De ontredderden. Eerste bundel. I en II.

Part 4

Chapter 44,011 wordsPublic domain

Dof-zwaar stond hij te lodder-kijken met uitpuilende oogen, en die oogen dwaalden doelloos rond alsof ze niet van hem waren. Verdwaasd keek hij zonder dat hij wist waarom naar de dochter, die ijverig in het vuur pookte, dan weer in de pot roerde en de etenspot deed opstoomen met geurende soepwasem, die begeerig in zijn neus opzoog en zijn kil-geworden hoofd verwarmde. Hij kon zich maar geen begrip vormen wat hij eigenlijk wel zou moeten aanvangen, als ze hem hier gingen uitstooten. Door het zwervend leven geheel ontwend aan regelmatig werken, voelde hij een angst om weer in 't ordelijke terug te moeten, en juist dat onregelmatig, vreemde gewerk aan wagen of schiettent leek hem zelf wel passend bij zijn klein verstand en zijn onbehendige handen. Zou hij hier nou werkelijk weg moeten, 't leek hem haast onmogelijk. Een scherp en klaar besef van de toestand drong nog niet tot hem door.

Daar buiten hing de grijze sneeuwlucht zoo zwaar-hangend, zoo kil en klam--en het dorre veld er onder lag eindeloos uitgestrekt. Aan de andere kant, wist hij de onbekende stad, die daar grolde als een wild beest. Hier in de lage wagen was het teminste warm, de warmte die hij voelde, en die hem ook nog merkbaarder werd in de wasem, waarmee de kleine vensters aansloegen tot dof-wordens toe.--En 'n zelfde klamheid en luwte droop en druilde op hem neer, 't scheen wel, alsof het vocht der ramen dat langs de venstertjes riggelde uit tranen bestond die van hem zelf waren.

Dof voelde hij op zich drukken de zwaarte van zijn onbeholpenheid, de pijnlijkheid van zijn toestand; de twijfel van het niet weten waar heen hij kon versufte en kwelde hem nog meer. In nu toch wel scherpere lijnen zag hij zijn toestand, zag hij ook als in een droom dat moeilijke beest van de vreemde stad met scherpe, nijdige nagels op hem afkomend, slaande venijnig hem in zijn vleesch. Lamlendig bleef hij tegen de deurpost leunen, de verwezen oogen dwalend over de wasemende soeppot, waarin de handen der dochter vlijtig de lepel roerde. Zijn oogen keken al maar door naar 't zelfde punt, zagen hoe haar handen een bord volschepten, zonder te merken dat hij 't zag, geheel weg in zijn dof en star kijken. 't Ontging hem gansch wat er gebeurde. Wezenloos bleef hij staren alsof er niets anders rondom hem bestond, tot hij in-eens weer tot bewustheid werd opgebeld door haar grofluide stem:

--Toe pak an Kees, mot je nog treuzelen ook! schreeuwde ze.

Verschrikt en van zijn stuk gebracht door haar uitroep, greep hij met beide handen tegelijk, greep naar het bord, maar o wee, de onvaste vingers gleden over de rand heen en kwamen terecht in de warme soep.

--Ai, zei-ie, geheel verbouwereerd.

Keesie zag haar vertoornd gezicht; zijn oogen smeekte om vergeving. Dan kwakkelde hij met het volle bord terug naar de bank, die aan de wagenwand zat geklampt en zette het neer op de rand van de smalle tafel. Zijn hoofd diep er overheen, begon hij langzaam te lepelen, nog niet wetend of hij zich gelukkig moest voelen met dat toegeworpen eten of dat het wellicht zijn galgemaal zou wezen? Weer teruggetrokken tot het besef van weg-te-moeten geraakte hij weer aan het denken, al tragelijker lepelend. Er ging langzaam en veel in hem om. Onder de milde soepwasem groeide aan de botte starheid van daar straks tot bewustwilligheid. Het onbedachtzame niet-wegwillen, verscherpte in hem, en dat groeide samen tot welbewuste strakheid. Hij geraakte zoo moeilijk tot een besluit, maar nu 't er was beteekende dit besluit koppigheid: ze konden zeggen en doen wat ze woûen, hij zou blijven. Hij trok er niet uit, zelfs niet als ze grof en onwillig hem koejeneerden; hij zou terug komen, ook als ze hem er uittrapten.

Hij herinnerde zich een voorval uit zijn leven, dat toen sterke indruk op hem had gemaakt, het geval van Juno, zijn hond, dat grauw-gore beest, twintig keer door hem aan buren weggegeven, en die toch telkens terugkwam, de hond die hij eruit ranselde en die weer terugkroop, aldoor terug, tot hij hem wel met rust moest laten. In zijn eigen hulpeloosheid zag hij voor zich die hond, de smeekoogen van Juno--en nu opnieuw en nog sterker en doordringender de gedweeë blik van die aldoor-in-huis kruipende hond voor zich halend, nam hij zich voor dit voorbeeld te volgen en evenzoo te handelen. Ja, dat was de manier, dan zoûen ze hem wel moeten hoûen!

In zijn besluit nu zichzelf steviger voelend, begon hij, diep over zijn bord gebogen, met meer besef van genot te eten, zichzelf vaster zettend in dat denk-weten, al maar doorlepelend, tot hij krassend de bodem beschraapte.

--Hè, geef toch op je bord Kees, klak niet zoo! vermaande de dochter.

Keesie schrikte dadelijk ervan op en werd vuurrood, alsof hij een misdaad had begaan.

De moeder, die nog aldoor bij haar mand met naaiwerk zat, zuchtte eens; ze begreep heel best hoe het zou loopen, zei hoofdschuddend:

--We komme niet van hem af, help mij 'es toezien, de heele winter blijve we met 'em opgescheept. Dat heb-je er nou van as je te goed voor ze bent.

Keesie deed of hij 't niet hoorde, maar diep-in grinnikte 't in hem vàn genot over die uitval, die zoo goed aangaf en geheel overeenstemde met 't geen hij bij zichzelf had voorgenomen.

--Hei, Kees, hei help 'es, hier an die stang! riep de baas van buiten, die daar aan 't rondscharrelen het voorval al was vergeten.

En Keesie, in plotse schrik-vreugde dat hij weer van dienst kon wezen, liet de lepel in 't bord terugvallen, haastte zich naar buiten, nu heelemaal van zichzelf zeker, dat ze hem er niet uit kregen. Hij zou hier best blijven hangen, als hij maar deed gelijk die hond die niet weg wou en als ze hem d'er uitjoegen telkens terugkwam.

'T ONVERWACHTE.

I.

Het dorre, onaandoenlijk huis, een nieuwestads-kazerne met altijd openstaande deur en zestien schelknoppen aan weerszijden op een rijtje, herleefde in zaterdagavonddrukte, die ook sterk merkbaar werd op straat door 't aangehots van schokkende handwagens, voortgeduwd door lenige kerels, die onder geknars en wielgeratel door, hun waren aanprezen.

Van de witgeboende trappen repten en tripten de vrouwen om inkoopen te doen, lichtlijk latend meeschommelen aan de magere werkarmen de leege hengselmandjes en karbiezen; in de proper-gewasschen gezichten een glanzend-tevreden straling door 't binnengebrachte geld, en óók de ernstige peinzing van voor-af moeten rekenen, om niet teveel uit te geven, alléén maar te nemen het éérstnoodige.

Mannen brokten stug de trappen òp in haastig gestommel van de ongemakkelijke schoenen tegen de stoottreden, toch bewust neerzettend de loodlogge voeten, ze stevig opklotsend zelfs door het besef van geld in hun zak, of ook wel stil-stappend, de gezichten vreugdig om te verrassen. Ze klakten gelijk-met-de-deur de kamer binnen, de deur die ze rap openden met een krak en met 'n flap weer achter zich toe trokken. Overal op de kale trappen en bordessen en in de holle gangen trippelden, trappelden de kinderen, die de moeders hielpen bij het aansleepen--en heel het huiskarkas met zijn zestien schelknoppen, aanduidend het aantal gezinnen dat er woonde, relde en rammelde in 't vlot en opgewekt beweeg.

Heel de week, en ook zelfs zondagsmiddags als de straat uit kuieren ging, was er alles stil, leek het egale kleurlooze gebouw met zijn rijen gelijke vensters en zijn vroeg-doorweerde, verflooze gevel één enkele starre eenzaamheid, dor, doods en klam. Er mochten bewoners de trap opgaan, de trap afkomen, de kamerdeur openen en toeslaan, dit veranderde niets aan het aspekt, gaf zelfs geen leven aan de steeds-geboende trappen, vreugdeloos-krakend in haar ontijdige gesletenheid. Leeg bleven de wit-gekalkte, van onder zwart-beteerde gangen, waar het zonlicht neerdroop als in een naakt klooster kaal en kuisch, en waarop de kamers vier-aan-vier uitmondden, met onder en boven weer een gelijk aantal vertrekken, een kwadrate optasting en naast-elkaar-zetting van de zestien woongedeelten. Die naakte wit- en zwart bekalkt-beteerde gangen stonden er hol en brak, scheidingen niemand toebehoorend. In deze grauwe ophooping, het levenloos geraster, de huurkazerne van een maatschappij voor goedkoope woningen, waarvoor je nog maar wàt soliede en degelijk moest staan aangeschreven, met liefst aldoor vast werk, om er voor in aanmerking te komen als huurder, viel al 't daagsch gestommel dadelijk weg zonder gerucht, omdat ieder zich terugtrok achter zijn deur, in zijn eigen vertrek, kamer met alkoof en keuken. De zestien schelknoppen aan de deur, bij het bouwen aangebracht, doch niet onderhouden, zaten daar eigenlijk ook voor niemendal, de meesten ervan allang stukgetrokken, anderen verroest en knarserig door het weinig gebruik. Want wie er kwam, wist wel waar hij moest wezen, klom parmantig op, klopte maar ergens aan als hij zich vergiste, en ze zeien dan wel: één, twee, drie of vierhoog, vóór, achter, links of rechts. Voor de bewoners waren die schelknoppen in 't geheel niet noodig. De buitenpoort stond altijd open, overdag en 's avonds wagewijd, 's nachts op een kiertje, want van de vele trappen, uit de leege gangen, viel niets weg te halen, ieder sloot van binnen voor de sekurigheid wel af, en waar geen bel ooit klingelde, bleef het stil en doods. Alleen 's zaterdags, als de mannen te wachten waren met het loon, verkeerde het, ontstond er bedrijvigheid, kwam er kleur en leven.

Van morgen begon het al vroeg.

Zoowat allen tegelijk kwamen de vrouwen aan de deuren volgeladen met kleedjes, matten en karpetten, om elkaar te helpen kloppen en bij te staan.

De haardasch, de afval vergaard in potten en emmers zonder deksel, vloog naar buiten, en de wind joeg de smurrie over de gore straat met zijn hooge maatschappij-huizen; de trieste straat ineens kleurig en rel in het bezig schelle vrouwgekledder.

Dat buiten-werken gebeurde evengoed in de week, eigenlijk wel elke morgen, doch niet zoo algemeen en niet zoo geducht. Het ging dan meer ieder voor zich, iedere buur zichzelf reddend, reppend, flap-flap de kleedjes uitslaand, zonder veel praten, om maar weer gauw binnen te komen, maar op zaterdagmorgen spatte de werkbui eerst ongedwongen uit. De mouwen opgestroopt, de magere werkarmen tot de elleboog bloot, de rokken opgeschort, nauw om de spichte beenen als verfonfaaide drapeering, snaterden en snebberden ze elkaar de ooren doof, hangend met de schrale lijven aan de deurstijlen, tijdverkwistend, zich dan weer haastend om voort te komen. Ruw en ongesjeneerd kwakten ze neer de vuilnisbakken, onbekommerd of er wat over stortte. De todden, de vodden, de spaanders en papieren waaiden met de asch óp, dwarrelend in 't gelle van de grauwe straat, waar de aschman dubbel te doen kreeg om dat alles te vergaren.

Heel de morgen lang jelde en kletterde het anders zoo doffe huis in de rammelgeluiden van emmer, blik en stoffer, beefden de trappen onder het gebons van vaten en teilen, onder al het heen en weer geslobber van niets ontziende voeten.

's Middags veranderde het weer, dan leek 't ineens gedaan. Ze plasten, ploeterden, boenden binnen, om toch maar snel de boel aan kant te krijgen, dán raakte ook de opstapeling woningen, ondanks het gesloof en gezwoeg in de kamers, weer tot haar gewone rust, een bedarende-neerzakkende, armelijke stilte, die de gangen, de trappen opnieuw liet schimmen in eigen leegte.

De straat strekte zich evenzeer in geduldig en toonloos zwijgen. Alleen lagen er nog de resten van papieren, de snippers, de schillen tusschen de verwaaide asch, en die lebberden voort, wijl de groote aschkar zich daarmee niet bemoeide, alleen maar nam wat in bakken stond--en de geheele straat van gevangenishuizen, al fleurde er ook hier en daar een bloem brutaal over sjofel hekje naast goor waschgoed, wat nog drogen moest als verschooning voor zondag, leek wèl een uitééngewaaide mesthoop, wat zóó bleef tot het mannetje met de handwagen kwam, dat alles bijveegde en geduldig opschepte.

Nu, tegen de avond, terwijl de venters hunne waren uitschreeuwden, kwam beweging in de kale gangen, gedribbel op de trappen.

Dat de mannen al niet met langzame en moeë voeten als in de week, naar boven sjokten, ook niet zoo onverschillig en slap wegglipten in hun deur, maar flink en stevig stapten, met zware passen die vooraf met hun komst lieten weten dat ze wat inbrachten, maakte al het verschil. Ze werden nu niet opgeslorpt door het huis, doch stommelden het zelf in rep-en-roer,--en al heel gauw erop kwam dan de vrouw naar buiten om 't ontvangen geld te besteden, terug te sjokken met vleesch en met grutten, inkoop voor vele dagen, de man zich nu wasschend en poetsend, de bizondere beurt van de zaterdagavond.

Alles veranderde als in een tooverdroom. Het dorre en onaandoenlijke van een geheele werkweek verdween, kreeg eigen leven, en de kamergeruchten vermengden zich met de straatgeluiden.

Langs de trappen, in de gangen, ging het heen en weer. Deuren kierden open, klapten toe en op alle gezichten lag de bereddering, de drukte van het versche geld. 't Gaf behagelijkheid, wat op bevrediging leek, maar ook als er aan 't loon ontbrak of de man niet genoeg binnenbracht om de week door te komen, grove woorden.

II.

Stroef en in-zichzelf gekeerd, schoof Arie de Ram binnen, vier-hoog, links-achter.

--Genavend!

Grimmig liet hij zich op zijn vaste plaats bij 't raam neerzakken, keek dwalend rond, de oogen terneergenepen, heel zijn gezicht norsch en onwillig.

--Is d'er koffie? vroeg hij, zonder zijn blik te veranderen.

De vrouw hield even op met stoelen boenen, deed alsof ze hem nu pas zag:

--O, bè je daar? O!! Je schijnt weer niet in je hum te weze?

--Waar is Anne?

--Weet ik 'et!

--Zeker, weer de hurt op!

--Wat heb jij 'n drokkie... ze was de heele dag hier!

--Hum!

--Grom toch niet, ze is bij m'n zuster. Daar krijgt ze teminste wat te bikke!

--Hum! bromde hij nog eens. Hum! Wa'rom zoek' ze geen dienst?

--Sja, dat zeg ik ook! Maar ze wille haar niet hebbe, ze is te onooglik!

--Onooglik, onooglik?... ze ziet er toch flink uit... groot genog van stuk, zou ik zegge!

--Jawel, weersprak de vrouw, de wenkbrauwen optrekkend tot rimpel-fronsen, ze bedoelen in de kleeren!

Hij bromde nog eens hum, en zij werkte en wreef weer voort aan haar stoel.

Ze zwegen. Wat viel er ook nog over te zeggen, dat begrepen ze beiden.

Het wrijven langs het stoelhout en 't verschuiven der pooten over de kale grond, verscherpte hun zwijgen. Het vulde 't geheele vertrek.

Mies, het meisje van een jaar of acht, schoof nader bij tafel, keek haar vader vragend aan.

--'k Heb geen schoene vâ, kermde ze heel klein, benepen.

--Zoo, en wat heb je daar dan an?

--Die ouwen, de teene steke 'er door... kijk m'ar!

Hij gluurde nu naar haar voeten, onwillig, onverschillig,--en terwijl hij zijn grauwe oogen toekneep, waardoor al de werkrimpels in 't gezicht meetrokken zei hij:

--Sja, dat is beroerd!

--Zóó kan ik toch niet op straat en morgen is het Zondag....

--Och kind, zeur niet an m'n kop!

Hij schoof haar ruw terzij, strakte zich moeizaam op, en vroeg aan zijn vrouw:

--Kan ik me wasschen?

--Dadelik!

Ze werkte door en nu zoowat klaar met haar stoel, kwakkelde ze van haar knieën op. Dan sloeg ze het werkschort neer, ging naar de kraan, liet water in haar teil loopen, zette de zeeppot erbij en tegelijk zei ze:

--Je kon anders best wachten tot ik weg was, dan heb je de ruimte.

--O, ja! antwoordde hij onverschillig, en ging weer zitten. Hij liet zich zoo lusteloos zwaar zakken dat de stoel ervan krakte.

Opnieuw hing er de stilte. Alleen het verwisselen van een schort doorritselde de spraakloosheid. Het kind keek schuchter.

Ze kwam nu, de banden toestrikkend, naar tafel, vroeg kort en scherp:

--Heb je geld?

Even knipperde hij met zijn oog als in vage weifeling, zei aarzelend:

--O, ja!

Dan trok hij de hand uit zijn broekzak, smeet een rijtje guldens neer.

Het waren er acht. Ze lagen te kartel-glinsteren op de bewasdoekte tafel, de laatste stukken onregelmatig opelkaargeschoven, de voorsten losser uitgegleden, wat meer apart.

Het kind, tot het zilver aangetrokken, peuterde er dadelijk aan met de vingers.

--Afblijve! vermaande de moeder. Ze sloeg vinnigjes over de kindertoppen, snauwde om zichzelf gelijk te geven nog na:

--Je kunt ook niks laten!

De drie bovenste guldens nam ze van 't rijtje, liet de anderen liggen, zei onbewogen:

--Ik ga even naar de "mart"... blijf je zoolang thuis? Ik ben zoo werom.

Hij knikte, verroerde zich niet.

--O ja, brabbelde ze, alsof 't haar nu pas te binnenschoot, wil-je koffie?

Meteen schonk ze al in, zonder zijn antwoord af te wachten. Het bruine vocht dampte in blauwe kringelwasem omhoog.

Het kind hield de vinger waarop ze de tikken kreeg pruilerig in de mond, stond nog aan tafel, glurend in begeerig kijken naar het zilverblanke geld, dat daar zoo mooi lag, als een betoovering. En erger zoog ze op haar vingers.

--As je soms brood wilt, het staat dáár! zei vrouw De Ram tegen haar man.

Hij knikte opnieuw, slurpte gretig aan zijn koffie, zag ongemerkt even op, nu wel een weinig minder stug, zijn norsche trekken wat meer ontspannen.

Door 't vertrek snisterde haar kleine bereddering: het vluggig beweeg van andere schoenen aanschuiven, rokken-gelijk-trekken, banden verstrikken. Dan schreeuwde ze hard:

--Kom Mies, 'k ben klaar... gauw je hoed op! Zie zoo!

Het kind, al gereed, tuurde nog naar 't geld, tegelijk naar haar vader, die maar weinig zei, zich een tweede kop koffie inschonk, heel bedachtzaam, alsof hij er geheel bij was, terwijl zijn hersens gansch anders waren. Zijn beverige handen schonken voort en de kop vloeide over zonder dat hij 't wist.

--Hè, wat doe je nou toch, wat is dat voor manier!

Hij schrok òp, slurpte voorzichtig de volle rand weg en keek verlegen.

Vrouw De Ram veegde nog eerst het schoteltje schoon, ging toen stug heen, met Mies aan haar arm.

--Ik ben gauw terug! zei ze nogeens.

Op de trap trippelden buurvrouwen haar voorbij, anderen kwamen haar al tegen, en in de straat, anders zoo stil, liepen thans heel gerept, bewegelijk-druk de menschen.

Om de hoek, in de lengte der groote straat, schreeuwden en gilden danig de verkoopers. De kleine winkels glorieden en glansden breed-uit in 't blinkende licht. Nog aldoor werden handkarren aangereden, stevig voortgeduwd en tusschen dat geknars en wielgeratel sloeg òp de herrie van het venten. Er bolderde een zware vrachtwagen over de keien, joeg de menschen opzij, en dadelijk erachter gil-schreeuwden weer de stemmen.

Langs de winkelkanten roezemoesde er een verspreide menschen-en-wagen-volte, die 't vlugger gaan belette. Ze moesten daarom 't midden van de straat wel nemen, want ze wilden dadelijk door, naar de markt.

Even bleef vrouw De Ram toch staan om te neuzen; ze monsterde snel de prijzen, vond ze goedkoop, vond ze duur, en liep weer door, met Mies aan de arm, nu eenmaal niet van zin ergens dan op haar vaste plaatsen te gaan koopen.

III.

Op de zaterdagavond-markt lawaaide en vlaagde 't nog drukker; 't was er bont en rel van lamplicht en gescharrel. De rauwe geluiden en knetteringen van olievlammen schampten er saam tot één enkele bral.

Gedrang van uitzoekende menschen, stilstaande koopers, het opduwen van nieuw aankomenden, 't warrelde en kronkelde dooréén tot een zwarte kolk, vol draaiing en verstopping.

Elk tentje was een wereld op zichzelf en de verkoopers, tanige mannen, dikke vrouwen, ze tierden en teemden, schreeuwden om 't luidst, lokkend met sprekende oogen van:

--Hier moet je wezen en hier is je goeie waar! De kaas, de paling, de sinaasappelen en noten heerlijk-frisch lagen naast oude vodden, tusschen glaswerk, blikwerk en gescherfde schalen.

Door alle gangen en paden stuwden de zaterdagavondmenschen in ijverig-zoeken; ze speurden naar de spullen, die overal lagen, óók over de grond, waar naast het aardewerk, de stoffers, boenders en bezems, de ouwe kleeren te vinden waren.

Vrouw De Ram wist wel waar ze moest wezen, repte zich voort door de opstoppende drukte, toch links en rechts kijkend, snel snuffelend of er niets voorkwam wat haar leek.

Een blonde bloemenkoop stond hoog op een stoel, boven de dwarrelende massa uit, aanprijzend met zoete, weeke stem de manden waarin opbolden roode en witte papieren rozen.

--Wie biedt er voor? Prachtig zijnen ze. Prachtig!... Wat benne ze waard? Twintig cente de twee? Wie biedt er twintig cente?

Aan 'n vinger jengelde hij ze rond over de hoofden heen, liet zien de twee volle mandjes rozen, met tusschen de kleurige bloemen groene halmen ook pluis van papier wat op mos moest lijken.

In de andere hand hield hij een groot stuk, een weelderig bebloemd schip met masten en ra's, vol kleurige linten als touwwerk en met vele zilveren zeilen.

--Wie biedt er voor... wie meer dan twee-en-twintig cent?... Wie een paar koopt...!

Even hield hij op, ging dan door:

--Wie een paar koopt, die krijgt de kans op dit groote, kostelijke schip, het admirale-schip! ieder bekompt een lootje, want hier zijn de bons!

Hij liet de blikjes rondgaan, hief het kleurige bloemstuk van bijna een armslengte groot in de hoogte, liet 't licht van de lamp eroverheen stralen en riep met zijn weeke stem, die bijna zong:

--Hier heb je de prijs die je koopt en hier is de primie die je wint. Prijs en primie tegelijk! Wie biedt er meer dan twee en twintig...? Vier en twintig, dat bent u, juffrouw! nee...? Nou dan hier! Vijf-en-twintig!

Zijn geluid klonk maar zwak en droeg niet ver, want hij begon pas te venten, wilde van zijn wrakke longen niet te veel vergen in 't weten nog een geheele avond van doen te hebben. Daarom overschreeuwde hij zich niet en trachtte het goed te maken door veel met zijn oogen te werken en het bloemschip over de hoofden te zwaaien. De oogen van al de menschen die er stonden gingen in de hoogte naar dat kleurige schip, naar die twee mooie potten. Een greep doen en je werd kooper.

--Wie biedt ervoor...? Dat zijn weer een paar anderen en ze zijnne nog mooier! zanglijsde hij opnieuw.

Gaaf en geleidelijk, zonder veel inspanning, liet hij uit de kweeë mond de aanprijzende geluiden glijden en zwaaide met zijn bebloemd schip.

--Hè moe, riep Mies, hè kijk 'es, wat een prach...

Vrouw De Ram gluurde er even na, zei nuchter:

--Ja kind, strakkies! We motte nou eerst voort!

--Jè, moe!

Begeerig keek Mies naar de uitblinkende kleuren, de bloemen die leken als zoo geplukt, zelfs nog mooier dan de echten in 't felle licht;--en aan de arm van haar moeder hangend, bleef ze aldoor ommekijken.

--Vooruit Mies!

--Ja, moe!

Zigzagswijze baanden ze zich door de menschenvolte heen, om aan haar stalletje te komen, waar ze boter kocht. Ze nam er ook 'n brok vet, een half pond spek, vijf eieren,--en voort ging het nu naar haar kruidenier voor de goedkoope koffie, voor de suiker, een half onsje stijfsel, want in haar buurt was alles zoo schandelijk duur en slecht erbij.

Van de kruidenierswinkel slenterden ze nu terug naar de zaterdagavondmarkt, liepen overal rond te zoekoogen en te snuffelen.

--Moe?

--Wat is er kind?

--Waarom keek vâ zoo zuur?

--Weet ik 'et kind... heb ik niet eens opgelet.

--Nou, maar ikke wel.

--Zoo!

De vrouw betastte met vinger en duim de spruitjes om te weten of ze niet te veel water hielden; ze waren niet naar haar zin.

Het kind begon weer:

--Hept u dat heelemaal niet gezien?

--Wat?

--Dat vâ zoo leelijk keek?

--Welnee, kind!... zeker wat op zijn werk gehad. Dat gebeurt wel meer.

--Nou, u let ook nergens op!

Ze stonden nu aan een andere wagen. Vrouw De Ram betastte weer de spruitjes en ging aan 't bieden; ze kocht een savooie kool, nam nog een harde rooie, en bood en pingelde tot op een halve cent. Ze vroegen haar wel achttien en ze kreeg 't voor twaalf. Dan zocht ze naar een bloemkool, een blanke bloemige, en naar sappige bieten, groente voor de heele week.

In de karbies ging al de kool; tusschen de spruitjes die boven-op lagen, vlijde ze de gekookte bieten. In de andere tasch lagen al saamgepakt de grutten en met de eieren en de boter was nu alles boordevol.