De ontredderden. Eerste bundel. I en II.

Part 11

Chapter 114,194 wordsPublic domain

Maar lang hield die opgezwiepte moed niet aan. De kille kamer, zóó zonder vuur, strak en stug in de stilte van het vreemd-aandoende vroege zondagsuur, joeg hem schrik aan. Het zich alleen zien werkte vertwijfelend op hem in. Die stroeve naaktheid, de kale kamerruimte met het ééne gordijn nog altijd neergelaten, de onberoerde stoelen, de leege tafel met het bekrabbelde stuk papier, het triestig weer, alles drong sarrend op hem in, gaf hem 't nijpend begrip van de toestand, kneep hem tam en klein. Hij zou het rommeltje kunnen gaan verkoopen aan een jood; maar wat bracht het op? Nee nee, dat niet, hij moest haar zien op te snorren, haar terughalen en zich beteren. Waar kon ze zijn? geld bezat ze niet, evenmin als hij, ze zou om een onderdak moeten bedelen, maar och, een vrouw die handen aan haar lijf heeft, weet zich wel te redden, wordt allicht opgenomen. Toch...

De gedachte aan een ongeluk, dat ze zichzelf van kant zou maken, in een dolle bui niet weten wat te doen, kreeg ineens bij hem de overhand en de angst daarvoor verving nu alle andere gewaarwordingen. Van schrik rezen zijn haren overeind, 't was zoo erg dat hij meende eraan omhoog te worden getrokken.

Hij kalmeerde weer. Je verdoet je niet zoo gauw, zei hij nu, het water is veel te koud, vooral in de winter! Ze zou 't ook wel hebben gezegd, geen letter stond ervan in! Toch, het schrikbeeld eenmaal voor hem opgeroepen, liet hem niet zoo gemakkelijk los, spookte aldoor vinniger voor hem op. Genoeg dreigde ze hem ermee en een wanhopig mensch is niet van zich zelf zeker. In elk geval, hij moest erop uit, 't haar beletten, ver weg kon ze nog niet wezen.

Gehaast en vol schichtige angst, richtte hij zich op, goot water in de kom, waschte zich vluchtig, schoot zijn zondagsche goed aan en ijlde de trap af, de straat op. Dat hij nog niets had gegeten, weerhield hem niet, de angst voor een ongeluk, zat hem door alles heen, joeg hem voort. 't Eerst liep hij naar de Hesselaars, dan overal waar zijn voeten hem maar droegen. De geheele lange namiddag rond zocht hij haar. Telkens keerde hij op zijn kamer terug in de verwachting, dat ze misschien wel uit haar zelf zou komen, maar ook telkens bleek het niet zoo te wezen; ze was weg en bleef weg, ze daagde niet op. De wanhoop greep hem aan. Wat moest er van hem terechtkomen als zij niet meer voor hem zorgde? Hol en kil, schrikwekkend leeg was de kamer en 't leek hem of 't weinige dat er nog stond hem verweet zijn wankelmoedigheid en zijn onhartelijk zijn, of de huiverkilte van 't vertrek hem zelfs aanklaagde. Honderde keeren had ze gedreigd weg te loopen en vele malen beangstte 't hem voor een oogenblik in de vrees dat ze er werkelijk eens toe mocht overgaan, maar diep-in had hij toch niet geloofd dat zij het ooit zou doen. En nu was het zoover, nu stond hij alleen, heel alléén, niemand zou meer naar hem omzien omdat hij was een onbruikbaar mensch, een vod. Dat was nu de vrouw voor wie hij zijn toekomst had verbeurd, het meisje dat hij tegen de zin van zijn familie trouwde en die de oorzaak werd van zijn afzakking. Blinde woede joeg hem op, armzalige onmacht plompte hem weer neer. Huilschokkend, het nietig hoofd weggegraven in zijn handen, bleef hij zitten en heel zijn teruggang, zijn verval, wielerde in klare beelden door zijn brein. En toch, 't was zijn eigen schuld en van niemand anders. Hij had haar niet moeten trouwen, een meisje moeten nemen uit zijn eigen stand, één die hem begreep en met wie hij dezelfde man had kunnen blijven, doch eenmaal die afzakkende pas gezet, diende hij dubbel sterk te wezen en als twee man te werken. Dat had hij niet gedaan, niet kunnen doen en 't einde werd, dat zij voor hem moest inspringen, zich nu ook als de meerdere liet gelden. Dat had hij niet kunnen verkroppen, daartegen verzette hij zich met alle macht en dan dronk hij maar een borrel. Zoo zakte hij al meer af, zoo zonk hij al dieper,--en nu voor 't eerst in die wrange verlatenheid voelde hij door de woede heen zijn ongelijk. Je kon je als man alléén laten gelden als je werkelijk man bent; anders dien je te kruipen en willig te aanvaarden.

Hoonend klonken die woorden, die bittere zelfverwijten in hem op. Schampend om zichzelf te pijnigen herhaalde hij ze vele malen. Dan begreep hij weer, dat huilen en lammenteeren niets gaf, dat hij op zijn zoek moest om haar terug te halen en saam een nieuw leven te beginnen. Ja, hij zou zich beteren, hij zou niet meer drinken, haar nukken verdragen, tot hij weer geregeld werk vond en haar toonen kon dat hij, hoewel afgezakt tot gewoon werkman, toch ook een man uit één stuk kon zijn.

't Begon nu al te donkeren. Opnieuw daalde hij de nauwe traptreden af, doorliep de straten, ging nogeens bij de Hesselaars aan.

--Welja, je vrouw is hier geweest, zei Greet lachend, ze is al naar huis toe, je mot haar zijn tege gekomme, maak maar voort! Hesselaar lachte mee.

Een zware angst viel van hem af, maar een ander gevoel van angst steeg bij hem op. Dat ze nu nog terug zou komen leek hem zoo onwerkelijk, zoo vreemd, dat hij zijn eigen ooren haast niet gelooven kon en aarzelend staan bleef in de deur.

--Vooruit, ga nou gauw en zoen het weer af, is dat een manier van doen om elkaar 't leven zoo lastig te maken!

Baller wilde d'er wat tegen in brengen, maar Hesselaar sneed hem de woorden af, zei al weer:

--Kom, verleuter nou niet je tijd, 't hêt al lang genog geduurd.

--Ja, antwoordde hij zuchtend. Dan stommelde hij weg, de Hesselaars nog bedankend.

Op straat moest hij acht geven en voorzichtig stappen, omdat het zoo glad was. Een kleinigheid en je lei op je achterste, een ongeluk zat in een klein hoekje. Zou ze al thuis wezen en op hem wachten, vroeg hij zich nu weer, en zou het nog eerst ruzie geven? moest hij haar de huid vol schelden of zelf soebatten? Hij begreep maar niet dat ze al boven zou zitten, en toch kon dat dubbel en dwars, ze was vóór hem bij de Hesselaars weggegaan en die zoûen hem niet bedriegen. Vreemd, telkens meende hij haar te zien, daarstraks al om de hoek en nou weer.... Ho pas op! anders tuimelde hij nog.... verduiveld, wat was 't glad, je mocht wel sokken onder de schoenen hebben! Ieder keer als hem een vrouw voorbijging meende hij haar stem te hooren, kwam geheimzinnig gefluister alsof er om hulp werd geroepen op hem toe. Nou, hij zou blij zijn als hij boven zat en alles weer in orde was. Honger had hij voor zes.

Met maakte hij weer zoo'n valsche glipper. Verdikkeme, ze mocht ook wel oppassen, een mensch was met die gladdigheid z'n leven niet zeker, maar dat hoefde hij niet te zeggen: ze was allang uit de narigheid, al bezig om aardappelen op te zetten. Voetje voor voetje, strompelde hij door en zijn leege maag plaagde hem niet minder.

Aan de overkant van de gracht hoorde hij plots groot tumult. Misschien een ongeluk gebeurd, zou hij er langs gaan? Welnee, hij had nu geen tijd!

Toch gingen zijn voeten de brug al over, die kant uit; 't liep ook zoo ver niet om. Langzaam-aan naderde hij, maar 't gaf hem niet veel, het stond er zwart van de menschen, er viel weinig te zien. In 't voorbijgaan hoorde hij het: een vrouw overreden en morsdood. Hij schudde zijn klein baardig hoofd, voelde zich verheugd in 't besef, dat zijn eigen vrouw nu wel thuis zou wezen. Wie weet wat haar met die gladdigheid zou zijn overkomen, indien ze was blijven dwalen.

Een policieman daagde op, joeg de menschen uit elkaar. Hij hoorde nu dat de vrouw nog aldoor onder de hoeven lag, een oude vrouw naar ze zeien. God-in-de-hemel, de hoeven sloegen als een wervelwind zoo rap en 't vuur ketste over de ijsbevroren steenen; wagen en paard radouwden en schokten door elkaar.

Baller liep door. Even had hij gedacht.... geprobeerd te onderscheiden... of 't misschien niet zijn vrouw kon wezen, maar er viel niets te zien, ze lag onder 't paard, welnee, ze zeien toch een oude vrouw, en nu voorzichtig om niet te struikelen en uit te wijken voor die dringende menschen ging hij voort, om nu maar gauw thuis te zijn. Op een afstand bleef hij weer staan, om nog eens uit te kijken.

De roodpuisterige koetsier, die eerst op de bok was blijven zitten om het paard op de pooten te krijgen, was er nu toch afgesprongen en trachtte zijn knol uit te halen. Hij rukte zoo fel aan de leidsels dat het paard steigerde, doch op de ijsgladde keien vonden de hoeven geen pak. 't Beest, half overeind, spartelde en struikelde, sloeg weer neer, zichzelf rameiend, zich haast wurgend in de leidsels en 't nauw gareel.

--Hou op, hou op! dacht Baller luid. Ook de omstanders schreeuwden:

--Je vermoordt haar, je maakt 't arme mensch heel'maal kapot!

De koetsier liet de leidsel vallen, tierde terug:

--Verrek jullie... help ook 'n handje... weten jullie 't soms zoo goed?

Dan stond hij zelf versuft en wist niet wat te doen. De omstanders raasden en tierden, geen had het rechte besef de ongelukkige te verlossen. Arme Baller wist ook niet te helpen, zijn handen stonden toch verkeerd, hij had zelf moeite om op zijn voetjes te blijven...

De policieman drong nu in de kring, duwde de schreeuwende menschen op zij, greep het paard bij de kop, en dadelijk hielpen tien, twaalf handen.

--Hou de bonk van achteren vast, beet hij de koetsier toe, zorg dat-ie niet opslaat!

--Een, twee, drie hallo!... één, twee, drie vast!

Met hun allen hieven ze 't paard van voren op.

--Niet te veel, niet te veel! bevelhebberde de policieman. Zoo... trek weg 't mensch!!

Vele handen grepen toe, en nu 't paard wat terzij en opgeheven, ontstond er ruimte. De verongelukte konden ze naar de andere kant uithalen.

--Dood! zeien eenigen.

--Een dokter... naar de apotheek! gilden velen door elkaar.

--Een brankard! riep de policieman tegen een andere agent die net kwam toegeloopen.

Vier, vijf mannen droegen het in-elkaar-gezakte lijf, de kant uit naar de apotheker, terwijl de tweede agent zich met koetsier en paard bemoeide, om de weg weer vrij te krijgen.

--Verschrikkelijk! schandalig! murmureerden de menschen die Baller passeerden.

De koetsier stond overend, om 't ongeluk uitéén te zetten. 't Zweet gutste hem onder zijn lakhoed weg, siepelde over zijn gezwollen gezicht.

--'t is niet mijn schuld, verweerde hij zich fel. Als iemand zich voor de knol gooit, wie kan d'er tege?

--Je bonk hêt g'n belle! gierde luid een opgeschoten jongen.

De koetsier dreigde met de vuisten, de jongen week terug, schreeuwende:

--Maak m'ar niet zoo'n heibel... Je bent er toch nakend bij!

--Kan ik 't helpe as de baas geen belle het... alle paarde benne uit, verweerde hij zich.

--Zoo'n schoft! schreeuwde er weer een. Dát waagt de menschen er m'ar an.... je most je schamen, moordenaar...!

De koetsier, in wilde woede, wou hem te lijf, maar z'n paard lag d'r nog, dàt moest eerst op de pooten. Policieman noteerde al zijn nummer, de stal en zijn naam.--Heel goed zoo! dacht Baller die het in de verte had aangezien en nu wilde doorgaan.

De eerste agent, weer toegeschoten, zei kortaf tegen de aapjesman:

--Je gaat mee naar 't beroo!!

Koetsier, eindelijk 't paard op de pooten gekregen, 't lemoen gebroken, wou er tusschen uit, raasde en vloekte van belang:

--Je weet toch m'n nummer en m'n stal! 't Is Zondag... 'k mot verdiene!!

--Zoo'n schoft, schreeuwden weer de menschen. Hij mot vérdiene, of hij de menschen doodrijdt raakt hèm niet, as-ie ma'r verdient!!

--Vooruit! zei barsch de agent.

Al had hij 't nummer en de stal, er moest satisfaktie worden gegeven. Hij keek uit naar getuigen, om 't geval te bevestigen.

In zwarte wriemel lawaaide droef de optocht de brug over naar 't bureau.

IX.

Baller, nu straf doorgeloopen tot in de straat waar hij woonde, verwonderde zich geen licht te zien achter de ramen. Zou ze nog niet thuis zijn? hee dat bevreemde hem... òf zou ze boven in donker blijven zitten om eerst met hem af te rekenen?

Beide onderstellingen vroolijkten hem niet op, hij had zich nu al ingedacht, dat ze aan 't koken of aan 't koffiezetten zou wezen, zoodoende alles weer in orde. Hoe hooger hij de steile trap opklom, te minder zeker voelde hij zich zelf, och, als 't nou maar geen tranen en lammentaties zou geven, de dag was al ellendig genoeg geweest!

Er viel iets kils over hem nu hij de deur opende, haar naam riep, haar niet zag en ook geen antwoord bekwam... De Hesselaars zoûen hem toch niet voor de mal hebben gehouden, nee-nee, dat geloofde hij niet. Onthutst liep hij een paar keer de schemerstille kamer op en neer, schoof toen het raam op om eens naar buiten te spieden of hij haar soms niet zag aankomen. Ongerust voelde hij zich worden terwijl hij staarde naar 't wijkende licht van de vriesdag, die boven de al zwaar-donkerende straatgeul met vele schaduwvlakken in de diepte, onmachtig bleekte. En opeens, hij wist zelf niet waardoor, schoot de ontzettende gedachte in hem op, dat de vrouw daarginds overreden, waar hij naar had staan kijken, weleens zijn eigen vrouw kon zijn geweest, dat ze dood en vermorseld haar zoûen thuisbrengen. Hoorde hij daar al niets?... Hij meende werkelijk stemmen en radergewiel te vernemen, stemmen van: hier heen, hier is 't! Nee-nee, dat zou niet mogelijk kunnen wezen, hoe kwam hij aan zoo'n veronderstelling, was hij dan krankzinnig? Vol angst over zijn eigen gedachten trok hij 't hoofd gauw binnen, liep met een stomp hoofd de kamer een paar keer heen en weer, en wou het licht gaan opsteken, de kachel aanleggen.

Zeker, als 't lekker warm was en 't licht brandde, zou ze, als ze straks kwam wel bijtrekken en niet te veel lawaaien. Misschien ook beter zóó. Iets zei hem, dat ze nu wel gauw zou komen, zóó tegen donker. Maar, terwijl hij zich dit inpompte en de kachel niet wilde branden, overviel hem weer een vaag voorgevoel. Wat gaf het of hij hier al vuur aanleî, als ze toch niet opdaagde.

Stemlawaai op straat trok opnieuw zijn aandacht. Snel schoof hij 't raam op om te kijken, maar hij zag niets: de straat met de winkels zondags-gesloten lag al geheel donker, als een zwarte, lange gleuf, waarin de menschen krioelden. De koude wind sneed venijnig hem om d'ooren.

Bij 't binnentrekken van zijn ijl-aanvoelend hoofd meende hij vlak beneden, vóór de deur, menschen te zien staan; en zijn oor vernam gestommel op de trap. M'n God, dat zou toch voor hem niet wezen? Ontsteld trok hij zijn hoofd naar binnen, drukte het schuifraam toe, luisterde in harteklop. 't Gestommel op de trap werd luider, kwam hooger, al hooger. Hij wou de deur opensmijten en zich overtuigen, doch hij durfde niet door zijn slecht geweten.

Het voorgevoel nam in een paar tel 't begrip van zekerheid aan. Geen twijfel meer. Gotogot! Zijn vrouw was het die het ongeluk overkwam... nou werd ze thuis gedragen. Hij wachtte... wachtte... over al zijn leden bevend.

't Lamplicht roodde voor zijn oogen, als huilerige vlammen. Gekheid, gekheid! mompelde hij nog, maar hij kon zich niet meer beheerschen, hij moest het weten.

Plots hoorde hij roepen.

--Baller... Baller...

Met rukte hij de deur open, keek met starre oogen naar beneden, doch in 't donker viel niet te onderscheiden. Wel hoorde hij gepraat en gestommel. Opnieuw riepen ze hem bij z'n naam.

--Ja... wat is er? stootte hij er schor uit, bevend en bibberend, beducht om de waarheid te vernemen.

--Je vrouw... we brenge je vrouw... een ongeluk gebeurd!

Baller stortte zich al de trap af. De menschen schreeuwden hem toe:

--Blijf boven... je kunt hier niet helpen... Licht ma'r liever wat bij.

Stijf van schrik bleef hij staan, klauterde weer de trap óp, greep de peer uit de hanger, boog zich over 't hek, òm wat licht in de donkere trapholte te laten schijnen. O God, hij keek vlak in 't afgewasschen en toch weer bloedend gezicht van zijn vrouw, die ze met hun vieren naarboven sleepten. 't Was of de lamp hem zou ontvallen; hij gaf een nijpende schreeuw, moest zich vasthouden om niet te tuimelen. Geen woord wist-ie eruit de brengen; hij beefde over al zijn schonken. Dan terwijl ze met het bloederige, in elkaargezakt lichaam naar boven scharrelden en het in de kamer legden, brak hij los in een huil van jammerklachten.

De mannen raakten in verwarring, wisten niet wat ze moesten zeggen. Ze keerden zich af, één nam hem bij de arm, troostte op ruwe wijze:

--Kom kerel hou-je goed.... wees een man.... daar is niks meer 'an te doen!

't Ongeval, waaraan hij twijfelde en toch wist, dat hij vermoedde en niet wilde weten, werd nu voor Baller klaar, onafwendbaar-zeker. Hij rukte zich los, schreeuwde:

--Wat? Wàt zei-je daar?

Haar bloederig verminkt gezicht, dat hem eerst weerhield, trok hem nu onweerstaanbaar aan. Hij stortte zich op haar neer, riep hartstochtelijk haar bij de naam, klaagde zichzelf aan.

--Nee-nee, schreeuwde hij pijnlijk, je bent niet dood... je kunt niet dood zijn.... antwoord toch.... doe je oogen open.... zeg dan één woord!

Allen op de kamer zwegen, niemand dorst een woord zeggen, zelfs geen kik te geven; 't geval was al te verschrikkelijk. Als een waanzinnige betastte hij haar harde lichaam, dat nog warm aanvoelde. En opeens kreet hij weer:

--Nee-nee, ze is niet dood! Een dokter, gauw 'n dokter.... om 's hemelswille een dokter!

Een van de mannen sprak nu hakkelend:

--'t Zal niet meer geve.... de dokter is d'r al bij geweest.... de schedel gebroke!

--Nee-nee, ze leeft.... een dokter, een dokter!

Met een wilde zet sprong hij op, greep zijn hoed, rende de trap af, tuimelde bijna naar beneden. In zenuwende jacht holde hij de straat over, met de rapheid, die de bangheid hem gaf, door de zondagsmenschen zich banend. Hij voelde niets van de kou, zag geen gevaar, al glipte hij herhaaldelijk van de beenen. De straatsteenen glinsterden van 't geribbelde ijs, enkel hier en daar lag zand gestrooid, of was de weg platgereden, maar daaraan stoorde hij zich niet.

De busdokter woonde ver, een vermoeden beving hem, dat hij nu op zondag en een ongelegen uur, niemand thuis zou vinden; 't liet zich wel denken. Doch hij ijlde niet minder gejaagd voort, stond al op de stoep, zich het zweet van zijn behaarde gezicht wisschend. O, zooals hij dacht, de meid zei kalm:

--De dokter is niet thuis!

Geduldig-zeker schreef ze naam en straat op de lei. Wat nu? Hij liep weer voort, op goed geluk de huizen langs, beglurend de naamplaatjes, om bij de eerste de beste onbezwaard aan te bellen. Maar 't scheen of wel nergens een dokter woonde, anders zag hij de namen bij de vleet en nu geen enkele. Keerde dan alles zich tegen hem?... M'n God, z'n vrouw ging sterven! Hij hield dezelfde straatkant, om niet af te dwalen, niet te ver van honk te raken,--en eindelijk zag hij 't naamplaatje van een dokter, belde hard aan zonder bedenken. 't Duurde een heele tijd voor de deur zich opende; de meid, knorrig, dat ze van 't werk werd weggehaald, bitste:

--De dokter is uit en je hoeft niet zoo geweldig te luien, wij zijn niet doóf!

--Stik! zei hij woedend en liep alweer weg.

Eenige passen verder vond hij een ander, kreeg er 't zelfde bescheid, en dit herhaalde zich op drie, vier plaatsen; nergens trof hij de dokter thuis. Dat was of ze hem zware mokerslagen toedienden, hem wurgden, zoo knauwde het hem; hij zakte haast inéén. Maar 't besef dat hij schuld meedroeg aan z'n vrouws ongeluk zwiepte hem opnieuw voort, al begreep hij nu wel, dat ingeval er nog hoop had bestaan, die zeker zou zijn verloopen. Hij liet daarom niet los, zijn halsstarrigheid verzette zich ertegen. In starre woede belde hij aan overal waar hij maar een doktersplaatje aan de deur vermoedde; en hij schold en schimpte al te voren.

Tot hij eindelijk moe en uitgeput niet meer kon en ook ineens het onnoodige van zijn pogingen inzag. Zijn vrouw was dood, morsdood, wat hielp het, al haalde hij alle dokters van de wereld er bij? daarmee bracht hij haar niet tot het leven terug. Toch kon hij 't ook nu nog niet aannemen dat er werkelijk geen hoop meer bestond, nee dat zou al te wreed wezen, hij moest nou naar huis terug, zeker hadden anderen al lang een dokter gevonden, terwijl hij hier als een halve gek liep te razen.

't Leek hem zoo geloofwaardig wat hij zichzelf opdrong, dat hij in sukkel-gauwe draafpassen over de gladheid van de straten naar huis terugrende, bij elke voetstap struikelend, geheel op, bijna zonder adem, kwaad op zichzelf dat hij zoo ver uit de buurt raakte. Ja, nou zou hij 't spoedig hooren, nou zou hij 't weten of er nog hoop overbleef. Driest en weer vol moed schoot hij zijn straat in. De menschen stonden er te praten, hielden ineens op, spraken fluisterend terwijl hij voorbijging. En nu hij met moeite de hooge trap opklauterde, ontviel hem ineens alle hoop en vertrouwen. In een snik barstte hij uit en zoo hevig, dat hij op 't overloop moest blijven staan en zich niet naar boven kon slepen. Dat duurde maar een korte poos die hem heel lang toescheen, dan vermande hij zich, nam alle moed te zaam en oogenschijnlijk bedaard schoof hij de kamer binnen, liet hij zich op een stoel neerzakken, stiet hijgend eruit:

--Geen dokter te vinden!

De buurvrouwen keken medelijdend en wisten niets te zeggen. Ze fronsten de wenkbrauwen, schokschouderden, en staarden elkaar aan met open oogen.

Angstverwekkend stond de stilte in 't vertrek. Dan ging een van de vrouwen op hem toe, vroeg of hij een glas water wilde hebben, zei zacht dat hij zich nu kalm had te houden.

De andere vrouwen beraadslaagden verder, zeien onder elkaar, dat ze de doode moesten afleggen, anders werd 't lijk te stijf.

--Wat zeg-je d'ervan Baller?

Baller, bleek en stijf, verroerde zich niet; zijn gedachten zwegen, 't was of hij versteende.

--Wàt, wàt, schrikte hij op, wat zeg-je... kleede?

Hij zei geen woord verder, zakte in elkaar, begon te schokken van zenuwkramp.

De vrouwen moesten nu toch besluiten, 't was zondagavond, en geen had veel lust of tijd. De mannen wachtten thuis... 't moest dus gebeuren. Een ging naar de kast om schoone onderkleeren te krijgen, maar de planken waren leeg; alleen mansgoed lag er opgestapeld. Zij schudde Baller weer door elkaar, zei:

--Hè, geef 'es antwoord... waar is 't goed? D'er lig niks!

--'t Goed? 't gòèd... dat weet 'k niet!!

--Zit dan niet te suffe... kom 'es kijke!

Zonder te beseffen wat hij deed, stond hij op, wankelde naar de kast. Dan werd 't voor hem helder; hij zag de schappen leeg. En nu weer voor hem ziende zijn eigen misdrijf, riep hij:

--Ze hèt 'et mee genomen... o God, ik weet 'et niet waar 't is gebleve... 't is weg!!

Dat gaf een nieuwe alteratie, de vrouwen zaten er mee in, ze hadden zich te redden, maar hoe...? Wist dan niemand waar 't linnengoed kon wezen? Ze stonden elkaar in verwarring aan te gapen.

Baller, versuft en verslagen, zakte op de stoel terug. De buurvrouw van links, de meest kordaatste, begon aan te pakken, de doode af te wasschen, de wonden wat bij te halen. Baller zat er wezenloos naar te kijken. Het gezicht, verschrikkelijk door vele schampen en wonden, waaruit het bloed bleef vloeien, scheen hem baldadig aan te grijnzen. Schrik en moedeloosheid hadden de trekken gegrift tot een schril verwijt. Hij herkende haar haast niet, zooals ze daar lag, het gezicht krijt-wit, met groenige vegen, onder 't vale haar, hij herzag haar ineens zooals ze gisteravond dreigend voor hem stond, toen hij ontglipte. Die dreiging vond hij nu terug in al haar trekken en dat maakte hem wild.

--Ik hoû 't niet uit.... ik hoû 't niet uit! gilde hij. Schuw sprong hij op, jaagde de trappen af naar beneden.

De vrouwen knikten tegen elkaar: arme man! Dan zochten ze saam wat er nog lag en gingen voort om de doode af te leggen.

X.

Baller holde voort zonder bezinning.

Straat-uit, straat-in jakkerde hij door, liep zich buiten adem. De verschrikking joeg hem al meer op. 't Was zijn schuld... zijn schuld!! Dat ze per ongeluk onder 't paard raakte, kon hij niet gelooven, ze had 't zelf begaan om hem te straffen, om uit haar leven te komen, hem daarmee te vervolgen. Haar bedreiging van gisteravond zag hij schrikbarend groot. Heel zijn eigen misgegaan leven, al zijn misse daden sloegen fel voor hem op, gingen hem aanklagen.