De Pleegzoon

Chapter 1

Chapter 13,481 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

DE PLEEGZOON

DOOR

MR. J. VAN LENNEP.

Leiden.--A. W. Sijthoff.

MR. JACOB VAN LENNEP.

"Van Lennep was onze prettigste litteraire gestalte, die de kunst verstond vijftig jaren lang amusant te blijven."

_Cd. Busken Huet_.

I.

't Was een plezier _Van Lennep_ persoonlijk te ontmoeten.

Toen hij in Augustus 1865 ter vergaderzaal van het achtste Taal- en Letterkundig Congres te Rotterdam verscheen, geheel in een grijs zomercostuum, het fraaie zilveren hair om de slapen golvend, kwam ieder hem blij groetend te gemoet. Aan de tafel van het bestuur plaats nemend, de guitige, donkere oogen naar het publiek, vooral naar de dames richtend, zat hij met een bijna onmerkbaren glimlach te luisteren. De vrij drooge beraadslaging over de spelling der bastaardwoorden werd plotseling door hem met een handvol aardigheden afgebroken. Wie herinnert zich niet, hoe daar door hem geijverd werd, om de ph door de f te vervangen--hoe hij vertelde, dat hij als jonkman een zangspel "_Saffo_" geschreven had, maar, dat de regisseur zijne spelling in _Sapho_ gewijzigd had, zoodat de acteurs: "O, Sap, ho, wees gegroet!" zongen; hoe hij er bijvoegde, dat eene Amsterdamsche dienstmaagd, uitgezonden door hare mevrouw, om te zien of er een vroolijk stuk op het Leidsche Plein zou gespeeld worden, terugkwam met het bericht: "Ze spelen de Mophondjes," terwijl in werkelijkheid "_Demophontes_," het classiek treurspel van _Metastasio_, vertaald door _Westerwijk_, werd vertoond; hoe hij besloot met de mededeeling eener jonge dame, die hem in zijne waardigheid van vrijmetselaar vroeg, wat de orde toch bedoelde met de woorden _prop hanen_, waarop hij antwoordde, dat daarmeê waarschijnlijk de mannetjes van prop hennen gemeend werden.

Een zonneschijn van vroolijkheid schitterde plotseling over de vergadering, die vóór _Van Lennep's_ komst in deftige dommeling zachtkens afdreef op den stroom der verveling.

In het huis op de Keizersgracht, in zijne ruime studeerkamer, aan zijne schrijftafel, maakte hij geen minderen indruk. Gekleed met zijn grijzen kamerjapon--als op het groote gesteendrukte portret naar de voortreffelijke schilderij van _Schwarze_--de snuifdoos in de linkerhand, de rechter op een arm van zijn leunstoel, zat hij daar met zijn prettig gezicht en fonkelende oogen naar de woorden van zijn bezoeker te luisteren, de gelegenheid afwachtend, om met een fijnen zet of een luimig verhaal zelf het woord te nemen. Onder vier oogen kwam daarenboven de natuurlijke goedheid van zijn hart uit, daar hij geene moeite te zwaar vond, om aan eenig verzoek zijner vrienden te voldoen. Zijne wetenschap, zijne bibliotheek, zijn invloed stonden hun ten dienste, zoo vaak zij zijne hulp inriepen.

Te Gent zag men hem, ter gelegenheid van het negende Letterkundig Congres, in het voorportaal van den schoonen schouwburg, op een Augustusavond van 1867 in zijn licht reiscostuum--hij was uit Zwitserland overgekomen--terwijl hij met hartelijkheid de hand drukte van E. _Douwes Dekker_, die hem kort te voren in een vlugschrift zijne hulpvaardigheid bij het uitgeven van den "_Max Havelaar_" als een misdrijf voor de voeten had geworpen. De Congresleden omringden hem van alle kanten. En uit de rijen der Zuid-Nederlanders ging een luid gejuich op. Zooveel grootmoedigheid, zooveel zelfbeheersching, zooveel rustige heuschheid mochten niet onopgemerkt blijven.

_Van Lennep's_ persoon was overal bekend. Overal werden hoeden afgenomen, handdrukken gewisseld. In alle Nederlandsche steden had hij vrienden of ten minste goede kennissen. Zelfs onder den eenvoudigen, maar nuttigen, stand der sjouwerlieden was zijn naam en persoon bekend. En niet alleen te Amsterdam. Het gebeurde in 1867, dat te Rotterdam aan het station van den Rhijnspoorweg bij het aankomen van een trein uit Utrecht, een aardig, knap juffertje stond bij eene geopende deur aan het plankier. Dat juffertje was eene Rotterdamsche, die dagelijks vrij wat menschen zag, daar zij haar guitig wipneusje sedert een jaar achter het buffet deed bewonderen door wereldwijze handelsreizigers en roodgeblakerde tweede-luitenants, die op transport waren. Toen de reizigers uit den trein zich over het plankier verspreidden, zag zij te midden van eene groep luidsprekende heeren een grijsaard met ongemeen vriendelijken glimlach en golvende witte hairen. Telkens hield iemand hem staande, om hem met een levendigen uitroep van verrassing, van ingenomenheid, eenige snelle woorden toe te spreken, die door den wellevenden man onuitputtelijk geduldig werden beantwoord. Ieder beijverde zich met liefde den weg open te houden voor den uiterlijk reeds zoo achtbaren man, wiens tred door den last van vijfenzestig jaren reeds vrij wat van vroegere veerkracht miste. De knappe buffetjuffrouw verwonderde zich, dat één oude heer zoo ontzettend veel kennissen om zich heen verzamelde. En daar Hein, de witgekielde sjouwerman van het goederenbureel, juist voorbijkwam, vroeg ze:

--"Wie is die grijze heer?"

--"Wie? Wel nou, jij bent ook een beste! Ken-je onzen Van Lennep dan niet?"

't Feit is historisch en werd door een ooggetuige verteld. Ik kom er weldra op terug.

Toen ik _Van Lennep_ voor het laatst zag, doorleefde hij den gelukkigsten dag van zijn ouderdom. Het was Vrijdag 18 October 1867, den dag, waarop te Amsterdam het standbeeld van _Joost van den Vondel_ zou worden onthuld. Eene groote menigte stroomde naar de Nieuwe Kerk, om zich rondom _Vondel's_ grafsteê te vereenigen. De blauwe zerk was zorgvuldig van stof gezuiverd en prijkte met eene krans van gele immortellen. Een dichte drom geletterden schaarde zich eerbiedig om deze heilige plek, terwijl boven onze hoofden de zon door de hooge kerkvensters scheen en schoven van goud licht over het hoog gewelf uitgoot. Plotseling stond _Van Lennep_ vóór ons, het witte hoofd ontbloot, de oogen tintelend van geestdrift, na zeven jaren zwoegens eindelijk triumfeerend door de oprichting van het standbeeld. Hij sprak enkele eenvoudige woorden over _Vondel_'s graf en noodigde de feestgenooten naar het park, waar het schoone monument van _Royer_ en _Cuypers_ zou worden onthuld.

Een uur later verscheen hij in het spreekgestoelte bij het standbeeld en sprak daar met duidelijk verstaanbare stem zijne feestrede. Niemand was meer gerechtigd dan hij tot deze taak, daar hij een vierde van zijn reeds gevorderden leeftijd aan het verhaal van _Vondel_'s leven, en aan het verklaren van zijne werken had besteed. Uit aller keelen klonk daarom een aanhoudend bravo, toen de welsprekende staatsman, die destijds aan het hoofd van het departement van Binnenlandsche Zaken stond, toen Mr. J. _Heemskerk Az_., _Van Lennep_ met een hartelijk woord van gelukwensching, namens Z. M. den Koning, het commandeurskruis der orde van den Nederlandschen Leeuw aanbood.

Zóó zag ik hem voor het laatst.

Eens nog schreef hij mij (8 Februari 1868), zeven maanden vóór zijn dood (26 Augustus 1868). Ik geloof, dat men mij de vrijheid vergunnen zal dezen brief hier meê te deelen, men zal er uit zien, dat mijn verhaal van Hein, den kruier, volmaakt historisch is.

"Amice!

"Ik zeg u grooten dank voor het exemplaar van den _bekroonden_ Vondel [1].... waarmede mijn vrouw, die gedurende de feesten ziek was en dus niets van de pret gezien of gehoord had, zich bijzonder vermaakt heeft.... Ik zal er maar niets van zeggen, want ik krijg er zooveel mooie kompl. in, dat ik uw stuk niet prijzen durf, zonder den schijn op mij te laden, alsof ik het daarom zoo naar mijn zin vind....

"Het doet mij plezier, dat Gij die pret op 't slot te Muiden zoo con amore geschilderd en de aandacht weder op dit slot gevestigd hebt. De Hr. Heemskerk had, onmiddellijk na het feest, zijn voornemen te kennen gegeven, om een wet voor te stellen tot restauratie van het slot, zich vleiende, dat daarvoor nu juist in deze oogenblikken veel sympathie zijn zou;--doch nu is juist die vervelende krizis tusschen beiden gekomen-- [2]. Van die krizis gesproken, _podagra_ heb ik deze reize niet gehad, maar dewijl 't een kwaal is, daar ik best mee bekend ben sedert 30 jaren, heb ik haar bij voorkeur in mijn brochure gebracht-- [3] als onschuldig middel om de attentie te trekken--....

"Maar ik heb zes maanden lang gesukkeld aan leewater in de knie en laatstelijk aan doofheid. Dat is nu Goddank weer over en mijne gezondheid is door de Vondelsfeesten geheel gekureerd.

"Zijt gij 't, of is het een ander, die de _Letterkundige Intermezzoos_ in Nederland schrijft [4]. De schrijver, wie dan ook, heeft in zijn eerste artikel eene beschuldiging tegen onze natie gericht, als zou zij haar schrijvers, mij b. v., niet kennen of liever geen notitie van hen nemen. Ik zou hem, daar ik er ook als voorbeeld bij gehaald ben, een dozijn voorbeelden kunnen geven van het tegendeel. Toen Hofdijk voor een paar jaren bij mij aan de Steeg logeeren zou, was er in beide herbergen al een groote vreugde en verwachting vooruit--en onlangs, dat ik te Rotterdam uit den trein stapte en de juffrouw van 't buffet zei: "He, wie of die grijskop is met zijn lange haren!" riep een sjouwerman van 't goederenbureau verontwaardigd uit: "Wat, ken-je onzen Van Lennep niet?" Dit werd mij later medegedeeld door den Hr. Van Alphen, die 't gehoord had.

"Indien gij nu de bedoelde schrijver niet zijt, laat die anecdote--die in dat geval een kale bluf zou schijnen--maar liever ongelezen.

"Vale, faveque

"Amst. 8 febr. 1868. T. T.

"J. v. Lennep."

Van mijn edelmoedigen vriend, die zich, helaas! te vergeefs vleide met herstel zijner gezondheid, heb ik dus de mededeeling omtrent het feit, dat wellicht bij de eerste vermelding wat onwaarschijnlijk mocht klinken.

De vreugde aan de Steeg in 1866 betoond bij _Hofdijk_'s komst schijnt mij tevens in nauw verband te staan met de blijde opgewektheid, die de viering van zijn zeventigsten jaardag (27 Juni 1886) heeft gekenmerkt.

II.

Zonder eenige overdrijving mag beweerd worden, dat _Van Lennep_ als dichter, als romanschrijver, vele jaren lang de populairste onzer auteurs is geweest. Als voorbeeld zijner populariteit heeft Cd. _Busken Huet_ in 1864 [5] verhaald, dat eene Zandvoortsche vischvrouw al de veertien deelen van zijn exemplaar der romantische werken van _Van Lennep_ had geleend en gelezen.

Doch niet alleen in visschersstulpen ook in de huizen onzer gegoede burgerij, in de woningen onzer patriciërs op de Keizers- en Heerengrachten, was _Van Lennep_ steeds een welkome gast. Zijne "_Idyllen_" maakten hem populair bij de studenten, zijne "_Legenden_" wonnen hem het hart van al wat jong was, vooral de harten der Hollandsche jonge meisjes, eene verovering _Van Lennep_ tot op den laatsten dag zijner vriendelijke grijsheid dierbaar. Oud en jong, stedeling en dorper, edelman en burger, schonken hem hunne genegenheid, toen "de Pleegzoon" verscheen, toen "_Ferdinand Huyck_," zijn beste roman, "_de Roos van Dekama_" opvolgde, toen de breed ontworpen "_Voorouders_" het licht zagen, en eindelijk, toen de niet het minst besproken, aangevallen, geprezen en gelezen "_Lotgevallen van Klaasjen Zevenster_" geheel de letterkundige wereld in den winter van 1865 op 1866 in rep en roer brachten.

_Van Lennep_'s romans blijven leven, zoo goed als die van _Walter Scott_, en worden herhaaldelijk herdrukt, gelijk ook deze steeds opnieuw worden uitgegeven. "_De Pleegzoon_" verscheen in 1829 en zag sedert dat jaar tot heden met al zijne opvolgers, telkens in nieuwen vorm het licht. Omtrent "_de(n) Pleegzoon_" schreef de auteur mij (4 Augustus 1867):

"Ik heb mijn Pleegzoon ongeveer 40 jaren geleden geschreven (1827); hij heeft eenige jaren in de lade gelegen; geen boekverkoper wou er aan. Eerst toen ik met mijne Legenden wat naam gemaakt had, wou P. Meijer Warnars er zich wel over ontfermen. Van honorarium kon nog geen sprake zijn, en ik geloof niet, dat Drost voor zijn "Pestilentie te Katwijk" heel veel meer gehad heeft. Oltmans kwam iets later, wanneer weet ik niet. Eerst na 1840 heb ik honorarium bedongen...."

De eerste historische roman van Mr. _Jacob van Lennep_ moest _twee jaren_ wachten, voordat hij bij wijze van genade door den druk werd algemeen gemaakt!

Dit leerzaam feit voor de geschiedenis onzer letteren zal balsem gieten in de wonden van hen, die met onuitgegeven handschriften naar een uitgever blijven zoeken, en tevens in die der lofredenaars van 't verledene, welke er zich aan ergeren, dat onze boekenmarkt op het huidige oogenblik te veel overvoerd is.

De drukken van _Van Lennep_'s historische romans volgden elkander spoedig, een bewijs, dat P. _Meijer Warnars_ weinig oog had op letterkundige kunst. 't Meest bekend werden: de Rotterdamsche uitgaaf van 1855 in dertien blauwe deelen en de vier deelen, klein folio, door _Nijhoff_, _Sijthoff_ en _Thieme_ van 1867 tot 1869 in het licht gezonden. Zonder profeet te zijn, durf ik ook der tegenwoordige volkseditie in elf deelen de vruchtbaarste toekomst voorspellen.

De historische romans van _Van Lennep_ hebben eene blijvende waarde, die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid spruit. Voordat ik dit met een enkel woord staaf, doet zich de vraag op, of _Van Lennep_ chronologisch inderdaad onze _eerste_ historische romanschrijver is. Meestal stelt men het zoo vóór, alsof in 1829 door "_De(n) Pleegzoon_" in de geschiedenis der Nederlandsche letteren een datum gevormd wordt; alsof _Van Lennep_'s eerste roman, tevens de eerste _historische_ roman in Nederland geweest is. Dit is alleen in _zekeren_ zin juist. _Van Lennep_ schreef in 1827--hij zelf verzekerde het ons reeds--zijn eersten historischen roman. Als zoodanig is de chronologie in orde. Doch om nauwkeurig te spreken, had men moeten vermelden, dat in 1827 eene Amsterdamsche patricische schrijfster, Mejuffrouw _Maria Jacoba de Neufville_, het beproefd had een historischen roman samen te stellen, die evenals "_De Pleegzoon_,"[komma achter "?] maar eenigen tijd vóór "_De(n) Pleegzoon_", in 1829 het licht zag onder den titel: "D_e Schildknaap. Iets uit den ouden tijd. Een oorspronkelijk historisch romantisch verhaal_." (Staalgravure van D. _Veelwaard_). Te Amsterdam bij P. _den Hengst en Zoon_. 1829, gr. 8o.

De poging van Mejuffrouw _De Neufville_ is volkomen dezelfde als die van Mr. J. _van Lennep_. Zij vloeit uit dezelfde bron. Zij getuigt het in haar "_Voorberigt_," als zij verklaart:

"Aan de Verhandeling van den Hooggeleerden Heer D. J. van Lennep, _Over het belangrijke van Holland's grond en oudheden voor gevoel en verbeelding_, welke Verhandeling ik op den 30e Januarij 1827 het genoegen had, door den opsteller te hooren voordragen, is het werk, hetwelk ik thans mijnen landgenooten aanbied, deszelfs wording verschuldigd. Altijd met warme liefde voor mijn zoo dikwijls ten onregte verguisd en beschimpt vaderland vervuld, groeide die liefde in mij tot geestdrift aan, door de zoo welsprekende taal des Hoogleeraars en kwam al _aanstonds_ de lust in mij op, om te beproeven of het mogelijk wezen zou, een romantisch tafereel te schetsen, in den smaak van dezulke, als wij aangaande de zeden en gewoonten van andere volken bezitten, iets waarmede (en hierover betuigt de Heer Van Lennep, in meergemelde Verhandeling zijne verwondering) zich aangaande onze voorvaderen nog niemand beziggehouden had."

Uit deze woorden blijkt duidelijk, dat "_de Pleegzoon_" en "_de Schildknaap_" bijna terzelfder tijd en onder dezelfde invloeden ontstaan zijn. De hoogleeraar _D. J. van Lennep_ gaf aan beiden dezelfde opwekking; hij leende zelfs wetenschappelijke boeken aan Mejuffrouw _De Neufville_, zooals zij in datzelfde "_Voorberigt_" vermeldt, als zij getuigt: "Voor het overige hebben andere schrijvers, wier werken ik, of zelve bezit, of die mij door den heer Van Lennep.... goedgunstiglijk geleend werden, mij tot leidslieden verstrekt."

Het is duidelijk, dat vóór 1827 in Nederland geen historische romans zijn geschreven, daar de nauwkeurige _D. J. van Lennep_ in dat geval zeker niet zou gezegd hebben, dat zich "_nog niemand_" met dit kunstvak in Nederland had "beziggehouden". Tevens blijkt uit het "_Voorberigt_", dat men den buitenlandschen historischen roman kent, zoodat "_Pleegzoon_" en "_Schildknaap_" beiden uit de school van Sir _Walter Scott_ stammen--_Scott_, die in 1814 met "_Waverley_" begon, en tot aan zijn dood (1832) met zijn "_Count Robert of Paris_" volhardde. Het behoeft niet nader gestaafd, dat de historische roman juist een kolfje was naar de hand dezer twee, tot eene zeer behoudende wereldbeschouwing overhellende naturen--_Maria Jacoba de Neufville_ en _Jacob van Lennep_. _Scott_ had den historischen roman het eerst in zijn modernen vorm te voorschijn geroepen, _Scott_ was de apostel zijner nationale glorie, gekant tegen het Fransch classicisme, gekant tegen de omwentelingen van 1789 en 1793.

Dat het opwekkend woord van den hoogleeraar _D. J. van Lennep_ in 1827 terstond goede diensten deed aan de vaderlandsche letteren, blijkt niet alleen aan "_Schildknaap_" en "_Pleegzoon_," maar daarenboven nog aan eene enkele zwakke poging in 1828 door _J. C. Appenzeller_ beproefd, die in dat jaar een, nu geheel vergeten, historischen roman schreef onder den titel: "_Geertruida Van Wart, of trouw tot in den dood. Eene ware geschiedenis uit de 14e_ eeuw." Amsterdam, 1828. 8o.

Onze Nederlandsche historische roman begint--daar _Adriaan Loosjes_, wegens gebrek aan historischen zin, niet mag medetellen--met Mejuffrouw _De Neufville_ en _Jacob van Lennep_ in 1829, om dan onder invloed van dezen laatste--en natuurlijk van diens meester _Walter Scott_--rijkelijk te bloeien. _Van Limburg Brouwer_ gaf in 1831: "_Charicles en Euphorion_," in 1838: "_Diofanes_." _Bakhuizen Van den Brink_ volgde in 1834 en 1835 met historische novellen in de "_Muzen_," het tijdschrift van _Potgieter_, _Heije_ en _Drost_; deze laatste schreef in 1831 zijn "_Hermingard van de Eikenterpen_;" _Oltmans_ volgde in 1834 met "_Het slot Loevestein_," in 1838 met "_De(n) Schaapherder_;" eindelijk verscheen Mejuffrouw _A. L. G. Toussaint_, met haar "_Almagro_" (1837), haar "_Graaf van Devonshire_" (1838) en haar "_Lauernesse_" (1840).

Stellen wij dus de te veel vergeten _De Neufville_ naast onzen _Van Lennep_, dan mogen wij aan beiden de eer geven den historischen roman in Nederland te hebben begonnen.

III.

De historische romans van _Van Lennep_ hebben eene blijvende waarde, die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid spruit--zeide ik. Hunne kracht ligt in de uitnemende helderheid van stijl en voorstelling. _Van Lennep_ heeft behoefte aan juistheid, nauwkeurigheid, duidelijkheid. Zijne vertelling zweeft nooit in een duisteren nevel van onoplosbare geheimzinnigheid. Aan _Walter Scott_, misschien ook aan den ouden _Dumas_, heeft hij de kunst afgezien een belangwekkenden knoop te leggen, welken hij zonder kunst- of vliegwerk zeer behendig oplost. Het is niet te ontkennen, dat hij een geliefkoosd schema van roman--de held of de heldin van onbekende afstamming, zoekend naar vader of moeder--somtijds herhaalt. Dit denkbeeld ligt ten grondslag aan "_De(n) Pleegzoon_," komt terug in de "_Roos van Dekama_," en is op breede schaal bewerkt in "_Klaasjen Zevenster_".

Eene zwakheid van _Van Lennep's_ kunst ligt in zekere ongegeneerdheid ten opzichte van historische gegevens, zoodat zijn roman "_Elisabeth Musch_", als verhaal op zich zelf aangenaam te lezen, als historische roman volkomen mislukt is. In degelijkheid van historische wetenschap, in psychologische fijnheid van karakteropvatting staat Mevrouw _Bosboom-Toussaint_ boven hem. Deze laat zich niet afschrikken door een vermoeiend historisch onderzoek, dringt bij hare helden en heldinnen door in de diepten van de binnenborst, en schept karakters, die, psychologisch geheel afgewerkt, een onvergetelijken indruk achterlaten. _Van Lennep_ wil het den lezer naar den zin maken, wil behagen; hij bekreunt zich meer om hetgeen met zijne personen geschiedt, dan wat in hun hart en hoofd omgaat. Hij wil een boeiend verteller zijn, die, zonder de geschiedenis opzettelijk in het aangezicht te slaan, zijn lezer steeds in spanning houdt.

Bij Mevrouw _Bosboom-Toussaint_ ontstaat uit de degelijkheid der historische wetenschap en de fijnheid der zielkundige analyse somtijds eene overlading en eene uitvoerigheid, die naar langdradigheid zou kunnen zweemen; bij _Van Lennep_ neemt het verhaal een vluggen, levendigen gang, die het hart van den gewonen lezer steelt, maar dikwijls dreigt in oppervlakkigheid te verloopen. Mevrouw _Bosboom-Toussaint_ heeft _les défauts de ses qualités_, _Van Lennep_ _les qualités de ses défauts_.

Het best gelukt is zijn "_Ferdinand Huyck_," een voortreffelijk boek in vele opzichten. Evenals in zijn "_Klaasjen Zevenster_" is hier zoowel historisch als psychologisch het schoonste geleverd van alles wat _Van Lennep_ zou voltooien. Hij had de achttiende eeuw lief. Hij kende haar en hare beschaving, vooral het achttiende eeuwsche patriciaat te Amsterdam. Opgevoed naar de overleveringen van zijn oud geslacht, naar de classieke wijsbegeerte van zijn vader _David Jacobus_, moest hij zich het naast verwant gevoelen aan een juist vervlogen tijdvak, dat door goede manieren, vlug vernuft en letterkundigen smaak uitmuntte. _Van Lennep_, dien men te recht voor een der aanvoerders der Romantische beweging in Nederland hield, was in zijn hart het classicisme der achttiende eeuw nog meer genegen.

Een bewijs van deze laatste stelling put ik uit een zijner vriendelijke brieven.

Naar aanleiding eener opmerking tegen Engelsche romanschrijvers, die misbruik maken van Latijnsche citaten, schreef hij mij (5 April 1860):

"Ik moet er bijvoegen, dat hetgeen u thands.... tegenstaat, u misschien niet zou hebben tegengestaan, indien gij een 30 jaren ouder waart en u den tijd herinnerdet, toen het klassicisme ook hier te lande meer algemeen was en men zich niet geneerde aan tafel in tegenwoordigheid van dames Ovidius of Horatius aan te halen. De konversatie, zoo als ik mij die in mijn jeugd herinner, had altijd een klassieke tint en wie die bij uitnemendheid wist aan te brengen--en daarom ook in Engeland zoo geacht en gezien was--was A. R. Falck!--en toch belette dit niet, dat de dames toen doodelijk van hem waren.... ja, dat, toen zijn Brieven 3 jaar geleden (1857) in 't licht kwamen, al de exemplaren bij Amsterdamsche boekverkoopers aanwezig, tot groote verbazing van Nijhoff, den eersten avond reeds waren opgehaald--meest alle door dames tusschen de 60 en 80 jaren (die zeker wilden weten of zij er ook in voorkwamen). 't Is waar, Falck citeerde ook Fransch, Engelsch, Hoogduitsch, enz.--maar had niets, dat op pedanterie geleek, en nimmer heb ik aangenamer mensch ontmoet."

Zij, die _Van Lennep_ gekend hebben, zien met mij den schalkschen glimlach om den mond en in het oog beide, waarmeê hij deze regelen schreef!

Zijne genegenheid voor het Fransche classicisme der achttiende eeuw paarde zich hoogst eigenaardig aan eene vrij groote geringschatting der middeleeuwen en al wat met middeleeuwsche studiën in verband stond. Zijne "_Legenden_," zijne "_Roos van Dekama_", zijne "_Voorouders_" verraden op menige plaats, dat hij trots zijne verwonderlijke vlugheid, ondanks eene verbazende gemakkelijkheid, om alle zwarigheden te boven te komen, toch zijn meester _Walter Scott_ in kennis en opvatting der middeleeuwen niet evenaarde.

Omtrent dit punt schreef hij mij een zeer karakteristieken brief (4 Augustus 1867), toen ik hem de eerste aflevering mijner "_Schets eener geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde_," handelende over de middeleeuwen, aanbood:

"Ik las uw boek _voor_ mij _zelf_ met veel belangstelling; doch het zou mij spijten, indien uw wensch vervuld werd, en dit boekje op een H. Burgerschool werd gebruikt. Mij dunkt, zij hebben daar al ongare kost genoeg te slikken dan om nog op Middel-Nederlandsch getrakteerd te worden.

"Het is een mooie ontdekking.

"Maar ik lees liever Fransch.