton gepakt zijn, de biechtvader vroeg opstaat van de vochtige steenen in het vertrekje hiernaast, en in een kinderkamer, zooals deze, zijn troost zoekt? Doch wees gerust: hij slaapt den krijgsmansslaap, en zal niet wakker worden voordat hij gewekt wordt. Hoor Magdalena! ik heb u nog veel te zeggen, en God weet wanneer wij elkander wederzien."

"Hoe!" hernam zij, een vragenden blik op hem werpende.

"Gewis," vervolgde hij, "ik moet met den dag van hier en verlaat het konvooi: alleen om mij met u te onderhouden ging ik tot hiertoe mede. Hoor! ik moet recht ernstig met u spreken.--Gij hebt zondig en dwaas gehandeld, Magdalena!"

"Ik weet het," zeide zij, de oogen met somberheid nederslaande: "doch zijt gij het, die mij zulks verwijten moet?"

"Dat ben _ik_!" hernam hij, "ik, die u in ellende en jammer gedacht heb, ik, die de wroegingen, de kwellingen van uw hart veroorzaakt heb, ik moet ook de medicijnmeester zijn, die u den vrede teruggeeft, die u een betere hoop en betere uitzichten verschaft."

"Gij?" zeide zij, hem met een scherpen, veelbeteekenenden blik aanziende, en te gelijk het hoofd op een ongeloovige wijze schuddende: "Eugenio! het is acht jaren geleden, dat uwe taal en uwe verzekeringen eenige macht op mij bezaten."

"En denkt gij dan niet, goede Magdalena!" vervolgde hij, als bemerkte hij haar wantrouw in zijn betuigingen niet, "dat ook mijne ziel door gemoedsangst verscheurd, dat mijn hart door berouw over mijn misdaad gepijnigd werd? Volgens de kerkelijke wetten had mijn heiligschennis mij den ban, ja den dood doen verdienen; doch onze Heilige Moeder is lankmoedig en genadig: zij begeerde den dood des zondaars niet: zij schonk mij vergiffenis: zij verwierf die ook voor u."--Zonder een woord te uiten, bleef zij hem aanstaren, in afwachting van hetgeen er volgen zoude.

"U werd echter een boetedoening opgelegd," ging hij voort: "een boetedoening, die gestreng, doch rechtmatig is. Gij moest namelijk nimmer terugkeeren in het oord, waar uw vergrijp ergernis verwekte...."

"Is dit een boete?" vroeg zij haastig: "ik beschouw dit als een gunstbewijs."

"Val mij niet in de rede," vervolgde hij; "gij moet, van nu af, uw woonplaats vestigen bij hen, die van den geloove zijn afgeweken: gij moet in schijn uw leer verzaken, en daar, onder ketters, tot opbouwing onzer Kerk werkzaam zijn. Geheel uw leven moet dit alleen ten doel hebben, dat weder de ware leer in de afvallige Nederlanden heersche: geene zelfverloochening moet u daartoe te groot, geene moeite te lastig wezen. Een verhevener dan ik zal u den weg aanwijzen, dien gij te bewandelen hebt, de middelen, die gij aan moet wenden, om dat doel te bereiken. Kunt gij deze boete voldoen, zoo zijn u uwe zonden vergeven, en uw loon zal heerlijk wezen!"

"Ik ben bereid," zeide Magdalena, haar handen opwaarts heffende: "tot het vervullen dezer plichten had ik bijna geen vermaning noodig. Van nu af behoort mijn leven aan Hem, wien ik eenmaal verlaten heb. Mocht Hij mij, als aan mijn Heilige naamgenoot, weder zijn liefdearmen openen!"

"Amen!" zeide de Jezuïet, zich kruisende: "o Magdalena! als het eens door onze vereende krachten gebeuren mocht, dat het kettergeslacht weder van de aarde verdelgd werde gelijk de afgodendienaars, die den lande Kanaäns bewoonden, toen Jozua tegen hen optrok! Als het ons weder gelukte, de neergeplofte kruizen alom te herstellen en de verbrokene beelden der heiligen uit het stof te doen herrijzen. Hoe blijde zou dan niet onze mond het _Hosanna_ aanheffen!--Wij zijn arbeiders in den wijngaard des Heeren! Vervullen wij blijmoedig onze taak, werwaarts ons Zijn wil ook heenleide."

"Ik herhaal het u, zoo helpe mij de Heilige Maagd!" hernam zij: "ik ben bereid alles te verrichten, wat mijne Moeder de Kerk mij voorschrijft:--doch.... Eugenio! wat zal er van Ludwig worden?"

"Ludwig," zeide de volgeling van Lojola, snel naar het bed ziende. "Ook hij zal een nuttig werktuig worden in de hand des Meesters, die ons bestiert. Volg slechts blindelings wat men u voor zal schrijven, en al wat eerst duister zijn mag, zal naderhand te heerlijker voor uw verhelderde oogen schijnen."

"Ik bewonder u ondanks mij zelve," hervatte zij: "wanneer ik u de echte taal eens Priesters spreken hoor; doch, als ik dan aan de bloeddorst herdenk, waarmede gij onnoozele vrouwen en kinderen...."

"Gij kleingeloovige!" zeide de Jezuïet: "roeit niet de tuinman, als hij het onkruid wiedt, ook de wortels uit?--Laat de jager de tijgerwelpen in 't leven, als hij de ouders in hun nest geveld heeft? Liet Mozes niet de vrouwen en kinderen der oproerigen tegen God met den zwaarde dooden?.... Doch genoeg! ook dat dwaas gevoel van valsche menschlievendheid moet en zult gij overmeesteren:--en thans vaarwel: de haan heeft reeds ten tweedenmale gekraaid: men bereidt alles tot den aftocht; het is tijd dat ik u verlate;.... doch gij schijnt verlegen.... hebt gij mij nog iets te vragen?.... zoo maak het kort."

"Zult gij van Ludwig geen afscheid nemen?".... vroeg zij op een zachten toon: "zult gij hem uw zegen niet geven, eer gij voor langen tijd, misschien voor eeuwig, van hem scheidt?"

De Jezuïet zag met een donkeren blik naar de bedstede, waar de knaapjes in sliepen, schudde het hoofd, wendde zich haastig om en vertrok zonder een woord te spreken.

"Als ik nu van dat geheele gesprek iets anders begrijp," dacht Bouke, "dan dat het een paar is, dat aan mekaar gewaagd is, mag ik lijden, dat ik mijn geheele leven in dit hok slijte. Zulk vee van den Satan durft nog woorden uit de Schrift aanhalen en van Godsdienst en Kerk spreken!.... ik wou, dat ik dat wijf maar eens in haar bakkes kon kijken; want als zij zulke fielterige voornemens heeft, is 't niet kwaad vooruit te weten hoe zij er uitziet, om iedereen tegen haar te waarschuwen: men kan aan 't been best zien, waar de hoos gescheurd is."--Terwijl hij dus lag te peinzen, werd er in de naaste kamer aan een binnendeur getikt. Magdalena opende die, en een Spaansch officier trad in volle wapenrusting binnen.

"Maak de kinderen wakker," zeide hij: "over een kwartieruurs vertrekken wij. Waar is Antonio?"

"Hij wacht voor de deur," antwoordde Magdalena, terwijl zij de kinderen uit het bed haalde, die zich, nu wakker gemaakt, den vaak uit de oogen wreven.

"Ga, roep hem," zeide Velasco (want hij was het), terwijl hij het kleinste kind opnam en kuste: het knaapje beantwoordde zijn liefkoozingen, noemde hem _lieve vader_ en speelde met zijn halskraag en vederbos. Intusschen had Magdalena de buitendeur geopend en denzelfden sergeant binnengelaten, die Bouke had laten gevangenzetten. Een groote, fraaie hond schoot te gelijk de deur in en sprong vroolijk om Velasco en de kinderen heen. De Kapitein wendde zich nu tot den onderofficier, en sprak met hem een poos in 't Spaansch.

"Nu zal het mijne beurt worden," dacht Bouke, en inmiddels overlegde hij, wat hem te doen stond en hoe hij zich bij een verhoor gedragen zoude. Dat zijn leven op 't spel stond, kwam hem niet eenmaal in de gedachte, of liever, hij bekommerde er zich weinig over, en hij peinsde alleen op een geschikt middel om zijn ambt van verspieder te kunnen vervullen en aan zijn heer kondschap te bezorgen van hetgeen hij ontdekt had. Zijn grootste vrees was, dat het konvooi het dorp zou verlaten, aleer Reede van de nabijheid daarvan verwittigd ware, in welk geval de beide benden elkander mis zouden loopen en de geheele onderneming mislukken. Terwijl hij aan het overwegen was, ging de deur van het hok open en een paar soldaten traden binnen, die hem zijn voeten zooveel losbonden, dat hij gaan kon, en hem vervolgens met zich voerden. Het ruime voorvertrek doorgaande, vond hij het met soldaten gevuld, die bezig waren, de karren buiten te brengen. Hij volgde zijn leidslieden door een andere deur dan die waardoor hij eerst gekomen was, en bevond zich toen op den publieken weg, die hier ter weerszijden met woningen omzoomd was. Het begon reeds te schemeren en hij onderscheidde dus duidelijk de krijgsbenden, die zich hier van alle kanten verzamelden, een aanzienlijk getal ossen, schapen, varkens en voederwagens met zich aanvoerende.--Dezelfde sergeant, die Bouke gevangen had, stond in het midden van den weg en gaf zijn bevelen, toen er opeens een boer door de menigte kwam dringen en zich met luider stem bij hem beklaagde, dat de soldaten, die bij hem gehuisvest hadden, zijn ossen hadden medegevoerd en hem, op zijn beklag hierover, met slagen en scheldwoorden hadden betaald, schoon hij stellig wist, dat de Overste dergelijke plunderingen verboden had. De Sergeant, die dit laatste zeer wel wist, en echter zijn makkers voor straf wilde behoeden niet alleen, maar hun den gemaakten buit laten behouden, gaf den armen boer een slecht bescheid. "Wat bruit mij zoo'n schoft," zeide hij: "hebt ge bewijzen, kerel? anders kunt ge maken, dat ge wegkomt, of ik zal het uw huid laten heugen, dat ge de soldaten van de Aartshertogin dus belastert. Hier mannen! smijt me dien kinkel uit den kring." Dit was aan geen dooven gezegd: vrij onzacht grepen eenige soldaten den jammerenden en vloekenden huisman bij 't wambuis en slingerden hem buiten den kring, zoodat hij vlak tegen Bouke aantuimelde. Deze was terstond bedacht om van deze omstandigheid gebruik te maken, en, hopende dat de omstanders geen Nederduitsch verstaan zouden, trok hij den boer naar zich toe en sprak hem in deze taal aan:

"Wou je graag je beestjes weerom hebben, vrindje?"

"Of ik ze weerom wou hebben!" antwoordde de boer, "maar die rekels...."

"Stil: luister! in het boschje ten westen van het dorp, zijn diegenen bijeen, die u daaraan helpen zullen: loop er als de wind naar toe en vertel al wat hier voorvalt.... gij zult uw ossen weerom hebben en nog twee goudstukken daarenboven."

De boer zag hem verwonderd aan en wilde nog meer vragen; doch een der leidslieden van Bouke, die het gesprek begon te bemerken, draaide zich om en gaf den huisman een slag met het platte van zijn degen, waarop de sukkel begreep, dat een onverwijld vertrek het beste voor hem zou wezen.

Met het inpakken, het uithalen der karren en het maken der verdere toebereidselen tot het vertrek verliep nog een geruime tijd, tot groote vreugde voor Bouke, die, als wij reeds aanmerkten, niets ergers duchtte, dan dat men te ras vertrekken zoude. Velasco was inmiddels uit zijn nachtverblijf gekomen, nam alles in oogenschouw, deelde zijn bevelen uit, en gelastte ook dat men den gevangene voor hem geleiden zou. Het verhoor was kort. Schoon men tegen Bouke niets anders had in te brengen, dan dat hij met een pistool de schuur genaderd was, scheen deze omstandigheid echter van zulk gewicht, dat Velasco begreep hem gevangen met zich te moeten voeren, om hem bij geschikter gelegenheid een langer verhoor te laten ondergaan. Men bracht hem nu ter zijde, ten einde hem aan den staart van een paard te binden en zoo bij den aftocht mede te voeren. Hiertoe werd de koord, die hem de voeten gebonden hield, geheel losgemaakt, en de soldaten ontdeden hem ook van den strik, die hem de handen bond, met oogmerk om het eene einde van het touw aan den paardenstaart vast te maken, toen zich op eens een schelklinkend trompetgeschal liet hooren, gevolgd van het losbranden van schietgeweer, het getrappel van paarden en het krijgsgeschreeuw eener aanrukkende bende. "Verraad! verraad!" klonk het door het dorp, en eer men tijd had om te ontdekken van waar de aanval komen zoude, zagen de Spanjaards een Staatsche ruiterbende van twee kanten binnenrijden. De boer, dien Bouke gezonden had, had aan zijn wensch voldaan; hij had den Heer van Sonheuvel, die vast vloekte en raasde over het niet verschijnen van zijn dienaar, ter bepaalde plaats gevonden, en deze had, dadelijk na het vernemen, dat het konvooi in het dorp was, bevel tot den aanval gegeven.

Nauwelijks had Bouke het krijgsgeluid gehoord, of hij rukte zich los uit de handen die hem vast hielden, nam van een daarbij staanden wagen, waarop schansgraverstuig lag, een zware spade en sloeg daarmede zoo geducht in 't rond, dat hem in de eerste oogenblikken niemand naderen dorst.

"Schiet den schelm ter neder, die ons verraden heeft!" riep de sergeant, terwijl hij woedend een pistool op Bouke loste.

"Oranje! oranje! _à bas_ de Spanjolen!" riep Bouke, terwijl hij met een geduchten slag den sergeant helm en hoofd verbrijzelde. "Hoezee! hoezee! al gewonnen!"

"Op mannen!" klonk nu de stem van Velasco: "hier Pedro! Berti, Mülhoff! Verzamelt uw manschappen en verspert de straat aan weerszijden. Blijft slechts als palen staan, totdat wij herkennen, hoe sterk de vijand is. Doch!.... Schiet niemand dien verrader neder?"

De bevelen van Velasco werden opgevolgd en zijn nu vereende bende trachtte de toegangen te bezetten, de wagens en het vee tusschen zich besloten houdende. Doch aan den wensch, dien de hoofdman geuit had, was niet voldaan geworden: Bouke was door de menigte heen gebroken, had zich, te midden der verwarring, die er heerschte, over een heining gered, en zich, door een omweg, met zijn bende vereenigd.

Het gevecht was nu begonnen, en hoe dapper ook de Spanjaards zich verdedigden, waren zij echter te onvoorbereid om den geduchten aanval der Staatschen te kunnen wederstaan. Zoolang echter hun wakkere bevelhebber hun bleef aanvoeren, weken zij geen duimbreed; doch toen deze, zwaar gekwetst door een pistoolschot, van zijn paard stortte en weggevoerd werd, begon de moed der verweerders te verflauwen in dezelfde mate als die der aanvallers wies. Al spoedig zochten sommigen een goed heenkomen en poogden in de boerenwoningen de vlucht te nemen; doch de huislieden, die in den nacht overlast genoeg van die rauwe gasten geleden hadden, ziende dat de kans dezen tegenliep, vatteden post tegen hunne huisdeuren en dreven al wie er schuilen wilde met knuppelslagen terug. Dit vermeerderde den schrik der Spaanschen: verscheidene wierpen de wapenen weg en gaven zich over, terwijl anderen in alle richtingen, tusschen de huizen door, over het veld de vlucht namen.

"Waar is de Kapitein der bende?" vroeg de Ritmeester van Reede, zoodra hij zich van de overwinning verzekerd zag.

"Ik denk," zeide Bouke, "dat men hem in gindsche woning gebracht heeft; daar heeft hij zijn nachtverblijf gehouden."

"Naar de hel met hem! Wraak over den moord te Bruck," riepen eenige voormalige Haneveeren, die zich mede bevonden onder de ruiters, welke Reede verzeld hadden. En ijlings afgestegen zijnde, snelden zij de boerenwoning in, welke Bouke zijnen Heer had aangewezen.

Terwijl de Ritmeester de noodige bevelen gaf om de gewonden te bezorgen en de gevangenen te binden, kwam Bouke op eens naar hem toeloopen. "Heer Baron!" riep hij toornig uit: "zij vermoorden den weerloozen Overste."

"Dat zal hun de duivel!" schreeuwde Reede, driftig naar de boerenwoning loopende: "willen zij, spijt mijn last en dien zijner Excellentie, de Spaansche gruwelen nabootsen?"

Haastig trad hij de woning binnen, waar zich een vreeselijk schouwspel aan zijn oogen vertoonde. Met wonden overdekt lag de dappere Velasco in 't midden van de schuur op den vloer uitgestrekt, omringd van ruiters, die hem nog gedurig houwen en steken toebrachten. Om hem lagen verscheidene Spaanschen, die hem in 't uiterste hadden bijgestaan, nedergesabeld. Een fraaie jachthond stond er nevens en scheen zich alleen te bekommeren over een klein kind, dat nevens hem op den grond lag te jammeren. Wat verder stond Magdalena en hield haar zoontje aan haar borst geklemd, als wilde zij het tegen alle boosheid beveiligen.

"Terug! gij laffe moordenaars!" brulde Reede, met een vervaarlijke stem: "ik houw den eerste ter neder, die zich weder onderstaat, een weerlooze aan te vallen."--Op het hooren van deze bedreiging, en op het zien van de woede, die in zijn oogen flikkerde, traden de ruiters terug. De Ritmeester naderde Velasco: deze poogde zich op te richten, dan vruchteloos. Reede en Bouke ondersteunden hem het hoofd. Hij sloeg het half gebroken oog op het kleine knaapje, dat angstig schreiend naar hem toe kroop: wendde vervolgens den blik op Reede en poogde te spreken. Hij kon echter niet anders uitbrengen dan de woorden: "dit kind!.... zijn vader.... vermoord.... O Heer! wees mij genadig!"--Met deze woorden zeeg hij achterover en gaf den geest.

"Het is gedaan!" zeide de Ritmeester, een traan wegwisschende: "zijn dood zal mij eeuwig rouwen. Hij werd vermoord, en ik, die het had moeten beletten!.... Doch het kind ... Vrouw!" vervolgde hij tegen Magdalena: "behooren die twee kinderen aan den verslagen Overste?"

"Deze is mijn zoon," antwoordde Magdalena, op Ludwig wijzende.

"En deze kleine?" hernam Reede.

"Heeft de ongelukkige het u in zijn laatsten levensstond niet gezegd?" vroeg Magdalena, hem met een somberen blik aanziende: "het is de zoon van den vermoorden Overste."

"En zijn moeder?" vroeg de Ritmeester.

"Ik kan u geen verder bericht doen erlangen," hervatte Magdalena: "wat beveelt gij? moet ik met mijn zoon mede ten prooi strekken aan den bloeddorst uwer volgelingen? of is het aan een arme weduwe, die met den krijg niets gemeens heeft, vergund, dat zij vertrekke?"

"Houd dat wijf, Heer Baron!" zeide Bouke: "het is een feeks, die met den Jezuïet van de Katholieke Hofstede samenspant, en zooals UEd! weet, gelijke monniken, gelijke kappen!"

"Foei Bouke! een arme vrouw en haar kind," zeide Reede: "zij mogen in vrede heengaan."

Magdalena wachtte geen nadere vergunning af; doch, Ludwig aan de hand houdende, trok zij, zonder iemand te groeten, dadelijk de achterdeur uit en verwijderde zich met haar zoon.

"En wat zullen deze?" vroeg Bouke, het kleine kind opnemende en te gelijk den hond streelende, alsof hij hem wilde verzekeren, dat hij geen boos opzet had tegen zijn beschermeling.

"Wij zullen daarover nader spreken," antwoordde de Ritmeester: "thans moeten wij zorgen, dat de aftocht zoodra mogelijk geschiede."

"Juist," zeide Bouke, hem buiten de schuur volgende, "wel zegt het spreekwoord, dat al wat gaat ook terugkeeren moet."

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Godlof! het is mijn heer! ik heb zijn stem gehoort.

_Vondel_, Gijsbrecht van Aemstel.

Het zal mijn Lezers en vooral mijn Lezeressen waarschijnlijk niet dan aangenaam zijn, dat ik, bij 't begin van dit achtste Hoofdstuk, van krijgsveld, legerplaatsen en wapenfeiten voorgoed afscheid neme, om hun een meer bevallig, meer huiselijk tooneel te schilderen en hen niet alleen in de kleine woning, welke de Heer van Reede binnen Amsterdam bezat, maar zelfs binnen de kraamkamer der edele vrouw te geleiden, welke met haren zuigeling op den schoot, in 't gezelschap van den Predikant Raesfelt en van haar Baker, de terugkomst verbeidde van haar beminden echtgenoot. Deze had, nu de legers de winterkwartieren betrokken, verlof ontvangen om de wintermaanden in den schoot zijns huisgezins door te brengen en zijn wederhelft op zijn aanstaande terugkomst voorbereid.

Mevrouw van Sonheuvel was een kleine, tengere blonde, met zachtblauwe oogen en regelmatige gelaatstrekken, die in vroegeren leeftijd, toen zij nog met den blos der schoonheid overtogen waren, menigen edelen aanbidder bekoord hadden. Doch sedert haar echt met den Baron van Reede, of liever sedert de weigering van haar vader om dat huwelijk te bekrachtigen, had een diepe smart aan haar fijngevoelig hart geknaagd en haar levenskrachten langzamerhand aangetast. Een teringachtige ongesteldheid sloopte haar zwak en aandoenlijk lichaamsgestel: de rozen der wangen verbleekten: de hoogzwellende boezem vermagerde en de eens zoo bevallige schoone was niet meer dan een schaduw van wat zij eenmaal geweest was. Op raad van zijn geneesheer, die de fijne lucht, welke men op het kasteel van Sonheuvel, hetwelk de Barones betrok, inademde, voor haar gestel nadeelig schatte, had Reede besloten binnen Amsterdam een kleine woning te betrekken, die vanouds aan zijn geslacht behoorde. Die verhuizing scheen echter weinig of geen invloed ten goede op de gezondheid zijner beminde gade uit te oefenen, terwijl daarentegen de plotselinge dood van haar zoontje, dat aan hevige stuipen overleed, haar een nieuwen, hoogst nadeeligen schok had toegebracht. Het was niet dan door de uiterste zorgen aan te wenden, en door zich van alles wat eenigszins schaden kon te onthouden, dat zij zoo gelukkig was geweest, de uitzichten te zien vervullen, welke een tweede zwangerschap haar had aangeboden: schoon pijnlijk en ziekelijk, had zij echter dien tijd doorgestaan en was vrij voorspoedig van een wel tenger en klein, doch gezond meisje verlost geworden, aan 't welk zij nu hare moederteerheid toe mocht wijden, en dat haar bijwijlen de diepe smart vergeten deed, die haar ziel had ingenomen.

Zij was dan op een avond van de maand December, bij het helder lichtend turvenvuur, in een lagen, wel met kussens gedekten en met fluweel gevoerden leunstoel gezeten: tusschen haar en den haard was de thans in onbruik geraakte bakermat, omringd van de benoodigde korfjes en rekken, waarin de onmisbaarste kleedingstukken van het kleine poppetje net gevouwen lagen of waarop die hingen te drogen. De Baker zelve, een vrouw van zekere jaren, die, sedert zij als min bij de kleine Maria van Sonheuvel gekomen was, haar nooit verlaten en dus langzamerhand een vrij groote mate van invloed op het huisbestier bekomen had, zat echter thans niet op haar nederigen troon bij den haard; zij had het kind aan Mevrouw gegeven, liet de pap door het daartoe bestemde zeefje gaan, hield een wakend oog over het kokend kandeeltje, en vond nog tijd genoeg tusschenbeide om voor den predikant een kan ouden Rijnschen wijn en een fraaien roemer neder te zetten.

Den Predikant Raesfelt zullen wij uit het vervolg dezer geschiedenis nader kennen leeren: het zij ons, met besparing van verdere uitweidingen over 's mans begaafdheden en karakter, alleen vergund hier aan te merken, dat hij, sedert kort op het dorp Sonheuvel beroepen zijnde van Ransdorp, waar hij tot dien tijd gestaan had, op zijn reize door Amsterdam zijner nieuwe Vrouwe een beleefdheidsbezoek was komen geven.

"Ik hoop," zeide Mevrouw tegen den Predikant, terwijl deze met een zilveren staafje het klontje suiker verbrijzelde, dat in den hollen voet des roemers lag, "dat mijn gezondheid genoeg in beterschap zal toenemen, om mij te vergunnen een gedeelte van den zomertijd te Sonheuvel door te brengen. Dan zult gij, Dominee! ook nadere kennis maken met mijn man. Ik ben benieuwd te weten hoe hij u bevallen zal. Gij begrijpt, hij is geen geleerde, maar een krijgsman: echter is hij zijn gezelschap dubbel waardig."

"Ik ben onderricht, Mevrouw!" antwoordde Raesfelt, "dat de Baron van Sonheuvel een ijverig voorstander is van onze dierbare Hervormde geloofsbelijdenis: dat hij geen geleerde is, vermindert zijn waardij geenszins in mijne oogen. Wie zoude ons dierbare Vaderland en onze Kerk beschermen, indien wij geen ander wapen voerden, dan de pen? wel is waar, Psalm 33 zegt, naar de berijming Datheni:

Krijgsknechten met hoopen In stormen en loopen. Konden door haar macht, Koningen noch helden Helpen in de velden Sonder 's Heeren kracht

Maar het spreekt van zelf, dat, daar de Heere voor ons, voor het Hollandsch Israël strijdt, deze regels alleen op de Spanjaards moeten toegepast worden, gelijk zulks ook bewezen is geworden door de vernietiging van hun onverwinnelijke _Armada_ of vloot; doch, met dat al, gelijk ik ging aanmerken, ben ik onderricht, dat de Heer Baron de _controverse_ onder zijn geliefkoosde uitspanningen telt. Ik twijfel dus niet, of wij zullen over deze en gene punten nu en dan, bij nadere bekendheid, belangrijke gesprekken mogen voeren."