De ontredderden. Eerste bundel. I en II.
Part 3
Ze zei niets weerom, keek enkel smeekend. Wat moest ze ook zeggen! Maar nu ze teruggestuurd werd, wist ze dat ze er juist moest wezen.
't Kwam er enkel op aan ergens binnen te dringen zonder dat ze 't zagen.
Zoo dwaalde ze rond, tot ze vanzelf meer vertrouwd raakte met al wat zich in die gemeene straat bevond. Ze gaf het nog niet op en zocht en speurde naar een huis, waarvoor geen wachter de toegang beletten kon. Eindelijk achteraan zag ze zoo iets. Een huis met groene gordijnen, vooraan smal en donker, achteraan muziek en licht. Schuchter en wat benauwd sloop ze binnen het donkere portaal, naar het voorgedeelte, afgeschut door die zware gordijnen. Er zaten jongens en meiden in het donker aan de tafeltjes en die bood ze dadelijk aan haar anderhalf doosje lucifers.
De jongens staken onwillig de handen diep in de zak, schorschreeuwden wat ze hier kwam doen, maar ze gaven haar te minste wat. Van tafeltje naar tafeltje liep ze, en niet overal, maar toch bij velen haalde ze wat op.
Brutaaltjes gluurde ze met haar verlept kindergezichtje naar achter door de kier van het groen gordijn. Het felle licht en de muziek maakten haar dadelijk weer angstvallig en beschroomd. Haar groezel gezichtje trok zich benauwd.
Een dikke bediende in zwarte glimmende frak stootte haar weg nu ze hem voor de voeten liep en bijna over haar viel. Hij vloekte, wilde haar verjagen, maar de meiden aan de tafeltjes kwamen voor haar op en de jongens lachten, zoodat ook de kelner zijn kwaadaardigheid vergat en haar niet verder afsnauwde.
Schoorvoetend wrong ze zich nu door de nauwe opening van 't gordijn en waagde zich in 't licht. Dat viel niet mee. Niemand keek daar naar haar om; er werd gedanst. Toen ze haar zagen maakten ze gekheid met haar en lachten om haar sjofele plunje. De tranen kreeg ze ervan in de oogen en de kelner kwam weer op haar toe. Nu was het toch genoeg, hier in de zaak konden ze dat niet hebben.
Maar een paar meisjes aan het dichtbijzijnde tafeltje, erg luidruchtig van liederlijkheid en half bedronken, zeien medelijdend:
--Och, dat arme kind, kom maar hier hartje!
Ze gaven haar wat en porden hun liefies op met dringerige woorden van "geef jij ook wat," wetend en voelend de ellende van dat kleine kind, een toestand van ontreddering, erger dan die van haar zelf. Zij zelf konden zich nog verweren, zich wreken, haar hart ophalen door een kerel af te zetten, of hem te pesten, maar dat kind... dat werd aan alle kanten gestompt en afgewezen.
--Vooruit, tast 'es in je zak, zeien ze ruw, 't zal je niet verarme!
En onwillig gaven de heertjes, die geen bezwaar voelden een gulden voor een fleschje stout te betalen, aan 't bedelkind, om hun fatsoen te houden, ieder een enkele cent.
Gretig stak ze al wat ze ophaalde bij haar en schoof nu voort, van tafeltje naar tafeltje, terwijl de paren die dansten haar de rokken zwaaiden langs het verwezen hoofd.
Een dronken vent streek haar onder de kin en zei:
--Je hebt wel een aardige toet, kom 'es terug m'n lievie, as je een jaar of tien ouwer bent.
Ze begreep niet precies wat hij bedoelde, maar er schoot toch een glinstering voor haar op. Ze lachte ouwelijk en bedelde voort. Nou was ze nog te klein, dàt begreep ze en ook dat het later gemakkelijker zou gaan. Vaag dwarrelde die kans door haar heen, en ze vergat het weer.
Ze vischte heel de gelegenheid af en ging dan naar de Vijgendam, waar ze Heintje vond. Hem toonde ze haar ontvangst--en hij, geheel verwonderd, kon het eerst niet gelooven, stond sprakeloos. Dat was recht het beloofde land, nou hadden ze geen krimp meer en behoefden niet weg te loopen.
VIII.
De volgende avond ging hij mee en stond geheel verbouwereerd. Die Bet durfde meer dan hij.
Heelgauw vond hij het leutig. Die jongens deden zoo fijn met die meisjes. Ze zoenden en pakten, trakteerden en zeien zulke grappige woorden.
Betje gaf geen antwoord op al wat hij zei, maar juist omdat ze zweeg, meende hij dat ze het toch ook wel prettig vond. In bed voor dat moeder erin kwam probeerde hij dan na te doen wat hij 's avonds zag en Betje noemde hem een viezerik, waarom hij schunnig lachte.
Moeder was heel tevree, dat de kinderen zooveel thuis brachten. Ze schimpte en sloeg enkel nog als de vangst niet meeviel en het vermoeden weer welde, dat Heintje of Bet het voor zichzelf hielden.
Een tijd ging het goed in de pretstraat, maar de policie zat erachter, verjoeg de kinderen. En nu moesten ze weer wat anders verzinnen.
--We gaan ma'r gappe, zei Hein heel kordaat.
--Ja, maar dan ga je achter de tralies.
--'t Kompt er maar op 'an, dat ze je niet snappe.
--Ja, beaamde Bet, zonder recht te weten wat het beteekende.
Dan overleiên ze samen sluw de middelen om het zoo lang te rekken. Tot op een dag de vader uit de gevangenis kwam en Hein noodig had om op de wacht te staan als hij wat ging kapen.
Betje bedelde nu alleen en waagde zich weer in de avondstraat. 's Nachts in bed vertelde ze aan Heintje al wat ze had opgelet en dat vond ze zelf griezelig-leuk. Als moeder 't maar niet merkte, want die zei dat ze gemeene beesten waren, die opgroeiden voor het pesthuis zoo zeker als wat.
De vader, drinkend dag aan dag, greep mis en raakte weer achter slot. Ze rekenden hem dadelijk in en eerst lange tijd daarna werd hij veroordeeld, voor drie jaar. Een goed voorbeeld moest worden gesteld, hadden ze aan de rechtbank gezegd. Moeder vloekte en zei dat ze 't enkel deden om deugdlijk van hem af te wezen. Nu moesten Heintje en Betje weer samen op het pad.
--Allee, d' erop uit, zie dat je wat binnenbrengt, zei moeder. Je bent nou niet meer zoo jong, ik ben zonder man's verdienste en ziek, denk erom. Van niks kan ik je niet onderhoûe!
Ze gingen wrevelig, met een wrang besef dat 't nu aldoor van hen moest komen.
Overdag dwaalden ze door de stad, zochten kolen uit de sintels van het spoor, haalden uit de vuilnisbakken al wat nog van waarde kon worden geacht en sleepten dat naar het kamerkot.
De knuisten krom en kleumerig, rood van de kou en als het warm was zweeterig-vuil van al wat ze bedreven, zoo liepen ze door de stad; en zoo verliepen de vele maanden.
De menschen gingen hun maar haastig voorbij, geeneen die zich de moeite gaf naar de bedelkinderen om te kijken. Groezel waren ze en goor, de gezichten flets, doch met sluwe oogen waaruit al het slechte sprak.
Kleine Bet, ineens opgeschoten, bijna even groot als Hein, deed voor hem niet onder, zij beiden nu twee ouwe menschjes in kinderjaren, vroeg rijp en rot. Telkens dook nog wel de gedachte op om weg te loopen als moeder sloeg, maar het besef dat ze te onoogelijk waren hield toch terug.
In de klemmende volte van volk, druk overal, stond 's avonds Heintje pover in zijn kleinheid tegen een of ander huis, scheukend van kou en ongerief. De oogen schijnbaar toe, gedurig loerend of er geen kwam die hij aanklampen kon en geen smeris die hij uit de voeten moest blijven, zóó werd hij ongevoelig voor alles wat geen voordeel bracht.
Kleine Bet scharrelde in de gemeene straat en ze liep er wat graag rond om alles fijn uit te visschen en ook om er zoo leutig te bedelen. Ze hing niet meer af van haar broertje; zij hielp hem.
Eerst in de latigheid ging Hein naar haar toe om te zien of hij bijspringen moest, haar beschermen als ze eens wat kaapte. Voor een groote slag moesten ze beiden eerst grooter worden, dat begrepen ze, maar zooals nu lapten ze het hem toch ook wel. Ze vonden zichzelf zoo uitgeslapen-glad en Betje zei zelfs niet meer dat Heintje een viezerik was.
KEESIE.
Vereenzaamd plekte de lange, lage woonwagen met het wit-geschilderde, grauwbespatte dek aan het ontladingsterrein Weesperpoort. Als een enkele meeuw in 't veld stippelde òp de wittige kap tegen de sneeuw-grijze winterlucht en daaronder waasden de verre landen, als verloren.
De wagenkanten, in hun doode vlakten, beslagen zwart, kropen weg onder het gebogen dek, bewegingloos en zonder bespanning, kil in de wijde strakke verlatenheid van het leege spoorterrein.
Alleen tusschen de raderen enkelde als teeken van bewoond te zijn wat keukengerei, een emmer, een brokje trap; meer terzij lagen nog wat latten.
Klam erop drukte egaal en zwaar de grijze sneeuwe-lucht en het bespikkeld wit der flauw-gebogen kap lichtte even op tegen het zware spansel. De rook, die uit het stompje keukenpijp traag naar boven wolkte, dreef eenzaam mede in deze grauwte van verlatenheid.
In de wagen hurkten ze bijéén, de man, de vrouw, de oudste dochter die voor de huishouding zorgde; de andere kinderen waren uit.
Ze zaten huislijk samen hier in de warmte en genoten ervan nu het buiten zoo grimmig deed. De man smookte zijn pijpje, de vrouw stopte kousen en de dochter morrelde in 't fornuisje, dat met koper beslagen, fel glom in het zwakke licht van de zoo beperkte woonwagenruimte.
Keesie stond toe te kijken. Hij wist niet wat te doen of te laten. De wagen zag zoo proper eruit, alles netjes aan kant, heel de lengte aan weerszijden met vaste banken waarop ze 's nachts sliepen, en ook de spiegeltjes erboven glansden zoo tusschen de raampjes met gordijntjes van tulle helder wit.
Dat het er zoo fijn uitzag kwam omdat ze niets meer te doen hadden op de kermissen, maar als er niks te doen viel werd hij vanzelf overbodig en dan ging hij de laan uit een of andere keer. De winter was pas in 't begin, die duurde lang; hier in de warmte voelde hij zich echt.
Toch zou hij buiten liever in de grimmige kou staan peuteren dan hier toe te zien. Hij wist met zichzelf geen weg in die properte, al hield hij zich sjakes.
Om iets te doen bukte Keesie zich naar de grond en blies met zijn zwakke longen door het open kachelgaatje in het smeulend vuur. Hij wilde zich verdienstelijk maken en wist niets anders uit te denken.
De dochter zag erg goedmoedig toe want ze begreep zijn gekrummel, maar de moeder rinselde met haar oogen van laat het maar staan, we begrijpen toch wel je bedoeling.
Traag stond de man op, klopte zijn pijp eens uit en zei met een stem, die hij opzettelijk wat schamper maakte:
--Zeg Keesie zou je d' er 'es niet op uittrekke voor 'n baantje.
Keesie keek onnoozel op, de oogen waterig van de vuursmook die hij in de mond had gekregen.
--Ja zeker, ik meen het, we kunnen je toch het heele jaar niet hoûe.
--Goed baas, zei Keesie.
--Nou, wat zeur je dan, ga een nieuwsblad halen, misschien vin-je wat.
--Ja baas, herzei Keesie. Hij wroetelde overeind, veegde zijn gezicht wat af met de mouw van zijn jas, en sukkelde zwaar en moe de wagen uit.
De vader, de moeder, de dochter, ze keken elkander aan en spraken geen woord. Ze dachten allen 't zelfde en zeien 't maar niet, omdat dit zich toch niet gaf. Van Keesie kwamen ze niet zoo gauw af!
Met vreemde oogen liep Keesie te suffen, loom en lam. De stratenvolte omwarrelde hem met geraas en 't gejaag dat tegen zijn sufheid opstoof als een wild beest met veel geblaas, beklemde hem.
Zijn ooren verdoofden in de suizende relling van al deze geluiden, die over zijn hoofd heen spetterden en toch aan hem bleven hangen, die hem ruw in 't gezicht sneden en vroolijk weer heensprongen, en opnieuw aansnelden. Hij liep in een schettervacht van vijandige dingen.
Zijn gewaarwordingen kringelden zich bot te zamen in de gejaagde, onbestemde angst van omver te worden geloopen, een paar duwen en stompen te krijgen, waarvoor hij wel respekt voelde. Ieder haasthebbend mensch scheen hem toe te snauwen, dat hij toch uit de weg moest gaan; wat hij hier deed, zoo'n lomperd! Door het willen ontwijken botste hij dan tegen anderen op.
Hij verlangde wel naar de wagen terug, doch dat ging niet, want hij was erop uitgezonden om werk te zoeken. Dat hadden ze gezegd, en hij moest dus!
Hij wist de weg niet te best en liep toch maar voort. Soms vroeg hij aan een policieagent op een hoek van de straat, die 't hem maar moeilijk aan 't verstand kon brengen, omdat hij zoo slecht begreep. Hij wilde naar 't Nieuwsblad om een krant te halen, liep telkens naar de weg vragend van straat tot straat en kwam er op 't laatst. En dit herhaaldelijk vragen en 't noemen van de krant herinnerde hem 't doel van zijn tocht maar al te goed, en dat benauwde hem erg. Wat gaf dat werkzoeken allemaal? Hij zou willen blijven waar hij was, bij z'n menschen van de schiettent. Het moeten werkzoeken drukte hem, leek hem een voorteeken van iets verschrikkelijks, waarover hij liefst niet wilde denken.
Een angst van de wagen niet te kunnen weervinden overviel hem,--en slim in die angst, lette hij scherp op langs welke punten hij ging, gewoon in het zwerversleven spoedig de dingen te herkennen, om zeker te zijn niet te verdwalen, de terugweg niet kwijt te raken.
De avond begon te vallen.
In grauwe vegen zwermde er al wat vroege schemer aan; of leek hem dat maar zoo?
In de nauwe straten droefde de donkerte langs de huizen, waarin hier en daar valschelijk licht opglemerde, geel en rood, zwakkelijk nog tegen de grijze dagschemer in 't midden van de straat. Nee, zoo laat was het toch nog niet, maar in de huizen moesten ze dat wel doen, het zag er zoo grimmig donker uit. De vage drukte joeg hem schrik aan en zwiepte hem nog feller over de straat. De winkels met de vele mooie dingen trokken hem wel aan, maar hij durfde niet te blijven staan. 't Werd te laat, de rukkende stootende voorbijgaanders maakten hem zoo klein en benepen.
Angst en verwardheid drongen hem voort en in zijn zenuwhaast en gestommel werd hij naar alle kanten geduwd en gestompt.
Meer dan lang genoeg was-ie nou weg geweest, naar hij meende; hij zou dus teruggaan. En verwonderd keek hij op dat hij zoo goed zijn verstand wist te gebruiken. Welke kant moest hij nu uit?
In de wagen vroegen ze elkaar waar toch Keesie bleef. Drie uur geleje al uitgegaan om een krant te halen en nog niet terug! Och, och, wat moesten we met hem beginnen!
De vrouw, goedig, zei terwijl ze het hoofd schudde:
--Nog maar eens anzien... waar zooveel monden zijn, kan hij ook mee-eten.
De man, heftig, kefte dadelijk er tegen in, dat onder dienst gaan 't eenige bleef, de beste uitkomst. Maar de oudste dochter die boven 't vuur te morrelen zat in de pot met erwtensoep, beet er schampertjes tusschen door:
--Ja, dat kan-je begrijpen, onder dienst, jawel daar neme ze hem met zijn kromme beene, zijn varkenvangers.
--Och wat, zei opnieuw de vader, ze benne er wel krommer!
Er volgde weer een stilte omdat ze 't allen klaar begrepen. Een tijdje ging om, dan hoorden ze op het houten trapje voetgestommel. O, daar had-je 'em. Eindelijk.
Keesie schoffelde en treuzelde en maakte gerucht om zijn komst aan te duiden, talmde en bleef aan de wagendeur staan. Als een donkere vlek tegen het grijs van de lucht, de lucht die zoo laag hing en aldoor nog scheen te zakken. Zijn gestalte schimde tegen het sterk bewasemde glasraampje en hij zag nu verschrikt zelf de grauwe ommelijnen van zijn eigen schuchter gezicht.
Dan aarzelend schoof hij binnen in wel eindelijk moeten. Ja, hij kon toch niet altijd buiten blijven, maar hier binnen zoûen ze hem niet met rust laten, o zeker niet!
Half al in 't smalle deurtje, het plompe lichaam nog gedeeltelijk buiten, zag hij al de vragende gezichten. Botweg zei hij, om er ineens af te wezen:
--Nog niks, ik heb nog niks!
Verlegen trok hij de deur achter zich toe, schoorvoette op de tast en wist niet waar hij zich zou bergen.
In de wagen staarden ze hem aan en riepen:
--O, ben je daar?
De grove, vleezige jongen met purpere wangen, de oogen loomig, de mond wijd als de poort van een moeilijk te vullen voorraadschuur, bleef suffig staan.
Om zijn buitenwaartsch gebogen beenen spande de verschoten broek, van onder niet vrij van rafels, èn die broek zat vreemd gewrongen, in tal van bochten die maar moeilijk neerpijpten.
De jas, door het lange dragen wat uit elkaar gezakt, hing straterig-sjiek los, zondags-open. Op zijn verslonsde gele haren kleefde een beetje schuin de pet; zijn gezicht eronder oolijk-dom.
In zijn lompheid bleef hij heen en weer schuiven, vagelijk-scherp voelend, zonder 't voor zichzelf te willen weten zijn totale overbodigheid.
In zomertijd toen hij aan de wagen kwam vragen, om een handje mee te mogen helpen, hadden ze hem eerst niet willen aannemen, en dadelijk dachten ze hem toen al weg te sturen, wijl ze niet met hem konden opschieten. Maar hij was willig, hield zich van de domme, en wist daardoor te blijven. Nu in November, de laatste kermis al weken voorbij, hielp dit alles niet meer, hij moest beslist wat anders opzoeken, dàt hadden ze hem al zoo vaak gezegd en ze zeien het hem alle dagen, maar dat het ook eens zoover zou komen, wilde bij hem er nog niet in.
Harkerig stond hij nog altijd tegen de deur, sprak maar niet. Waarvoor zou hij ook spreken? Dom-verlegen gluurde hij voor zich uit en vond geen enkel woord.
Maar de anderen verwachtten toch wel dat hij iets over zijn rondzoeken zou vertellen, keken hem met open mond vragend aan.
--Nou Keesie?
--Niks.
--En je krant?
--De krant, de krant? Die heb ik niet.
--Je zou er toch een halen!
--Halen? een krant, welke krant?
--Wel, heb ik van mijn leven, zei de baas verwonderd, je zou toch zien of er werk was te krijge!
--O, werk...! ja, dat heb ik nagekeke.
--Zoo... waar dan?
--In de krant.
--En je zegt... waar heb-je dan de krant gelate? snauwde nu de baas, kwaad om het eenzelvig niet begrijpen.
Keesie keek beteuterd, geheel verslagen door die uitval. Wat wou de baas dan van die krant? 't Bleef hem onduidelijk. Er stond toch niets voor hem in!
De dochter, snugger, begreep in-eens waar het bij hem schortte. Ze kwam hem te hulp, bemoedigde te zeggen:
--Je hebt zeker in de krant gekeke voor de rame van 't Nieuwsblad, niet waar?
--Ja! sprak nu Keesie vlug. En hij herhaalde: Voor de rame!
Ze keken elkaar aan met oogen van: Nou, dat helpt ook wat of je hem wegstuurt.
--Wel verdikkeme, spotte al de baas, voor twee cente kun-je d' er een aan de kiosk koopen en daar loop je voor naar de Warmoesstraat.
Maar nu kon Keesie ze troeven. Zonder een oogenblik te overleggen, flapte hij eruit:
--Ja baas, da's 't gauwste verdiend, zou 'k denke!
De baas draaide van wreveligheid op zijn krukje om en voelde zich kalkoensch-rood worden; met die sukkel viel niks te beginnen. De woede sprak uit z'n oogen.
Het werd voor Keesie of de dingen om hem gingen draaien, of alles hem begrijnsde. Opnieuw zei weer de baas tergend:
--Verdiend? nou nog mooier! Waar heb-je de verdienste dan?
--Hier, grijnsde Keesie terug, hier! Hij lachte leelijk, wees naar zijn mond en haalde een sappige pruim tabak er uit.
Allen lachten luid.
Keesie lachte ook, maar een beetje wrang en stomp. Hij hield de gekauwde tabakspruim tusschen de vingertoppen en keek erg onnoozel.
--Vooruit, dat ding weg! beval de baas.
--Ja baas! De tabakspruim verdween, ging schuil in de groote mond, waarin wel een half pond zou kunnen worden geborgen. Behagelijk-stiekum zoog hij erop, ze aankijkend met dom-loensche oogen, alsof hij nou wel mocht.
--En wat zul-je dan beginnen, hier kunnen we je niet hoûen, dat begrijp je, dàt snap je toch wel?
Keesie grijnsde weer, knikte dan en zei, omdat hij niets beters wist te antwoorden:
--Ik zal mijn best doen, baas!
--Je doet al drie weken je best en je vindt niks.
--Ja baas!
--Ja, ja, jij met je ja-baas, maar voor zaterdag moet-je wat hebben, hoor je! In elk geval ga-je d'er uit!
--Ja baas, zei Keesie weer, nu zenuwachtig-gedwee. Hij begreep dat het meenens werd,--en het huilen stond hem nader dan 't lachen. Wáár zou hij na zaterdag heen?
Naar huis?
Dat ging niet. Vader verdiende daar in Deventer met beide handen zeven-gulden-twintig, aan de gasfabriek, vast werk voor winter en zomer, d'er waren er slechter 'an toe. Maar zeven-gulden-twintig voor zijn elven, dat sopte niet dik--en hij was de oudste, nee, daar kon hij niet heen!
--Onder dienst, zei de baas, die een en ander wel zoo wat op zijn gezicht kon lezen.
Keesie voelde zich in de klem. Eerst zei hij niks, keek alleen armzalig, dan stootte hij plots eruit waar 't hier zat:
--Ik wil wel, zei-ie hakkelend, ze wille mij niet.
--Och wat, riep de baas. Och wat, dat loopt wel los, als je de beste beentje maar voorzet.
Keesie keek weer sip. Wat moest hij zeggen? Voor zich-zelf zou-ie 't wat graag, 't kon hem wat schelen dit of dat, nou!... maar in dienst ging nu eenmaal niet;... bij de loting al afgekeurd voor de borst! Dat wisten ze hier natuurlijk niet, en dat was ook niet noodig ze te zeggen! Met zwakke borst nemen ze je niet gauw. Zwakken willen ze nergens hebben, dàt moet je dus nooit vertellen--en daarom zei-ie 't ook niet, zweeg maar weer. Ellendig voelde hij zich, inelkaar geduwd, gedrukt en weer vanééngereten.
--Je bent toch letterzetter? sprak de vrouw, die totnutoe zwijgend had toegekeken.
--O, o, luidlachte de man, letterzetter, as-ie dat zoo goed kan als het andere, dan verdient-ie wel drie stuivers in de week.
--Nou ja, vergoelijkte gereedelijk de dochter, ieder kan 't niet even best.
Keesie in zijn onhandigheid voelde zich op de pijnbank. Hij zag zich weer aan de letterkast, zijn plompe vingers in de verkeerde bak, met veel schrobbeeringen weggejaagd, of aan het draaien van de pers gezet, waar hij niet goed tegen kon met zijn zwakke borst; en dan de meeste tijd zonder werk, thuis van zijn nijdige vader allerlei hatelijkheden, omdat hij niet genoeg inbracht, afgesnauwd door zijn moeder die hij in de weg liep. Dat sjouwerwerk hier aan de tent, daar kreeg hij teminste behoorlijk eten bij--en er viel nog wel eens wat af; 't leek en bleef hem hier het beste! Hij stond geheel suf ervan, weg in gedachteloos stomp denken.
De dochter, met meer medelijden dan zij zichzelf wilde bekennen, en met een beetje eigenbelang, want ze had de meeste hulp van Keesie, mond en oogen in onverschillig heen-en-weer-getrek, om aan te geven, dat het haar niet zoozeer kon schelen, dat ze enkel maar aandrong uit goedhartigheid, zei:
--Hij kan toch nog eerst helpe bij de verhuizing, dan zulle we wel weer verder zien.
Maar de vader doofde deze uitkomst al weer door hard te zeggen:
--Nou ja, dat is heel gauw afgeloope, hij mot uitkijke, we kunne hem niet altijd hoûe.
--Wel-nee, vulde de moeder aan, dat kunne we zeker niet, we hebbe Janus ook nog.
--O, die redt zichzelf wel, meende weer de dochter, die mag-je eigelik niet meetelle, want die verdient z'n eige kost.
--'t Mocht wat, 't mocht wat, schamperde de man luid. Zeker, die enkele keer, dat-ie aan de komedie werkt, dat-ie figureert. Wat die binne brengt is got-betert-me ook het ankijke niet waard.
--Nee, zuchtte de moeder en zweeg.
Ze begon overdreven-druk in een mandje met oude vodden te snuffelen, bleef dan met de handen in de schoot zitten, vol gepeins over al die etende monden. Ze zei het wel niet, doch de woorden lagen op hare lippen, dat zes kinderen, allemaal groot en die twee lummels van knechts heelwat weg-eten. Nou... je moet er maar voor opbrenge!
De man raadde de gedachtengang van zijn vrouw en zelf goedhartig als het er op aankwam, voelde hij zich week worden. Hij schudde 't hoofd, zei nu ook eens:
--Nou, nou!
Dan ging hij, om voorloopig een eind aan 't gesprek te maken, ook al omdat hem dat gezeur verveelde en hij in deze beperkte woonruimte met zichzelf geen weg wist, naar buiten, om daar wat rond te scharrelen aan zijn wagen. Er viel wel een en ander op te bergen.
Keesie, met de rug nog half de deur versperrend, deinsde bedeesd-gedienstig opzij, om de baas te laten passeeren, slechts langzaam en vaag oplevend uit zijn verwezenheid, nu het vele gepraat om z'n oogen ineens verstomde.
De woorden zeulden nog aldoor in zijn hoofd rond, in hem vasthechtend en zich herhalend, dat hij weg moest. Waar zou-ie naar toe, naar Deventer? Nee nog liever ging hij kapot! Maar wat moest-ie dan uitrichten?