De oudheidkenner

Part 33

Chapter 333,710 wordsPublic domain

„Maar, mijnheer, als ik u bewijzen kan, dat men meer tegen mij gezondigd heeft, dan dat ik zelf zondigde; – dat ik een ongelukkig mensch, boven alle beschrijving ongelukkig geweest ben, en dat ik nu op een vroegtijdig graf zie, als op eene rustplaats, zult gij u niet langer aan eene mededeeling onttrekken, die, – uwe verschijning in dit beslissend oogenblik voor een wenk van den hemel houdende, – ik het wagen moet u op te dringen!”

„Milord, ik zal nu niet meer de voortzetting van deze verrassende samenkomst vermijden.”

„Ik moet u dus aan onze toevallige ontmoetingen herinneren, ongeveer twintig jaren geleden, op het kasteel van Knockwinnock, en ik behoef u niet te herinneren aan eene dame, die toen een lid van dat huisgezin was.”

„De ongelukkige Eveline Neville, Milord! – ik herinner mij haar wel.”

„Wie gij gevoelens toedroegt, –”

„Zeer verschillende van die, waarmede ik vroeger en later hare sekse aanschouwd heb. Hare zachtheid, hare leerzaamheid, haar smaak in die studiën, waarop ik hare aandacht vestigde, maakten mij haar meer genegen, dan met mijne jaren, ofschoon ik toen nog niet al te oud was, en met den ernst van mijn karakter overeenkwam. Maar ik behoef u niet te herinneren aan al de gelegenheden, waarop gij uw lachlust botvierdet ten koste van een onhandigen, in de eenzaamheid levende geleerde, die verlegen was in het uitdrukken van gevoelens, welke hem zoo nieuw waren; en ik twijfel niet, of de jonge dame nam deel aan den welverdienden spot: – dit is zoo vrouwenaard. Ik heb de pijnlijke omstandigheden van mijn aanzoek en de verwerping er van aangeroerd, opdat gij u overtuigen zult, dat mij alles nog duidelijk in het geheugen ligt, en dat gij uwe geschiedenis, wat mij aangaat, zonder schroom of onnoodige achterhouding kunt verhalen.”

„Dat zal ik ook doen,” zeide lord Glenallan; „maar vergun mij eerst te, zeggen, dat gij onrecht doet aan de nagedachtenis van de zachtste, beminnelijkste en ongelukkigste der vrouwen, door te veronderstellen dat zij met de oprechte toegenegenheid van een man als gij zou hebben kunnen spotten! Zeer dikwijls berispte zij mij, mijnheer Oldbuck, als ik mijne lichtzinnigheid ten uwen koste botvierde. – Mag ik mij nu vleien, dat gij den jeugdigen overmoed, die u toen aanstoot gaf, vergeven zult? – Mijn zielstoestand heeft mij sedert nooit in de noodzakelijkheid gebracht om mij te verontschuldigen over de onbedachtzaamheden aan een opgeruimd en gelukkig mensch eigen.”

„Milord, gij hebt mijne vergiffenis,” zei de heer Oldbuck; „gij zult u herinneren dat ik, evenmin als iemand anders, in dien tijd wist dat ik mij tot uw mededinger opwierp, en ik begreep dat Eveline in eene afhankelijkheid leefde, die haar een redelijk vermogen en de hand van een eerlijk man als iets wenschelijks moest doen voorkomen. – Maar ik verspil den tijd: – ik wenschte te kunnen gelooven, dat de oogmerken, die anderen omtrent haar koesterden, even rechtschapen en eerlijk waren als de mijne!”

„Mijnheer Oldbuck, gij velt een hard oordeel!”

„Niet zonder reden, Milord! Toen ik alleen, van al de overheidspersonen in de streek, die noch de eer had, gelijk sommigen hunner, in betrekking te staan met uw machtig geslacht, noch gelijk anderen, de laagheid had om het te vreezen, – toen ik eenig onderzoek instelde naar de wijze van Eveline Neville’s dood, – gij schrikt Milord, maar ik moet oprecht zijn, – vond ik reden te gelooven, dat men haar slecht behandeld had, en dat zij òf bedrogen was geweest door een schijn-huwelijk, òf dat men zeer ongeoorloofde middelen had gebezigd, om het bewijs van een wezenlijk bestaand huwelijk te verduisteren en te vernietigen. En ik kan bij mij zelven niet twijfelen, of deze wreedheid van uwen kant, Milord, hetzij die uit uw vrijen wil voortgesproten, of wel door den invloed der overleden gravin veroorzaakt werd, dreef de ongelukkige jonge dame tot de wanhopige daad, die een einde aan haar leven maakte.”

„Uwe besluiten, mijnheer Oldbuck, zijn niet juist, ofschoon ze natuurlijk uit de omstandigheden voortvloeien moesten. Geloof mij, ik eerbiedigde u, toen ik het meest gekweld werd door uwe werkzame pogingen om onze familiewederwaardigheden te onderzoeken. Gij toondet u Eveline Neville waardiger dan ik, door den ijver, waarmede gij volhieldt, om hare eer, zelfs na haren dood, te handhaven. Maar het vaste geloof, dat uwe welgemeende pogingen alleen dienen konden om een verschrikkelijk geheim aan het licht te brengen, bewoog mij, om mijne moeder in hare plannen bij te staan en de bewijzen te vernietigen van de wettige vereeniging, die er tusschen Eveline en mij had plaats gevonden. En nu, laten wij hier op deze hoogte plaats nemen, want ik gevoel mij buiten staat om langer te blijven staan, en heb de goedheid, te luisteren naar de wonderbaarlijke ontdekking, die ik heden gedaan heb.”

Zij gingen zitten, en lord Glenallan verhaalde kortelijk zijne ongelukkige familiegeschiedenis, zijn geheim huwelijk, en het verschrikkelijke verzinsel, waardoor zijne moeder gehoopt had die vereeniging, welke reeds voltrokken was, onmogelijk te maken. Hij verklaarde de kunstgrepen, waarmede de gravin, met al de bewijsstukken van Eveline Neville’s geboorte in handen, alleen diegene had doen zien, welke betrekking hadden tot een tijd, gedurende welken zijn vader om familieredenen ingestemd had, die jonge dame als zijne natuurlijke dochter te erkennen, en toonde, hoe onmogelijk het voor hem zelven was, om het bedrog te vermoeden of te ontdekken, waardoor hem zijne moeder misleidde, en dat door Therese en Elspeth gestaafd werd. „Ik verliet mijn vaderlijk huis,” voegde hij er ten slotte bij, „als gejaagd door alle geesten uit de hel, en reisde met eene waanzinnige snelheid, ik weet niet waarheen. Ook had ik niet de minste herinnering van hetgeen ik deed of waarheen ik ging, tot ik door mijn broeder ontdekt werd. Ik zal u niet lastig vallen met eene beschrijving van mijn ziekbed en herstel, en hoe lang het duurde eer ik waagde naar de deelgenoote van mijn ongeluk te vragen, en vernam, dat hare wanhoop een verschrikkelijk geneesmiddel gevonden had tegen al de kwalen van het leven. Het eerste, wat mij weêr tot denken bracht, was het bericht van uwe navorschingen in deze rampzalige zaak, en gij zult niet meer verwonderd zijn dat, in den waan waarin ik verkeerde, ik die middelen om uwe navorschingen te stuiten, welke mijne moeder en mijn broeder goedkeurden, ook van mijn kant beaamde. De inlichtingen, die ik hun gaf omtrent de omstandigheden en getuigen van ons geheim huwelijk, stelden hen in staat, om uw ijver te verijdelen. De geestelijke en getuigen, als lieden, die slechts gehandeld hadden om den machtigen erfgenaam van Glenallan te believen, waren dan ook vatbaar voor zijne beloften en bedreigingen, en ontvingen zulke ruime belooningen, dat zij er niets tegen hadden om dit land te verlaten. Wat mijzelven aangaat, mijnheer Oldbuck,” vervolgde de ongelukkige graaf, „ik beschouwde mij van dat oogenblik af als niet meer onder de levenden, en ik wilde ook niets meer te doen hebben met deze wereld. Mijne moeder beproefde mij weêr met het leven te verzoenen door alle mogelijke kunstgrepen; – zelfs door wenken, die ik mij nu verklaren kan, als geschikt, om twijfel te doen ontstaan omtrent het verschrikkelijke verhaal, dat zij zelve verdicht had. Maar ik beschouwde al wat zij zeide als uitvluchten der moederlijke toegenegenheid. Ik zal mij van elk verwijt onthouden, – zij is niet meer, – en, naar het zeggen van hare ellendige vertrouweling, wist zij niet, hoe vergiftigd de werpspies was, en hoe diep die treffen moest, toen zij die slingerde. Maar, mijnheer Oldbuck, als er ooit in deze laatste twintig jaren een levend wezen op aarde leefde, dat uw medelijden verdiende, ben ik het geweest. Mijne spijzen hebben mij niet gevoed, – de slaap heeft mij niet verkwikt, – mijne godsdienstige oefeningen hebben mij niet getroost; – al wat den mensch waard en onmisbaar is, heeft zich voor mij in vergif veranderd. De geringe en beperkte omgang, dien ik met anderen had, is mij gehaat geweest. Het was mij, alsof ik de besmetting van eene onnatuurlijke en onuitsprekelijke misdaad onder de vroolijken en onschuldigen bracht. Er zijn oogenblikken geweest, dat ik gedachten had van anderen aard: – om mij in de gevaren van den krijg te werpen, of de avonturen te trotseeren van den reiziger in vreemde en woeste landen; – om mij in staatskuiperijen te mengen, of mij terug te trekken in de strenge afzondering van den kluizenaar. Dit alles is beurtelings bij mij opgekomen; maar tot elk dezer voornemens werd eene veerkracht vereischt, welke ik niet meer bezat na den slag, die mij verlamd had. Ik kwijnde voort op dezelfde plek, terwijl verbeelding, gevoel, oordeel en gezondheid afnamen, even als bij een boom, wiens schors vernield is, eerst de bloesem verwelkt, dan de takken, tot de dorre en stervende stam overblijft, die thans voor u staat! – Beklaagt en vergeeft gij mij nu?”

„Milord,” antwoordde de oudheidkenner zeer aangedaan, „mijn medelijden, – mijne vergiffenis behoeft gij niet te vragen, want uwe ongelukkige geschiedenis is op zich zelve niet alleen eene voldoende verontschuldiging voor alles, wat geheimzinnig scheen in uw gedrag; maar ook een verhaal, dat uwe ergste vijanden (en ik, Milord was er nooit onder), tot tranen en deelneming bewegen zou. Maar veroorloof mij te vragen wat gij nu doen wilt, en waarom gij mij, wiens gevoelen van zeer weinig belang voor u kan wezen, met uw vertrouwen bij deze gelegenheid vereerd hebt?”

„Mijnheer Oldbuck,” antwoordde de graaf, „daar ik nooit den aard van de bekentenis kon voorzien, welke ik heden aangehoord heb, behoef ik u niet te zeggen, dat ik geen bepaald plan had, om u of iemand anders over zaken te raadplegen, welker bestaan ik niet eens had kunnen vermoeden. Maar ik ben zonder vrienden, ongeschikt om te handelen, en, door lange afzondering, eveneens onbekend met de wetten van het land en de gewoonten van het levend geslacht; en daar ik mij nu op het alleronverwachtst gedompeld vind in zaken, waarvan ik weinig besef, grijp ik, als een drenkeling, naar den eersten steun, die zich aanbiedt. Gij zijt die steun, mijnheer Oldbuck! Ik heb u altijd hooren noemen als een man van verstand en doorzicht, – ik zelf heb u gekend als een man van een onbevreesden en onafhankelijken geest, – en er is ééne omstandigheid, welke ons eenigszins vereenigen moet, – die van onze gemeenschappelijke hulde aan de deugden der arme Eveline! Gij boodt u zelven aan in mijn nood, en gij waart reeds bekend met het begin van mijne ongelukken; – het is dus tot u, dat ik nu mijne toevlucht neem, om raad, om deelneming en om ondersteuning!”

„Gij zult dat niet te vergeefs bij mij zoeken, Milord!” zeide Oldbuck, „voor zoover mijne geringe krachten toereiken, en ik ben vereerd door uw vertrouwen, hetzij ik het aan de keuze of aan het toeval verschuldigd ben; maar dit is eene zaak, die rijpelijk overlegd moet worden. Mag ik vragen wat uwe eerste bedoelingen zijn?”

„Om van het lot van mijn kind verzekerd te worden,” zei de graaf, „wat er van kome, en om recht te doen aan de eer van Eveline, die ik slechts aan verdenking blootgesteld heb om de ontdekking te voorkomen van eene nog verschrikkelijker schande, die zij, naar ik mij verbeeldde, zou hebben moeten verduren.”

„En de nagedachtenis van uwe moeder?”

„Moet den last harer zonden dragen,” antwoordde de graaf met een zucht; „het is beter dat zij rechtmatig overtuigd worde van bedrog, als dat noodzakelijk mocht wezen, dan dat anderen onrechtvaardig zouden beschuldigd worden van nog veel verschrikkelijker misdaden!”

„Dan, Milord,” zeide Oldbuck, „moet onze eerste zorg zijn, om de bekentenis van de oude Elspeth in een geregelden en wettigen vorm te verkrijgen.”

„Dat,” antwoordde lord Glenallan, „zal voor het oogenblik, vrees ik, onmogelijk zijn. – Zij is uitgeput, en omringd door het ongelukkig huisgezin. Morgen, misschien, als zij alleen is, en dan nog twijfel ik, naar de onvolmaakte begrippen die zij van recht en onrecht heeft, of zij in tegenwoordigheid van een derde zal willen spreken. – Ook ik ben zeer vermoeid.”

„Dan, Milord,” zei de oudheidkenner, dien het belang van het oogenblik boven het denkbeeld van onkosten en ongemak verhief, wat anders zwaar bij hem woog, „wilde ik u voorslaan om, in plaats van, vermoeid zoo als gij nu zijt, naar Glenallan terug te keeren, of anders uw intrek in eene slechte herberg te Fairport te nemen en de ledigloopers van de stad in het oog te loopen, – om heden mijn gast op Monkbarns te zijn. – Morgen zullen deze arme lieden hunne bezigheden buiten ’s huis hervat hebben, – want bij hen brengt de smart geene verlichting van den arbeid aan, – en wij zullen de oude Elspeth alleen bezoeken en hare bekentenis behoorlijk opteekenen.”

Na zich verontschuldigd te hebben wegens den last, dien hij veroorzaakte, stemde lord Glenallan er in toe om met hem te gaan, en luisterde, onder de wandeling naar huis, naar de geheele geschiedenis van Jan van Girnell, eene overlevering, welke men niet weet, dat de heer Oldbuck ooit kwijtschold aan iemand, die den voet over zijn drempel zette.

De aankomst van een vreemdeling van zoo veel aanzien, met twee rijpaarden en een knecht in het zwart, welke knecht holsters op zijn zadel had en eene kroon op de holsters, bracht te Monkbarns alles in beweging. Jenny Rintherout, nauwelijks hersteld van de zenuwtoevallen, die haar overvielen bij het vernemen van Steven’s ongeluk, maakte jacht op kalkoenen en gevogelte, gilde het uit en schreeuwde bijna harder dan de vogels, en eindigde met er een half dozijn te veel te slachten. Grizelda maakte menige wijze aanmerking over de driftige onbezonnenheid van haren broeder, die zulk eene verwoesting veroorzaakt had, door zoo onverwacht den Roomschen edelman meê te brengen; en zij waagde het, den heer Blattergowl een wenk te doen geworden omtrent de buitengewone slachting, die er in de basse-cour had plaats gehad, wat dezen eerlijken geestelijke bewoog, om te komen vernemen hoe zijn vriend Monkbarns het maakte, en of hij zich wèl bevond na zijn gang naar de begrafenis, – zoo kort voor het luiden der etensklok, dat de oudheidkenner niet anders kon, dan hem verzoeken om te blijven en het gebed aan tafel te doen. Mary M’Intyre was van haren kant eenigszins nieuwsgierig, om den machtigen Pair te zien, van wien allen hadden hooren spreken, even als de Oostersche onderdanen van hun Kalif of Sultan hooren; maar was tevens toch beschroomd, om een man te ontmoeten, van wiens wonderlijke gewoonten en strenge leefwijze zoo veel verteld werd, dat hare vrees eindelijk hare nieuwsgierigheid evenaarde. De oude huishoudster was niet minder onthutst en gejaagd bij het gehoorzamen van de talrijke en tegenstrijdige bevelen van hare meesteres aangaande konfijten, gebakken, vruchten, de wijze van de tafel te dekken en het eten op te doen, de noodzakelijkheid om Juno, – die, ofschoon formeel uit de zaal gebannen, echter niet naliet in den omtrek op roof uit te gaan, – toch vooral uit de keuken te houden.

De eenigste huisgenoot van Monkbarns, die geheel onverschillig bleef bij deze gewichtige gelegenheid, was Hector M’Intyre, die zich niet meer om een graaf bekommerde dan om een burgerman, en hij gevoelde slechts in zoover belang bij zijn bezoek, als het hem eenigszins dekken zou tegen het ongenoegen van zijn oom, waar hij aanleiding toe gegeven had door de begrafenis niet bij te wonen, en het hem nog bovendien tegen alle spotternijen over zijn dapper, hoewel ongelukkig tweegevecht met de Phoca, of zeehond, beveiligen zou.

Aan de leden van zijn huisgezin stelde Oldbuck den graaf van Glenallan voor, die gedwee en onderworpen beleefd de lang gerekte aanspraken verduurde van den eerlijken geestelijke en de breedvoerige verontschuldigingen van Grizelda, welke haar broeder te vergeefs poogde te voorkomen. Vóór het eten verzocht lord Glenallan zich een oogenblik naar zijne kamer te mogen begeven. De heer Oldbuck begeleide zijn gast naar de groene kamer, welke men in de haast voor zijne ontvangst had gereed gemaakt. Hij keek dáár als met eene pijnlijke herinnering rond.

„Ik geloof,” merkte hij eindelijk op, „ik geloof, mijnheer Oldbuck, dat ik nog eens in dit vertrek geweest ben?”

„Ja, Milord,” antwoordde Oldbuck, „bij gelegenheid van een uitstap hierheen van Knockwinnock; – en nu wij eenmaal op dit treurig onderwerp zijn, zult gij u misschien ook nog herinneren, wie mij deze regels van Chaucer aan de hand gaf, die nu het behangsel versieren.”

„Ik kan het wel raden,” zei de graaf, „ofschoon ik het mij niet herinneren kan. Zij overtrof mij in letterkundigen smaak en in kennis, en het is eene geheimzinnige beschikking der Voorzienigheid geweest, dat een wezen, zoo rijk begaafd naar geest en lichaam, op zulk eene ellendige wijze moest omkomen, alleen omdat zij eene noodlottige genegenheid opgevat had voor een ellendeling als ik ben!”

De heer Oldbuck beproefde niet, iets te antwoorden op deze uitbarsting van de smart, die het hart van zijn gast vervulde; maar de hand van lord Glenallan drukkende, en met de andere hand de tranen afwisschende, die zijn gezicht benevelden, liet hij den graaf ongestoord tot men aan tafel ging.

VIJFENDERTIGSTE HOOFDSTUK

– Het leven bij u Gloeit in de hersens en danst in uwe aderen; Het is als goede wijn, vroolijk gedronken, Die het hart verheugt, de verbeelding opwekt. – Het mijne is ’s bekers sober overschot, Vervlogen, flauw en smakeloos, welks droesem Het vat bezoedelt, waarin het rust.

Oud tooneelspel.

„Nu, oordeel zelf eens, mijnheer Blattergowl, wat soort van mensch mijn broeder is, met al zijne wijsheid en geleerdheid; daar brengt hij nu zóó maar dezen graaf in huis, zonder er eenige levende ziel een enkel woord van te zeggen! – En daarbij komt dat ongeluk van de Mucklebackits; – wij kunnen geen stukje visch krijgen; – en er is geen tijd om naar Fairport om rundvleesch te zenden, en het schapenvleesch is te versch geslacht, en die zottin, Jenny Rintherout, heeft het op de zenuwen gekregen, en lacht en schreeuwt sedert twee dagen onophoudelijk – en nu moeten wij dien vreemden knecht achter de tafel hebben, die zoo grootsch en deftig is als de graaf zelf! En ik kan niet in de keuken komen om naar iets te zien; want hij staat daar bij het vuur een schotel voor Milord te koken; want die eet niet als een ander mensch. – En wat te doen met dien vreemden knecht onder etenstijd? – Ik verzeker u, mijnheer Blattergowl, het gaat alles mijn verstand te boven!”

„Ja, jufvrouw Grizelda!” antwoordde de heer Blattergowl, „het was wel onvoorzichtig van Monkbarns! Hij had een dag van te voren moeten vaststellen, ten gerieve der belanghebbenden, zoo als gedaan wordt in alle kerkelijke zaken van belang. – Maar de groote man zou in geen huis van dit kerspel onverwacht hebben kunnen komen, dat beter van levensmiddelen is voorzien, – dat moet ik zeggen; – de geur uit de keuken kittelt mijn verhemelte reeds, – en, als gij eenige huishoudelijke bezigheden te verrichten hebt, jufvrouw Grizelda, maak toch vooral geene plichtplegingen met mij: – ik kan mij intusschen bezig houden met deze groote uitgaaf van Erskinels Instituten.”

En dezen vermakelijken foliant (de Schotsche Coke over Littleton), van de vensterbank nemende, sloeg hij het boek als door instinct op bij het tiende hoofdstuk van het tweede boek „over de tienden,” en was weldra verdiept in eene geleerde verhandeling over de wettelijke inkomsten van geestelijke goederen.

Het gastmaal, waarover Grizelda Oldbuck zich zoo ongerust maakte, werd eindelijk opgedaan, en de graaf van Glenallan zat voor het eerst, sedert den dag van zijn ongeluk, aan eene vreemde tafel, door vreemden omgeven. Hij gevoelde zich als iemand die droomt, of die nog niet ten volle hersteld is van de uitwerking van een bedwelmend vergif. Verlost, zoo als hij dien morgen geworden was, van het schuldbesef, dat zoo lang op zijn hart gerust had, was zijne smart wel verlicht en dragelijker geworden, maar hij bleef nog steeds buiten staat om eenig deel te nemen aan het algemeen gesprek. En het verschilde ook, inderdaad, zeer van den omgang, waaraan hij gewoon was geworden. De zorgelooze vrijmoedigheid van Oldbuck, de herhaalde en langdradige verontschuldigingen van zijne zuster, de deftige gemaaktheid van den geestelijke, en de levendigheid van den jongen krijgsman, welke eer het kenmerk van het leger dan van het hof droeg, was alles even nieuw voor een edelman, die zoo lange jaren in afzondering en neêrslachtigheid verkeerd had, dat de manieren van de wereld hem even vreemd als onaangenaam voorkwamen. Mary M’Intyre alleen scheen, door hare natuurlijke beleefdheid en ongekunstelde eenvoudigheid, tot die klasse van menschen te behooren, waaraan hij in vroegere en gelukkiger dagen gewoon was geweest.

Maar ook het gedrag van lord Glenallan wekte geene mindere verwondering bij het gezelschap op. Ofschoon men voor een eenvoudig maar voortreffelijk maal gezorgd had, (want, zoo als de heer Blattergowl te recht opgemerkt had, was het niet mogelijk om Grizelda te overvallen op een oogenblik, dat hare provisiekamer leêg was), en ofschoon de oudheidkenner zijn besten portwijn aanprees en met den Falernerwijn van Horatius vergeleek, bleef lord Glenallan nochtans tegen de verleidingen van beiden bestand. Zijn knecht plaatste een kleinen schotel met groenten vóór hem, – over welks toebereiding Grizelda zich zoo verontrust had, – opgedaan met de grootste en zorgvuldigste zindelijkheid. Hiervan at hij zeer spaarzaam, en een glas zuiver water besloot zijn maaltijd. Zoo, zei de knecht, was de leefregel van den graaf geweest sedert zeer vele jaren, uitgezonderd op hooge feestdagen van de kerk, of als er gezelschap van den hoogsten rang op het kasteel van Glenallan onthaald werd, wanneer hij een weinig van de strengheid zijner leefwijze afweek en zich een paar glazen wijn veroorloofde. Maar te Monkbarns zou geen kluizenaar een eenvoudiger en schraler maal hebben kunnen doen.

De oudheidkenner was, zoo als wij gezien hebben, even kiesch als iemand ter wereld, maar rond en ongedwongen in den omgang, omdat hij altijd met personen verkeerde, die hij in niets behoefde te ontzien. Hij viel dus dadelijk zijnen hoogadellijken gast aan over de strengheid van zijn dieet.

„Een beetje halfkoude groenten en aardappels! – een glas ijskoud water! – daarvoor levert de oudheid geen gezag op, Milord! Dit huis placht gehouden te worden voor een hospitium, eene wijkplaats voor Christenen; maar uw leefregel is die van een Heidenschen Pythagoreër of Indischen Bramin, – ja, strenger dan een van beiden, als gij weigert deze schoone appels te proeven.”

„Ik ben Katholiek, zoo als gij weet,” zeide lord Glenallan, wenschende den redetwist te ontgaan, „en het is u bekend, dat onze kerk –”

„Vele regels voorschrijft ter kastijding van den vleesche; maar ik heb nooit gehoord, dat men die zoo streng naleefde. Getuige mijn voorganger Jan van Girnell en de vroolijke abt, die zijn naam aan dezen appel gaf, Milord!”