De ontredderden. Eerste bundel. I en II.
Part 2
Het druk-woelige, het jagen en stuwen van de groote stratenstad, het rijden en rossen der wagens, het geschreeuw van voerlui en 't gerammel van handwagens, de volte en drukte waartusschen ze in hun kleinheid bijna beklemd raakten, dat liet hen alles nu nog meer onaangedaan en koud.
Ze voelden zich volkomen vredig. 't Was wel niet te veel wat ze thuis brachten, maar 't kon. Niet alle dagen ging het tof. Straat uit, straat in, sjokten ze voort de weg op naar huis, toch wel in het vaag besef dat dertien en veertien cent te zamen, niet zoo'n groot bedrag uitmaakte, maar ze waren nu eenmaal gelukkig door 't krijgen van een kwartje-in-eens, wat haast nooit voorkwam.
--'t Zal me verwondere wat we voor eten krijge? sprak kleine Bet na een poos.
--'t Zal wel niet veel weze!
--Wat denk-je?
--Op vrijdag geeft geen mensch wat weg, ze beware 't zelf. Brood natuurlik of pap zal 't wezen. Morgenavond krijgen we pottekoek. Vandaag niks.
--Kun-je niet weten! zei Betje ineens wijsgeerig, misschien is er wat.
Heintje haalde zijn schouders op en lachte om haar goedgeloovigheid. Ze kakelden door, vergaten hun dubbeltje te verstoppen.
Dicht bij de steeg waar ze woonden, dacht zij ineens eraan, trok hem bij zijn hes terug en zei met haar kleine stem zeer beslist:
--Nee, eerst overlegge... we geve 't dubbeltje niet af.
--Waar wil-je 't dan late?
--In een pampiertje doen.
--En dan?
--Verstoppe!
--En waar wil je dat dan verstoppe?
Ze werd door al zijn vragen wel wat verward, keek beteuterd voor zich weg en zocht naar een nieuw middel.
--In mijn schoene! zei ze nu, toch wat aarzelend.
--Vinde ze dadelik.
--In m'n haar.
--Valt er toch uit!
Sprakeloos tuurde ze opnieuw naar de grond en wist niet wat ze moest bedenken.
--'k Weet wat... in je voering, zei ze plots, als deed ze een groote vondst.
--Ik zou je danke... wil niet doodgeslage worde, antwoordde hij al.
Een kribbeling van nijd door zijn niets goed-vinden kwam in haar op. Ze smaalde:
--Och jij, je bent ook zoo bang!
--Nee, jij bent het zeker niet, jij schreeuwt al voor ze je anrake.
--Zoo, dreinde ze treiterend terug, door dat argument niet gebluft. En weer had ze iets anders.
--Ik weet het, ik weet 'et! juichte ze.
--Nou, wat dan?
--Begrave!
Deze gedachte vond hij al even slecht als de andere, toch moest er iets gebeuren om 't dubbeltje te kunnen houden. Hij wierp alleen nu nog tegen:
--Dan motte we wachte tot het donker wordt.
--Nou, wat zou dàt, we hebbe ommers de tijd.
Ze gingen nu terug de stad in, dwaalden daar rond, versnoepten een cent van hun geld, nog één--en werden straatmoe.
--Late we nou maar afgeve, vermaande Heintje die voelde dat het mis zou loopen.
--Nee, nee! weerde zij terug, star vasthoudend aan haar begrip om wat over te houden voor een andere dag, want het geval van een kwartje ineens te hebben gekregen, bleef in haar als een heel groot feit.
--As we alles afgeve, hebbe we morrige weer te weinig!
--Ja, dat kan wel!
Het donker begon al te vallen, nog heel langzaam, heel traag, nu in September, de dagen aldoor kortend, al over zevenen. En in dit trage naderen van 't donker, zochten ze heel voorzichtigjes naar een plekje aan de voet van een boom die ze gemakkelijk terug konden vinden, in 't plantsoentje bij de Martelaarsgracht. Maar daar ginds zaten nog een paar menschen op de bank en ook speelden er jongens, ze moesten wachten.
Met uitgestreken gezicht slenterden ze rond het hek, gluurden er over heen, gingen door, kwamen terug en het wantrouwen sloop overal mee achter hen aan.
Het aandonkerend groen van de heesters leek al zwart en tegen de huizen gleden groote schaduwen.
Overal twinkelden door 't twijfeldonker heen de lichtglimpen der winkels, vage lichtspikkels, die als piekerende oogjes hen aangluurden. De tram rolde gierend voorbij met menschen, die van het bordes naar hen keken--en vaak moesten ze weer wegschuilen, omdat een diender of stille bleef staan, hen wantrouwend bekijkend.
De noordewind, toch al scherp, al was 't nog vroeg in 't najaar, schuurde over de Prins-Hendrikkâ, langs hun ooren,--en ze merkten gevoelig de kou, want die drong nijdig door hun dunne kleeren.
Tegen het hek aan scheukte hij met zijn schrale schouders, hij wilde het plan wel opgeven en zij keek armoedig.
Maar nu ging de man in zijn dikke jas weg--en ook de ravottende jongens liepen een heel eind ver. De policieagent, die zoo lang had staan turen, verwijderde zich langzaam en het oogenblik werd gunstig.
Ze slopen nu het plantsoen in schichtig achter elkaar alsof ze een misdaad bedreven. Het belgetjinkel van de tram klonk fel in hun ooren en ze vroegen zich of de policie-agent niet terug kon komen.
Het pad in 't plantsoen lag al schemerig in het halve avondduister, voor hun speurende oogen nauwelijks meer zichtbaar, een grauwige kronkelstrook, om de hoek erg geheimzinnig en daar geheel zwart, zoodat er best iemand verscholen kon zitten. Rondom huifde het donkere groen waar-tusschen de kille najaarswind heenstreek en dit voelden ze ook als een gevaar. Dan weer hoorden ze opnieuw dat felle gebel, dat schuifelend geknars van een aankomende nieuwe tram.
--Blijf jij nou hier Bet, snerpte hij heesch. En dadelik sissen hoor, as je wat ziet!
Betje dorst bijna geen adem geven, knikte maar.
Hij sloop, de handen langs zijn knieën, een pas of tien vooruit en dan op de ronding van 't pad, bukte hij zich, grabbelde, groef haastig een gat, dicht bij een boom waar rondom donkere heesters stonden, stopte het papiertje met het dubbeltje zenuwachtig in de grond, keek, op zijn hurken zittend, nog even om of hij niet werd gezien, of hij niemand zag. Nee, niets verdacht!
Geheel ontdaan was hij en bleek nu hij bij Betje terugkwam. Alsof hij een ware schelmenstreek had uitgevoerd, keek hij nog telkens om, en trok haar mee.
Armoedig stapten ze nu op huis aan met onvaste, hakkelende pasjes.
IV.
In 't nauwe slopvertrek geelde 'n klein lichtje over de verwaarloosde, stukkende stoelen die in haar zwartheid eruit zagen als zwarte knokels in een knekelhuis.
Op de tafel met allerlei rommel, tusschen ongewasschen koffiekommen, lag naast 'n bus voor suikerpot gebruikt en tusschen lepels een kam, een uitgewrongen vaatdoek. Bij 't aanrecht stond de moeder, 'n zwart-verellendigde, grof-nijdige vrouw, aan 't werk. Met norsch gezicht keek ze op nu Hein en Bet binnen kwamen; ze zei niets.
Dit verontrustte wel.
Sjofel schoffelden ze naar de tafel, vischten dan de centen uit hun zak en legden die met kromme vingers op een hoopje, telden ze en bleven er zelf beteuterd bij staan.
--Is dat alles? snauwde de moeder.
--'t is vrijdag, de lamp hangt scheef!
--Ja, schei ma'r uit... dàt kenne we... as ik op jullie most rekene, godbewaar me, dan bleve we geen dag in 't leven.
Betje peuterde in haar neus.
--Mot ik je van die paar ellendige cente soms te vrete geve?
--Ze woue niet bijte! zei Heintje ineens kortaf.
Betje nikte tot bevestiging en keek dan haar broertje vragend aan.
--Welzeker, jij ook nog... 't grootste gelijk van de wereld as ze niks inbrengen.
--Ze hadde me bijna ingepikt, verdedigde Hein zich, weer brutaal.
--Hadde ze 't maar gedaan... dat gav' de goeie God! 'k Was ineens van jullie af... toch niks dan last!
De kinderen zwegen.
Tegen deze redeneeringen viel weinig in te brengen; ze staarden erbarmelijk voor zich uit.
--Kom, maak maar wat vort... hier, pak aan je pap... en dan op slag naar je nest!
Hein en Bet, ze grepen beiden naar 'n bord. Ze schoven zich naast elkaar aan tafel, likten en slikten, eerst wat schroomvallig door die onverwachte sneue uitval, hapten dan met volle lepels door, toch nog stil en bevreesd voor een opstopper, en door hun eigen gevoel van schuldbesef.
De moeder ritste de centen bij elkaar, liet ze in haar zak glijden, en ze mopperde nog eens:
--'t is god beter-me een kap'taal wat jullie daar binnen brenge!
Ze snoof haar neus eens uit, ongesjeneerd, alsof dat werkje heelwat beteekende, ging stug aan haar werk, begon met veel drukte de gootsteen uit te boenen.
Morgen voormiddag had ze een halve werkdag aangenomen, om bij Toos die ziek lei, de boel aan kant te maken, en ze moest haar eigen huiswerk toch nog eerst af ploeteren. Als de buik haar nu maar met vreê liet. Want sedert haar laatste kraam was ze niet meer gezond, tobde ze van de eene dag in de andere en kon nergens staat op maken. Wat de dokters daaraan deden, dat bleef ook bij nou en dan een prop zetten! Ze had soms een pijn, dat ze er niet mee voortkon, en rezenabel moest gaan liggen. Werk dan maar eens!
Het eenigste wat ze nog kon doen met die zieke buik was grofstoppen voor buren, 'n stuiver voor een paar, gaten als vuisten, waar je maar wat aan te sappelen kreeg om een schelling per dag te halen! Een geluk toch nog, dat ze die kinders had! Hoe moest ze er anders komen? Krepeeren van honger, natuurlijk! Klaas, haar kerel, die zat nu toch over de zes maanden in de doos, voor dat partijtje oud lood moeren, of liever willen moeren, want ze waren al gesnapt voor ze nog een mes d' erin hadden. En 't duurde zeker wel bijna drie maanden voor-ie los kwam. Wie dacht in die tijd aan haar? Niemand! Je mot je zellef ma'r in 't leve zien te hoûe!
Ze schuurde en boende fel van neteligheid en gif, dat het water over de gootsteen heen spatte en haar bemorste,--en ze snauwde weer tegen de kinderen, die opschrikkend uit hun zacht gesmoes, opnieuw aan 't lepelen gingen. De borden hadden ze allang leeg gegeten en ze zaten met de lepel in de hand.
Dat opschrikken van die twee maakte haar klaar opmerkzaam, dat er iets niet pluis moest wezen. Ik zal ze in de smiezen hoûen, zei ze bij zichzelf.
Zij deed, alsof ze weer aan 't boenen ging, maar bukte zich zóó, dat ze onder haar arm kon doorkijken. Nu zag ze duidelijk, dat Heintje met z'n oogen en z'n mond verdachte bewegingen maakte, een mond-vertrekken dat duidelijk zei: niks zegge hoor, je snuit houê! Zij begreep het al opperbest, dat er tusschen die twee wat schuilde, iets niet recht-toe. En wat zou 't anders kunnen wezen dan geld achterbaks hebben.
Gezwind keerde ze zich om, stond ineens dreigend voor de kinderen, met grove, weinig goeds zeggende oogen. Rauw schorde ze en schreeuwde ze:
--Zeker cente achtergehoûe!
--Ikke?
--Ja jij... of anders Bet... één van je tweeë!
--Nie-waar, ikke niet, huil-schreide Betje al.
--Wie dan? spreek op!
Ze schudde haar door elkaar, om haar gauwer te laten bekennen. Maar Betje griende en zei aldoor opnieuw:
--Nee-nee, ik niet...!
Heintje kwam zijn zusje te hulp en zei driest dat ze alles had afgegeven.
--Ei, ei, wat wete jullie dat precies van mekander, dat is wel kasueel!
Zij kruiste de grove armen over de magere borst, keek Hein, dan weer Betje venijnig-onderzoekend aan.
--Wel-wel, die staan je daar in je gezicht uit te liegen! herhaalde ze nog eens en wilde weer aan haar werk gaan.
--Ikke, ik heb niet weggestopt, verdedigde zich Heintje. Ik weet van niks... en kleine Bet ook niet!
Dat werd haar te machtig, raak'lings keerde ze zich om, greep Hein in zijn hes, trok hem hardhandig naar zich toe en schor-schreeuwde:
--Wil je 't zegge, aap die-je bent!
--Ik weet niks, ik weet niks, gilde hij terug.
Zij liet hem eensklaps los, greep hem dan opnieuw, schudde hem hevig door elkaar, gaf hem nog een paar meppen op 't hoofd en een paar poffen in de rug en hield hem geknepen in haar sterke knuisten.
--Zal je 't zeggen, rekel!
--La-me los, gemeenerik! schold Heintje.
Toen kneep ze kleine Bet in de arm, zoodat die 't uitgilde en treiterde opnieuw. Ze wilde 't eruit hebben en werd al heftiger.
--Zoo'n stinkding die ook al steelt, schold ze. Dan sloeg ze er maar weer op.
Ze schoot niet op. In haar onmacht woest, stond ze aldoor opnieuw te dreigen.
-- Allé, je uitkleeje, heelemaal! tierde ze nu.
Met wriemelige kromme vingers onderzocht ze de kleeren, doorvoelde de scheeve schoenen, de zweeterige kousen, betastte de naden. Niets vond ze, en toch, 't stond wis-en-zeker bij haar vast, dat ze hadden weggemoffeld.
Opnieuw kneep en schold ze, trok en sloeg, maar zonder eenige uitkomst. Betje schreeuwde en gilde. Hein trapte terug en dan moest ze zich verweren. Aan 't eind zelf moe en afgebeuld, zakte ze erbij neer, huilde nijdig, joeg ze hen naar bed en ging vloekend weer aan 't boenen.
Maar nog kramperig van al die opwinding deed de buik haar pijn; met beide handen moest ze er tegen drukken en ze kermde het uit. Even moest ze wel gaan zitten, vol wee en angst, dat ze met die zieke buik morgen nog haar halve dag bij Toos zou misloopen; en wat dan?
In de bedstee lagen de kinderen stil, maar na een poosje veranderde dat; ze hoorde een onderdrukt giechelen en ginnegappen van die twee. O, 't was om uit je vel te springen van venijn, over dat krapuul! 't Gaf niks al sloeg je d'er nog zoo op los!
Vol nijd sprong ze ineens weer overeind, stond voor de bedstee, groot en stronkerig, feldreigend, en de kinderen kropen in de dekens weg, gaven geen antwoord. Opnieuw sloeg ze erop los haar eigen handen kneuzend op de bulterig ineengekrompen lijven.
Dan ging zij naar tafel, sneed het brood, dikke hompen brood voor hun drieën.
V.
De volgende morgen was ze 't nog volstrekt niet vergeten; ze hernieuwde de aanval en snauwde:
--Waarom giechelden jullie dan zoo gisteravond?
--Ikke moe?
--Nou jij of je broer... dacht je soms dat ik kledder in m'n ooren heb... hange laat ik me als jullie niks gerold hebben; maar pas-op, laat ik er niet achter komme. Ik breek je nek en beene.
Heintje vond het sekuurder er niet tegen in te pruttelen, antwoordde maar niets, hield zich koest,--en zij dacht weer dat ze uit werken moest, durfde uit angst voor haar buikontsteking niet opnieuw te beginnen.
Om de schrik erin te houden snerpte ze toch:
--Jullie brenge ieder vandaag minstes een halve soof thuis... versta je, anders blijf je buiten de deur.
--Jawel, je hebt 'et maar voor kommandeere, schampte Hein brutaal terug.
Ze luisterde al niet meer naar hem, liep weg naar Toos, om haar halve dag, d'er zeven stuivers te gaan verdienen.
't Werd stil en kil in 't vertrek nu de moeder de pas had vrijgelaten. De kinderen keken mekander aan en oogden dan door de leege kamer.
--Valt er niks te klabatsen? gnuifde Heintje, geen appele of mellek?
--Nee, lawwe ma'r gaan... Toos dat is dichtbij... Ze kan zóó werom weze!
Het angstte in kleine Bet, dat moeder plots terug zou komen en daarom trok ze hem mee.
Hein, onwillig, verzette zich. Zoo'n haast had het niet! Hij likte even aan de boter en plaagde haar met haar bangheid.
Dan schoven ze lam-voetig de deur uit en schoffelden de straat op.
De moeder, die even om de hoek kwam gluren, schreeuwde op hen toe:
--Denk erom, wat ik heb gezegd!
Allebei schokten ze onverschillig met de schrale schouders, ineens brutaal--en Hein, nu buiten bereik van zijn hardhandige moeder, riep:
--Haas je ma'r niet!
De moeder, al weer aan 't werk, hoorde het niet eens.
Onverschillig slenterden Heintje en Bet de straat op, onwillig-strak hun gezichten.
--Een halve soof, 't zal mooi weze as we 't met z'n tweeën maken, wijsneusde hij.
Bet nikte, zei dan:
--Ze hêt het maar voor 't zegge. 't is of we 't van de straat rape!
Hein gaf geen antwoord.
't Was nog vroeg en zaterdagmorgen, alle menschen in drukte van haast. Ze wisten niet waar ze naartoe zouên gaan, sjokten rond. Dan trokken ze op de Roomsche kerk aan om daar te bedelen bij de ingang. Ze gapten een stronk kool van een groentekar en brachten die thuis, zeggend tegen moeder die al terug was dat ze die hadden gekregen. 's Middags gingen ze naar de bakkers om oud brood te vragen, die, dat wisten ze op zaterdagmiddag nogal scheutig waren, omdat ze 's avonds toch weer versch hadden en van die droge korsten wel afwilden.
Later, in de na-middag, begon het gevraag, eerst langs de huizen, bij de dienstmeiden, daarna weer op de volle straat.
Ze voelden zich erg opgewekt, want ze hadden nog altijd in petto dat weggestopte dubbeltje,--en nu ze 't niet zoo noodig hadden, liep 't mee. 's Avonds telden ze bij elkaar: een en veertig cent, dat ging nogal.
--'t is meer dan genoeg, besliste Hein, het duppie lekker late legge!
--Natuurlik, wat dach-je dan, brabbelde kleine Bet. 't Ligt daar fijn!
Thuis klakkerde moeder: Een en veertig cent en mijn eigen vijf en dertig, die ik verdiend heb, èn de kool en 't ouwe brood, ziezoo, dat kan. Ze zette een tevreden gezicht en de kinderen vergaten hun ellende.
De volgende dag, Zondag, brachten Hein en Bet het zelfs tot zeven en vijftig--en ook de daarop volgende dag, maandag, werd het met andere akkevietjes bijna een halve gulden.
VI.
't Liep de geheele week wonderwel. Elke keer als ze naar huis gingen, zeien ze:
--Dat duppie late we legge!
En 't antwoord was: natuurlik.
Maar vrijdag, werd het ineens weer mis, hadden ze niet meer dan negen cent.
Wat nou?
Bet met haar klein, geel gezichtje, zei dadelijk:
--Nou, motte we 't neme?
--We hebbe anders van de week genog binnegebracht, meer dan zij, lawaaide nog Hein.
--Nee-nee, late we 't nou neme.
Ze trappelde van ongeduld, zei weer opnieuw:
--Morge hebbe we vanzelf meer!
--Hoe weet je dat zoo, vroeg en sarde Heintje, erg voorzichtig.
--Omdat ik 'et weet!
--Zoo?
--'t Is dan zaterdag... dan hebbe ze cente.
Hein, die heel het bedelpogram van de week uit het hoofd kende, en alles precies wist, wreef van vergenoegdheid zijn gezicht in de handen rond, zei oudmannetjes-achtig:
--Mooi zoo! Je begint het nou ook te leere!
En zij lachte:
--Alsof ik dat niet wist, gekke Hein!
Samen trokken ze nu op naar 't park.
--Lawe wachten tot donker, sloeg Bet voor, ineens weer bevreesd voor ze wist zelf niet wat.
--Welnee, dan kunne we ommers niet zien.
--Je weet toch waar 't ligt!
--Natuurlik... 't is nog al wiedes.
Hij dacht nu ook aan de angst van die avond, herhaalde nog eens:
--Je mot toch uit je doppe kunne kijke... in 't donker kan-je niks uitvoere...
--Kunne ze ons niks make? vroeg bangelijk nu Bet weer.
--Och, je bent net 'n kind.
--Zoo, zei kleine Bet sneu, wat ben jij dan groot!
In 't half-schemer, terwijl de heesters al weer bijna zwart leken, slopen ze naar de struiken bij de groote boom. Wel drie keer waren ze omgeloopen, want telkens stond er een policieagent, die maar niet heen wilde gaan. Maar nu was hij weg en moest het gebeuren.
Hein groef snel, krabbelde met zijn handen in de vochtige aarde, en Bet liep rond, stond op uitkijk, net als de vorige keer. Maar hoe Hein ook de natte grond omwoelde en doorzocht, het papiertje en het dubbeltje vond hij niet.
--Heb je 't nou nog niet... gauw dan toch, snibde en snauwde Betje.
--'t Is er niet meer!
--Je liegt, schreeuwde ineens Betje, die dacht dat hij 't voor zichzelf wilde houden.
--Zoo, nou zoek dan zellef!
Ze grabbelde nu ook even in de grond, maar veel te bang, te haastig, gaf ze het dadelijk op en smeekte:
--Zoek jij nog eens.
Ze zochten wel een uur lang, om de beurten, soms met hun beiden tegelijk, de grond zenuwachtig omwoelend. Vaak moesten ze wegkruipen, als ze dachten dat er menschen aankwamen en begonnen opnieuw.
Eerst, toen 't donker alles vulde en ze rondom niets meer konden zien, gingen ze armelijk en neergeslagen heen.
's Avond kregen ze ongesjeneerd op hun tabberd, omdat ze maar negen centen thuis brachten.
De moeder troefde erop los, zij had niets in huis.
--Late we wegloope, oproerde Hein.
--Dat durf ik niet, klaagde Bet.
--Nou, ma'r, ik kom niet meer bij haar werom.
--Maar Heintje-lief, doe dat niet. Ze zal mij doodslaan.
--Nou, ga dan mee! Ik zal 't wel rooie.
--Dat durref ik niet, klaagde ze weer. De volgende week of de andere maand dan--als ik wat grooter ben geworde.
--Da's gekheid, dan kan-je 't nou ook. Je groeit toch niet in een week.
--Nou, in een maand toch wel!
Ze kibbelden en monkelden er nog lang over na. Kleine Bet durfde niet, sloeg aan 't huilen. Ze riep maar:
--Als ik zoo groot ben als jij Heintje, dan ga ik mee.
En ook zijn durf zonk. Als hij haar achterliet, zou zij alleen de slaag oploopen.
VII.
Een week ging lamlendig en verdrietig om.
Ze bedelden elke dag het lange lijstje af.
Kwaadaardig voelde hij zich omdat Bet niet durfde met hem weg te loopen; haar alleen achterlaten wou hij ook niet. Haar schuchteren en aarzelen ontnam hem nu zelf de moed. Echt belabberd vond hij het en hij kon wel huilen van ellende.
Kleine Bet, miezig en in elkaar geschrompeld, keek hem aan met bedeesde oogen, waarin al haar angst en vrees voor de waagpartij stond te lezen.
Ze wachtte geduldig af dat hij haar een stomp zou geven om zijn woede op haar te koelen. Maar hij deed niets, keek strak en stuursch voor zich uit, taalde zelfs niet naar haar, in zijn ergernis haar geheel vergetend. Dat kwetste haar meer dan zijn ruwste uitval en maakte haar kleiner dan een wurm. De tranen bibberden haar langs de wangen en de lippen vertrokken zich scheef. Ze wilde nu in alles toegeven en meende 't hem te zeggen, maar zijn grimmigheid hield haar nog tegen. Van kwaadheid stampte ze op de steenen en haar korte armpjes zwingelden driftig heen en weer.
Dan in haar uiterste verzenuwing en bereid zich aan hem te onderwerpen, kreeg ze een ingeving. Als ze eens die gemeene straat dáár inging. Wie weet wat daar wel viel te halen? Haar gezicht veranderde ineens van uitdrukking, werd welbewust en zeker. Ze schokte op hem aan, trok hem aan z'n arm en fluisterde hem haar plan in 't oor.
Hij fronste even de wenkbrauwen en schudde haar af, omdat hij 't beschouwde als een listige uitvlucht, een truuk om hem toegevender te stemmen. Maar dan zag hij het voordeel ervan in, en zijn plan van gezamelijk weg te loopen voorloopig terzijde latend, snauwde hij onverschillig.
--In die straat kom je nergens in, ze late je niet eens door.
--Wel'es! hernam ze dadelijk zeker. Ik zal wel zien. Kom jij dan straks ook?
--Ga ma'r eerst. Als ze je te pakken krijgen mot je 't zellef wete; 't staat er vol met smerisse, pas ma'r op.
Ze gaf geen antwoord en liep al op de dwarsstraat toe, de lichtstralende-vunzig-glimmende pretgeul, waar voor elke deur van een tingeltangel een groote, zware portier stond, die aan een koord trok om de deur open te wieken, maar die haar niet binnen zou laten. In dat felle, rosse licht en bij het getjingel van de muziek voelde ze eerst recht haar schamelheid. Nee, Hein had gelijk, ze kwam hier nergens in. Maar dit ontmoedigende besef gaf haar ook weer driestheid.
Moedig klampte ze aan een paar zwabberende jongelui, die niet eens naar haar omkeken en geen ooren hadden voor haar gesmeek. De smerissen, die overal op post stonden, moest ze in de smiezen hoûen en dat maakte verder vragen haast onmogelijk.
Telkens als een portier een café-deur opentrok en schreeuwde: kom binne, kom binne, hier kun-je-je amezeeere, schoof zij er op af, om van het geheimzinnige op de hoogte te komen. Het felle licht, de bonte kleurigheid, de mooi-gekleede dames en de muziek, 't leek haar alles prachtig als de hemel zelf en toch weer had ze schrik ervan door het al te mooie. Als ze toch eens kon binnendringen of stiekum erin sluipen? Maar ze zag dat dit niet zou lukken, als ze het lapte zouên ze haar weer gauw buitensmijten en dan stond de policie er om haar mee naar 't bureau te nemen. Nee, nee, mompelde ze tusschen de lippen, ik moet ergens anders zoeken, waar 't niet zoo licht is en bij meer gewone menschen.
Sjokkerig liep ze de licht-straat af, haar oogen vreemd en toch zoo schuchter, zich nog kleiner makend dan ze al was, om overal door te kunnen. Soms hield ze haar hand op en trok iemand aan de jas en van 'n andere kant kreeg ze dan een duw of stomp.
Zoo ging een heele tijd rond. Ze wilde wel naar Heintje terug, durfde niet voor zijn groote mond. Hij zou haar uitlachen en beschimpen.
Dan gluurde ze opnieuw naar 't vele en felle licht dat overal brandde, luisterend begeerig naar de muziek die telkens in schelle tonen opstooten kwam. Dan waagde ze het erop en trachtte binnen te sluipen, maar de portier duwde haar terug.
--Wat mot je hier, allé weg jij!