De ontredderden. Eerste bundel. I en II.
Part 7
--Daar hei je zeker twee uur voor noodig, om die affertensie op te scharrele... of ik dat niet ken... van zes uur zit-d-ie d'er al... hà, hà, hà, treiterlachte ze.
--Ik zie 't net... da's te zegge... ik zag 't wel eerder. Niet veel bizonders... je zoekt en je zoekt honderd uit.
--In elk geval, 't is nou te laat. Ga morgen!
--Dan is 't zondag! kan ik toch niet gaan!
Ze zweeg, door zijn antwoord vastgezet, doch ze wou geen kamp geven, omdat ze z'n streken te goed kende.
Strak stond de stilte tusschen beiden in, fel vijandig. Dan zei ze scherp:
--As-je morge in de vroegte gaat, ben je frisch.
--Och mensch, lâ na'r je kijke... ze zulle me zien ankomme, op zondag!
--Ma'r 't is nou nacht.
--Nacht, nacht? wat jij nacht noemt, pas half nege!
--Nee, 't is zeker vroeg, gotallemachtig...!
--Dàt niet, ma'r... as je het nou niet eerder ziet. Wat verlet ik ermee? Niks... hebbe we 't zoo goed... kunne we wachte! is m'n gang soms 'n doktersgang?
Zij haalde de schouders minachtend op, streek door, hoorde het aan zonder hem verder te antwoorden hoe hij in een stortvloed van hakkelende, stotterende woorden, woorden zonder zin, die zich herhaalden, waarmee hij zich telkens weersprak, aanhield, zeggend, dat hij most, dat al gaf 't niks, hij 't niet mocht laten ontglippen!
Zij zweeg, streek door; en aan haar harde rug zag hij best hoe ze er over dacht. 't Prikkelde zijn verzet op. Hij moest nou doorhakken, anders kwam 't er niet van. Met een schonkig gebaar schoof hij naar de kast, om zijn jas te pakken. Maar ze was vlugger dan hij, stond oogdreigend voor hem:
--Je gaat niet, ik zèg je, je gaat níét!
Hij liet zijn jas los, die op de stoel gleed, schreeuwde dan ineens gedurfd:
--Zoo en waarom niet... ben jij soms de baas?, denk jij me te drille?
--Ik zweer je, as je gaat, gaan ik ook! Wie je terugziet, maar mijn niet, versta-je!!
--Wel-wel, wàt je meent, treiterde hij weerom, nog zoo slecht niet bedacht, denk je me daarmee te pesten, dan heb-je 't mis, glad mis! De deur staat wagewijd voor je ope, as je soms weg wilt, vergis je toch niet.
--Natuurlik, jij geeft er niet om, maar ik zweer je, dat ik 't doe.... as je 't hart hebt om uit te gaan zie je mij niet werom!
In driftige hijgadem raffelde ze door, smeet in woede de woorden hem om de ooren. Hij, in zijn kleinheid strakstijf met norsch, zwart gezicht van onwilligheid, sprak geen woord. En dat maakte haar razend. Ze smeekte, bad om te blijven, dreigde dan weer, verweet hem zijn luieren, zijn zuipen, zijn slecht behandelen, en huilsmeekte vannieuws.
Maar hij wou doorzetten, hield zich ongevoelig, zooveel voor 't een als voor 't ander. Brutaal snerpte hij:
--'t is hier geen kwestie van goed of slecht behandele, het is kwestie om werk te krijge, èn of 't nou half nege of half tien is, dat duvelt niks.... as je zonder zit, kan-je hier niet blijve hokke.... 't werk komp niet van zelf.... heb je ooit van je leve.... nou wat zeg je me daarvan?
Zoo bar mogelijk zei hij het, op ieder woord drukkend, om haar te overbluffen. Maar hoe nijdig hij zich ook hield, ze verzette geen voet, ze gaf niet toe. Hij wist, dat ze hem doorzag, voelde zich half geneigd toch weer de minste te wezen. Wat vroegen ze op de Haarlemmerdijk eigenlijk? Een aankomende bediende in een kruidenierswinkel, een halfwas, voor een vette drie gulden per week misschien.
Nu begon ze opnieuw te kijven en te smalen, haar handen melodramatisch samenwringend.
--Blijf nou thuis, dreig-smeekte ze. Late we overlegge hoe dat an moet met de huur.... late we zien 'n andere woning te krijge.
Hij schokte de schouders, onwilligde terug:
--Daar hebbe we morge alle tijd voor, nou kan ik nog probeere voor werrek, zal ook 'es naar Bouwlust gaan.
Vlijm-scherp zag ze zijn doel: het café waar de bouwers samenkwamen en ze wist al vooruit waarop dat ging uitdraaien; 't werd natuurlijk weer zwetsen en drinken! Om hem van dit plan af te houden werd ze toeschietelijker, vroeg ze bijna gedienstig:
--Wil ik koffie zette?
Baller weifelde.
De gillen en kreten der zaterdagavondventers rilden in zijn ooren, dansten er rond, lokten hem naar die drukte,--en toch, hij durfde niet best, bang voor haar groote mond. D'er zou wat zwaaien! Maar, als-ie nou niet doorzette, kreeg-ie de heele avond geen kans meer, zat-ie bakker-an. Het zichzelf opgesloten zien zitten en dan niet weg te kunnen doemde ineens voor hem op. Zijn dorstige keel schroeide saam bij de gedachte geen jenever te krijgen, en de koffie, waarnaar hij straks zelfs vroeg, proef-smakte in gedachten nu op zijn tong bitterdrabbig. Hu, net cichoreiwater! Een benauwing sloeg in hem op, doorgloeide zijn keel, steeg naar zijn klein, verweerd, zwartbaardig hoofd, dat hij opgeblazen-heet voelde worden, terwijl een koude kriebel langs zijn rug kroop.
--Nee, stootte hij uit, nee, voor mij hoef-je niet te zette... ik mot toch d'erop uit.... voor die advertentie.
Zij schokte uit haar gebogen houding op, liet het dekselplaatje van de kachel dat ze oplichtte voor de waterketel, met een klaterende rinkel terugvallen, keek hem star-stijf aan, ermee zeggend: dat gaat zóó niet mannetje!
--Ja zeker, weerbarstigde Baller. Ik mot ook zien Peters te treffe!
--Peters? smaalde ze, in haar heftigheid geen woorden vindend om op hem los te branden.
--Ja zeker Peters! bevestigde hij. Die hêt-me beloofd as de verdiepinge zoo ver benne...
--Wat verdiepinge... 't vriest toch veel te hard om te kunne plakke... ja, maak mijn dat wijs!!
--Zoo?
--'t Werk ligt stil, dat hè-je toch zellef gezeid.
--In elk geval, driftigde Baller nu, in elk geval 'k mot eruit. Denk je soms, dat ze 't op de trap komme legge?
--Zie je wel.... zie je wel.... Hij wil d'eruit.... hij wil d'eruit... naar de kroeg! Heb 'k 't niet gedacht... wist ik 't niet... geen cent thuis en toch zuipe!!
Op die smalende woorden schoot Baller ineens op, vinnig-fel, alsof-ie haar te lijf wou. Haar vellig-magere handen klauwden zich tot verweer, de deur moest ze afsluiten, zoodat-ie niet wegkon. Maar ze was bang, dat-ie haar dan van achteren zou aanpakken, dat leverde-ie meer! Haar vingers kromden zich om te nijpen en te krabben.
Baller zag haar steelsche blik naar de deur en kreeg een inval. Ja, dat kon! Met kattige drift van kleine man, die niet op kan tegen zijn grootere vrouw, stormde hij op haar toe, vooruitstootend zijn eene arm, alsof hij haar te lijf ging. Maar in plaats van dat te doen, greep hij in snelle vaart naar jas, naar hoed, rukte de deur open,--en voor ze nog eraan dacht, was hij al buiten, op 't portaal, holde de trap af, de kamerdeur met dreunend geweld vlak voor haar gezicht toeslaand.
Zij riep nog: Jan! Jan!
Hij holde door, was de onderste trap al af, buiten haar bereik. Ze stond verbluft, sprakeloos van machtelooze woede.
II.
Het felle toesmakken der deur relde en rammelde nog na door 't heele vertrek, trilde langs de kale behangselmuren, beflapperde 't wiebelend lamplicht, woedde in de potkachel, die ineens weer harder snorde. 't Scheen alle voorwerpen te omstrijken, te beroeren, omgolfde, omvatte haar zelf, als in een huig van kilheid en vrees.
De armen vielen vrouw Baller slap langs 't lijf. Ze voelde zich geslagen, al raakte hij haar met geen vinger aan. Veel streken haalde-ie uit, maar zoo brutaal als nu nog niet, dát liep er over heen!
Een krampige verontwaardiging doorschokte haar, maakte haar star en stijf. 't Was of alles door dat toeslaan der deur in onrust schommelde en bleef schommelen; ze keek ernaar met blinde oogen. Maar na een poosje haalde ze de harde schouders op, perste de lippen nog meer samen, mompelde tusschen de gesloten tanden:
--Welja, welja.... ga je gang maar... d'er kan nog meer bij; waarom niet?
Ze aanvaardde maar moeilijk 't geval, schoof met haar slofvoeten naar de kachel, zette de waterketel terzij, nam de strijkbout om met haar wasch voort te gaan. En toch, de verwarring, de ontstemming weken hiermee niet; ze kon haar aandacht niet bij 't strijken houden.
Haar vingers beefden, heel haar lichaam beefde. 't Was ook te erg! Zonder acht te geven op wat ze deed, verstapelden haar handen de hoopjes, tastte ze het goed te hoog op elkaar. Het tuimelde om, viel van de tafel. Nu moest ze het weer oprapen. Slap liet ze het koud-geworden ijzer over 't goed gaan en de handen vielen weer langs haar heen. Alles rondom bleef in beweging. 't Licht wiebelde en wipte, vlekte schaduwen op 't behang, zwartte grimmige kringels over 't plafond, beglimpte de vaasjes en gipsbeeldjes op de schoorsteenmantel, maakte ze tuiterig en scheef. Het klokje uit de guldensbazar hoorde ze onregelmatig tikken, de slinger ging slikker-de-slik, slingerde zoo vreemd, alsof 't ding eruit zou vallen. Zelfs de ruiten maakten geweld, alles leek in opstand. Natuurlijk onzin, verbeelding, dàt wist ze opperbest! Het bracht haar tóch van streek. In haar ooren bleef doordaveren 't toeslaan van de deur, zijn trapafhollen. Schrijnend voelde ze haar onmacht, de onmacht van vrouw, die voor de boel blijft zitten, en de getrapte is, ook als de man niet trapt, enkel maar wegloopt.
Zij pakte het ijzer weer aan, om door werken haar gedachten te verzetten, haar woede te temperen, maar 't lukte niet half. De punt van 't ijzer stootte door 't versleten goed heen, ze vergat de strijkzool aan te voelen, of een lap op te leggen en verschroeide een van de weinige lijfjes die ze nog bezat. Ze streek, perste, vouwde voort, en zuchtte er tusschendoor. Haar hè-hè's sneden vinnig door 't vertrek, en de tafel schokte en knerste mee in haar heftig gewerk. Ze moest zich intoomen, dàt voelde ze, ze zou maar liever de naden uithalen en gaan verstellen. Dat vlotte ook al niet best. Haar vingers glipten door 't dunne goed heen, stuk voor stuk moest ze terzij leggen, 't was of de gaten ermaar zoo invielen, geen bijhouden aan. Och ja, 't ging ook al lang genoeg mee... elf jaar... geen kleinigheid... 't beste slijt, en geweest is geweest! Wat kocht ze in al die tijd bij, een bedroefd drupje, 't meeste voor hèm. Ze deed 't nog met dezelfde hemden, dezelfde rokken van haar trouwdag af.
Haar vingers gristen weer door 'n sloop heen.
Zie in gosheerenaam toch 'es an, drifte ze, daar is geen verstellen meer an... kan je niet eens meer uitstukken, zelfs niet meer bijhalen, de voddenjood geeft geen drie kwartjes voor al wat hier ligt! Thuis hadden ze 't niet breed, maar de kast zag er toch behoorlijk uit. Hij moest noodig zeggen, dat hij haar uit een sjofele boel haalde! O! O!!
De kwaadheid, zoo lang bedwongen, ziedde, brak uit naar alle kanten. Lammeling, labberkak, die je bent, schimpte ze. Zoo'n gluiperd, zoo'n rakker, geen cent brengt-ie in en toch mot-ie naar de kroeg!... Hij werk-zoeken? Ja, dat kun-je begrijpe, veel te graag lust-ie een spatje, daar was 'et hem om te doen, of ik 't niet snapte! je zwijgt en zwijgt, doet of je 't niet merkt, om de vree te bewaren. 't Loopt toch op niks uit, een vrouw moet het altijd misgelden, maar pas op, pas op mannetje, aan alles komt 'n eind!!
Voor haar van kwaadheid vlammende oogen zag ze klaar hoe-ie daar straks zat geschonkt tegen 't gordijn, tusschen raam en kachel, alsof 't gordijn niet gauwgenoeg vuil wordt, ook zonder dat je er tegen leunt. Ze rook weer zijn adem, de dwalm van jenever, die goor-zure stinklucht, alsof je boven 'n goot lei, en ze zag vlijm hoe stommelig-onnoozel, hoe miezig hij in die krant ploeteroogde. Ze kende dat bedrijf, de krant had ze uit zijn handen moeten slaan. Ja, dat had ze moeten doen en de deur afsluiten, veel te goed was ze voor hem. Ze schold en schimpte voort, schimpte zoo heftig dat de eigen woorden haar om de ooren ketsten. Door die opdrifting aangevuurd, balde ze de vuisten, alsof-ie daar nog in 't hoekje zat en ze hem daarmee klein kon krijgen. Het strijkgoed smeet ze ruw neer, en dat viel op de grond; nu moest ze 't weer opnemen. Onmachtig zakte ze op een stoel, berstte in zenuwend huilen uit.
Een heele tijd zat ze zoo. Eerst langzaam-aan bedaarde ze, beseffend, dat ze zich van streek maakte voor niets. Wezenloos staarde ze haar vertrek in 't rond, de handen in de schoot,--en nu ineens leek 't haar zoo stil, de bewegelijkheid van straks ongemerkt vergleden. Niets bewoog zich, zelfs geen schaduw aan de wand. De lamp krinkelde rustig zijn ringen op 't plafond en van de straatventers drong geen gerucht meer door.
--Is 't dan al zoo laat? vroeg ze zich.
Ze keek naar 't klokje. Dat stond op kwart over negen. 't Tikte niet. Zeker afgeloopen, 't moest toch later zijn!
Ze draaide het kreupelpootig uurwerkje op en nu de tik weer door 't vertrek liep, verbrak dit wat de eenzaamheid, voelde ze minder de strakke, gelaten eenzelvigheid van wat rondom stond. 't Witte strijkgoed, de stapeltjes vierkant-gevouwen lakens, handdoeken, sloopen, ze grijnsden bleek op in het traag-gele lamplicht en opnieuw sufte de kamer van de stilte.
Maar nu kwam er ineens gerucht, de kat joeg met lenig-wilde sprongen door 't vertrek, dolde heen en weer in hoepelvluchten.
--Die hét ook de kolder in de kop, zeide ze, na haar heftigheid verwonderd over eigen berusting.
De kat bleef jagen.
Plots rammelden de ruiten. Een windstoot flapperde langs 't raam.
--O, is 't in die tijd... is het dat? sprak ze halfluid. Ze wist het nu. 't Werd slecht weer!
De eene vlaag na de andere joeg bollend aan, wervelde stootend uit, zwiepte weer voort. De ramen klepperden hier en daar en overal. Langs de huizen, langs goten, en hijschblokken schuurde piepknersend de wind, die een wild dier gelijk beneden door de straten ging gieren.
Onwillekeurig luisterde ze er naar. Het maakte haar bevangen-stil. Na een poosje scherpte ze zich zelf op, zei vermanend:
--Kom vooruit! wat geeft dat nou? Gauw de boel aan kant maken.... 't duurt al lang genoeg!
Ze had nog maar 't restje bonte goed na te zien, uitgestukte boezels en enkele wollen lappen, die eerst als luiers dienden; en ze pakte flink aan, om er af te komen. Maar 't zien van die vaal-roode oude luiers, stemde haar weemoedig. Ach, ach, wat maakte een vrouw niet mee, wat kreeg ze al niet te doorstaan? De kinderen, dood! Misschien maar gelukkig ook! Ze waren in de hemel beter af dan zij hier, wat moest er van zulke bloeien zijn geworden....
Al haar kwaadheid verzonk in deze overweging. 't Maakte haar tam, eenzaam-en-alleen-te-moede. Ze zag vóór zich de kinderkens, zooals ze werden geboren, zooals ze lagen in de wieg, en zooals ze de geest gaven, de oudste aan hersenziekte, de tweede aan stuipen, de derde aan de ingewanden, en nogal meer. Op één na 't jongste, een blond-bleek meisje, dat, naar ze zeien, op haar zóó leek, herzag ze 't scherpst.
Er welde een traan naar haar oog, en die drupte op haar verharde handen. Ze veegde met de handrug af, verzette zich tegen die gevoeligheid, en zei strak:
--Gekheid, wat geeft het, je moet berusten. God heeft gegeven en God heeft genomen.
Maar ze vergat te zeggen: Zijn naam zij gezegend of Zijn wil geschiede.--Ze slikte dàt in, liet erop volgen in schaamte over dit verbergen: Hij zal wel weten wat goed is voor ons, arme stervelingen!
De smart omving haar geheel: ze voelde zich klein, erg klein, en zuchtend tobde ze voort. Haar handen gingen draderig; wel tien keer streek ze 't zelfde vouwtje uit, en haar oogen staarden blind; ze vorderde weinig.
De wind schuurde nu nog ruwer langs 't raam, dat in de voegen rammel-trilde, en de windstooten deden 't gordijn bollen. Wezenloos blikte ze 't vertrek rond en zoo stond ze een poos gedachtenloos tot ze haar aandacht weer vestigde op 't rammelend raam; ze zou een spijker of 'n stukje hout als wig tusschen de sponningen duwen. Dat lawaai werd niet uit te hoûen, en het tochtte ook!
Ze rommelde in 't spijkerbusje, nam een paar vierkante nagels, dik van roest, morrelde die tusschen 't raam en de lat. Nu eerst zag ze, terwijl ze met de eene hand 't gordijn afhield, dat het behalve stormen ook nog sneeuwde.
In wilde, stuivende vluchten joegen de dunne witte vlokken schuin-zwijgend door de stratenlengte, flapperden week tegen de ruiten, smolten, dreven weg.
Ze gluurde vaag in die witte warrel naar beneden, zag eenzaam-leeg de straat, waar de venters zooeven nog opgehoopt stonden.
De ijle dwarrelsneeuw zweefde neer, kleefde, bedekte het plaveisel met een dunne drijvende laag, waarin waterig-groot de voetstappen der menschen en wagens gingen plekken, als onregelmatige slingers in elkaar geweekt.
De voldoening van rustig binnen te zitten borrelde in haar op. Hm, hm!! Lekker voor hèm, ziezoo, nou kreeg-ie ook zijn portie. Maar ineens bedacht ze met 'n schrikje, dat ze vergat in te koopen,--en voor morgen had ze niets in huis! Misschien stond er nog een vent met 'n kar, anders moest ze naar de groentewinkel, èn dat werd duur!
Met een zucht liet ze 't gordijn tegen het raam terugvallen, strikte de boezel los, nam een wollen kaper, knoopte die om de ooren. Nou moest ze d'er toch nog uit. Niet plezierig! 't Groentebakje onder de arm, zakte ze gerept de trappen af, en 't schoot haar te binnen, nu ze in 't stroeve trapdonker de treden onder haar hoorde kraken, dat hij een uurtje geleden nekbrekends er af hotste. Ze grinnikte, hij verdiende niet beter als hem wat overkwam, ze gunde hem haast een ongeluk, en toch, haar wrevel, haar grootste kwaadheid was geweken.
Ze stond nu buiten. De sneeuwwind joeg in nattige striemende vlagen en zwiepte haar venijnig in 't gezicht. Ze keerde haar hoofd om, doch ze moest, de andere kant uit, tegen de wind in. Ze strompelde voort, de handen vol omdat ze de rok moest ophouden.
Om de hoek stond nog een wagen. Zij sjokte er naar toe. 't Viel mee, een honderdste tref in zulk hondeweer! Als hij nou maar had wat haar leek! Witte kool? dat ging, en een maat aardappelen! Ze dong af óp de prijs, niet te veel. De man overvroeg niet te bar in 't striemend weer, hij wilde gauw loskomen; en ze werden 't dadelijk eens: acht cent voor de witte kool, elf cent voor de aardappels.
Haar handen dreven van de kleverige sneeuw, ze moest nog een cent van haar twee dubbeltjes terughebben, en nu ze die eindelijk had sjokte ze naar de overkant om een onsje spek en een pannebrood.
Een oogenblik dacht ze, dat Baller er aan kwam, maar ze zag verkeerd. Nee, zoo gauw verwachtte ze hem ook niet, hij zat natuurlijk in de kroeg!
Ze kledderde weer de trappen òp, de voeten nat van 't drabbig vocht,--en blij op haar kamer terug te wezen, voelde ze de huiselijkheid haar opnieuw omsluiten. Br! wat 'n weer, hij moest 't zelf weten als-ie zich een ziekte op de hals haalde! Haar bakje met inkoopen zette ze neer, droogde haar handen, die nog klef waren van de natte sneeuw. De kat streel-rugde tegen haar aan, spon om haar voeten heen,--en ze merkte danig de floeperigheid van haar natte rokken. Fluks schoof ze de bovenste uit, hing die op aan 'n spijker, en streek met haar nog aldoor klamme handen de verwaaide fletse haren uit het norsch gezicht.
Wat zou ze doen? De kool schoonmaken of koffie zetten? Nee, daar lei de waschboel nog, dat moest eerst gebeuren! Verdorie, daar kwam van avond geen einde aan. Alles door die lamme kerel!!
Zij nam hoopje voor hoopje, bergde het goed weg in de muurkast op schoone, propere kranten. Zóó opgestapeld, de gave, dikke kanten voor, toonde haar waschje nog heel wat. 't Bracht haar in betere stemming. 'n Poosje bleef ze welbehagelijk ernaar turen, maar de berg verstelgoed, die daar nog lag, maakte haar vanzelf weer korzelig. Dan schoof ze de tafelbladen in, zette zich niet te ver van 't licht, met de bak op haar schoot, en begon aan de kool.
Rondom stond het vertrek nu ganschelijk stil. Alles leek zoo strak en onbewogen als in diepe nacht. En toch was 't pas elf uur! De lamp brandde traag en wiebelde niet; geen lichtverglijdingen glipten uit, geen schaduwingen gleden langs de wand. Alles bevond zich konstant in licht en donker. De stoelen met de wit-geboende matjeszittingen reiden dáár als blanke plekken langs het schemer van de vale behangselwand; ze stonden koel-enkel op 't kale, rafelige groen- en zwartgestreept vloerkleed, dat in een zwarte grom scheen uit te vloeien. Geen gerucht sloeg meer óp van de straat, geen gil van een avondventer, geen kargeratel, zelfs geen voetgestap. 't Sneeuwig weer dempte alles. Nu en dan vlaagde nog alleen de wind met zwakke stooten, als heel van verre, wat de wakke kamerstemming nog meer verzwaarde. Alles zweeg.
De poes zocht haar plaatsje bij de kachel alweer op, lag als een glanzend kluwen in elkaar, onbewogen. In het aankante vertrek zag zij zich zelf zitten vereenzaamd, alleen. Alles zoo stil, zoo stil!
Zonder er naar te zien sneed ze de kool, en haar gedachten dwaalden overal heen. Telkens lagen haar handen in de schoot; als ze dit merkte, schokte ze weer op, werkte voort, in trage wil van arbeidsdrens.
Een harde deurdreun schrikte haar op. Zou hij 't wezen!?
Ze luisterde scherp-oorig, adem-ingehouden van vaag verlangen. Als hij 't was, zou ze geen ruzie maken, maar koffie zetten. Voetgestommel klom op, verdofte. Een sleutel knarste ergens in een slot, 'n deur knierde open, klapte toe. Nee hij was 't niet. Een van benejen!
De stilte omspon haar weer; ze sneed voort haar kool. De glad-harde schilverlingen ritsten onder 't kervend mes langs haar handen, hoopten zich saam in de bak, blank-gele bladweefsels vochtig-vast. Een wrange wasem, de geur van 't groeisel steeg er uit op, kneep vast in d'r neus. Haar oogen gingen lichtelijk wateren; telkens moest ze zich met de handpalm afvegen. Nee, nou werd ze nog melankoliek ook!
De dreunslag van iemand die thuiskwam herhaalde zich, en nog vele keeren. Ze twijfelde, hoopte dat hij 't mocht wezen, al bestond daarvoor weinig kans. Zoo onzeker voelde zij zich, dat zij niet de moeite nam koffiewater op te zetten. Vroeg zat als hij d'er was! En toch luisterde zij bij elk gerucht op de trap. Dood-moe van 'n heele dag hard werken, gestriemd door de ruzie en zijn vlucht, liet ze 't hoofd erbij hangen, peinsde ze er weer over na. Het klokketikje doorrikte de kamerruimte regelmatig, een tikkeling die zich aan niets stoort! Het leven ging door, dat voelde ze sterk, en niets komt terug. Ze meende het goed met hem, daarom haalde ze nog wel in 't fleschje, maar ze vergat hem dàt te zeggen. Een hekel had ze aan de drank. Gewoon vergift! De jenever maakte hem zoo slap en slecht. Maar als ze nu toch voor hem haalde, waarom 't hem dan niet dadelijk gezegd? Misschien was-ie dan gebleven; met 'n neutje, met 'n dubbel maatje dee je zoo veel, had ze hem gemakkelijk thuis gehouden.
De laatavondwakte van 't sneeuwig weer voelde ze door haar geprikkeldheid heen, en haar eigen verlatenheid werkte op haar in als een vreemde macht, die haar tot doordenken drong, aldoor. Haar gedachten kwamen en gingen, keerden terug naar 't zelfde punt. Ze vond hem lorrig, zichzelf niet zonder schuld, een schuld, die ze zich toch niet wilde bekennen.