De oudheidkenner

Part 43

Chapter 433,421 wordsPublic domain

„De wachter op Halket-head,” zeide Majoor Neville, „was, zoo als wij bij nader onderzoek op onzen weg herwaarts ontdekt hebben, zeer natuurlijk misleid geweest door een vreugdevuur, dat eenige leêgloopers op den heuvel boven Glenwithershins aangestoken hadden, juist in de lijn van de baak, waarmede de zijne in verband stond.”

Oldbuck gaf Sir Arthur een verlegen wenk, welken deze met een dergelijken blik en een schouderophalen beantwoordde.

„Het moeten de werktuigen geweest zijn, die wij in onze gramschap tot de vlammen veroordeelden,” zei de oudheidkenner, moed vattende, ofschoon een weinig beschaamd, dat hij zoo veel onrust veroorzaakt had. – „De duivel hale Dousterswivel! ik geloof, dat hij ons een legaat van domme streken en onheil vermaakt heeft, en dat hij bij zijn afscheid nog een vuurwerk afgestoken heeft. – Het zal mij benieuwen, welke voetzoeker ons nu tusschen de beenen zal losgaan. – Maar daar komt de voorzichtige Caxon. – Houd het hoofd op, ezel! uwe meerderen moeten uwe schande dragen. – En hier, neem dit ding, – hoe noemt gij het?” – (hem zijn degen gevende) – „ik weet niet, wat ik gisteren zou geantwoord hebben, als mij iemand gezegd had, dat ik zoo iets zou aangorden!”

Op dit oogenblik gevoelde hij zich zacht bij den arm getrokken door Lord Glenallan, die hem in een afzonderlijk vertrek bracht. „Om Gods wil! wie is die jonge man, die zoo volmaakt gelijkt, –”

„Op de ongelukkige Eveline!” viel hem Oldbuck in de rede. „Mijn hart voelde zich tot hem aangetrokken op het eerste oogenblik, en gij brengt mij nu op de ware reden.”

„Maar wie, – wie is hij?” vervolgde Lord Glenallan, den oudheidkenner krampachtig bij den arm houdende.

„Vroeger zoude ik hem Lovel genoemd hebben; maar nu komt het uit, dat hij de Majoor Neville is.”

„Dien mijn broeder grootbracht als zijn natuurlijken zoon, – dien hij tot zijn erfgenaam maakte. – Goede Hemel! het kind van mijne Eveline!”

„Bedaard, Milord! – bedaard!” zeide Oldbuck, „geef u niet te voorbarig aan dit vermoeden over; – welke waarschijnlijkheid is daarvoor?”

„Waarschijnlijkheid? neen! er is zekerheid! stellige zekerheid! De rentmeester, van wien ik u sprak, schreef mij de geheele geschiedenis. – Gisteren ontving ik den brief; – niet eerder. – Breng hem, om Gods wil, bij mij, opdat het oog van een vader hem zegene, eer ik deze wereld verlaat!”

„Ik zal het doen; maar om uw en zijnentwil, vergun hem eenige weinige minuten ter voorbereiding.”

En besloten, om de zaak nog nader te onderzoeken eer hij ze als zeker aannam, zocht hij den Majoor Neville op, en vond hem bezig met het nemen der noodige maatregelen, om de verzamelde krijgsmacht uiteen te doen gaan.

„Als ik u verzoeken mag, Majoor Neville, laat dit werk een oogenblik over aan kapitein Wardour en aan Hector, met wien ik hoop, dat gij geheel en al verzoend zijt,” (Neville lachte en de heeren gaven elkander de hand) „en vergun mij een oogenblik gehoor!”

„Gij hebt recht op mij, mijnheer Oldbuck, al waren mijne bezigheden nog veel dringender dan ze zijn,” antwoordde Neville, „daar ik uw huis onder een vreemden naam bezocht, en uwe gastvrijheid beloonde met uw neef te beleedigen.”

„Gij hebt hem behandeld zoo als hij verdiende,” zeide Oldbuck, „ofschoon hij heden even veel gezond verstand als moed aan den dag gelegd heeft. Wel! als hij terug wilde komen op hetgeen hij geleerd heeft, en Caesar en Polybius en de Stratagemata Polyaeni lezen, geloof ik, dat hij in den dienst vooruit zou komen, en ik zou hem zeker een handje helpen.”

„Hij verdient dat in alle opzichten,” antwoordde Neville; „en ik ben verheugd, dat gij mij vergeeft, – wat gij te gereeder zult doen, als ik u zeg, dat ik het ongeluk heb van niet meer recht te hebben op den naam van Neville, onder welken ik algemeen bekend ben, dan op dien van Lovel, waaronder gij mij leerdet kennen.”

„Inderdaad! dan vertrouw ik, dat wij er een zullen vinden, waarop gij een vast en wettig recht hebt.”

„Mijnheer, ik vertrouw, dat gij het ongeluk van mijne geboorte voor geen geschikt onderwerp –”

„Volstrekt niet,” antwoordde de oudheidkenner, hem in de rede vallende, – „ik geloof dat ik meer van uwe geboorte weet, dan gij zelf, – en, om er u van te overtuigen, gij werdt opgevoed en waart bekend als de natuurlijke zoon van Geraldin Neville van Neville’s-burg in Yorkshire, en ik veronderstel, als zijn erfgenaam?”

„Vergeef mij, – dergelijke oogmerken had men met mij niet; ik werd goed opgevoed en in den dienst voortgeholpen door geld en protectie; maar ik geloof, dat mijn veronderstelde vader langen tijd het denkbeeld koesterde van te trouwen, ofschoon hij het niet ten uitvoer bracht.”

„Gij zegt uw veronderstelde vader? – Wat doet u denken, dat de heer Geraldin Neville niet uw vader was?”

„Ik weet, mijnheer Oldbuck, dat gij mij deze vragen omtrent zulk een teeder onderwerp niet doen zoudt om alleen uwe nieuwsgierigheid te voldoen; ik zal u dus ronduit vertellen, dat ik verleden jaar, toen wij in eene kleine stad van Fransch-Vlaanderen lagen, in een klooster, in welks nabijheid ik ingekwartierd was, eene vrouw vond, die tamelijk goed Engelsch sprak. – Zij was eene Spaansche, – haar naam Therese D’Acunha. Verder met haar bekend geworden, ontdekte zij mij, wie ik was, en zich zelve als de persoon, die belast was geweest met de zorg mijner eerste kindsheid. Zij gaf mij meer dan één wenk, dat ik op hoogen rang aanspraak had, en dat mij onrecht aangedaan was, en beloofde mij eene vollediger ontdekking na den dood van eene dame van aanzien in Schotland, daar zij besloten had, zoo lang deze leefde, het geheim te bewaren. Zij gaf ook te verstaan, dat de heer Geraldin Neville mijn vader niet was. Wij werden door den vijand aangevallen, uit de stad verdreven, en deze werd door de Republikeinen geplunderd. De godsdienstige orden waren in het bijzonder het voorwerp van hun haat en hunne vervolging. Het klooster werd verbrand en zeer vele nonnen kwamen om, – onder anderen Therese, en met haar ging alle hoop verloren op de beloofde geschiedenis van mijne geboorte. – Die moet tragisch geweest zijn, naar hetgeen ik er van begrijp.”

„Raro antecedenten scelestum, of, zoo als ik hier zeggen mag, scelestam,” zeide Oldbuck, „deseruit poena; – zelfs de Epicuristen stemden dat toe, en – wat deedt gij toen?”

„Ik schreef er over aan den heer Neville; – maar te vergeefs. Ik kreeg toen verlof, en ging mij aan zijne voeten werpen, en bezwoer hem de ontdekking te voltooien, die Therese begonnen had. Hij weigerde, en verweet mij, op mijn onafgebroken aandringen, met verontwaardiging de gunsten, die hij mij reeds bewezen had. Ik begreep, dat hij het recht van een weldoener misbruikte, nu hij genoodzaakt was te erkennen dat hij geene aanspraak had op dat van een vader, en wij scheidden van elkander, weêrkeerig misnoegd. Ik gaf den naam van Neville op, en nam dien aan, waaronder gij mij gekend hebt. – Het was in dezen tijd, dat ik, gelogeerd bij een vriend in het noorden van Engeland, die mijne naamsverandering goedkeurde, kennis maakte met Freule Wardour, en romantisch genoeg was om haar naar Schotland te volgen. Mijne gedachten wankelden omtrent verscheidene ontwerpen voor de toekomst, toen ik besloot, om mij nog eenmaal tot den heer Neville te wenden, en hem om eene verklaring van het geheim mijner geboorte te smeeken. Het duurde lang eer ik antwoord kreeg; gij waart er bij, toen het mij ter hand werd gesteld. Hij berichtte mij den slechten toestand van zijne gezondheid, en bezwoer mij, om mijn eigen wil, geen verder onderzoek te doen naar den aard van zijne betrekking tot mij, maar te berusten bij zijne verklaring. „Zij is,” schreef hij, „zoodanig en zoo nauw, dat ik voornemens ben, u tot mijn erfgenaam te benoemen.” Terwijl ik mij gereed maakte om Fairport te verlaten, bracht mij eene tweede expresse het bericht van zijn dood. Het bezit van groote rijkdommen kon het grievende leed niet verdooven, waarmede ik nu dacht aan mijn gedrag jegens mijn weldoener, en daar zich eenige wenken in zijn brief bevonden, die schenen aan te duiden, dat er een grootere smet dan die van gewone onechtheid op mijne geboorte lag, herinnerde ik mij zekere vooroordeelen van Sir Arthur, –”

„En gij koesterdet sombere gedachten tot gij ziek werdt, in plaats van bij mij te komen om raad, en mij uwe geheele historie te verhalen?” zeide Oldbuck.

„Juist! daarna kwam mijn ongelukkige twist met kapitein M’Intyre, die mij noodzaakte, om Fairport en de omstreken te verlaten.”

„De liefde en de dichtkunst, – Isabella Wardour en de Caledoniade!”

„Het is maar al te waar!”

„En sedert dien tijd waart gij, veronderstel ik, bezig met ontwerpen ter redding van Sir Arthur?”

„Ja, met behulp van kapitein Wardour, te Edinburg.”

„En Adam Ochiltree hier; – gij ziet, ik weet alles. Maar hoe kwaamt gij aan dezen schat?”

„Het was een servies tafelzilver, dat mijn weldoener toebehoord had, en bij iemand te Fairport in bewaring gebleven was. Eenigen tijd vóór zijn dood had hij bevel gezonden om het op te smelten. Wellicht wilde hij niet, dat ik er het wapen van Glenallan op zou zien.”

„Wel, majoor Neville! of – laat ik liever zeggen – Lovel! want in dien naam schep ik het meeste behagen; – gij moet, geloof ik, beide verwisselen voor den naam en den titel van Willem, Lord Geraldin.”

De oudheidkenner doorliep nu de vreemde en treurige omstandigheden van den dood van Neville’s moeder.

„Ik twijfel geenszins,” zeide hij, „of uw oom wenschte te doen gelooven, dat het kind van dit ongelukkig huwelijk niet meer bestond; – misschien had hij zelf wel een oog op de erfenis van zijn broeder; – hij was toen een lichtzinnig, los jonkman. – Maar van alle slechte bedoelingen tegen uw persoon pleiten hem, wat ook het booze geweten van Elspeth haar deed vermoeden uit zijne ontroering, de geschiedenis van Therese en uw eigen verhaal volkomen vrij. En nu, mijn waarde heer, laat ik het genoegen smaken van een zoon bij zijn vader te brengen!”

Wij wagen het niet, om zulk eene ontmoeting te beschrijven. Alle bewijzen werden overtuigend bevonden; want de heer Neville had een duidelijk bericht van het geheele voorval aan zijn vertrouwden rentmeester nagelaten in een verzegeld pak, dat niet moest geopend worden, dan na den dood der oude Gravin: eene voorzorg, die scheen ontstaan te zijn uit vrees voor de uitwerking, welke eene ontdekking, met zoo veel schande verbonden, op haar hoogmoedig en hartstochtelijk karakter zou kunnen hebben.

In den avond van denzelfden dag dronken de manschappen van de vrijwilligers van Glenallan de gezondheid van hun jongen Landheer. Binnen eene maand daarna was Lord Geraldin in het huwelijk getreden met Freule Wardour, en de oudheidkenner bood de jonge bruid een trouwring van antiek fatsoen, met de spreuk van Aldobrand Oldenbuck „Kunst macht Gunst,” er op gegraveerd, aan.

De oude Adam, de gewichtigste blauwrok die ooit geleefd heeft, doet zijne ronde van het eene vriendenhuis naar het andere, en beroemt zich er op, dat hij nooit op weg is, dan wanneer de zon schijnt. Hij heeft, inderdaad, sedert eenigen tijd teekens gegeven van rustiger te worden, daar men hem dikwijls gevonden heeft in den hoek van een aardig boerenhuisje tusschen Monkbarns en Knockwinnock, dat Caxon na het huwelijk van zijne dochter betrok, om nabij de drie pruiken van het kerspel te zijn, welke hij steeds, hoewel thans slechts uit liefhebberij, getrouw friseert. Men heeft Adam hooren zeggen „Dit is eene lieve, dichte plaats, en het is aangenaam zulk een hoek te hebben, om er bij slecht weêr in te zitten.”

Men gelooft, dat, als hem het loopen moeielijker begint te worden, hij eindigen zal met hier zijn intrek te nemen.

De welwillendheid van zulke vermogende beschermers als Lord en Lady Geraldin is onbegrensd voor jufvrouw Hadoway en de Mucklebackits. De eerste maakt er een gepast gebruik van; de laatsten verkwisten hetgeen hun geschonken wordt. Zij blijven het echter nog altijd genieten, maar onder het bestier van Adam Ochiltree; en zij ontvangen het nooit zonder te morren over het kanaal, langs hetwelk het hen bereikt.

Hector maakt snelle vorderingen in den dienst, is meer dan eens met lof vermeld geworden en klimt, naar evenredigheid, in de gunst van zijn oom. En, wat den jongen krijgsman bijna evenzeer verheugt, hij heeft daarbij twee zeehonden geschoten, en dus een einde gemaakt aan het gedurig terugkomen van den oudheidkenner op de historie van de Phoca.

Men spreekt van een huwelijk tusschen Mary M’Intyre en kapitein Wardour; maar dit gerucht eischt nadere bevestiging.

De oudheidkenner bezoekt zeer dikwijls de huizen van Knockwinnock en Glenallan, klaarblijkelijk ter voltooiing van twee verhandelingen, de eene over het harnas van den Grooten Graaf, en de andere over den linker ijzeren handschoen van Hel in ’t Harnas. Hij vraagt geregeld, of Lord Geraldin de Caledoniade begonnen heeft, en schudt het hoofd over de antwoorden, die hij ontvangt. Nochtans voltooit hij, en attendant, zijne noten, die wij gelooven dat ten dienste zullen zijn van iedereen, die ze verkiezen mocht in het licht te geven, zonder gevaar en onkosten voor DEN OUDHEIDKENNER.

EINDE.

NOTEN VAN DEN SCHRIJVER [36]

Noot A. Het verhaal van Grizelda Oldbuck.

De legende, door Grizelda Oldbuck verhaald, is gedeeltelijk ontleend aan de berichten van eene merkwaardige gebeurtenis, welke omstreeks zeventig jaren geleden in het zuiden van Schotland voorviel, en volgens welke zeker landeigenaar, in proces gewikkeld over het tiendrecht, ongeveer op dezelfde wijze, als in den tekst beschreven is, een gewichtig stuk terugvond, waarvan de beslissing van het rechtsgeding afhing.

Opmerkelijk is het, dat deze gebeurtenis ongelukkige gevolgen had voor den heer R–d, den persoon van wien sprake is; want hij gevoelde zich sedert dien tijd zoodanig verplicht, om altijd op zijne droomen te letten, dat zijne gezondheid en verstandelijke vermogens daardoor zeer verzwakt werden.

Noot B. Over de wijze om met de bakkers af te rekenen.

Oudtijds gebruikte men daartoe een stokje, waarop men telkens eene kleine insnijding maakte. Elke familie had een bijzonderen kerfstok, en bij de rekenkamer in Engeland werden zekere rekeningen op dezelfde wijze gehouden.

Noot C. De bezweringen van Dousterswivel.

Veel onzin van denzelfden aard als die, welke door den Hoogduitschen alchymist aan den dag gebracht werd, is te vinden bij Reginald Scott, in zijn werk Discovery of Witchcraft, 3de editie, Londen 1665.

Noot D. Over de vischrouwen.

In de visschersdorpen aan de Forth en de Tay, regeeren de vrouwen als in den tekst beschreven staat. Bij gelegenheid, dat de kusten van Schotland gedurende den laatsten oorlog met Frankrijk door de verschijning van eenige vreemde schepen verontrust werden, scheepten zich al de visschers onmiddellijk in aan boord van de kanonneersloepen, om den veronderstelden vijand tegen te gaan. De schepen bleken aan de Russen te behooren, en de schrik was onnoodig geweest; maar de landlieden van Mid-Lothian waren zoo tevreden over den ijver door de visschers aan den dag gelegd, dat zij hun een prachtigen zilveren Punch-bowl vereerden. De vrouwen echter kwamen er tegen op, dat men vergeten had haar eenige eer aan te doen voor de toestemming, welke zij gegeven hadden, dat de mannen zich inschepen zouden, wat zonder hare goedkeuring niet zou gebeurd zijn. Deze eisch werd als geldig beschouwd en de dames ontvingen eene kostbare speld, om bij feestelijke gelegenheden door de koningin-vischvrouw te worden gedragen. Er heerscht ook eene strenge etikette onder deze zeenimfen, en men hoorde eene ervarene dame er onder over eene jongere klagen, „dat het een arm, onnoozel schepseltje was, dat nooit iets beters dan mossels te koop zou bieden.”

Noot E. Gevangenzetting voor schulden.

Hoe vreemd het ook klinke, is toch de theorie van Oldbuck over het gevangenzetten voor schulden juist die, welke bij het hoogste gerechtshof in Schotland in eene zaak, welke op 5 Dec. 1828 behandeld is, aangenomen werd.

Noot F. De slag bij Harlaw.

De groote slag bij Harlaw mag gezegd worden beslist te hebben, of het Gaëlische of het Saksische ras in Schotland de overhand zou behouden. De slag viel voor op 24 Julij 1411, tusschen Donald, Lord of the Isles, en zijne Hooglandsche troepen, en den graaf van Mar aan het hoofd der edellieden van Saksische en Normandische afkomst. Donald, die in de Laaglanden ingevallen was, werd genoodzaakt zich terug te trekken, en later zich aan den regent te onderwerpen.

Noot G. Over Elspeths dood.

Het sterven van een getrouwen knecht van den hertog van Roxburghe, heeft den schrijver de laatste woorden van Elspeth ingegeven. De arme man lag zieltogend aan eene leverkwaal, toen hij de bel hoorde, die hem vroeger naar de kamer van den pas overleden hertog riep. „Ik kom, ik kom!” stamelde hij, – en stierf.

Noot H. Schrik voor den inval der Franschen.

De omstandigheden van het valsch alarm, in den tekst beschreven, zijn naar daadzaken geschetst. Op den 2den Febr. 1804 viel eene dergelijke vergissing met een vuurbaak voor, en een gedeelte van het land werd in rep en roer gebracht.

AANTEEKENINGEN

[1] Een Latijnsch dichtstuk, getiteld: Ars Topiaria, beschrijft zeer uitvoerig de kunst om ijpen heggen en bomen te kappen. W. S.

[2] Een Engelsch spotgedicht van Samuel Butler (1612–1680).

[3] Een beroemd Ridder van den fabelachtiger Koning Arthur. De Schrijver ziet hier op de Ballade, „The marriage of sir Gawaine” in Percy’s Relicks of Ancient English Poetry. Vert.

[4] In het 24ste vers dier Ballade zegt men van deze schoone:

Krom was haar neus, gewipt omhoog, Zij had een scheeve kin; Waar men het mondje zoeken zou, Daar vond men, – wat? – haar oog?

[5] Deze anecdote is letterlijk waar, en David Wilson is geen verdicht persoon. W. S.

[6] Van dit allerzeldzaamst boekje bezit de schrijver wezenlijk een exemplaar. W. S.

[7] Een Engelsch Tooneeldichter (geb. 1585, gest. 1615). Vert.

[8] Zie „Merry Wives of Windsor,” 1ste tooneel.

[9] Onder de meest impopulaire belastingen van dien tijd in Engeland, was die op het haarpoeder. M. P. L.

[10] Een wijze van hun afkeer voor de dynastie van Oranje uit te drukken, welke de aanhangers der Stuarts bij alle gelegenheden zochten aan den dag te leggen. M. P. L.

[11] De Jacobieten, of aanhangers van den in 1688 verdreven Koning Jacob III, weigerden den eed aan de nieuwe Koningen, en zonderden zich af, ten einde niet voor hen te bidden, tot aan den dood van den laatsten Pretendent in 1788.

[12] Een Tijdschrift 1750–52 te Londen uitgegeven.

[13] Salmont – Zalm.

[14] Zie noot A aan het einde van het werk.

[15] Uit de Lyrische Gedichten van Wordsworth.

[16] In de oude Schotsche Ballade Queen Eleanor’s Confession, – de biecht van Koningin Eleonore.

[17] Waarschijnlijk Dr. Hutton, de bekende Geoloog. – W. S.

[18] Zie noot B aan het einde van het werk.

[19] Deze befaamde geestenbezweerder moet zich in 1774 in het Rozendal, bij Leipzig, hebben van kant gemaakt.

[20] Eene toovergodin, ook uit Spenser’s Fairy queen, – bij Shakespeare; zie zijn Romeo en Juliet, I. 4. Tooneel.

[21] Dit verhaal is in de hoofdomstandigheden naar het Hoogduitsch, hoewel ik op het oogenblik niet meer weet, in welke verzameling van volkslegenden het oorspronkelijke te vinden is. W. S.

[22] De schaduw van hem, die de verschijning ziet, op eene wolk weêrgekaatst, gelijk het beeld uit eene tooverlantaren op een wit laken, schijnt aanleiding tot de schepping van dit spook te hebben gegeven. W. S.

[23] De schrijver herinnert zich niet meer waar hij deze regels gelezen heeft; misschien in de satiren van Bisschop Hall. W. S.

[24] Het schijnt eene gewetenszaak onder de lagere standen in Schotland, om ooit te bekennen, dat een patiënt beter wordt. Het meeste, dat zij ooit toegeven, is, dat „hij niet erger is!” W. S.

[25] Loda (Odin), onder de eerstgemelde benaming dikwijls voorkomende in de gedichten van Fingal en Ossian.

[26] Beide oude tooverformulieren van dezelfde waarde; de letters van Abraxas moeten het getal 365 bevatten, volgens Vos, 1802. Over Abrakadabra zie Stephanus Woordenb. &c.

[27] Zie noot D. over de vischvrouwen.

[28] Merk – eene Schotsche munt van geringe waarde.

[29] Zie de overzetting uit het Gaëlisch bij mevr. Grant, on the Highland superstitions (over de Hooglandsche bijgeloovigheden), vol. II. p. 260.

[30] Zie noot F. de slag van Harlaw.

[31] Schrikkelijker nog, dan het verlies der leden, is de waanzin, Die de namen niet kent der slaven, noch ’t gezicht des vriends, Met wien hij den avond te voren den maaltijd hield, noch degenen, Aan wie hij ’t leven gaf en welke hij opvoedde.

[32] Zie noot G. Elspeth’s dood

[33] Like-wake eene vrij algemeene gewoonte in Schotland. Vert.

[34] Shakespeare’s Macbeth.

[35] Zie noot H over het alarm van den inval.

[36] In de eerste vertaling waren deze noten weggelaten: ik heb ze hier zeer verkort bijgevoegd, daar ze in het oorspronkelijke veel bevatten, dat van geen belang kon wezen voor den Hollandschen lezer. M. P. L.