De ontredderden. Eerste bundel. I en II.
Part 13
Een zuster stevende stemmig aan. 't Verwonderde hem aldoor, dat niemand aan zijn bed zat, dat hij niemand om hem zag, terwijl hij zich zoo geducht had moeten weren. Toch vond hij het goeddoende zoo rustig te liggen, zoo stil alleen, en nu de zuster op hem aanstreek, liet hij de half-geopende oogen zacht toeluiken, verroerde zich niet.
De zuster boog zich over hem heen; haar warme adem voelde hij op zijn kil gezicht. Strak bleef hij liggen, onbewogen, alsof hij sliep. 't Leek hem dat hij zoolang had gesproken, gevochten en gestreden, dat hij moe en uitgeput nu rust moest hebben. Met gesloten oogen bleef hij staren in 't vage, zich moeite gevend om na te denken.
Hoe raakte hij eigenlijk in 't water en op welke manier, en door wíe werd hij eruit gehaald? Hij wist het niet dadelijk, doch langzamerhand werd 't hem wat klaarder. Nee, hij wou niets meer ervan weten. 't Was om te rillen!... Zachtjes-aan raakte hij weer buiten kennis en dommelde in.
Bij 't opnieuw wakker-worden voelde hij zich helderder, ja minder dof en zwaar van hoofd! De strakke witheid der zaal omlichtte hem egaal koel. Hij kende het hier al, toch moest hij zich klaar herinneren, dat hij in 't ziekenhuis lag.
Een bleek, zwart ernstig man, zag hij voor zich. Natuurlijk de dokter!
Even keek hij naar hem òp, deed weer de oogen toe, om te ontwijken. De ander vroeg hem:
--Nou, hoe is 't d' ermee, baasje?
--'t Gaat nogal dokter... licht in 't hoofd, en ik heb geen beenen.
--Nou, die heb je wel, dàt verzeker ik je!
--O! ik bedoel maar zoo voor 't gevoel...
De dokter nikte, lachte, vatte losjes de pols, nikte weer bevredigend. Baller liet z'n gedachten gaan, een inval schoot bij hem op. Nu vroeg hij, zichzelf verwonderend over de zwakheid van z'n stem:
--Ben ik erg ziek geweest?
--Nou dat gaat nog al... op 't kantje af... aldoor veertig... maar je bent een taaie... stevige longen hoor!
Baller moest erom glimlachen, keek wat ongeloovig en glimlachte nogeens, heel pijnlijk. Dan sprak de dokter opnieuw:
--Ga nou maar slapen, morgen hoor je wel meer ervan!
De dokter tipte al weg,--en hij lag weer alleen. Zoo, zoo! Hij haalde het dus van de dood op. In dat ijskoude water en bij 't nippertje van zinken, geen wonder, dat-ie 'n ziekte ervan opliep. Longontsteking of wat zei de dokter ook weer? Die vreeselijke droomen, dàt vechten en zich schrap zetten, zeker koorts gehad, ijlende koortsen! Vaag zag hij 't vervaarlijk geval, dat zich als een vast schrikbeeld hem vervolgde, nu weer opdagen. Een instinkt zei hem daaraan niet toe te mogen geven. Nee-nee, hij won er niet meer over denken... liever slapen, zich koest houden en eten. Zwaar voelde hij 't vreemde, 't strakke van alles rondom, en dàt drong berustigend op hem in. De zorgen van de zuster deden hem goed. Die zuster zei ook, dat hij niet mocht denken, enkel maar rusten.
Een paar dagen verliepen zonder dat hij zich van iets rekenschap kon geven. Zijn lichaam sterkte aan, 't voelde niet meer zoo vreemd, zoo ijl, en 't werd weer meer één met 't bed, met hem zelf. De vrees voor ijlende koortsen drong elke herinnering van feiten bij hem weg. Hij verstijfde, verstarde zichzelf, maakte zijn geest bot; van 't verleden wou hij niets meer weten, zich niets herinneren, uit vrees dat de verschrikking terug zou kunnen komen. Alle anderen kregen bezoek, maar hij wou niemand zien.
Dan op 'n keer zei de zuster weifelend:
--Daar zijn kennissen van u, vrouw Hesselaar en h'r man... wil u die ontvangen?
Op de naam Hesselaar ontstelde hij al, schudde het zwart-behaarde bleeke hoofd krampachtig, stootte er zenuwend uit:
--Nee-nee, g'n mensch wil ik hier hebben,.... u mag niemand toelaten!
--Heel goed, heel goed! kalmeerde de zuster, 't is ook beter van niet! Ze ijlde al weg.
--Geen mensch... geen mensch! herhaalde hij nog eens, voor zichzelf. Ik wil met niemand te doen hebben.
En zoo bleef het.
De dokter vond 't opperbest. 't Werkte de genezing in de hand!
De dagen streken voort. Geleidelijk-aan werd hij beter, sterker, en hij mocht al eenige uurtjes per dag opzitten, maar zijn weerzin tegen 't verleden bleef. Zijn herinnering omkorstte hij met een starheid van niets willen herdenken.
De Hesselaars kwamen nogeens op 'n Zondag, en ook de vroegere buren, doch hij bleef hardnekkig weigeren ze te ontvangen.
Alleen de dominee durfde hij niet zoo behandelen. Die zat aan zijn bed, zonder dat hij 't recht merkte. De zalvende woorden met wrang eronder de stichtende vermaning van zich te beteren, in 't vervolg zijn God niet te beleedigen, niet zoo te drinken, àl dat geteem liet hij kalm langs zich heenglijden. Wat wist zoo'n man van zijn mizerie... wat begreep hij weinig, als die nog sprak, dat God z'n vrouw uit 't leven nam, om hem wellicht te redden. Hoe 'n kreupele praat. Welnee, z'n vrouw maakte 'n eind d'eran, en daarvoor moest hij boeten, zoo zat het in elkaar! Maar hij hield z'n meening voor zich, vond het niet de moeite waard verder erover te praten.
Door 't volhardend zwijgen, het stugge nikken, merkte de dominee 't mindere gewenscht-zijn, vertrok al gauw, na 'n poosje van onvruchtbaar geredeneer.
't Bezoek van dominee verstarde Baller nog meer in zijn trage denken. Toch welden vragen bij hem op over z'n vrouws dood en het treurige verloop; hij wilde weten op welke wijze zij werd begraven, en waar z'n boeltje bleef. Maar nu nog niet, dàt zou later wel blijken, dan was 't vroeg genoeg!
Het nuchtere dagelijksche leven liet zich vanzelf weer gelden. Schuchter ondervroeg hij de zuster, die een direkt antwoord nog eerst ontweek, hem aan 't eind niet onkundig kon laten en 't dan maar zonder veel omwegen zei.
--Je vrouw, zei ze, is van gemeentewege gekist en begraven... en je huisraad... ja, u begrijpt! de huisbaas moest toch z'n woning terughebben, en toen is het geloof ik, op de stadstimmertuin ondergebracht...
Hij nikte. 't Kon niet anders! Begraven op kosten van de stad?.... Als 'n kind begon hij te schreien.
De zuster troostte, zei dan flink:
--Kom, kom, 't is heel netjes en fatsoenlijk gegaan..... een groot woord van de stad, maar eigenlijk komt het op 't zelfde neer wie de kosten betaalt, ja zeker!
Hij zuchtte. Zijn tranen droogden op,--en hij verstrakte, verstomde weer. Op kosten van de stad, van de armen begraven? Dat was 't lot van haar, die hij tot zijn vrouw maakte. Klaar zag hij voor zich al wat hij haar tekort had gedaan. Jammerlijk was-ie weggezakt van jaar tot jaar en trok haar mee.
'n Schrille gedachte, niet uit hem zelf, maar als van een ander viel hem te binnen. Hij herinnerde zich een vaag gesprek, een gefluister tusschen twee verpleegsters, die meenden dat hij sliep, en die 't over hem hadden, o zeker, omdat al wat ze zeien wel op hem sloeg.
De eene zuster, een rooie, een socialiste, wilde de verpleging van gemeentewege vrijgeviger hebben. Ieder mensch, beweerde ze, had recht op 't leven, op verzorging. De andere weerlegde fel, schamperde dat al die opvattingen maar betreklijk waren; 't kwam erop aan wat je 'n mensch noemde. Kijk 'es naar zoo'n man, wat kost die geen geld aan verpleging, en met welk recht en met welk nut? Alleen omdat-ie geboren is, wil drinken, luieren, praatsmaken zonder te werken? Er zijn tal van dieren, die nuttiger zijn dan al die sterk-beklaagde menschen. Theorieën van geluk voor allen zijn goed, als 't algemeen eerst wat hooger staat. Maak toch onderscheid tusschen menschen en wat er voor doorgaat!
Hij wist niet precies meer wat de andere ertegen inbracht. 't Was iets van de omstandigheden, die de mensch zoo maken, van 'n uitzondering, waarvoor 't geheel niet behoefde te lijden, maar hoe ook, 't raakte hem. En 't was waar. Wat verrichtte hij in 't leven? Niks, enkel ongeluk bracht hij aan. Wat zou hij nou nog kunnen doen?..... niemendal! hij deugde nergens voor. Een afgezakte, een afgetrapte was-ie..... kostte geld voor niets.
Waarom hadden ze hem toch niet laten verdrinken? Dan was 't uit geweest. Nou moest hij opnieuw aan de gang, anderen lastig vallen, en daarbij gebrek lijjen!
De dominee had hem hulp toegezegd en óók de zuster, dezelfde nog wel, die zóó hard over hem sprak. Och ja, zeker, ze wou de moed er bij hem inhoûen, zei telkens dat hij van voren-af moest beginnen.
Maar wat gaf dàt alles? Hij zag de toestand duidelijk voor zich. De kwelling, het tobben begon nu eerst goed.
XII.
Op een schrale Februari-dag, een dag van lichte vorst, felle wind en weinig zon, moest hij 't warme ziekenhuis uit.
Veel lust en moed had hij er niet in, maar vormelijk aangezegd, dat-ie als genezene kon gaan, werd hem geen keus gelaten,--z'n bed gelijk al door 'n ander ingenomen.
Daar stond-ie nou in 't ruwe weer, in de groote stad, op de harde keien. Hij was wel zoowat genezen, doch nog uiterst zwak, veel te zwak, te hulpbehoevend, om 't leven aan te kunnen vatten.
Straat-gewoel en kargehos, geschreeuw en gerel, 't daverde hem van overal in zijn ooren. Zijn beenen wankelden, zijn oogen schemerden van 't menschgedwarrel, dat voortjachtte naar alle kanten. Veel te voorbarig hadden ze hem uit 't ziekenhuis gedreven! Waar moest hij naar toe?
De vlijme wind joeg snijdend op hem toe, schrijnde door zijn dunne kleeren, en 't ijle hoofd leek hem bij al het tumult weg te zijn, ergens naast zijn schouders te zweven. In die drukke straten hield hij 't heelemaal niet vol. Zou hij naar de Hesselaars gaan? Nee, die had-ie zelf afgewezen, ze zoûen niet vriendelijk wezen, zeker over zijn vrouw spreken en daar wilde hij niets van weten.
Hij moest eens naar z'n huisboeltje kijken. Z'n huisboeltje...? Ja, daar had hij wat 'an. 't Beste was dadelijk een jood mee te nemen! Hij bezat geen rooie cent, geen halve zelfs, had z'n laatste geld die verschrikkelijke Zondag uitgegeven. Eten moest hij hebben en voor van avond onderdak. Niets, niets stak er in z'n zak, als een mes, een paar spijkers, een paar knoopen. Dus maar naar de timmertuin, dan schoot hij op en was 't gauw afgedaan!
De eerste rommelkoopman die hij zag klampte hij aan en nam hem mee.
't Armelijke boeltje onder 'n afdak opgestapeld, doorvocht, verschimmeld, uitgeslagen, het ijzer roestig en vervuild, leek eêr inelkaar getrapt dan neergelegd; 't lag er als een saamgeworpen rommel zonder eenige orde of waarde.
Met tranen in de keel liep Baller er omheen. Dan vroeg hij hoeveel hij ervoor zou kunnen krijgen.
De koopman, een gladde sjacherjood die snel takseerde, zei smalend:
--Nah... 't is niet waard om 't voor niks weg te hale, dat zie je me zoo!
Gelijk deed hij of-ie wegging, bleef weer aarzelen, zei dan, bij wijze van gratie:
--Weet je wat... 'k geef je drie honderd cente!
De opzichter van de stadstimmertuin die deze streken kende, joeg de rommeljood van 't erf. Hij vond dat al te kras.
Baller ging op zoek naar een ander.
En die kwam. Door de eerste koopman er op afgestuurd, beneusde, besnuffelde, betastte hij 't boeltje, trok een gezicht en bood nog minder. Meer dan een daalder kon hij er niet van maken!
Ook deze ging van de werf.
Een derde sjacherde aan, maar de opzichter liet hem niet toe, snauwde al van verre:
--Ruk uit, leelijke smauzen. Aasvogels benne jullie, anders niet!!
Hij wist nog wel 'n ander, stuurde een jongen op hem af,--en Baller zat nu, de handen onder 't leeg-aanvoelend hoofd, van ellende te bibberen in de Februari-kou. Drie gulden, wat moest-ie daarmee beginnen? Hij begon de wrakke spullen uit elkaar te halen, om 't overschot van z'n kleeren voor zich te houden.
De bestelde koopman kwam, bekeek met vies gezicht de roestige kachel, betastte de tafel, wrikte aan de stoelpooten, zei kermend:
--'t Hêt veel geleje... met recht erg gerampeneerd... 'k krijg heel wat koste. Meer dan 'n tientje kan ik onmogelik geve! Wat vraag je ervoor?
Dan wroetten z'n handen weer in 't boeltje, terwijl hij hard-op herhaalde:
--Ik kan niet meer geve!!
Tien gulden. 't Klonk al beter, in elk geval meer dan drie, maar 't was toch nog niets. Baller aarzelde, vroeg toen nuchter-weg vijf-en-twintig.
De koopman keek spottend en zei:
--Nou, dan mot ik je groete...
--Maak er twintig van, kwam de opzichter tusschenbeide.
--Twintig, waar mot ik 't uithale? ik doe tweehonderd cente erbij, dat zijn twaalf volle guldes! Ja of nee? Een ander biedt het niet!
Baller moest wel toeslaan. In vergelijking met de anderen leek 't zelfs een kapitale som. Hij ooge-vroeg de opzichter om z'n meening, maar die keerde zich om, trok de schouders op.
--Geef op dan maar! zei hij kort ademig en hield zijn hand al op.
Twaalf blanke stukken vischte de koopman uit 'n grauw zakje, tikkelde ze één voor één in z'n hand, van koû krom en bibberend.
Zie zoo, dat was afgedaan!
Baller bood de opzichter een guldenstuk aan voor z'n moeite, doch de man weigerde, zei welwillend:
--Welnee, je kunt ze zelf beter gebruiken... geef alleen de jonge 'n dubbeltje, dan is 't in orde!
't Handje vol geld nu in zijn zak voelde hij zich rijk en armer dan ooit. Dat was de laatste uitzet, het laatste anker, nou stond-ie voor goed op straat, zou nooit eigen spullen meer hebben! 't Ging scherp door hem heen, beet zich dadelijk in hem vast. Dan haalde hij de schouders op, keerde zich om en strompelde dankend en nogeens dankend, 't erf af, de stad weer in. Waar moest hij naar toe? wat zou-ie beginnen? Zijn maag liet zich al gelden.
Hij kon ergens 'n kosthuis zoeken, maar met zijn geld rekte hij 't dan niet lang. 't Duurde voor twee, hoogstens drie weken en wat dan?
Tot regelmatig werk deugde hij niet. Niemand zou zoo'n uitgepieterde als hij in dienst nemen, dat kon-ie op z'n fikken natellen. Nee, hij moest met dat drupje geld een negocie beginnen en daarmee de boer op, er zou niets anders opzitten. Eerst nachtlogies zoeken, voor één nacht en daarna verder zien.
De onzekerheid van 't bestaan, 't zonder werk-zijn loerde op hem aan, en 't dakloos rondzwerven, dat z'n vrouw afschrikte, haar naar huis terug joeg, zag hij voor zich heel klaar. Hij ontkwam 't niet, moest nu van dag tot dag 't leven bergen. Hij werd een zwerver.
AANTEEKENING
[1] Deze schets en ook de hier achtervolgende zijn uit Machteloozen, dat uitverkocht niet meer in den handel is,--en in De Ontredderden geheel wordt opgenomen.