De ontredderden. Eerste bundel. I en II.

Part 8

Chapter 84,189 wordsPublic domain

Ze moest lieviger, aanhaliger tegen hem zijn, èn dàt kon ze niet, de afkeer was sterker dan haar beste wil. Goed wou ze voor hem zijn, behoorlijk-goed zonder omslag, en niet meer! Zijn grimassen, als-ie half-snik, zoo lief en lekker tegen haar deed, kon ze niet uitstaan, hij leek dan meer op 'n aap als op 'n mensch,--en alles draaide daarbij in haar om. Zonde dat ze 't zei, toch 't was zoo! Ze griezelde van hem. Die afkeer was al gekomen bij 't sterven van 't eerste kind, mogelijk nog vroeger, maar toen werd ze 't gewaar. Al haar kinderen waren zwak en sukkelend geweest; niet één bleef in 't leven en dat lag, meende ze, aan hèm. Zij zelf was flink en gezond, maar hij stak in geen zuiver vel, had te veel gesjouwd voor zijn trouwen. Geen wonder, zijn vader deugde al niet, 't zat in de familie, de Ballers waren allemaal uitgaanders. Wat gaf nou die betere kom-af waarop hij zoo stofte, met een gewoon werkman, die zijn handen wist te roeren, zou ze beter zijn af geweest.... Nou bleef ze met hem opgescheept. Och ja, toen keek ze toch òp naar het bazenzoontje met z'n mooie handen, zij 'n gewoon meisje, haar vader meesterknecht. En toch... kon hij 't maar zoover brengen als haar vader. 't Zou wat, een landlooper werd-ie, geschikt voor de schans. Anders niks!

Het bitste en beet al feller in haar op. Al de ellende, de onmacht der vrouw, die van haar man niets terecht kan brengen, woelde naar boven. Hij moest noodig op haar afkomst schimpen, alsof hij zelf niet minder eraan toe was. Affijn, dat schelden deed hij ook niet meer. Maar vroeger, vroeger dan toch! Zij herinnerde zich al te best zijn hooghartig praten, zijn kleineerend zwijgen als 't haar stand betrof,--en nu hij verarmd, ook moest aanpakken, stonden zijn handen glad verkeerd.

In de wrange kamerstilte, waar het klokke-tikje rammelend de tijd aangaf en haar alléén-zijn verscherpte, verdubbelde, zag ze opnieuw zijn sloome doen van zooeven, zijn laffe vlucht, 't kwansuis op haar aanstormen, 't scharmaaien met zijn armen, 't grijpen naar zijn jas, 't bijna omvergooien van de stoel om z'n kale hoed te pakken, èn dan dat dichtsmakken van de deur. Al dat lawaai relde nog in haar ooren; ze hoorde, herzag het aldoor, hoe kon-je van zoo'n man hoûen? Gloeiend onmogelijk was dat; voor haar part brachten ze hem dood thuis; zij zou zich wel redden!

Zij schrikte van haar eigen verwensching. Als God eens strafte en 't liet gebeuren? Nee, dat wou ze niet op haar geweten hebben.

--Heere, leid ons niet in verzoeking, prevelde ze al. 't Was satan die haar bezocht en haar ziel wou bezitten. Ze wou niemands dood, ook niet van hèm!

Verward en gejaagd nam zij 't mes, sneed grof de kool verder, vergaarde de uiteengesprongen snijdsels in haar schoot, stond gerept op, om die booze, leelijke gedachten niet toe te laten; ze zou ze verdrijven en nog 'n half uurtje aan 't verstellen gaan.

Maar 't eene stuk na 't andere gleed door haar vingers, zonder dat ze de schaar erin ging zetten. 't Meeste was 't lappen niet waard, met een grove steek haalde ze de scheuren wat bij.

Wat nou nog te doen? vroeg ze zich, stug door de stilvreemde kamer loopend, als met haar zelf verlegen. O ja, de verschooning klaar leggen. Ook voor hèm. En dan een paar kousen stoppen voor haar zelf!

't Schoone goed lei gauw gereed, maar aan de kousen kon ze niet beginnen, dood-moe als ze zich voelde. Zou ze op hem blijven wachten, of naar bed gaan?

Ze meende op de trap weer gerucht te hooren. Dat kon-ie zijn, lam, dat ze nog niet in bed lag! Maar nee, gelukkig, hij was 't niet, 't ging voorbij! Hoe laat zou 't wezen? Zoo, al half één! Dat wist ze niet!

In eens kreeg ze 't koud met rillingen langs de rug. Och ja, geen vonk vuur meer in de kachel! Nee, die kousen moesten blijven liggen. Het bed stapte ze in!

III.

In 't lamplicht, bijna neergedraaid tot schemerschijn, lag de kamer nu rustig,--en zijzelf keek met strak-open oogen in afwachtend berusten.

Buiten vlaagden nog na de sneeuwige winden, die niet meer zoo fel als in de vooravond, nu en dan raaklings langs de vensters streken, er aan jokkerend rukten als in even herinneren. De poes, uitgekolderd, zocht een plaatsje op de in-d'r-haast neergekwakte rokken, die in een zwarte vracht de stoelzitting overbolden.

De stramme moeheid van haar lichaam voelde ze nu eerst goed, haar beenen zoo stijf als houten stelten, haar rug als gebroken,--en 't kwaad, broeiig hoofd, zwaar als lood, deed pijn van alle kanten. Ze wilde slapen, goed uitrusten, ze groef daarom dat hoofd diep in 't kussen, trok de dekens over de ooren. Maar de gedachten joegen, warrelden van zelf weer op. Al 't voorgevallene rammelde als een draaiend rad aldoor voor haar oogen. Nu de kamer daar zoo vredig lag, hinderde en ergerde haar de eigen opgewondenheid. De vaalbeschenen bedsteeruimte leek haar een donker gat,--en als ze de oogen sloot, zag ze weer de herrie van straks, de mizerie van zooveel jaren die nijpender werd door zijn gedurig zonder werk zijn, zijn rondslenteren. Ze moest wel zelf haar handen uitsteken, dagelijks uitwasschen-gaan, nee, ze schonken 't haar niet, de heele dag over die heete tobbe te staan en dan 's avonds haar eigen boeltje nog doen, daar viel niet mee te grappen! En van dat alles zou ze niets zeggen, als hij niet zoo 'n beroerling was, met wie ze niet eens medelijden kon hebben, omdat hij zijn onmacht, 't niet kunnen aanpakken, achter allerlei uitvluchten wegstak, nog deed alsof de schuld niet aan hem lag, maar aan het toeval, aan de omstandigheden. Hij wrokte op zijn familie, op z'n broer die niet wou helpen, alsof dat mokken en schimpen wat gaf. Als hij ronduit zei: Ik kan niet vrouw.... werk voor mij... ik ben te lam, te beroerd, dan zou ze hem de huid vol schelden, en eindigen met hem toe te geven, voor hem te zorgen, zooals je ook zorgt voor een kind, voor een hond of een kat.

Maar nou hij bij alles nog een snugger gezicht zette van wèl te kunnen, alle anderen te glad-af te wezen, de tegenspoeden als ongeluk liet doorgaan om haar de mond te snoeren, en haar verweet dat ze niet lief tegen hem deed, nee, dat liep erover heen! Zeker, als je getrouwd bent, moet je mekaar bijstaan, maar wie niet inbrengt heeft zich een beetje te schikken, hoeft niet de baas te spelen. Dat had-ie vroeger meer dan zat gedaan! Als ze in 't begin de duim wat steviger op de zak had kunnen houden, zoûen ze niet zoo zijn afgezakt. In zooverre droeg ze schuld mee. Maar ach-ach, wat kon ze in die tijd d'er an doen? Wat wist zij van z'n zaken af? Geen woord repte hij ervan, hij hield haar van alles onkundig tot ze voor 't faljiet stonden.

Een rauwe vlijme smart, de hooploosheid van nooit 't verlorene te kunnen terugwinnen, en 't besef van op straat te worden gezet, somberden in haar op, omklemden haar als met worgende handen. Ze stikte bijna in eigen radeloosheid. Er moest iets gebeuren, maar wat?.... ja wat? Haar behuilde oogen staarden wanhopig door de schemertreure kamer naar 't erbarmelijk overschot van haar eerst zoo mooie inboedeltje; dat beetje zou ook gauw versnipperd worden, als ze de woning werden uitgezet, waar dan naar toe? 't Boeltje in weer en wind op de publieke straat, misschien hier of daar in een hok, in een slop, of ergens op een zolder, als ze dat dan nog konden vinden.

Een verzet steeg in haar op. Nee-nee, dat niet, liever maakte zij zich van kant, liever de gracht in dan die schande! En o,.... als het morgen niet gebeurde, eens kwam het zeker zoover. Ze zag 't zoo vast voor haar als daar dat licht! Al kreeg-ie ook morgen werk, na korter of langer tijd liep 't weer mis. Op den duur viel er geen land met hem te bezeilen; hij deugde voor niks. En 't ergste bleef zijn aldoor-in-de-kroeg-zitten, zoogenaamd om werk op te schooieren.

Nee-nee, dat leven kon zoo niet voortgaan! Hij liet haar tobben, trok ertusschen uit. Ze moest van hem af! Een man die de kost niet verdient is geen man, is een slampamper. Voor zichzelf haalde ze haar broodje gemakkelijker dan met hèm erbij, al veel eerder had ze dat moeten bedenken!

Haar oogen staarden strak naar de neergedraaide lamp, waarvan 't licht nog zwak òplichtte, de melkige kap, in de stroeve kamerruimte zwevend als een halve, witte bol. De wind scheen te zijn gaan liggen, 't gerucht was gering; ze meende te kunnen hooren de zachtheid van de sneeuwval.

't Was werkelijk rondom stil.

De gedachte van weggaan, onmerkbaar als een zucht opgestegen, liet haar niet zoo grif los. Aldoor welden nieuwe overwegingen op; ook de bezwaren drongen zich daartusschen. Weggaan? Goed en wel, maar waar ga je dadelijk naar toe, waar kom je zoo ineens onder dak, als je geen rooie cent bezit?

Vooraf moest ze overleggen wat ze ging doen. In betrekking had-je 't wel goed. Op tijd je eten en drinken, behoorlijke ligging en verzorging, na drie maanden nog je loon erbij. Geen moeite had-je en geen krimp, maar je moest voort van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Al diende ze nooit, ze kon dat werk wel af,--en haar handen wist ze te gebruiken. Als kind ging ze op een ateljee, deed later 't huishouden van moe voor ze trouwde, dus dat zou wel kunnen. Het uit wasschen en uit strijken gaan wat ze nu moest doen had ze ook niet geleerd. Als ze eens 'n strijkerijtje opzette? voor haar zelf begon? In dat geval moest ze de meubeltjes hoûen, de kachel en de strijkbouten vooral!

Ze keek weer rond door 't zwakverlichte, schemervale vertrek, en 't omringende werd haar ineens dierbaar. 't Meeste had ze zelf gekocht. Ach, van de vroegere overdaad moest ze al zooveel van de hand doen. Maar hoe ook, 't hoorde hun beiden en niet haar alléén. Om te verkoopen of naar de lommerd te brengen, daar was-ie voor te vinden, maar om het aan haar af te staan, hoe kwam ze eraan? Ja, als ze het wist op te koopen?

Misschien als 't boeltje op straat werd gezet...? Dan kon-ie weinig rechten laten gelden. Maar daarmee had zij 't zelf nog niet in handen, eerder haalde-ie een sjacherjood erbij, dat liet zich denken, dan kon-ie de centen ervan opsteken. Ja, als ze wat achteraf had, om als 't zoover kwam 't hem af te koopen. Of die jood erop afsturen, kwansuis natuurlijk! Maar die sjachels kun-je niet vertrouwen!

Haar geest werd vindingrijk, maakte buitelingen, sluwe plannen en berekeningen, die bij nader inzien onuitvoerbaar bleken. Wat ze ook bedacht en hoe ze 't ook wou overleggen, bij alles diende ze geld te hebben. Zonder dàt dee-je gewoon niks!!

Ze moest dus eerst sparen. Maar ze kwamen al voor de huur te kort, hoe kon ze dan wegleggen? Dat was toch al gos-onmogelijk! En gesteld, dat ze elke dag wat achterhield, zou ze dat kunnen volhouden.... schraperig wegstoppen als ze honger had? Nee, dat ging niet, toch zou 't moeten....

Ze voelde haar hoofd sufzwaar worden van al dat moeizaam overleggen. Zeker? ze wou van hem af, alleen ze wist niet op welke wijze. Die huisheer bleef 't ergst, en niet gemakkelijk uitgevallen, een echte uitknijper, die op een cent dood blijft. Was ze nu maar een mooie vrouw dan kon ze hem paaien, eens lief aankijken. Daar deed-die vent veel voor, zeien ze. Maar daarvoor deugde ze heelemaal niet. Die Greet lapte 't goed, kreeg alles met een lachie en een fijn smoezie gedaan, maar zij verstond dat kunstje niet, zei alles gewoon-weg en recht-uit. Ze kon 'n kerel niet aanhalen, niet flikflooien, haar eigen man niet en een ander nog minder, je moet ervoor geboren zijn...

Haar gedachten gingen zich leggen, ongemerkt,--en haar oogen, zwaar van slaap, kon ze niet meer openhouden. Ze voelde zich indommelen. Misschien maar 't beste, morgen komt er weer 'n dag! zei ze berustend.

Het klokje sloeg. Ze schrikte op, luisterde. Eén uur.

Hij was er nog niet.... als-ie eens... als-ie eens wegbleef, niet terugkwam? Ze durfde haar gedachte bijna niet uitspreken. Een vreemde, vage jubel drong in haar op, overmeesterde haar. Niet terugkomen... wie weet?

Ze raakte ineens weer klaar wakker, zei: Nou niet slapen, opletten! Al wat ze daarnet overpeinsde gebeurde wie weet vanzelf, ze was dan vrij... om te handelen. Maar nee, er bleven bezwaren. De huisheer kwam dan bij haar, en waarvan moest ze hem betalen? Misschien gaf-ie toch uitstel, als d'er man haar liet zitten. Mogelijk, maar óók niet! Van zoo'n steggel, zoo'n penningfokker had ze niet veel te verwachten.

Haar gedachten vertroebelden weer, werden loomer, zwaarder. Ze verzette zich ertegen, wou niet aan de slaapdrang toegeven, wou wakker blijven. Maar 't ging niet; ze dommelde, dutte in.

Telkens schrikte ze even op, meende gerucht te hooren, en als ze keek zag ze 't bed nog leeg, en in 't vertrek niemand. De kansen vermeerderden, en dadelijk dacht ze weer aan wat nu 't eerste ging dringen: de huishuur. Toch maar makkelijk voor zoo'n vent om huisjes te hebben en daar geld van te kunnen trekken; dan anderen uitschelden, op straat zetten... en zelf al slapende je kostje halen! En gelijk dacht ze weer aan die elf weken ten achter. Die haalde ze nooit in... ze moest dus toch de straat-op, uit dienen... of nee, een klein hokkie huren en dan de strijkkachel mee! Haar gedachten dwarrelden weer door elkaar. Ze zou wel zien... morgen... morgen... ze kon nu niet denken... was-ie daar?

Met schrik hief ze zich op, keek met slaapoogen rond. Nee, nog altijd niet. Gelukkig!

Haar oogen sloten zich weer, ze trachtte ze nog open te knipperen, maar ze bleven toe. Die huisheer... die huisheer!

't Werd al vager en verwarder wat ze dacht en wat ze overlegde. Ze poogde nog eens de oogen te openen, dan sliep ze in, zwaar, onrustig, overzenuwd door de vermoeidheid, de afmatting na de vele opwinding.

Ze droomde gruwelijke dingen... van moorden en vervolgingen en van diep vallen in een water. Even werd ze weer wakker, schudde de nachtmerrie van zich af, maar de dwanggedachte dat ze zich moest verzetten en handelend optreden liet haar niet los. Slaap en droom verwikkelden zich, dwarrelden dooréén, werden één enkele benauwing.

Over tweeën sukkelde Baller naar huis.

Tot het sluiten toe was hij in het koffiehuis blijven plakken, meedrinkend op de reutel als er werd getrakteerd door de eigenbouwers. Hij had, wat hij noemde een snee in de neus en hij wist dat z'n vrouw dan van hem walgde en gruwde. Ze kon niet velen dat hij aan haar lijf kwam, of haar maar even aanhaalde. Hi-hi-hi, hitste hij zichzelf op, bij mij is 't net anders om, als er een glaasje inzit ben ik leutig en dan hoû ik weer van 'n vrouw.

't Was hem vanavond nog al meegeloopen. Wat zei-ie? meegeloopen... gewoon prachtig gelaveerd, werkelijk geboft! Vier revolutie-panden in het grond-papier zetten, als het teminste dooiend weer bleef, want met vriezen gaat alles stuk, 't gaf eenige weken spek in de pan, ook al moest-je-je uit de naad schrooien. Plakken, plakken, dat je gek werd van al dat gestrijk en zelf een bonk stijfsel werd! Als-ie aan 't werk dacht werd-ie alweer klein en voelde zichzelf al mierig, een echte naar beneden gezakte. Verdorie, daarmee hadden ze vroeger eens bij hem motte ankomme!... Naar de mookerhei met dat revolutiewerk, de een deed 't al minder dan de ander, enkel om aan de gang te blijven en je verdiende niet veel meer dan een schanslooper.

Maar allé, hij kon zijn vrouw toch toonen dat-ie wou en dat het niet zoo stom is in de kroeg te zitten. Als de berg niet tot je kwam, most-je wel tot de berg gaan! O zoo! Lekker zou-ie haar nou 'es troeven, nou had ze net niks te zeggen! Leutig werd-ie weer terwijl hij dat overdacht en onder het sukkel-zware loopen zijn vroolijkheid van halfdronken man weer steeg. 't Was koud en rillig, blij zou-ie wezen als-ie bij zijn vrouw onder de dekens lei.

Zou ze nog òp wezen? Liever had-ie dat niet. Al moeite genoeg zou-ie hebben zich naar boven te hijschen op die vervloekte steile trap. In 't volle licht kreeg ze 't ook al gauw in de raamstraten dat-ie een knap stuk in had, en dan gaf ze zoo op hem af.

Een huiver van genot liep hem door de leden. Hij moest juist een tikkie òp hebben, om je weet wel in de rechte stemming te wezen. De heele week heb je al mizerie genoeg, zaterdagsavond wil-je wel 'es van je vrouw profiteeren! Je bent toch niet voor niemendal getrouwd, al lijkt het er veel op!

Zich met moeite door de soppige sneeuw heen baggerend, stijf van leden, dofzwoel en toch zoo prikkelend-fel van hoofd door de vele borrels en het sukses van z'n werkoploopen, raakte hij eindelijk aan de deur en kon hij de vele treeën opklauteren. Gelukkig! net zooals hij dacht, ze lag al te bed! Had-ie wel goedgekeken, het lampje was toch neergedraaid? Mal, dat je soms aan je eigen oogen twijfelde. Geen wonder ook, want d'er zat vanavond genoeg in!

't Viel hem al moeilijker zijn evenwicht te bewaren en meermalen moest hij zich vastgrijpen aan het traptouw om niet naar beneden te tuimelen. Verdraaid, hij was verder onder zeil dan hij meende. Nou goed, lollig voelde hij zich toch, ja juist omdat-ie had gedronken, en ook dat-ie weer troeven kon met 't werk!

Eindelijk stond-ie nu boven, opende behoedzaam de deur en sloop binnen. In 't vale schijnsel van 't half neergedraaide lampje ontkleedde hij zich bedachtelijk, telkens inzichzelf grinnikend en ophikkend en toch zich weer inhoudend. Zoo stil mogelijk, hoewel niet geheel zonder stommelen, werkte hij zich in bed. En nu, na eerst even te hebben gerust, herkreeg hij de volle moed en meende zich te kunnen laten gelden. Opgehitst door de drank kwamen zijn zinnen fel in beroering, en eerst nog aarzelend, dan al gedurfder en brutaler, ging hij haar aanstooten, probeerde haar wakker te maken, gesmoord, hitsig roepend haar bij de naam.

Maar haar slaapzucht werkte al te zwaar door, zoodat ze het niet merkte en na elke vage opschrikking nog dieper indommelde. Haar nu gloeiend-warm lichaam verroerde zich niet onder zijn duwen en zijn tastelijkheden, 't lag er onbewogen onder alwat hij begeerde. Even kreunde ze 't onbewust uit als hij al te erg werd en sliep weer door, al voelde ze vaag dat er wat met haar gebeurde en waartegen ze zich moest verzetten: hij vervolgde haar, wou haar tot zijn wil hebben. Maar 't bleef alles voor haar onwezenlijk als in een droom, een zware beklemming met allerlei verschrikkingen die ze dacht te ontvluchten en waarbij ze dan stortte in een groote diepte. Tot eindelijk hij afliet en ze van niets meer wist.

Uitgeput van zijn getob, viel ook hij in slaap en snurkte zonder droomen.

IV.

Vrouw Baller, gewoon vroeg op te staan, werd ook nu tijdig wakker, suf-zwaar in haar hoofd.

De winterdag grauwde maar zwakjes door 't vertrek en in 't zwakaansluipende licht kon ze nog niet veel onderscheiden, maar een zwaar ronken steeg naast haar op en dat zei genoeg; ze rook zijn drankadem, de bedorven lucht. Was hij er dan toch weer? was hij teruggekomen zonder dat ze 't merkte of wist?--Ze begreep zoo weinig ervan, dat haar gedachten niet klaar wilden worden en ze met strakke, starre oogen zat te kijken alsof het niet waar kon wezen en ze weer droomde. 't Leek haar zoo iets onmogelijks, dat de gedachten niet werkten en ze onbewegelijk bleef zitten alsof hij werkelijk dood was.

Het zwart-baardige kleine hoofd half-weg gefrommeld in z'n armen, zoo lag hij daar als een saamgekrompen, vergoord vod, maar een dwalm van jenever steeg bij elke ademhaling uit hem op en dat herinnerde haar dat ze zich vergiste.

Walg en twijfel grepen haar aan, al haar mooie verzinsels van gisteravond, al haar verwachtingen grijnsden nu tegen haar op; ze kreeg het benard alsof ze nog onder een zware benauwing zat. Ze kon zichzelf niet gelooven, twijfelde aan haar eigen oogen. Ze moest iets doen om zich te overtuigen, haar handen uitsteken om haar geschokte zenuwen lucht te geven. Pof viel ze op hem neer, schudde hem heftig door-elkaar en schreeuwde zonder dat ze eigenlijk wist wat ze zei:

--Hè, wor 'es wakker!!!

Voor die eigen rauwe woorden schrikte ze, want ze wou hem niet wakker hebben; ze wou enkel maar weten of-ie leefde. En hij leefde! De nare dwalm sloeg weer tegen haar op. Zichzelf zag ze nu zitten recht-op in 't bed met starre oogen. Opeens kreeg ze angst, een afschuw-angst om hier naast hem te wezen in 't zelfde bed. Dat inelkaargekrompene van hem leek haar misdadig en griezelig, en dat moest ze ontloopen.

In hevige ontsteltenis en nu vol afschuw liet ze zich uit de bedstee glijden en stond op de kille kamervloer, rillend. Had ze dat vannacht dan alles maar gedroomd? Hoe zat dat, hij was toch dood... of weg, en zij vrij....? Haar oogen stijf van schrik voelde ze als bevroren; ze zou willen huilen, maar ze kon niet, ze wilde vluchten, haar voeten weigerden,--en haar gedachten stokten opnieuw. De nagels kneep ze in 't vleesch om zichzelf pijn te doen, ze durfde de handen bijna niet samenwringen, want ze moest denken, denken.

En langzamerhand werd 't haar klaar. Al wat ze eerst als zekerheid meende, en waarvoor ze nu zoo doodelijk schrikte, omdat 't anders bleek, was niet meer geweest dan een plan in de wind, een ijdele verwachting. Ze had gehoopt, gedacht, zoo sterk gewenscht, dat het haar werkelijkheid leek. Afschuwelijk.... afschuwelijk, zei ze, zichzelf voor 't magere hoofd slaande. Ze huiverde en het zweet brak haar uit naar alle kanten. Haar gezicht bedekte ze met de handen, om maar niet te zien, en staarde dan weer strak voor zich uit, vol ontzetting. Zij schold hem woedend uit zonder haar stijve lippen te bewegen.

Opeens zag ze hem moeite doen, om zich op te richten. Ze schreeuwde het uit. Maar hij plonsde weer neer, verschoof alléén, sliep nog eens in. Hij leek haar een vies beest, dat haar bed besmette, en zichzelf ondermijnde. Stil-zijn, hem laten slapen! vermaande ze zich schuw.

Sterk onderging ze de gewaarwording van afschuw, ze zou hem niet wakker kunnen zien, niet met hem kijven, zoo'n smeerpoets... zoo'n dronkelap! Hoe laat mocht-ie wel thuis zijn gekomme? Ze wist het niet. 't Zou niet vroeg zijn geweest. En opeens drong iets ontzettends tot haar door, ze zag in flauw herinneren wat er vannacht met haar gebeurde, of leek haar dat maar zoo? Haalde hij haar aan?... Had-ie niet...?

Een vermoeden van vuilheid golfde in haar op, maakte haar dol. Razernij pakte haar aan; ze wou hem op zijn magere zwarte hoofd timmeren, hem wurgen, maar nu ze bij 't bed kwam voelde ze weer trillende angst: hij mocht eens wakker worden. Nee, ze wou hem niet zien. Weg moest ze. Weg! zoo gauw mogelijk hier vandaan!

In walg duwde ze de bedsteedeuren toe om hem niet voor oogen te hebben. Huiverhaastig wreef ze zich met een natte handdoek over 't gezicht, kleedde zich in allerijl aan. De kousen waren stuk, ze had vergeten ze te stoppen, d'r kon ze niks aan doen. 't Moest maar zóó... ze moest weg.

In een oogwenk stond ze in de kleeren.

Zou ze koffie zetten?... De tong kleefde aan haar verhemelte, ze had rauwe dorst, maar nee, hij mocht eens wakker worden!

Ze sloeg een doek om...'t vodje van een hoedje had ze ook al op, moest ze nog wat anders meenemen...? Een stuk brood brokte ze onder de hand naar binnen. Ze nam een grauwe zak, stopte de kleeren en wat ondergoed erin, stopte nog wat bij, de zak nu stevig vol en bollend. Met een eindje touw bond ze toe, keek nog eens in 't rond.

De waanzinnige angst van weg te komen viel weer van haar af. Gotallemachtig, wat was 't koud. Zou ze toch nog eerst koffie zetten? Welja, 't goed stond gepakt, als-ie z'n doppen opendeed, kon ze gauw genoeg er tusschen uit. Ze zou 't hem dan ook geducht inwrijven. Waarvoor maakte zij zich bang? Bang voor hem, voor die aap? Hoe kwam ze d'eran? Nee, nee, eerst een bakkie zette....

Bedaard stak ze het petroolstel aan, zette òp de ketel waarin nog water zat van gisteren, haalde een kopje, 't builtje met koffie uit de kast, begluurde de melk, of die niet zuurde. Nee, dat ging! Ze sneed zich nog een homp brood af en kreeg ineens pret in haar vlucht. Wel mocht het hem bekomme... als-ie wakker werd.