De oudheidkenner

Part 42

Chapter 423,962 wordsPublic domain

Den volgenden morgen stond Oldbuck vroegtijdig op, en daar Caxon nog niet verschenen was, begon hij innerlijk het gemis te voelen van het nieuws en de loopende praatjes, waarvan de oude kapper een getrouwe overbrenger was, en die hem door gewoonte even noodzakelijk geworden waren als het snuifje, dat hij van tijd tot tijd nam, ofschoon hij volhield, dat hij aan beide evenveel, en niet meer waarde dan ze verdienden, toekende. Het onaangenaam gevoel der leêgte bij eene dergelijke ontbering natuurlijk, werd verlicht door de verschijning van Adam Ochiltree, die langs de geschorene iepenboomen en palmheggen slenterde, als iemand, die geheel en al op Monkbarns te huis behoorde. En zoo gemeenzaam was hij inderdaad in de laatste dagen geworden, dat Juno zelfs hem niet aanblafte, maar zich vergenoegde met hem nauwkeurig en waakzaam in het oog te houden. Onze oudheidkenner stapte in zijne kamerjapon naar buiten en ontving en beantwoordde dadelijk zijn groet.

„Zij komen nu in goeden ernst, Monkbarns! – Ik kom van Fairport om u dit nieuws te brengen, en ga dan weer terug. – De Search is op de ree, en de Fransche vloot, zeggen ze, heeft jacht op haar gemaakt.”

„De Search?” zeide Oldbuck, zich een oogenblik bedenkende. „Zoo!”

„Ja, ja, kapitein Taffril’s brik, de Search.”

„Wat! is die verwant met Search N°. 2?” riep de oudheidkenner, zich den naam op het deksel van de geheimzinnige kist vol zilver herinnerende.

De bedelaar hield, gelijk iemand die op eene snakerij betrapt wordt, de pet voor het gezicht, maar kon zich niet weêrhouden van hartelijk te lachen. „Gij zijt maar al te slim, Monkbarns! men behoeft u niet te vertellen dat twee maal twee vier is. – Wie had kunnen denken, dat gij dit en dat zoudt hebben kunnen rijmen? – Daar ben ik er nu ingeloopen!”

„Ik zie het alles,” zeide Oldbuck, „zoo duidelijk, als het randschrift van een goed bewaard muntstuk! – De kist, waarin de zilveren staven gevonden werden, behoorde aan de oorlogsbrik, en de schat aan mijn feniks?” (Adam knikte van ja.) – „En werd daar begraven met het doel om Sir Arthur uit zijne verlegenheid te redden?”

„Door mij,” zeide Adam, „en twee matrozen van de brik; – maar zij wisten niet wat er in de kist zat, en zij dachten dat het eene kleine smokkelpartij was waarbij de kapitein belang had. Ik waakte dag en nacht, tot ik het in de rechte handen zag; en toen ik daarop dien drommelschen landlooper naar het deksel zag staren, als een hond naar de plaats waar het wild gelegen heeft, gaf mij, denk ik, de duivel in, om hem ginds die poets te spelen. – Nu ziet gij dat, als ik iets meer of minder aan den Baljuw Littlejohn gezegd had, de geheele historie zou hebben moeten uitlekken; en dat zou den heer Lovel gespeten hebben, – en daarom dacht ik, wil ik veel liever alles afwachten, wat er van kome.”

„Ik moet zeggen dat zijne keuze van een vertrouweling goed, ofschoon eenigszins vreemd was.”

„Ik kan van mij zelven verklaren, Monkbarns,” antwoordde de bedelaar, „dat ik de geschiktste man ben in het geheele land, om geld aan toe te vertrouwen; want ik behoef het niet, en verlang het niet, en zou het niet kunnen gebruiken als ik het had. Maar de jongen had niet veel keus; want hij dacht dat hij het land voor altijd ging verlaten, (ik hoop, dat hij zich vergist heeft,) en het was reeds nacht, toen wij, door een vreemd toeval, de verlegenheid van Sir Arthur vernamen, en Lovel moest met den dageraad aan boord zijn. Maar vijf nachten daarna liep de brik weêr binnen, en ik ontmoette de boot volgens afspraak, en wij begroeven den schat, waar gij hem gevonden hebt.”

„Het was een zeer romantisch en dwaas stuk!” hernam Oldbuck „Waarom mij niet, of eenigen anderen vriend in zijn vertrouwen genomen?”

„Het bloed van uw zusters zoon lag op zijn geweten, en misschien zijn dood; – hoe weinig tijd had hij om raad in te winnen? – of hoe kon hij hem van u vragen – en door wien?”

„Gij hebt gelijk. – Maar hoe, als Dousterswivel u vóór geweest ware?”

„Er was weinig vrees, dat hij zonder Sir Arthur komen zou; – hij had den vorigen nacht een geduchten schrik gehad, en zou de plaats nooit meer genaderd zijn, zoo hij er niet toe was genoodzaakt. Hij wist zeer goed dat, wat de eerste maal gevonden werd, door hemzelven daar verstopt was, en hoe kon hij verwachten op dezelfde plaats iets meer te vinden? Hij had het maar gedaan om Sir Arthur nog meer te plukken.”

„Maar hoe,” zeide Oldbuck, „zou Sir Arthur anders daarheen gekomen zijn, als de goudzoeker hem er niet gebracht had?”

„O!” antwoordde Adam droogjes, „ik had eene historie omtrent Misticot, die hem, of u, veertig mijlen ver zou gebracht hebben. Daarbij was het te denken, dat hij zich de moeite zou geven, om de plaats te onderzoeken, waar hij het geld gevonden had; – hij wist het fijne van dat stukje niet. In ’t kort, daar het zilver in staven, Sir Arthur in de uiterste verlegenheid was, en Lovel besloten had dat hij nooit de hand zou kennen, die hem hielp, – want daar stond hij op, – konden wij geen beter middel bedenken, om hem den schat in handen te spelen, hoe wij er ook over tobden. En, als door eenig toeval Dousterswivel zijne klauwen er aan geslagen had, zou ik dadelijk u of den Sheriff van de geheele historie kennis hebben gegeven.”

„Wel, in weêrwil van al deze wijze voorzorgen, geloof ik, Adam, dat uw plan beter gelukt is dan het verdiende. Maar hoe drommel kwam Lovel aan zulk eene menigte zilveren staven?”

„Dat is juist, wat ik niet zeggen kan; – maar zij werden waarschijnlijk met zijne goederen te Fairport aan boord gebracht, en wij deden ze in eene der ammunitiekisten van de brik, om ze te verbergen en om ze gemakkelijk te vervoeren.”

„Goede hemel!” zeide Oldbuck, zijne eerste kennismaking met Lovel herdenkende, „en voor dezen jongen, die dus honderden te verspillen heeft, moest ik de vertering van het veer betalen! Nooit meer betaal ik de vertering voor iemand, wie het ook zij; – dat is uitgemaakt! – En gij waart steeds in briefwisseling met Lovel, veronderstel ik?”

„Ik kreeg juist één stukje papier van hem, om te zeggen, dat er gisteren een pakje te Tannonburgh zou zijn met brieven van groot gewicht voor de familie van Knockwinnock; want zij vreesden het openen der brieven te Fairport. – En dat was goed, want ik hoor dat jufvrouw Mailsetter haar post kwijt raakt, omdat zij de zaken van anderen bespiedt en hare eigene verwaarloost.”

„En wat verwacht gij nu, Adam, voor uwe hulp als raadsman en bode, als wachter en vertrouweling in al deze bedrijven?”

„Wel, wat zou ik verwachten? – uitgezonderd dat al de heeren op de begrafenis van den ouden bedelaar zullen komen; – en mogelijk wel, Monkbarns, zult gij zelf mijn hoofd in het graf willen leggen, zoo als gij dat deedt voor den armen Steven Mucklebackit. – Wat ik gedaan heb, kostte mij geene moeite; ik was toch altijd op het pad. – O, maar ik was toch blij, toen ik uit de gevangenis kwam; want, dacht ik bij mij zelven, hoe zal het gaan, als die ongelukkige brief komt, terwijl ik hier opgesloten zit als eene oester, en alles ten onderste boven gaat, omdat zij hem niet krijgen; en dan dacht ik, moest ik mijn hart lucht geven en er u van vertellen; maar dan weêr kon ik het niet goed doen, zonder tegen het stellige bevel van den heer Lovel te handelen, en ik rekende dat hij nog iemand te Edinburg zien moest, eer hij doen kon, wat hij doen wilde voor Sir Arthur en zijne familie.”

„Wel, – en nu uw staatkundig nieuws, Adam? – De Franschen komen nog altijd, – niet waar?”

„Ja, dat zegt men, mijnheer, en er zijn stellige bevelen gekomen voor de krijgsmacht en de vrijwilligers om zich gereed te houden; en er moet ook nog een dappere jonge officier komen, om onze verdedigingsmiddelen op te nemen. – En ik zag de meid van den Baljuw zijne bandelieren en leêren broek poetsen; – ik hielp haar een handje, want gij kunt wel denken dat het haar niet te best afging, en zoo kreeg ik al het nieuws voor mijne moeite.”

„En wat denkt gij er van, als oud soldaat?”

„Inderdaad, ik weet niet; – indien er zoo veel komen, als men zegt, zullen wij de handen vol hebben. – Maar er zijn vele flinke jongens onder de vrijwilligers; en ik moet niet veel zeggen van hen, die niet zoo flink en vlug meer zijn, omdat ik zelf daaronder behoor. – Maar wij zullen ons best doen.”

„Hoe, Adam! uw krijgsmansgeest ontwaakt weêr? Het oude vuur gloeit nog in de asch! Ik zou niet gedacht hebben, Adam, dat gij veel hadt om voor te vechten?”

„Ik niet veel om voor te vechten, mijnheer? – Kan ik dan niet voor het land vechten, en voor de mooie beekjes, waar langs ik zoo dikwijls slenter, en voor het vee der huismoeders, die mij mijn stuk brood geven, en voor de kindertjes, die aan komen huppelen om met mij te spelen, als ik in de buurt kom? – Ik ben des duivels, mijnheer!” vervolgde hij, met groote hevigheid zijn staf grijpende, „als mijne krachten ten minste even goed als mijn wil zijn, en ik voor eene goede zaak strijd, als ik hun niet wat te doen geef!”

„Bravo, bravo, Adam! het vaderland is nog niet in het uiterste gevaar, als de bedelaar even gereed is voor zijn stuk brood te vechten, als de landeigenaar voor zijn grond!”

Hun gesprek kwam nu terug op de bijzonderheden van den nacht, dien de bedelaar en Lovel in de bouwvallen van St. Ruth doorbrachten en waarvan de beschrijving den oudheidkenner ten hoogste vermaakte.

„Ik zou eene guinje willen gegeven hebben,” zeide hij, „om dien bedriegelijken landlooper in den doodsangst te zien, welken zijne kwakzalverij soms bij anderen doet ontstaan, en hem beurtelings te zien beven voor de woede van zijn patroon en voor de vrees van de verschijning van een spook.”

„Werkelijk,” zei de bedelaar, „waren er oogenblikken voor hem om bang te zijn; want gij zoudt gedacht hebben, dat de geest van Hel in ’t Harnas Sir Arthur bezielde. – Maar wat zal er van dien landlooper worden?”

„Ik heb heden morgen een brief ontvangen, waaruit ik verneem dat hij u vrijspreekt van de beschuldigingen, die hij tegen u inbracht, en aanbiedt om ontdekkingen te doen, die de vereffening van Sir Arthur’s zaken veel gemakkelijker zullen maken, dan wij dachten. – Zoo schrijft de Sheriff, en voegt er bij, dat hij iets van groot gewicht aan het Gouvernement medegedeeld had, om welke reden men hem vrij zal laten gaan, om den schurk in zijn eigen land te spelen.”

„En de fraaie werktuigen, en raderen, en de holen en gangen ginds te Glenwithershins, wat zal daarvan worden?”

„Van hun knoeituig zullen, hoop ik, de werklieden, eer zij uiteen gaan, een groot vuur stoken, even als een leger zijn geschut vernagelt, als het een beleg moet opbreken. En wat de holen betreft, Adam, deze laat ik als rattenvallen ten behoeve van den eersten wijzen man, die, hetgeen hij heeft, verkiest te laten vallen om naar eene schaduw te grijpen!”

„Wel, mijnheer! God beware ons! de werktuigen verbranden? Dat zou groote verkwisting zijn. Zou het niet beter zijn dat gij, uit den verkoop van den voorraad, een gedeelte van uwe honderd pond zaagt terug te krijgen?” vervolgde hij op den toon van geveinsde deelneming.

„Geen duit!” riep de oudheidkenner gramstorig, terwijl hij zich van hem afwendde en een paar schreden ver ging. Toen keerde hij terug, en half glimlachende over zijne eigene lichtgeraaktheid, voegde hij er bij: „Ga in huis, Adam, en volg mijn raad: spreek nooit tegen mij van de mijnwerken, of tegen mijn neef Hector van eene Phoca, dat is van een zeehond, zoo als gij dien noemt!”

„Ik moet nu naar Fairport terug gaan,” zei de bedelaar; „ik moet hooren, wat men daar van den inval vertelt; – maar ik zal onthouden wat gij mij gezegd hebt, en niet tegen u spreken van een zeehond, of tegen den kapitein van de honderd pond, die gij aan Douster –”

„Verwenschte schelm! – ik verzocht u daar niet van te reppen tegen mij!”

„Mijn lieve!” zeide Adam met gemaakte verwondering, „ik dacht dat er niets was, dat u aanstoot kon geven in een vriendschappelijk gesprek, dan alleen dat, wat betrekking had tot het Praetorium ginds, of tot het driestuiversstuk, dat u de kramer voor eene oude munt verkocht?”

„Onzin! onzin!” zei de oudheidkenner, terwijl hij zich haastig van hem afwendde en naar huis terugkeerde.

De bedelaar keek hem een oogenblik na, en betrad weder met een schaterenden lach, als dien, welken een ekster of papegaai na het volvoeren van eenigen streek laat hooren, den weg naar Fairport. De gewoonte had hem eene soort van ongedurigheid gegeven, die zeer vermeerderd werd door het vermaak, dat hij er in schepte, om nieuws te verzamelen; en in korten tijd had hij de stad bereikt, die hij in den morgenstond verlaten had, om geene andere hem bekende reden, dan juist „om een praatje te maken met Monkbarns.”

VIJFENVEERTIGSTE HOOFDSTUK

Een vuurbaak zag hij op Pownell, Drie op Skiddaw in gloed; Door berg en dal weêrklonken De horens hem te gemoet.

James Hogg

De wachter, die post hield op den heuvel en het oog naar Birman gericht had, moet waarschijnlijk gedacht hebben dat hij droomde, toen hij de eerste beweging van ’t noodlottig boschje gadesloeg, dat tegen Dunsiane begon op te rukken [34]. Even zoo ging het den ouden Caxon, toen hij, op de rotspunt in zijne hut gezeten, zijne gedachten liet gaan over het naderend huwelijk van zijne dochter, en over de eer van den schoonvader van den luitenant Taffril te worden, en dus niet weinig verwonderd was, toen hij, toevallig een blik slaande op de baak waarnaar hij de zijne regelen moest, een licht in die richting ontdekte. Hij wreef zich de oogen, keek op nieuw, en regelde zijne waarneming naar een kruisstok, die op het eigenlijke punt gericht was. Nu vergrootte zich het licht voor zijne oogen, gelijk eene komeet voor die van den sterrekundige, en hij zag het „met vrees voor de ontroering der volkeren.”

„De Heere beware ons!” zeide Caxon, „wat nu gedaan? – Maar er zullen wijzere hoofden zijn dan het mijne, om daarvoor te zorgen; ik zal het baakvuur maar aansteken.”

Hij stak de baak in vlam, die een langen golvenden lichtstroom ten hemel zond, welke de zeevogels uit hunne nesten dreef en teruggekaatst werd door de golven. De ambtgenooten van Caxon, even waakzaam als hij, zagen en beantwoordden het gegeven teeken. Het licht schitterde op voorgebergten, rotsen en binnenlandsche heuvels, en het geheele distrikt werd verontrust door het alarmteeken van den inval [35].

Onze oudheidkenner, het hoofd gehuld in twee dubbele slaapmutsen, genoot vreedzaam zijne rust, toen die eensklaps gestoord werd door het schreeuwen van zijne zuster, van zijne nicht en van de twee meiden.

„Wat drommel is er te doen?” vroeg hij, zich in het bed oprichtende; – „vrouwvolk in mijne kamer op dit uur van den nacht! – zijt gij allen dol?”

„De baak, oom!” riep Mary M’Intyre.

„De Franschen, die ons komen vermoorden!” schreeuwde Grizelda.

„De baak, de baak! – de Franschen, de Franschen! – moord, moord – en erger dan moord!” gilden de twee meiden, als het koor in eene opera.

„De Franschen!” riep Oldbuck, opspringende, – „gaat de kamer uit, vrouwvolk daar gij zijt, tot ik mijne plunje aangedaan heb, – en, hoor je, brengt mij mijn zwaard!”

„Welk zwaard, Monkbarns?” riep zijne zuster, hem een kort Romeinsch zwaard van geel koper met de eene hand, en met de andere eene kling van Andrea Ferrara zonder gevest aanbiedende.

„Het langste, het langste!” schreeuwde Jenny Rintherout, een slagzwaard uit de twaalfde eeuw binnen slepende.

„Vrouwen!” zeide Oldbuck zelf zeer ontroerend, „blijft bedaard, en geeft u niet over aan ijdelen schrik! – Zijt gij zeker, dat zij komen?”

„Zeker! – zeker!” riep Jenny uit; – „maar al te zeker! – De zeemacht en de landmacht, de vrijwilligers en de landstorm zijn op de been en haasten zich naar Fairport, zoo hard als man en paard maar loopen kunnen, – en de oude Mucklebackit is ook meê; – hij zal veel helpen! – O! hij zal gemist worden, die arme Steven, die koning en land zoo goed zou gediend hebben!”

„Geef mij,” zeide Oldbuck, „den degen, dien mijn vader in het jaar vijfenveertig droeg; – er is geen draagband of bandelier meer aan; maar wij zullen er wat op vinden.”

Met deze woorden stak hij het wapen door de klep van zijn rokzak. Op dit oogenblik trad Hector binnen, die op de naburige hoogten was gaan onderzoeken of het alarmteeken wezenlijk gegeven was.

„Waar zijn uwe wapens, neef?” riep hem Oldbuck toe. – „Waar is uw jachtgeweer met de twee loopen, dat nooit uit uwe handen was, zoolang men diergelijke dingen niet noodig had?”

„Bah, bah, oom!” antwoordde Hector, „wie nam ooit een jachtgeweer meê in het gevecht? – Gij ziet, ik heb mijn uniform aangetrokken. – Ik hoop dat ik van meer nut zal zijn, als men mij een commando geven wil, dan ik met tien dubbele loopen zou kunnen wezen. – En gij, oom, moet naar Fairport gaan om bevelen te geven voor de inkwartiering en het onderhoud der manschappen en paarden, ten einde alle verwarring te voorkomen.”

„Gij hebt gelijk, Hector! – ik geloof, dat ik ook wel zoo veel met mijn hoofd als met mijn arm zal doen. – Maar daar komt Sir Arthur Wardour, die, onder ons gezegd, niet geschikt is, om op eenige wijze veel te verrichten.”

Sir Arthur was waarschijnlijk van een ander gevoelen, want hij was mede op weg naar Fairport, uitgedost in zijn officieel kostuum, en meldde zich, in het voorbijrijden, bij den heer Oldbuck aan, om hem af te halen, daar de gebeurtenissen der laatste dagen hem bevestigd hadden in zijne meening omtrent diens doorzicht. En, niettegenstaande het bidden der vrouwen dat de oudheidkenner tot hare bescherming op Monkbarns zou blijven, nam de heer Oldbuck, met zijn neef, het verzoek van Sir Arthur dadelijk aan.

Alleen zij, die dergelijke tooneelen hebben bijgewoond, kunnen zich een denkbeeld maken van de verwarring, die te Fairport heerschte. De vensters schitterden met honderden lichten, die, nu eens schijnende en dan weêr snel verdwijnende, de drukte binnen in huis aanduidden. De vrouwen der lagere volksklasse verzamelden zich schreeuwende op de straat. De mannen van den landstorm, die uit hunne verschillende woonplaatsen aankwamen snellen, galoppeerden door de straten, òf alleen, òf in troepjes van vijf of zes, zoo als zij elkander op weg ontmoet hadden. De trommels en fluiten der vrijwilligers werden afgewisseld door de stemmen der officieren, den klank der horens, en het gelui der klokken van de kerktorens. De schepen in de haven waren verlicht, en de booten der gewapende vaartuigen vermeerderden de drukte door het landen van manschappen en geweren, om de plaats te helpen verdedigen. Taffril bestierde ijverig dit gedeelte der toebereidselen. Twee of drie der kleinere vaartuigen hadden reeds het anker gelicht en staken in zee, om den naderenden vijand te bespieden.

Zoodanig was de algemeene verwarring, toen Sir Arthur Wardour, Oldbuck en Hector zich met moeite een weg baanden naar het plein, waarop het stadhuis zich bevond. Het was verlicht, en de raad en vele der naburige landedellieden waren vergaderd. En ook nu, even als bij andere soortgelijke gelegenheden in Schotland, bleek ten duidelijkste, hoezeer het gezond verstand en het vaste karakter van het volk het gebrek aan ondervinding vergoedden. De regeeringsleden waren omgeven van de kwartiermeesters der onderscheidene korpsen, die biljetten voor hunne manschappen en paarden verlangden.

„Laten wij,” zei de Baljuw Littlejohn, „de paarden in onze magazijnen en de manschappen in onze huiskamers opnemen, – onzen maaltijd met de manschappen, en onze fourage met de paarden deelen. Wij zijn rijk geworden onder een vrij en vaderlijk bestuur, en nu is het tijd te toonen, dat wij het naar waarde weten te schatten.”

Luid en blijmoedig stemden alle aanwezigen hiermede in, en het vermogen der rijken, zoowel als de persoonlijke diensten van allen werden eenparig ter verdediging van het vaderland aangeboden.

Kapitein M’Intyre strekte bij deze gelegenheid het voorzittend regeeringslid tot krijgskundigen raadsman en adjudant, en legde eene tegenwoordigheid van geest en eene kennis van zaken aan den dag, waarop zijn oom volstrekt niet gerekend had, en die, zich zijne gewone insouciance en drift herinnerende, hem van tijd tot tijd met verwondering aankeek, toen hij de kalme en bedaarde wijze opmerkte, waarop zijn neef de verschillende maatregelen van voorzorg ontwikkelde, die hem zijne ondervinding aan de hand bood, terwijl hij de bevelen gaf om ze in gereedheid te brengen. Hij vond de verschillende korpsen, hunne vreemdsoortige bestanddeelen in aanmerking genomen, in goede orde, zeer talrijk, vol zelfvertrouwen en met den meesten moed bezield. En de krijgskunde had, in dit oogenblik, zoodanig het overwicht op alle andere aanspraken ter onderscheiding, dat zelfs de oude Adam, wel verre van als Diogenes te Sinope aan het rollen van zijne ton overgelaten te blijven, terwijl allen om hem heen zich ter verdediging voorbereidden, last kreeg, om het uitdeelen van de ammunitie te bestieren, wat hij ook met veel oordeel deed.

Men zag nu nog met het meeste ongeduld twee zeer gewichtige gebeurtenissen te gemoet, – namelijk het opkomen van de Glenallansche vrijwilligers, welke, uit aanmerking van het aanzien dier familie, een afzonderlijk korps uitmaakten, – en de aankomst van den aangekondigden officier, aan wien de maatregelen ter verdediging van deze kust door den opperbevelhebber waren toevertrouwd, en die alzoo bevoegd zou zijn, om het bevel over de gewapende macht op zich te nemen.

Weldra hoorde men het horenmuziek van de Glenallansche vrijwilligers, en de graaf zelf verscheen, tot groote verwondering van allen, die zijne gewoonten en den staat van zijne gezondheid kenden, in uniform aan hun hoofd. Het was een zeer schoon en goed bereden eskadron, geheel samengesteld uit pachters uit de Laaglanden, en zij werden gevolgd door een bataljon van vijfhonderd man, die hij uit de valleien der Hooglanden had samengebracht, volkomen op de Bergschotsche krijgswijze uitgerust, onder het geluid hunner doedelzakken aanrukkende. De flinke en krijgshaftige houding van deze leenmannen trok de bewondering van Kapitein M’Intyre tot zich; maar zijn oom was nog meer getroffen door de wijze, waarop, in dit hachelijke oogenblik, de oude krijgsmansgeest van het huis Glenallan den graaf, hun aanvoerder, scheen te bezielen, en aan zijn verzwakt gestel nieuwe kracht te geven. Hij verzocht en verkreeg voor zich en zijne volgelingen den post, die naar alle waarschijnlijkheid het eerst bedreigd zou worden, legde eene groote vlugheid aan den dag in het nemen van de noodige beschikkingen, en betoonde geen minder doorzicht in het beramen der middelen, die nog genomen moesten worden. Onder deze krijgstoerustingen brak de morgenstond te Fairport aan, terwijl allen steeds ijverig bezig waren met de noodige voorzorgen voor de verdediging.

Eindelijk ging er een kreet onder het volk op: „Daar komt de dappere Majoor Neville aan, met nog een anderen officier!” en een reiswagen, met vier paarden bespannen, kwam het stadhuisplein oprijden te midden van de hoezee’s der vrijwilligers en inwoners. De overheidspersonen, met de assessoren, snelden naar de deur van het stadhuis, om hen te ontvangen; maar hoe groot was de verwondering van allen, en vooral van den oudheidkenner, toen zij, onder de rijke uniform en den krijgsmanshoed, den persoon en de gelaatstrekken van den vreedzamen Lovel bespeurden! Eene hartelijke omhelzing en een warme handdruk moesten hem verzekeren, dat hij zich niet vergist had. Sir Arthur was niet minder verwonderd om zijn zoon, den kapitein Wardour, te herkennen in Lovel’s of liever in Majoor Neville’s gezelschap. De eerste woorden der jonge officieren waren eene stellige verzekering aan alle aanwezigen, dat de moed en de ijver, die zij aan den dag gelegd hadden, geheel overtollig geweest waren, en dat ze slechts dienden, om een bewijs op te leveren van hunne vaderlandsliefde en waakzaamheid.