De ontredderden. Eerste bundel. I en II.

Part 5

Chapter 54,200 wordsPublic domain

Ze telde haar geld, om te zien of ze nog wat over had. Ja, 't kon nog net, ze pakte een half pond Leidsche kaas, en opnieuw sappelden ze maar rond. Ze werden opzij gedrongen, drukten en duwden terug,--en slenterden weer voort. De markt nam, zoog al haar aandacht op, èn haar oogen beefden bij al die spullen.

't Gaf niet, ze had geen geld, kon toch niet meer koopen.

IV.

--Hè moe, kijk dan toch 'es, riep weer het kind.

--Wat is d'er nou weer, 'k heb overal geen oogen.

Met een stem, nu al wat schor en vergroofd, bood de bloemenman zijn laatste mandjes te koop. Zijn bleek en week-pokdalig gezicht was van al het venten rauw en rood en zijn oogen stonden waterig van de walm der petroleumlampen.

--Wie biedt er meer dan twee en twintig?... Wie meer dan vier en twintig? taterde hij met zijn heesch geluid. Hij zweeg een moment, begon opnieuw:

--Het zijne de leste, het zijne de beste! Wie geeft er meer dan zes en twintig?... Zie eens wat een kleur en zie eens wat een smaak! Je vroolijkt je heele huis ermee op en 't mooiste is: ze verdorren niet!... Ze zijne beter dan de echte, dié verleppe als je ze drie dage in water heb staan... Wie houdt er nou niet van blomme?... Blomme dat is leven, daarmee breng-je fantezie in huis, dát is weelde. Je houdt je man daarmee uit de kroeg en je kinderen stil, èn voor je zelf is het een genot voor de oogen. Je staart er 's ochtends op en je staart er 's middags op en 's avonds zie je ze alweer. Je ziet ze zelfs als je naar bed gaat en ook als je er in ligt!!... Nou hoef ik je niks meer te zeggen wat bloemen wel tot stand brengen. Even lachte hij, en ging dan voort: je droomt ervan en je maakt je man tam, want uit bed kijkt-ie op de rozen! Ik zeg--en hij verhief weer zijn lijmstem--wie niet van blomme houdt, die houdt niet van zijn man of as-ie een "hij" is, niet van zijn vrouw, die houdt niet van z'n kinderen!

Brutaal zwierde hij het groote stuk, het bebloemde schip, het schip met de zilveren zeilen en de schelle linten, ver over de toeschouwers, over de hoofden heen,--en het grelle licht uit de groote lamp, hoog aan een staak er boven, overglinsterde en overzeverde al de bonte kleuren, bescheen tegelijk zijn eigen week pokdalig martelaars-gezicht, triomfantelijk.

Nu begon hij van nieuw; en al schorder werden zijn brallende zing-geluiden.

--Ieder koopt zijn prijs, maar hier is de premie. Ieder, die koopt, en ook de laatste, krijgt-d'er een bon op toe. De laatste, dat zie je meer, die heeft geluk! Wie geeft er meer dan zes-en-twintig voor de laatsten?

Zijn kleine geniep-oogjes in 't flets-bleek gezicht keken en gluurden scherp rond, want niemand zes-en-twintig bieënd, had hij maar luk-raak uitgeschreeuwd en zelf meegeboden. Hij zou nu weer van voren-aan moeten beginnen, en om dit te voorkomen schreeuwde hij maar:

--Hier is de primie, de pri-mie!

Hij rekte dit woord primie, rekte opnieuw de woorden, en bralde:

--Wie geeft er meer dan zès-zès-èn-twintig... vooruit dan!!

Zijn weeke, brakke stem werd nu doordringend. Voor een oogenblik stond de woelige groep in spanning rond de blonde bloemenkoop. Het was of 't allen aanging wie deze laatste pot met rozen zou koopen.

--Kijk toch 'es moe, hoe mooi, riep de kleine Mies.

Vrouw De Ram zei niets terug; ze keek de verkoop eens aan. Het felle licht uit de lamp op effekt berekend brandde, glansde op de mandjes neer, en de bonte kleuren brokten bekorend voor haar oogen òp. De papieren rozen leken wel in bloei te staan.

Een oogenblik verpoosde de bloemenkoop, net lang genoeg om de omstaanders tot besluit te laten komen, nu begon hij weer, in zoowat dezelfde woorden en zei opnieuw:

--Wie niet van bloemen houdt, die houdt niet van fantezie, niet van 't leven. Hier, deuze ze verdorren en ze vergane niet... Wie biedt er meer? Zes-en-twintig is geboje!

Een stilte bleef er om de bloemenkoop, zoodat ze andere marktgeluiden feller hoorden. Een sekonde duurde 't nog, toen schreeuwde er één uit met schorre stem:

--Ja!

--Toe moe, drensde, drong aan het kind.

Vrouw De Ram vond ze zelf ook mooi, en ze bood en schreeuwde mede.

--Wie 't meeste geeft, heeft ze! schalde driest de bloemenman, erg blij los te komen; hij zwierde en zwaaide met de bloemen heen-en-weer.

Er schalden vele stemmen dooréén; ze boden tegen elkaar op, 't ging tot acht, negen-en-twintig, dertig!

--Ze zijn te geef, riep hij als in zelfmedelijden, darde nog een moment, gaf ze toen met gezicht van beklag aan de hoogste bieder.

--Hoe jammer, dreinde Mies.

--Och kind, mokte vrouw De Ram terug, zoo gaat 'et nou altijd!

Er ontstond beweging in de kijkersdrom, maar vrouw De Ram bleef nog even staan, en draalde, omdat de meesten bleven, er kon nog wat komen. En al-zijn-leven, wat zeg-je daarvan, d'er kwamen nog een paar.

--De laatsten, de állérlaatsten! riep hij schaterlachend. Het neusje van de zalm, de bloem der bloemen!!

En 't was waar, ze schenen nog mooier dan de vorigen.

De omstaanders schokten van 't lachen.

De koopman begon opnieuw en zeer krachtig:

--Wie biedt er voor, wie mot ze hebbe?

Vrouw De Ram bood ineens, driest-weg, aangetrokken door het kleurgeblaker; ze riep:

--Zeven-en-twintig...!

De bloemenkoop vond het niet geraden lang te talmen en gaf ze, na nog even hengelen. Vrouw De Ram voelde al spijt, maar Mies' oogen blonken.

V.

Nu hadden ze nog te wachten op de verloting. Warm stonden ze tegen elkaar aan, in geduldig steunen en moeizaam hangen.

Vrouw De Ram voelde zich tevree; ze was zeer in haar nopjes. Voor zeven-en-twintig cent gekregen; de vorigen waren zelfs tot drie-en-dertig opgeloopen!

Kleine Mies omknelde de kleurige potjes met haar magere armen, aan weerszijden één; ze bekeek ze vertroetelend en hield ze omvat alsof 't kindertjes waren die ze droeg. Haar open oogen snuisterden van genot over heel die papieren bloemepracht, waarop nu nog volgde de kans van winnen.

Vrouw De Ram keek ietwat stroever, het wachten duurde wel wat lang; ze dacht aan haar man die zeker mopperen zou.

--Duurt het nog lang voor de loterij begint? vroeg ze ongeduldig.

Een schouderophalen van wie rond hen stonden was het enkele antwoord. Kleine Mies keek nu ook benepen. Hoe licht de bloemen ook aantilden, af en toe moest ze wel even ze vervatten.

--Sta toch stil, gromde de moeder, al haar aandacht op de trommel gericht. Straks laat je ze nog valle!

De koopman schommelde en schudde, keek in 't rond. Hij zocht een kleine meid uit, liet dan door haar het nummer trekken.

--Met bloote armen, zie je, schalde hij, met bloote armen, terwijl hij op het schrale vlerkje klopte. 't Gaat hier net as bij de staatsloterij, zoo eerelik als goud!

't Gaf weer een oogenblik van spanning toen de bloemenkoop het papiertje aannam en het ontrolde.

--Let op, schreeuwde hij. Lèt op het springen van de lintworm. Hier is het... nu zal je 't hooren!--Het is... num-m-er,... nummer drie-en-veer'... drie-en-veertig!!

Triomfantelijk gleden zijn oogen in 't rond, ermee zeggend: Zie je wel, daar heb-je nou 't nummer!

Allen bekeken met staarzoekende blikken hun papiertjes.

--Moe, moe, dat benne wij, kraaide Mies. Ze huppelde, hinkte van pret en zong luid:

--Gewonne, gewonne!

Van geluk wilde ze wel in de handen klappen, maar dat ging niet door de potten die ze in de knuistjes had.

--Ja gerus' moe, ik weet 'et vast! kraaide ze opnieuw.

Vrouw De Ram met haar kippige oogen wat slecht van gezicht, geloofde het nog niet, vergewiste zich eerst, in alle sekurigheid. Zenuwachtig zei ze:

--Stil toch kind!

--Ja gerus' moe... ik weet 't zeker, zie dan toch, kraaide ze nog luider.

Van alle kanten kreeg vrouw De Ram een ruk en een stoot; wie niet het nummer had, vond langer-blijven onnoodig, drong haar voorbij. Maar ze liet zich niet verdringen, duwde met haar achterste terug; ze moest duidelijk zien--en nu las ze het ook, got-ja!

De koopman schreeuwde aldoor feller het nummer uit, schor, bijna heesch, en zij wrong zich nu naar voren, stak de handen op naar de bloemenmand, wilde het opgetuigde, bestrikte schip dadelijk naar haar toehalen in begeerigheid.

Maar de koopman betoonde zich niet zoo grif en toeschietelijk hield van pralen, eerst moest-ie nog 'n schoone toespraak houden voor hij 't gaf. Ze greep al weer er naar, gretig met al haar tien vingers, doch hij gaf het nog zóó niet af en begon zijn oratie.

Onwillig stond ze erbij, hoorde in 't geheel niet naar wat de koopman zei. In haar begeeren naar het eerlijk-gewonnene had ze daarvoor geen ooren. Volkomen streek het over haar heen, dat hij verzekerde de volgende week vast-en-zeker terug te komen, dat hij was de beroemde bloemenmaker, de fabrikant van kunstblommen zonder konkurentie, zonder wedergade en dat de loting met geen konkelarij of foefjes bij hem geschieden kon.

Nu liet hij het bloemstuk zakken in haar grijpende handen, en gelijk grijnsde ze voldaan, tevreden, nu ze het in haar vingers voelde, de omvangrijkheid ervan torschen kon.

Mies opgetogen, had de bloemen erbij neergezet, ze wilde meehelpen, mee-aanvatten. Ze klapte van pret in haar handen en riep in eerbied en bewondering, onafgebroken:

--Wat een pracht, wat een pracht!

--Voorzichtig, kind! zei de moeder, voorzichtig dan, je bent zoo zenuwachtig, je zou het breke!

--Wat gane we nou doen?

--Ja net.

Het werd een heel overleggen hoe dat alles thuis te brengen, dát ging niet zoo gemakkelijk.

De tasch met kruidenierswaren en de karbies met bloemkool, roode kool, savooie en bieten, 't was al niet licht, en nu moest dat groote schip nog mee. Hoe konden ze dat gedaan krijgen? Een oogenblik stond ze in beraad, terwijl Mies 't moois bevingerde. Toen wist ze het: ze plantte het eene potje met rozen voorzichtig bij de inkoopen, en dat prijkte daar nu hoog temidden van de koffie en de suiker. Ze tilde dat aan één hand en nam het andere potje in de leege arm.

Mies kreeg in beide handen het groote schip te dragen; haar kleine gezicht verschool erachter, de neus bijna ertegen aan. Door de zeilen en lintjes kon ze nauwelijks heenkijken, en ze gluurde angstig rond om niet tegen de menschen op te botsen.

De volle markt woelde en rumoerde om hun heen. Ze zoûen kreukelen die mooie bloemen, èn erg bang ervoor, gingen ze voetje voor voetje, stuwden en drongen zich voorzichtig erdoor. Met een gelukkig hart, het lichaam warm van het moeizaam dragen, zwoegden ze door de volte van de markt, puffend onder de onhandigheid van de last, en maar wat blij toen ze eindelijk uit 't gedrang geraakten en op vrijer wegen beter uit de voeten konden komen.

--Wat zal vâ in zijn nopjes weze! gierde Mies luid-uit. Ze zag al die kleurige pracht in hun kale kamer, terwijl nog al de schoone woorden van de bloemenkoop in haar ooren tuitten.

--'t Is een pronkstuk, gaf vrouw De Ram gewillig toe. Ze liep zoo vlug als 't maar even ging, zoodat 't kind met haar korte beentjes haar haast niet bijhouden kon. Aldoor gilden nog de venters hun waren uit met ruwe brutaal-aanprijzende stemmen; ze wiekten zwierig de lenige armen scharmaaiend over hun platte karren en schreeuwden vannieuws.

Vrouw De Ram en Mies keken niet ernaar; ze hoorden 't zelfs niet meer, ze hadden nu meer dan genoeg en trokken door, een weinig verlegen met hun schat en toch weer trotsch erop. Ze hielden de bloemen wat achteraf en lieten ze toch weer half-opzettelijk zien in allervreemdste beroering over dat onverwachte van het buitenkansje.

Nu raakten ze toch uit de drukte, en de straten leken ineens weer breed zoodat ze heel gemakkelijk gingen. Maar nu waren ze ook thuis en ze slopen als in geheim naar binnen, stommelend daarna zwaar de trappen op.

't Gaf een heel gesjouw voor ze alles boven hadden, want 't kon niet ineens. Wel drie keer moesten ze rusten. Bij 't laatste bordes zette vrouw De Ram haar vracht even neer, nam het bloemschip van Mies over, bracht dat 't eerst naar boven, plaatste het daar zoolang tegen de muur, om de andere dingen te halen.

Mies kwam haar al achterop en reikte de potten met papieren bloemen aan, en nu ze alles boven op 't portaal hadden staan, pakten ze alles saam.

Hijgend en blazend sjokten, sleepten ze de bloemenschat met de kool en de grutterswaren de kamer binnen.

VI.

De man, zijn leege koffiekop voor hem op tafel, zette vreemdige oogen op, schampte dan norsch:

--Wat zijn dat voor vodden, waar haal je me die vandaan?

--Gewonne, vâ, gewonne! kraaide het kind. Dat hêt moe allemaal getrokken!

--Hum, gewonne? vroeg hij scherp en smalend.

Er suisde een oogenblik nijdige stilte,--en hij herhaalde weer schampend:

--Gewonne!? Kan je 't geld niet anders 'an, mot dat zoo besteed worde?

De vrouw zette de handen in de zij, keek hem tartend aan, zei nog een cent liegend:

--Nou maak maar zoo'n drukkie niet. 't Is heelemaal zes-en-twintig cente... wat wou je d'ervan...?

Meteen keerde ze hem de rug toe, ging minachtend naar het penantkastje, om daar ruimte te maken.

Mies nog altijd opgewonden tilde het bloemschip bijna boven haar macht op tafel, waar het nu schel praalde vlak voor haar vader's oogen.

--Zes-en-twintig cent, ratelde hij fel, is dat soms geen geld? Zes-en-twintig...! Ga je gang maar. Jij geeft uit en ik zit zonder werk!

Alsof ze onverwacht werd aangevallen, zoo rap keerde ze zich weer om.

--Wat zè-je?... Zonder verrek? hijgde ze.

--Ja, venavend gedaan gekrege, zei hij treiterend, èn jij geeft maar uit voor prulle!

--Dat had je dan wel eerder kunne zegge, nijdigde ze terug, nu vijandig.

--Kunne zegge, kunne zegge? Je koop' maar en vraagt nooit waar 't geld vandaan mot komme...

In zijn verbeten woede sloeg hij zijn hand uit, en met een felle smak smeet hij 't bloemstuk rits van de tafel.

--Wel zeker, wél zékér, wreek je daar maar op, rumoerde ze, niet dadelijk wetend of ze zich te keer moest stellen of zich inbinden. Met giftig-kwade oogen bleef ze te midden der kamer staan, haar wenkbrauwen hoog opgetrokken.

't Kind durfde evenmin nader komen, en het bloemschip bleef daar liggen, een smalende vlak tusschen hun drieën in.

--Hè vâ, zei kleine Mies schuchter, hè vâ, wat doet u nou, 't is zoo mooi!

Ze hurkte bij het schip neer, zette het met bevende vingers overeind en schikte, plooide en streek de papieren zeilen weer uit de kreuken.

--Geef hier! norschte vrouw De Ram, kwaad en geprikkeld. Geef hier! Ze nam het ding uit haar handen, kwakte het neer op de vrijgemaakte plaats van het penantkastje. Vernederend keerde ze hem opnieuw haar breede rug toe.

Het kind, angstig-verwonderd, blikte nu eens naar vader, dan naar moeder, durfde niets zeggen, bang voor het moois, dat het zou moeten ontgelden.

De vrouw zweeg en de man zweeg, een zwijgen dat tusschen tweeën als een muur dáár stond. Haar oogen giftigden, al zei ze niets. En hij hield zich woest, omdat het moest. Maar langzamerhand innerlijk verlicht en ontlast, nu hij gelukkig eruit had gesmakt dat hij zonder werk geraakte, kromp zijn nijd, die eigenlijk angst was, en hij wilde het weer goed maken. Doch dat lukte niet, de stilte bleef pijnlijk tusschen hen in, star.

Buiten gilden nog de laatste verkoopers. Hun stemgeluid, nu ijler en scherper omdat het straatgeweld rondom ging versterven, werd doordringender.

Dat enkele schreeuwgeluid van rooiekool, van savooie kool en van lekkere haring, klonk brutaal en hard naar hen op, alsof er niets zachts en weeks bestond.

Vrouw De Ram liep mopperend rond, snauwde plots:

--Allé Mies, vooruit naar bed! Ze wilde een uitweg hebben voor haar ontstemming, want ze besefte dat onder deze omstandigheden 't geld voor de bloemen onnut uitgegeven was, zoo goed als weggeworpen. Ze pakte stil haar inkoopen uit de tasch, zocht wat in 't ronde en ging toen aan haar zaterdagavondwerk. Hoonend liet ze 't geld op tafel liggen en ze hielp Mies, die zich vlug ontkleedde, te bed; ze wilde haar wrevel niet laten blijken en kon die toch niet verbergen.

En hij voelde zich niet minder lam. 't Bleef tusschen hen een naargeestig zwijgen, dat eerder treiteren werd dan schuldbekennen.

Eindelijk stond hij norsch op, bromde tusschen zijn tanden, dat-ie nog even uitging op werk.

--Ik zal 'es kijken bij Adrian, zei hij rauw, misschien kan die nog een mannetje hebben, maar veel kans is d'er niet.

Ze gaf zelfs geen adem terug en werkte door. Heel-goed wist ze dat-ie nou een borrel zou gaan pakken, maar och dat kon haar niet schelen. Blij voelde ze zich als-ie een oogenblik wegtrok en haar aan d'er zelf overliet. Voor hij weerom kon wezen zou ze wel zorgen d'erin te liggen, om alle verdere kwestie te mijden.

--Ziet u nou wel moe... hep ik 't u niet gezegd van vâ, babbelde Mies.

--Ja-ja, ga maar slapen, 't is al ellendig genog.

Een poos zweeg Mies. Toen babbelde het vroeg-rijpe kind weer:

--Waar is Anne toch, wat doet die zoo laat?

--Ze komt zóó... kakel niet!

Ze deed de deuren van de kamerbedstee toe, om haar 't verdere spreken te beletten, en ze zette zich aan tafel, de magere werkhanden lusteloos in haar schoot. Dat was al de derde keer van 't jaar, dat hij buiten verdienste raakte, en nu tegen de winter, waar moest dat naar toe?

VII.

Een tijd zat ze zoo. Toen hoorde ze de kruk omdraaien. Zou hij 't al zijn? O nee, 't was Anne! Wacht, die zou ze 'es helpe!

't Kind schoof verlegen binnen, magerzwart en knokig opgeschoten, schuw alsof ze hier kwam in een vreemd huis.

--Waar kom jij vandaan, sliert die je bent! kreet ze rauw.

--Van tante.

--Van tante... zoo laat nog... Maak dat je straatmeide wijs, maar mij niet!

--Nou, u kunt het navrage!

--Dat za'k wel doen ook!

--U mag 't doen, dat zei ik toch!

--Toe, maak maar voort... naar je bed! As je vader thuis kome, zwaait er wat... hij is zonder werk, as je dat maar weet!

Het meisje trok een benauwd gezicht, schopte dan zonder een woord te zeggen haar groote schoenen uit, liet snel de kleerenvracht zakken, schoof zich de bedstee in naast Mies. Bang voor moeder, vroeg ze fluisterend wat er nu weer was aan de hand.

--Zorg maar voor een dienst, kriegelde vrouw De Ram. Nou je vader zonder is kunne we je maar zóó niet de kost geve voor niks!

--Ik wil wel, hep toch geen kleere! huilde Anne terug.

--Hou je mond!

Anne snikte zacht, omdat ze bij moeder geen goeds kon doen. Mies troostte wat en werd snibbig toen het niet hielp.

Vrouw De Ram zuchtte.

Daar lag nu weer voor haar de moeielijkheid, heel de toekomst zwart en donker. Had Arie nog maar een paar weken werk gehouden, dan zou ze iets voor Anne hebben kunnen koopen. Nou viel er geen denken aan in d'eerste tijd. 't Moest alles weer van haar enkele stuivers daags komen, en als zij uit schoonmaken ging, kon 't niet anders of het kind diende thuis te blijven om het werk af te doen!

VIII.

De late zaterdagavonddrukte was ingekrompen en de straat en ook het huis met zijn wit-gekalkte, zwart-beteerde gangen, werd weer doods en stil. Nu en dan klonk ergens een kreet òp of een ver gerucht suisde door de avondleegte. De ellende die ze aanstaande zag viel nu-al als een steen op haar neer. In de wrakke stilte, gekomen na 't fel rumoer, voelde ze zwaar de zwarte eenzaamheid om haar heen.

Wat moest er van Anne worden? zoo ging het door haar hoofd. Vroeger bestonden er nog mevrouwen die de meiden in de kleeren staken en voorschot gaven op de dienst. Maar kom daar nou eens om, een kind moest dadelijk al van onder tot boven in de goede spullen zitten, en waar haalde je dat vandaan? Zonder werk, zonder werk!... Zoo ging het een geheel jaar door! Als ze even op streek raakte, was het al weer gedaan; je kon nooit op de dag van morgen bouwen, ach, gottegot! Dof peinsde ze zich, ze zag geen uitkomst. Alles, alles bleef zwart!

Dan hoorde ze weer gerucht, voetgeschoffel aan de deur. O, hij was d'eral! Zoo vroeg...? Ze dook haar hoofd weg in 't kussen, hield zich of ze sliep. Haar hoofd werd er nog te klaarder door.

Onhandig stommelde de man in 't vertrek wat rond, kwam ook in bed,--en met de rug naar elkaar toe, nog meer van elkaar vervreemdend in de nijdigheid van onmacht, waaraan niets te veranderen viel, hokten beider gedachten vast op dat ééne: 't zonder verdienste zijn. Ontredderd leien ze neer als onder een zware klauw. Zij slikte haar zuchten in, hij steunde luid.

Telkens raakte hij zonder werk. Dit lag aan 't vak, ook wel aan hem; anderen bleven langer aan de slag, hij was de minste, de wrakste, werd het eerst eruit geschoven, omdat, àl sjouwde hij even hard, toch minder flink aanpakken kon, verzwakt, ontvleescht voor zijn tijd door al dat ploeteren op werven, ver boven zijn macht.

Hij voelde en wist, dat hij altijd 't eerst van allen gedaan kreeg, voelde dat zijn vrouw dit niet kon ontgaan, waaruit volgde dat hij in haar oogen een slampamper werd, een vent van niks. Dat ergerde hem 't meest. Ze had het hem nog niet verweten, nee dat moest ze ook eens lappen. Om dat te voorkomen speelde hij altijd zoo geweldig òp, hield de schrik erin. Maar dit nam weer niet weg dat ze toch wel begreep waar het hem zat, uit al haar doen en laten, merkte hij het best. Ook al zou zij 't zelf gemeen vinden het te zeggen, ze kon toch niet verhelpen, dat ze 't wel eens liet blijken; uit het zwijgen dan 't meest.

Was 'k maar goed-en-wel uit m'n leven dacht hij; maar de kinderen dan? Hij kon de slaap niet pakken en woelde grimmig rond.

De vrouw lag stil, terwijl zij wrokkig er over nadacht, haar arm hoofd plagend hoe aan kleeren te komen voor Anne. Dat 't kind in geen betrekking kon was toch voor haar het ergste, want nu groeide ze op als rapalje, kwam niets van haar terecht.

IX.

Doods en stil bleef 's morgens het groote huis met zijn zestien schelknoppen die nooit werden gebruikt. Vrouw De Ram, al vroeg op, liep zuchtend rond. Ze zou ze nog maar wat laten liggen, de dag duurde lang genoeg en zondags wat deden ze dan in de kou. Ze zag de vrede alom en 't was of de geur van allen die in welstand waren haar in de neus vastzoog.

Er werd zacht op de deur geklopt en 't hoofd van een buurvrouw stak door de kier.

--Ben je al òp? zei die fluisterend. Nou, bij mij is 't ook wat moois. Hij is gisteravond zonder werrek gekomme.

--O bij mij van 't zelfde laken 'n pak, spreek maar niet ervan.

Ze keken elkaar aan met oogen als van angstige dieren die werden vervolgd en vooraf weten dat er geen ontkomen is.

--Nou, dan gaan ik maar... 't ergste is, dat je hier in huis 't niet eens mag zegge, anders mot je eruit, en ergens anders heb je nog meer te dokke.

Vrouw De Ram sprak eerst geen woord.

--We zijn geloof 'k de eenigen hier, zei ze dan.

--Dat mot je niet denke, dat lijkt maar zoo--wij wete 't nou van mekaar, wat wete we van de rest?

Vrouw De Ram knikte maar weer en de buurvrouw schoof heen.

Mies, nu ook wakker geworden, kwam eruit en kuste haar moeder. Anne, de grootste, keerde zich nog eens om, en De Ram zelf kneep de oogen toe en hield zich koest. Waarvoor moest-ie d'eruit komen? Om naar de kerk te gaan, een mooi ding, als je niet te eten hebt. Norsch schoof hij zich onder de dekens en pijnigde zijn arm hoofd.

--Mot je niet bidde, zei vrouw De Ram tegen Mies.

--Ja moe; zoo dalik... waarvoor zal ik bidde...? Dàt vader weer gauw werk krijgt? vroeg ze peinzend na een oogenblik.

Vrouw De Ram kneep de wenkbrauwen samen, haalde netelig de schouders op, en zei dan:

--Ja kind, bid jij maar, misschien verhoord Ons Lieve Heer jou wel, voor ons bestaat hij allang niet meer!

Ze zonk op de stoel neer en hield de schort voor d' oogen. In de bedstee bewoog zich niets. Anne en haar vader lagen bewegingloos en luisterden, de oogen strak onder de dekens.

Dan prevelden luid de schuldelooze kinderlippen: Geef ons heden ons dagelijksch brood en vergeef ons onze schulden gelijk wij vergeven onze schuldenaren...

Van beneden uit de straat bulderde op een zware vloek, twee mannen die aan 't vechten waren, omdat de een de ander had onderkropen. Hun verwenschingen rauwden door 't: "Geef ons heden ons dagelijksch brood."

Stil stond het huis, onaandoenlijk.

AFGEZAKT.

I.

Stil stond de kamer.

Een vijandige stemming hing er dik en maakte alles grauw.