Part 32
Zij zweeg een oogenblik, en vervolgde toen: „Maar ik ontken niet, dat ik haar meer haatte, dan zij verdiende. – Mijne meesteres, de gravin, ging voort en zeide: „Elspeth Cheyne, deze moedwillige jongen wil zich met het valsche Engelsche bloed verbinden. Waren wij nog in de dagen van vroegere eeuwen, dan zou ik haar in den kerker van Glenallan kunnen werpen, en hem in den toren van Strathbonnel. Maar die tijden zijn voorbij, en het gezag, dat de edelen van het land uitoefenen moesten, is overgegaan aan haarklovende pleitbezorgers en hunne nog verachtelijker afhangelingen. Hoor mij aan, Elspeth Cheyne! als gij uws vaders dochter zijt, zoo als ik die van den mijnen ben, zal ik een middel vinden, om hun huwelijk te beletten. – Zij wandelt dikwijls naar die klip, welke over uwe woning hangt, om naar de boot van haren beminde te zien; – (gij zult u herinneren, dat gij toen dikwijls uit zeilen gingt, Milord). Laat haar een paar honderd voet lager vinden, dan hij verwacht! – Ja, gij moogt staroogen en de wenkbrauwen fronsen en de handen wringen; maar, zoo zeker als ik voor den rechterstoel moet komen van het eenige Wezen, dat ik ooit gevreesd heb – en och! had ik Hem meer gevreesd! – dit waren uw moeders woorden: – wat zou het mij ook baten om u te bedriegen? – Maar ik wilde mijne handen niet met bloed bevlekken. – Toen zeide zij: „Volgens de leer van onze heilige kerk, zijn zij elkander te na; maar ik verwacht niet minder, dan dat zij beiden ketters zullen worden, zoowel als ongehoorzame verworpelingen;” – dat voegde zij er nog bij. – En toen, daar de booze geest altijd meer dan te veel werkt op hersens als de mijne, die meer ontwikkeld zijn dan zij behoeven en hun stand medebrengt, kreeg ik ongelukkig in het hoofd, om er bij te voegen: maar men zou hen kunnen doen gelooven, dat zij elkander zóó na bestonden, dat geene Christelijke wet hun huwelijk gedoogen zou!” Hier herhaalde de graaf van Glenallan hare woorden met zulk een luiden gil, dat de hut er van weêrgalmde: – „dus was Eveline Neville niet de– de –”
„De dochter, meent gij, van uw vader?” vervolgde Elspeth. „Neen! – het mag u tot kwelling of tot troost strekken; – verneem de waarheid! zij was niet meer de dochter van uw vader, dan ik ben!”
„Vrouw! bedrieg mij niet, – doe mij niet de gedachtenis van eene moeder vloeken, die ik zoo onlangs in het graf gelegd heb; maak niet, dat ik haar verwensch, omdat zij de wreede, de helsche list goedkeurde!”
„Bedenk u, Milord Geraldin, eer gij de nagedachtenis van eene afgestorvene moeder vervloekt! – Leeft er niet één van het bloed van Glenallan, die aanleiding gegeven heeft tot de droevige uitkomst?”
„Meent gij mijn broeder? – Ook hij is dood!” zei de graaf.
„Neen!” antwoordde de oude, „ik meen u zelven, Lord Geraldin. Hadt gij niet uw plicht als zoon overtreden, door met Eveline Neville in het geheim te trouwen, terwijl zij op Knockwinnock woonde, ons plan zou u wellicht een tijdlang van uwe beminde gescheiden hebben, maar nooit uwe smart door de knagingen van uw geweten verbitterd hebben. Maar uw eigen gedrag heeft den dolk vergiftigd, waarmede wij u troffen, en het heeft u te dieper doorboord, omdat gij u er op wierpt! Indien uw huwelijk was afgekondigd en bekend geweest, zou ons plan, om een hinderpaal in den weg te leggen die onoverkomelijk was, niet ten uitvoer zijn gebracht.”
„Groote Hemel!” riep de ongelukkige edelman; „het is alsof er een sluier van mijne verblinde oogen valt! – Ja, ik begrijp nu de dubbelzinnige wenken van mijne ongelukkige moeder, strekkende om zijdelings mij de zekerheid te benemen van de ijselijkheden, waaraan hare kunstgrepen mij hadden doen gelooven!”
„Zij kon niet duidelijker spreken,” antwoordde Elspeth, „zonder haar eigen bedrog te belijden; en zij zou zich liever door wilde paarden hebben laten vaneen scheuren, dan iets te ontdekken, wat zij gedaan had; en, als zij nog leefde, zou ik hetzelfde om harentwil doen! Het ras van Glenallan, mannen en vrouwen, was een trotsch ras, en dat waren allen, die in den ouden tijd de leuze voerden: Clachnaben! „schouder aan schouder!” – Geen één van hen verliet ooit zijn aanvoerder om geld of winst, om recht of onrecht. – De tijden zijn, hoor ik, nu veranderd!”
De ongelukkige edelman was te zeer in zijne verwarde gedachten en kwellende herinneringen verdiept, om de hartstochtelijke uitdrukkingen van getrouwheid op te merken, waarin de ongelukkige bewerkster van zijne rampen, zelfs in de laatste uren van haar leven, troost scheen te vinden.
„Groote Hemel!” riep hij uit. „Ik ben dus vrij van eene schuld, de grootste, waarmede een mensch kan bezoedeld zijn, en waarvan het bewustzijn, hoe onwillekeurig ze ook begaan was, mijne zielerust verstoord, mijne gezondheid ondermijnd, en mij tot een vroegtijdigen dood bestemd heeft! Ontvang,” voegde hij er geroerd bij, de oogen ten hemel opslaande, „ontvang mijne nederigste dankbetuigingen! – Is mijn leven ellendig, ik zal ten minste niet sterven, bezoedeld met die onnatuurlijke schuld! – En gij, – ga voort, als gij meer te zeggen hebt! – ga voort, terwijl gij nog stem hebt om te spreken, en ik krachten om te luisteren.”
„Ja,” antwoordde de oude, „de tijd, waarop gij zult hooren en ik zal spreken, snelt voorwaar ras voorbij! De dood heeft uw voorhoofd met zijn vinger gemerkt, en ik voel zijne koude hand met iederen dag dichter bij mijn hart. – Stoor mij nu niet meer met uwe uitroepingen; maar hoor mijn verhaal ten einde! en dan, – als gij inderdaad zulk een graaf van Glenallan zijt, als die van welken ik vroeger gehoord heb, – laat uwe vazallen de doornen en de distelen en de groene hulst opstapelen, zoo hoog als het dak van het huis, en verbrand, – verbrand, – verbrand de oude tooverheks Elspeth, en alles wat u herinneren kan, dat zulk, een schepsel ooit geleefd heeft!”
„Ga voort,” zei de graaf, „ga voort; ik zal u niet meer storen!”
Hij sprak met eene half gesmoorde, maar vaste stem, besloten zich door geene drift van de gelegenheid te berooven, om bewijzen te verkrijgen van de verrassende ontdekking, die hij gedaan had. Maar Elspeth was uitgeput geworden door een geregeld verhaal van zulk eene ongewone lengte; het volgende gedeelte van hare geschiedenis was meer afgebroken, en, ofschoon nog in de meeste opzichten verstaanbaar, droeg het niet de kenteekens van een helder zelfbewustzijn, welke het eerste gedeelte van haar verhaal zoo treffend gekenmerkt hadden. Lord Glenallan vond het noodzakelijk, toen zij eenige vruchtelooze pogingen om voort te gaan, gedaan had, om haar geheugen op te wekken door de vraag: welke bewijzen zij kon aanvoeren, om de waarheid te staven van een verhaal, dat zoo zeer verschilde van al hetgeen zij vroeger volgehouden had?
„De bewijzen,” antwoordde zij, „van Eveline Neville’s wezenlijke geboorte waren in het bezit der gravin; er waren redenen, om die voor eenigen tijd geheim te houden. Zij zouden wellicht gevonden worden, als zij ze niet, vernietigd had, in de linkerlade van het ebbenhouten kabinet, dat in de kamer stond, waar de gravin zich placht te kleeden. – Zij wilde die zoo lang achterhouden, tot gij op nieuw buiten ’s lands zoudt zijn gegaan, wanneer zij rekende, om vóór uwe terugkomst Eveline Neville naar haar eigen land terug te zenden, of uit te huwen.”
„Maar liet gij mij geene brieven zien van mijn vader, die, zoo mij niet mijn verstand op dat verschrikkelijk oogenblik bedrogen heeft, zijne nauwe bloedverwantschap scheen te erkennen met – met de ongelukkige?”
„Dat is zoo; en, met mijne getuigenis, hoe kondet gij of zij, een van beiden, aan het geval twijfelen? – Maar wij verzwegen de ware uitlegging van deze brieven, en die was, dat uw vader het voorzichtig oordeelde om de jonge dame een tijdlang voor zijne dochter te laten doorgaan, uit hoofde van zekere familiebelangen.”
„Maar waarom bleeft gij volharden in deze list, na dat gij onze vereeniging vernomen hadt?”
„Het was niet,” antwoordde zij, „dan na dit valsch bericht te hebben medegedeeld, dat de gravin het vermoeden kreeg, dat gij werkelijk een huwelijk hadt aangegaan; – en zelfs toen wildet gij geene opheldering geven, of de plechtigheid inderdaad had plaats gehad of niet. – Maar gij herinnert u wel, – o, gij kunt niet anders, dan u wel herinneren, al wat er bij die verschrikkelijke samenkomst voorviel!”
„Vrouw! gij bezwoert op den Bijbel de daadzaken, die gij nu ontkent!”
„Ik deed dat, en ik zou er nog tien plechtige eeden meer op gedaan hebben, als het noodig ware geweest; – ik zou noch het bloed van mijn lichaam, noch de rust mijner ziel gespaard hebben, om het huis van Glenallan te dienen!”
„Ellendige! noemt gij dien verschrikkelijken meineed, met nog verschrikkelijker gevolgen gepaard, – noemt gij dat een dienst aan het huis uwer weldoeners bewezen?”
„Ik diende haar, die toen het hoofd van het huis van Glenallan was, toen zij mij opeischte om haar te dienen. De reden waarom, was tusschen God en haar geweten; – de wijze hoe, tusschen God en het mijne! – Zij is opgeroepen om zich te verantwoorden, en ik moet volgen; – heb ik genoeg gezegd?”
„Neen!” antwoordde lord Glenallan; „gij hebt mij nog meer te zeggen. – Gij moet mij zeggen of de dood van de engelin, die door uw meineed tot wanhoop gedreven werd, omdat zij zich bezoedeld geloofde door eene zoo verschrikkelijke misdaad, – spreek nu de waarheid! – was dat ontzettend – was dat verschrikkelijk voorval,” – hij kon nauwelijks de woorden uitbrengen, – „was het, zóó als men het verhaald heeft, of was het door nog verdere, ofschoon niet gruwelijker wreedheid van anderen veroorzaakt?”
„Ik begrijp u,” zeide Elspeth; „maar het gerucht heeft waarheid gesproken. Onze valsche getuigenis was wezenlijk de oorzaak; maar de daad was haar eigen wanhopig bedrijf. Na die verschrikkelijke ontdekking, toen gij uit de tegenwoordigheid van de gravin vluchttet, en uw paard naamt, en het kasteel in wanhoop verliet, had de gravin uw geheim huwelijk nog niet ontdekt; zij wist niet dat de vereeniging, die zij door deze schrikbarende geschiedenis wilde beletten, reeds gesloten was. Gij waart uit het huis gevlucht, alsof het vuur van den Hemel u dreigde te treffen en Eveline Neville, half waanzinnig, werd onder zekere bewaring gesteld. Maar de bewakers sliepen en de gevangene bleef wakker; – het venster stond open; de weg lag voor haar; – dáár was de klip en dáár was de zee! – O, wanneer zal ik dat vergeten!”
„En dus stierf zij,” vroeg de graaf, „juist zóó als men verhaald heeft?”
„Neen, Milord! Ik was uitgegaan naar het strand; – de vloed kwam op, en die sloeg, zoo als gij u zult herinneren, tegen den voet van die klip; – het was een groot gemak voor mijn man, – doch waar dwaal ik heen? – Ik zag een wit voorwerp van den top der klip schieten, gelijk eene zeemeeuw door den mist, en toen begreep ik uit het klotsen en spatten van het water dat het een menschelijk wezen moest zijn, dat in de golven gevallen was. Ik snelde heen en greep haar kleed; ik trok haar er uit, en droeg haar op mijne schouders weg, – ik had toen twee zulke schepsels kunnen dragen – droeg haar naar mijne hut en legde haar op mijn bed. Er kwamen buren om te helpen; – maar de woorden, die zij in haar ijlen stamelde, toen zij begon bij te komen, waren zoodanig, dat ik het goed vond om hen weg te zenden, en om bevelen te gaan vragen op het kasteel Glenallan. De gravin zond hare Spaansche meid Therese; – als er ooit een booze geest in menschelijke gedaante op aarde verscheen, was die vrouw er een! – zij en ik moesten op de ongelukkige dame passen en niemand haar laten naderen. God weet, wat de taak van Therese zou geweest zijn; – zij zeide het mij niet; maar de Hemel zelf nam het overige op zich! – De arme dame! zij kreeg de barensweeën vóór den tijd, bracht een mannelijk kind ter wereld, en stierf in de armen van mij, – van hare doodelijke vijandin! Ei, gij weent, – het was ook een droevig iets om te zien; – maar denkt gij, dat ik, die haar toen niet betreurde, haar nu betreuren kan? Neen, neen! – Ik liet Therese bij het lijk en het pas geboren kind, terwijl ik de bevelen van de gravin ging halen. Hoe laat het ook was, ik wekte haar, en zij beval mij, uw broeder te roepen, –”
„Mijn broeder?”
„Ja, Lord Geraldin, uw broeder zelven, dien zij, zoo als sommigen zeiden, altijd tot erfgenaam wenschte te hebben. In elk geval had hij het meeste belang bij de zaak, als erfgenaam van het huis van Glenallan.”
„En is het dan mogelijk te gelooven dat mijn broeder, uit zucht om mijne erfgoederen te bezitten, zich vernederd zou hebben tot zulk eene lage en verschrikkelijke misdaad?”
„Uwe moeder geloofde dat hij het doen zou,” zeide de oude met een duivelschen lach; „ik had er niets mede te maken; – maar wat zij deden of spraken zal ik niet zeggen, omdat ik het niet weet. Lang en druk raadpleegden zij te zamen in de zwarte met hout beschoten kleedkamer der gravin, en toen uw broeder door de kamer kwam, waar ik wachtte, scheen het mij toe, (en ik heb het sedert dikwijls gedacht,) dat helsch vuur op zijne wangen en in zijne oogen schitterde. Maar hij had er, in elk geval, iets van bij zijne moeder achtergelaten. Zij trad de kamer binnen als een razend mensch, en de eerste woorden die zij sprak, waren: „Elspeth Cheyne, hebt gij ooit eene pas ontloken bloem geplukt?” – Ik antwoordde, zoo als gij denken kunt, dat ik dat dikwijls gedaan had. – „Dan,” zeide zij, „zult gij te beter weten, hoe den onechten en ketterschen telg te vernielen, die dezen nacht tot schande van het edele huis van mijn vader geboren is! – zie hier – (en zij gaf mij eene gouden naald) – niets dan goud moet het bloed van Glenallan doen stroomen! Dit kind is reeds een kind des doods, en daar gij en Therese alléén weet, dat het leeft, ga er meê te werk, zoo als ik verlang!” – en zij ging weg in hare woede en liet mij met de naald in de hand. Hier is ze; deze en de ring van Eveline Neville zijn alles, wat ik van mijn slecht gewonnen goed bewaard heb; want het was veel, dat ik kreeg! En ik heb ook het geheim goed bewaard; maar niet om het goud of het voordeel!”
Hare lange, magere hand hield nu aan lord Glenallan eene gouden naald voor, die hij, in zijne verbeelding, besmet zag met het bloed van zijn kind.
„Ellendige! hadt gij het hart, –”
„Ik weet niet of ik het zou gehad hebben of niet. Ik keerde naar mijne hut terug, zonder den grond te voelen dien ik betrad; maar Therese en het kind waren weg; – al wat leven had was weg; – niets was er meer dan het ontzielde lijk.”
„En hebt gij nooit iets vernomen van het lot van mijn kind?”
„Ik kon slechts gissen. Ik heb u het voornemen verhaald van uwe moeder, en ik weet, dat Therese een duivelin was. Men zag haar nooit weêr in Schotland, en ik heb gehoord dat zij naar haar eigen land teruggekeerd was. Een duistere sluier is over het verledene gevallen, en de weinigen, die er een gedeelte van zagen, kunnen slechts iets gissen van verleiding en zelfmoord. Gij, gij zelf, –”
„Ik weet het, – ik weet alles!” antwoordde de graaf.
„Gij weet inderdaad nu alles, wat ik zeggen kan. – En nu, erfgenaam van Glenallan! kunt gij mij vergeven?”
„Vraag vergiffenis van God, en niet van de menschen!” hernam de graaf, zich afwendende.
„En hoe zal ik van den reine en onbevlekte datgene vragen, wat mij geweigerd wordt door een zondaar, even als ik ben? – Indien ik gezondigd heb, zoo heb ik ook geleden. – Heb ik één dag vrede of één uur rust gehad, sedert die lange, natte haarlokken op mijn kussen te Craigburnfoot lagen? – Is mijn huis niet afgebrand, met mijn kind in de wieg? – Zijn mijne booten niet vergaan, terwijl de andere den storm trotseerden? – Heeft niet alles, wat mij dierbaar en waard was, voor mijne zonden geboet? – Heeft niet het vuur er zijn deel, – hebben de winden niet hun deel, – heeft de zee niet haar deel er van gehad? – En och!” voegde zij er met een zucht bij, eerst opwaarts naar den Hemel ziende en dan hare oogen op den grond vestigende – „och! dat de aarde haar deel wilde nemen, dat lang, lang zucht, om er mede vereenigd te worden!”
Lord Glenallan had de deur der hut bereikt; maar zijn edelmoedige aard liet niet toe, om de ongelukkige vrouw in dezen staat van wanhopige zelfveroordeeling te verlaten. „Moge God u, ellendige vrouw! zoo oprecht vergeven als ik het doe! – Wend u tot Hem om genade, en mogen uwe gebeden verhoord worden, alsof die mijne eigene waren! – Ik zal u een geestelijke zenden.”
„Neen, neen, geen priester!” riep zij uit; – op dat oogenblik ging de deur van de hut open, en zij werd verhinderd om voort te gaan.
VIERENDERTIGSTE HOOFDSTUK
Steeds in zijn doode hand blijven de snaren, Die ’s vaders hart doen trillen; – gelijk het lid, Dat, afgekapt en in ’t graf, zoo als men zegt, Gemeenschap behoudt met den verminkten stomp, Wiens zenuwen nog altijd pijnlijk trekken.
Oud tooneelspel.
De oudheidkenner, zoo als wij den lezer op het einde van het voorlaatste hoofdstuk berichtten, was het gezelschap van den waardigen heer Blattergowl ontsnapt, niettegenstaande het aanbod van dezen om hem een kort verslag te geven van de schoonste pleitrede, die er ooit, voor zoo ver hij wist, voor een tiendgerecht gehouden werd, uitgesproken door den procureur voor de kerk, in zake van de gemeente Gatherem. Deze verzoeking weêrstaande, sloeg onze vriend een eenzamen weg in, die hem op nieuw bij de woning van Mucklebackit bracht. Toen hij voor de visschershut kwam, ontwaarde hij een man, druk bezig, naar het scheen, met het kalefateren van eene schuit die op het strand lag, en, op hem toegaande, was hij niet weinig verrast Mucklebackit zelven te zien. „Ik ben blij,” zeide hij op deelnemenden toon, „ik ben blij, Saunders, – dat gij u in staat bevindt om uw werk te verrichten.”
„En wat zoudt gij willen dat ik deed,” antwoordde de visscher kortaf; „als ik niet vier kinderen van honger zou willen zien sterven, omdat er één verdronken is? Dat is goed voor u, heeren, die, als gij een vriend verliest, te huis kunt blijven zitten met den zakdoek voor de oogen; maar lieden van ons slag moeten weêr aan het werk, al klopt ons het hart als een hamer.”
Zonder zich verder om Oldbuck te bekommeren, ging hij met zijn arbeid voort, en de oudheidkenner, wien de uitwerking der menschelijke natuur onder den invloed van ontroerende driften nooit onverschillig was, stond naast hem, stil en opmerkzaam, alsof hij de vorderingen van het werk gadesloeg. Hij merkte meer dan eens op, hoe ’s mans harde gelaatstrekken zich als door de kracht der gewoonte vertrokken, als om den klank van de zaag en den hamer met zijn welbekend neuriën of fluiten te vergezellen, en hoe dikwijls eene krampachtige, pijnlijke uitdrukking toonde, dat, eer de klanken geuit waren, eene opkomende gedachte ze onderdrukte. Eindelijk, toen hij één groot gat dicht gemaakt had en een ander begon te kalefateren, scheen hem zijn gevoel geheel en al van de noodige aandacht bij zijn werk te berooven. Het stuk hout, dat hij er op spijkeren moest, was eerst te lang; toen zaagde hij het te kort af, en koos toen weêr een ander, dat even weinig tot het doel geschikt was. Eindelijk wierp hij het hout gramstorig weg, en riep, na zijn beneveld oog met de bevende hand te hebben afgeveegd, half wanhopig uit: „Er rust een vloek op mij, of op deze oude, zwarte boot, die ik al zoo menig jaar op het strand heb gehaald en dicht gemaakt en gekalefaterd, om haar eindelijk mijn armen Steven in zee te zien werpen. Ik geef den brui van de heks!” en hij smeet den hamer tegen de schuit, alsof deze de boosaardige bewerkster van zijn ongeluk geweest ware. Toen weêr bedarende, voegde hij er bij: „En toch, wat helpt het boos op haar te zijn, die ziel noch gevoel heeft! – ofschoon ik zelf niet veel beter ben. Ze is slechts een klomp oude, verrotte planken te zamen gespijkerd, en door wind en zee gebeukt, – en ik ben een stijve kerel, zoo lang door stormen ter zee en te land geteisterd, dat ik even gevoelloos ben als de planken. Ze moet evenwel weêr dicht zijn tegen den morgenvloed; – dat is volstrekt noodzakelijk.”
Dit zeggende, ging hij zijn gereedschap bijeen zoeken, om zoo mogelijk zijn arbeid te hervatten; maar Oldbuck nam hem vriendelijk bij den arm. „Kom, kom,” zeide hij, „Saunders, dat is heden geen werk voor u! Ik zal Shavings, den timmerman, naar het strand zenden om de boot te herstellen, en hij kan zijn dagloon op mijne rekening zetten, – en gij zoudt beter doen met morgen niet uit te gaan, maar te huis te blijven, om uw huisgezin te troosten onder deze bezoeking, en de tuinman zal u wat groenten en meel van Monkbarns brengen.”
„Ik dank u, Monkbarns!” antwoordde de arme visscher; „ik ben een eenvoudig man en niet vlug in het praten. Ik had lang geleden iets meer kunnen leeren van mijne moeder; maar ik zag nooit, dat zijzelve er veel aan had; ik dank u echter. Gij waart altijd beleefd, vriendelijk en behulpzaam voor uwe buren, wat men ook zeggen mag van uwe zuinigheid; en ik heb dikwijls gezegd, in den tijd dat men het volk tegen de grooten ophitste, – ik heb dikwijls gezegd: „nooit zal iemand Monkbarns een haar krenken, zoo lang Steven en ik een vinger kunnen verroeren” – en dat zei Steven ook. En, Monkbarns, toen gij zijn hoofd in het graf legdet, (en hartelijk dank ik u voor die eer), zaagt gij den grond dicht werpen over een braven jongen, die u wel mocht lijden, ofschoon hij er niet veel praats van maakte.”
Oldbuck, wiens cynische trots bezweken was, zou niet gaarne gehoord hebben dat iemand op dat oogenblik zijne geliefkoosde grondbeginsels der Stoïcijnsche wijsbegeerte had aangehaald. De heete tranen stonden in zijne oogen, terwijl hij den vader, die nu overweldigd was door de herinnering aan de kordaatheid en de edelmoedige gevoelens van zijn zoon, dringend bad, om toch eene droefheid te matigen, die nergens toe dienen kon; terwijl hij hem bij den arm terug leidde naar zijne eigene woning, waar onzen oudheidkenner eene nieuwe ontmoeting wachtte. – Want toen hij binnentrad, was de eerste persoon, dien hij zag, lord Glenallan.
Wederzijdsche verwondering was op beider gelaat te lezen, toen zij elkander groetten, met stijve terughouding van de zijde van den heer Oldbuck, en met veel verlegenheid van die van den graaf.
„Milord Glenallan, geloof ik?” zeide Oldbuck.
„Ja, – veel veranderd sedert den tijd, toen hij u kende, mijnheer Oldbuck!”
„Mijn oogmerk is niet,” zei de oudheidkenner, „u lastig te vallen. Ik kwam alleen, om dit ongelukkig huisgezin te bezoeken.”
„En gij hebt iemand gevonden, mijnheer, die nog grooter aanspraak op uw medelijden heeft!”
„Medelijden van mij? Lord Glenallan kan mijn medelijden niet behoeven! Als Lord Glenallan dat behoefde, geloof ik, dat hij er niet licht om vragen zou!”
„Onze vroegere kennis –,” zei de graaf –
„Is van zulke oude dagteekening, Milord, – was van zoo korten duur, en ging met zulke pijnlijke omstandigheden gepaard, dat wij ons, geloof ik, kunnen verschoonen van die nu te vernieuwen!”
Met deze woorden wendde de oudheidkenner zich af en verliet de hut; maar lord Glenallan volgde hem in de vrije lucht, en, niettegenstaande een haastig, „goeden morgen, Milord!” verzocht hij hem om een kort onderhoud, en om zijn raad in eene gewichtige zaak.
„Gij zult velen vinden, die beter in staat zijn dan ik om u raad te geven, Milord, en die er zich meê zullen vereerd vinden. Ik, voor mij, ben vreemd aan alle zaken, en niet zeer geneigd om vroegere gebeurtenissen uit mijn nutteloos leven weêr op te halen; en, vergeef mij, als ik er bijvoeg, het grieft mij zeer herinnerd te worden aan een tijdstip, toen ik handelde als een dwaas, en gij, Milord, als een, –” hij brak af.
„Als een schurk, wildet gij zeggen,” voegde lord Glenallan er bij: „want in dat licht heb ik u moeten voorkomen.”
„Milord! Milord! ik begeer niet om uwe biecht aan te hooren!” riep de oudheidkenner.